Lord Lister No. 0042: Ongewenschte wraak

Part 2

Chapter 24,039 wordsPublic domain

„O, mijn hemel, wat zal Ellinor zeggen! Nu is het gedaan met mij!—En mijn betrekking ook verloren!”

Met deze woorden wendde hij zich af met een groetende handbeweging en verliet het vertrek.

Lord Lister zag hem vol medelijden na. Hij zou wel lust hebben gehad om hem te volgen. Maar wat had de jonge ingenieur hem nog kunnen meedeelen, dat hij niet reeds wist?

En misschien was het voor dezen nuttiger, wanneer hij zijn navorschingen naar den oorsprong van deze geheimzinnige misdaad op de plek zelf voortzette.

Daar Lister onwillekeurig achteruit was gegaan, om den wanhopigen ingenieur na te kijken en dicht bij de deur naar de andere kantoorlokalen stond, kon hij daar een dienstman zien, die hem een wenk gaf. De andere personen, die zich meer in het midden van het vertrek bevonden en beide heeren Apsley konden den dienstman niet zien.

Lord Lister herkende oogenblikkelijk Charly in een van zijn meest geliefkoosde verkleedingen. Zeer gevat wendde hij zich tot kapitein Baxter:

„Ik wil toch even met den armen, ongelukkigen jongen man meegaan om hem een paar troostwoorden toe te spreken. Hij zag er zoo wanhopig uit!”

„Ja”, sprak de reeder op huilenden toon, „doe dat, ik zal er u zeer dankbaar voor zijn!”

De „Yankee” was reeds naar buiten gegaan en sprak met Charly, die hem vertelde, dat alles in orde was en dat de banknoten in de villa verborgen waren. Lister fluisterde hem toe, dat hij nauwkeurig op moest letten, waarheen de oude en de jonge heer Apsley zich, na het sluiten der kantoorlokalen, zouden begeven. Hij moest hen in elk geval, maar voorzichtig en onopgemerkt volgen. Als zij elk een anderen weg namen, moest hij den ouden heer volgen.

Charly was vol vuur voor deze gewichtige opdracht, die zijn meester hem gaf en verdween om, zonder opgemerkt te worden, tusschen de menschenmassa, die zich nog steeds voor het reederskantoor bevond, zijn observatiepost in te nemen.

Schouderophalend kwam de dikke Amerikaan het kantoorlokaal weer binnen, waar Scotland Yard zich rondom de heeren Apsley had verzameld. Toen de oudste der beide heeren hem weer zag komen, kon hij een grimmig „vervloekt!” niet onderdrukken.

Daarop echter gaf hij zijn zoon een wenk en deze moest zijn vader onmiddellijk hebben begrepen, want hij wendde zich zeer beleefd tot kapitein Baxter en sprak:

„Hebt gij nog gewichtige vragen te stellen, kapitein? Gij ziet, hoe mijn vader onder den indruk is van het voorgevallene. Hij heeft nu dringend behoefte aan rust. Ik wil hem echter vannacht niet alleen laten met zijn verdriet en wanhoop. Gij zult dat begrijpen!

„Wie weet, tot welke dingen hij na dit ontzettend verlies zou komen! Ik zal hem meenemen naar mijn woning in het Oosteinde, dicht bij onze werven, bij de Commercial Docks.

„Ik maak mij ongerust over hem en ben dat dus verplicht.

„Als wij u nog met inlichtingen van dienst kunnen zijn, zijn wij daartoe gaarne bereid!”

„Ik zou niet weten...”, antwoordde Baxter, zich achter de ooren krabbend. „Denk eens na, Mr. Apsley, of gij nog het een of ander hebt vergeten mee te deelen. Uw berichten zijn duidelijk, maar zij wijzen ons den weg niet om deze geheimzinnige misdaad op te helderen”.

De beide heeren Apsley keken elkaar, zooals Lister zeer goed merkte, met een knipoogje aan.

„Welnu, waarde kapitein”, sprak de zoon, „als gij ons geen verdere vragen hebt te stellen, dan zouden wij ons nu gaarne, vooral in het belang van mijn vader, die zeer ontdaan is, terugtrekken! Mij vindt gij, zoo noodig, morgen op de werf.

„Mijn vader zal wel hier moeten zijn om met zijn personeel de balans op te maken voor de insolventverklaring.

„Natuurlijk zijn wij gaarne ten allen tijde tot uw beschikking!”

„Ik vind het uitstekend, dat gij u nu terugtrekt, heeren!” antwoordde kapitein Baxter zeer voorkomend.

„Gij hebt het protocol immers geteekend en verdere vragen heb ik u voor het oogenblik niet te stellen”.

Met een groet verliet de reeder, leunende op den arm van zijn zoon, de kantoorlokalen, terwijl de beambten van Scotland Yard hem met meewarige blikken volgden.

VIERDE HOOFDSTUK.

EEN MODERNE LIJKENBEZWERING.

„Als nu Dr. Warrens hier was”, sprak Baxter, toen de beide heeren waren heengegaan, „konden wij aan ons ander werk gaan!”

„Gij hebt zeker nog veel te doen, vannacht?” vroeg Mr. Shaw met goed gespeelde belangstelling.

„Dat zou ik denken”, antwoordde de kapitein in het bewustzijn van zijn gewicht. „Eerstens zijn wij van plan een groote opruiming te houden onder het gepeupel, dat in Eastend weer de overhand krijgt en wij drieën kunnen daarbij, als hoofdpersonen, niet gemist worden”.

„Zeer begrijpelijk!” sprak Lister.

„Kapitein!” riep Marholm, verheugd naar de deur wijzende, „als men van den duivel spreekt... Daar komt de dokter juist!”

„Gij komt als geroepen, Dr. Warrens”, begroette Baxter den binnentredende, „daar achter ligt uw patiënt, die u wel niet veel werk zal geven. Hij is zoo dood als een pier!”

„Dood? Welk soort van dood?” vroeg de jonge dokter vol belangstelling.

„Mijn beste dokter, het is een prachtig geval, zooals gij dat waarschijnlijk noemt, al zegt gij het ook niet, van verwurging”.

„Wat? Verwurging? Wat gij zegt! Inderdaad, dat is prachtig! Een geluk, dat ik al het benoodigde bij mij heb! Waar is hij? Daar achter?”

„Die grappenmaker van een dokter!” riep Baxter vroolijk uit, „net zooals ik zei! En neem mij nu niet kwalijk! Wij hebben namelijk nog zeer veel elders te doen. Het is al laat en men zal op ons wachten.

„Dus veel genoegen met uw interessant geval! Maar een ding verzoek ik u, maak dat gevaarlijke sujet, den meest beruchten inbreker van geheel Engeland, bijgenaamd „Sloten-Bob”, niet weer levend.

„Dat zou u weleens slecht kunnen bekomen en Scotland Yard is blij van dien kerel bevrijd te zijn.

„Hier is het protocol. En als gij nog verdere inlichtingen wenscht, dan is hier—gij blijft immers nog een poosje, Mr. Shaw? Misschien stelt gij er belang in, de lijkschouwing van Dr. Warrens bij te wonen?—dus Mr. Shaw, die alles heeft gehoord. Hij zal u zeer zeker eventueele vragen gaarne beantwoorden!”

„Zeer aangenaam, dokter”, sprak Lord Lister lachend, terwijl hij den dokter de hand reikte.

„Als gij een assistent noodig hebt, ben ik gaarne tot uw dienst! Gij weet, dat wij Amerikanen veel practischer zijn dan andere menschen!”

„Nu, Mr. Shaw, ik zou u misschien wel eens aan uw woord kunnen houden”, antwoordde de jonge dokter.

„Ik wensch niet anders”, antwoordde Raffles vriendelijk.

Reeds wilden de detectives met een groet heengaan, toen bij de deur luid geschrei werd vernomen.

Marholm snelde vooruit en kwam terug met de mededeeling, dat de vrouw van „Sloten-Bob” met haar kind bij de deur stond en naar binnen wilde om haar man te zien. Of de agent haar wilde binnenlaten?

Nog voordat Baxter had kunnen antwoorden, riep de dokter:

„Ja zeker, dat komt prachtig uit. Laat haar maar binnenkomen. Ik wil namelijk een proef nemen en haar aanwezigheid daarbij is mij misschien van groot nut!”

„Nu, als u het goed vindt, dokter, mij is het onverschillig. Dus Marholm, zeg haar, dat zij mag binnenkomen!”

Een verloopen wijf met een uitdrukking van lafhartigheid op het magere, pokdalige gelaat, waar omheen grijze haarstrengen ongekamd fladderden, trad, in vuile lompen gehuld, met een ongeveer vijfjarig kind aan de hand, snikkend en weeklagend nader.

„Daar achter ligt je man, die fijne vechtersbaas, gesnapt bij den inbraak en bij het leeghalen van de brandkast. Maar wees gedwee, je hebt te doen, wat mijnheer de dokter je beveelt!

„Dus vaarwel, heeren! en veel succes!”

Met die woorden verlieten de drie detectives de kantoorlokalen der firma Apsley en Co., waar een zoo geheimzinnige misdaad was gepleegd.

Intusschen was dokter Warrens met zijn koffer nader gekomen en Lord Lister was hem in gespannen verwachting gevolgd naar den doode.

Wat wilde de dokter nu doen?

Toen de vrouw, die hen schuw was nageslopen, haar man daar zoo stijf en onbeweeglijk zag liggen, begon zij te snikken en te weeklagen en ook het kind begon hartverscheurend te huilen.

„Goede vrouw”, zei de dokter, „ik begrijp uw verdriet en waardeer dat. Het strekt u tot eer en zelfs den doode daar! Maar ik kan mij nu niet laten storen, ik heb te werken! Maak u liever nuttig en kleed uw man uit.”

De vrouw begon dit met trillende vingers te doen.

De dokter ontdeed zich van zijn overjas en opende zijn koffer.

„Ieder oogenblik is kostbaar! Een dergelijk gelukje heb ik nog niet gehad. Bij lijken met schotwonden is niets uit te richten! Door de kogels worden verschillende deelen gekwetst, die niet weer te herstellen zijn.

„Bij natuurlijke sterfgevallen of bij verwurging zijn nog alle organen, in den regel ten minste, onaangeroerd, zoodat de proef, die ik wensch te nemen, belooft te zullen slagen of in elk geval mogelijk is!”

De doode was nu met behulp van Lister en van den dokter door de vrouw ontkleed en de arts onderzocht de lichaamswarmte.

„Dat treft bijzonder”, mompelde hij, zelf ontdaan. „De warmte is nog zeer aanmerkelijk!”

Bij die woorden wierp hij een van de groote venstergordijnen over hem heen. Hij masseerde hem een weinig aan den hals en bracht daarna, nadat hij den mond had geopend, de door de verwurging naar voren gedrukte tong van den doode weder met groote handigheid op haar plaats.

Hierdoor was het uiterlijk van den doode minder griezelig geworden.

Nadat eenige gedeelten van den hals nogmaals gemasseerd waren, hadden de trekken de natuurlijke uitdrukking teruggekregen.

„Welke proef hebt gij op het oog, dokter? Zeg het mij! Ik zal u krachtdadig helpen!”

„Ziet gij, waarde heer Shaw. Mijn collega’s lachen erom en toch heb ik iets dergelijks al eenmaal bereikt.

„Het is een feit, dat ik, al was het ook maar voor een paar seconden, iemand, die een paar uur geleden aan een ziekte was overleden, in het leven heb teruggeroepen. Ik verzamel hiervoor materiaal. Iemand, die gewurgd was, heb ik nog nooit machtig kunnen worden; van een dergelijk geval is nog meer succes te verwachten, omdat alle organen nog kort van te voren normaal waren.

„Ik zal een schedelboring uitvoeren, aan de achterste oppervlakte van de bulbus, alsof ik een abces zou moeten verwijderen. Wij zullen hem sterk masseeren en verwarmen, ik giet hem deze druppels in, welke ik voor dit doel heb geprepareerd en ik voorspel u, dat hij bij drukking op den levensknoop der hersenen, al is het ook maar voor korten tijd, zal ontwaken!”

„Dat zou verbazend zijn!” riep Lister uit. „Maar denkt gij, dat hij zou kunnen spreken, als hij tot bewustzijn komt?”

„De mogelijkheid is niet uitgesloten, wanneer de indrukken, die op dit oogenblik op hem inwerken, sterk genoeg zijn om zich in hem vast te zetten en reactie op te wekken, d. w. z. een in zekeren zin onwillekeurige uitwerking te weeg brengen.”

Lister dacht een oogenblik na.

Daarop legde hij zijn hand op den arm van den dokter.

„Mag ik een opmerking maken? Het zou van het grootste gewicht zijn voor de opheldering van deze geheimzinnige misdaad, als de doode kon spreken! Het komt mij voor, alsof alles in deze zaak niet geheel in den haak is!

„Hoe zoudt gij het vinden, als wij den doode eerst terugbrachten in het privé kantoor van Mr. Apsley en hem zoo neerlegden, dat hij het allereerst de ledige brandkast ziet?”

„Ik maak u mijn compliment, Mr. Shaw. Gij hebt groot gelijk! Ik heb de wetenschappelijke quaestie nog niet beschouwd in verband met de rechtszaak, dit moet ik tot mijn schande bekennen. Maar natuurlijk, alleen het zien van de plek der misdaad zal hem tot spreken kunnen brengen.”

Zij begaven zich naar het vertrek, waar de brandkast stond, zetten daar eenige stoelen zoo neer, dat Sloten-Bob, als hij ontwaakte, de geopende brandkast vlak voor zich had.

Daarop legden zij het lijk in de gewenschte houding.

Mr. Shaw, of liever Lord Lister, ontstak een electrische gloeilamp, die zich dicht bij de brandkast bevond en doofde alle anderen uit. Hierna beval hij de arme vrouw om naast de brandkast te gaan staan en gaf haar een handvol goudstukken, waarnaar zij met begeerige blikken keek.

„Kijk nu niet naar het geld, vrouw, maar let op!” sprak Lord Lister op dringenden toon. „Lukt het ons, je man in het leven terug te roepen en aan het spreken te krijgen, dan zijn de goudstukken voor jou!

„Let je echter niet op en verhinder je onze poging door je onachtzaamheid, dan krijg je geen cent!”

„O, ik zweer het u, Sir! Zeg mij maar, wat ik moet doen en wanneer ik moet beginnen.”

„Wat je te doen hebt, is niet moeilijk! Je moet hem alleen maar de glinsterende goudstukken in je linkerhand laten zien. Begrijp je? En verder moet je niets anders roepen dan: Bob—Bob!—Wie?—Bob—wie?”

„Uitstekend, Mr. Shaw!” sprak de dokter. „Ik wou, dat ik altijd zoo’n adsistent bij mij had! Gij hebt de zaak zoo eenvoudig gemaakt, dat hij het, als hij ook maar even tot bewustzijn komt, moet begrijpen. Nu heb ik alle hoop, dat de vermoorde ook zal spreken!”

De vrouw staarde intusschen met een rilling naar het doen en laten der beide mannen in de donkere kamer, waarin alleen een gloeilichtje brandde.

De dokter had intusschen uit zijn tasch een sleuteltje, chirurgische instrumenten en een rood fleschje genomen. Uit een andere flesch goot hij olie in een kom, welke hij naast zich plaatste. Daarop begon hij met de schedelboring, nadat hij het lijk voorover had gelegd. In deze houding hield Lord Lister den doode in zijn armen vast.

Nadat de operatie was afgeloopen, legde hij het lijk weer achterover en beide heeren, Lister en de dokter, doopten hun vingers in de olie en begonnen met koortsachtigen ijver te masseeren, terwijl zij de gemasseerde plaatsen steeds zorgvuldig bedekten.

Nu opende de dokter den mond van den doode en goot hem den inhoud van het roode fleschje in de keel. Daarop verzocht hij Lord Lister, snel en krachtig de armen van den gewurgde op en neer te bewegen. Nu ging Dr. Warrens achter den doode staan en riep:

„Zeg, vrouw, kijk niet aldoor naar het goud, maar hierheen! Let op, of hij ontwaakt!”

„Ja, ja, mijnheer de dokter, dat doe ik!”

Zij boog zich voorover en staarde angstig in de doffe oogen van haar man, wachtende op het oogenblik, waarop hij weer zou opleven. Met de linkerhand hield zij hem het goud voor en wees naar de leege brandkast.

De dokter richtte nu, met behulp van Lister, het hoofd van den doode op en wreef eenige minuten met kracht de slapen en de keel. Daarop drukte hij een oogenblik op den levensknoop der hersenen.

Al had de dokter het ook van te voren voorspeld, toch was het griezelig, wat er nu in dit donkere vertrek midden in den nacht gebeurde.

Men hoorde een benauwd gerochel, alsof met moeite de lucht in de ledige longen drong. De oogen van den gewurgden man openden zich al verder en verder met angstige uitdrukking en zelfs den onverschrokken Lord Lister liep een koude rilling over den rug.

„Bob, Bob!” riep de vrouw rillend en bevend. „Bob—Bob—wie—wie?—Bob, zeg mij wie?”

Vol geestdrift volgde de arts den gang der gebeurtenissen en vol spanning wachtte ook Lister op het antwoord van den gewurgde.

En waarlijk, bewogen de lippen zich niet, alsof zij wilden spreken? Maar de inspanning was nog te groot, er werd geen geluid vernomen.

En opnieuw riep de vrouw nog luider en vol ontzetting:

„Bob, Bob, hoor je mij?—Wie, zeg toch wie?”

Weer wees zij naar de brandkast en het electrische licht deed de goudstukken in haar hand fonkelen.

En weer opende zich de mond van den vermoorde en zijn lippen trilden.

Nog eenmaal vernam men het afschuwelijke gerochel en hierop volgde, onduidelijk, als een kreet van schrik en ontzetting: „Zelf!”

Daarop keek hij met verbaasden blik om zich heen en vroeg:

„Waar ben ik?”

Een oogenblik later zakte hij weer in elkaar.

De dokter had zich over hem heengebogen en keek hem in de oogen.

„Het is voorbij!” sprak hij. „De oogen zijn reeds weer verglaasd, de mond is gesloten. De ademhaling heeft opgehouden. Alle andere moeite is nu tevergeefs! Maar de werking was zeer sterk, al heeft hij ook niet gesproken.”

„Ongetwijfeld!” antwoordde Lister peinzend.

Had hij zich vergist?

Was het alleen de emotie van het oogenblik geweest, die hem dat „zelf” had doen hooren, terwijl de ervaren geneesheer slechts een onverstaanbaar geluid had vernomen?

Als het echter werkelijk het woord „zelf” was geweest, op wien had het dan betrekking?

Bedoelde hij zichzelf? Hoogstwaarschijnlijk!

Misschien was op dit uiterste oogenblik in deze verdorven misdadigersziel een eigenaardige trots op de door hem volbrachte daad opgekomen.

Hij, de behendige dief en inbreker, die ook volgens Baxter’s beweren zijns gelijken tevergeefs zocht, was het geweest, die dezen rijken en vermoedelijk onbarmhartigen reeder alles had ontstolen.

Wie kon in de ziel lezen van zulk een misdadiger!

Of zou dat „zelf” op iemand anders slaan? Op een misdadiger, die het nog verder had gebracht in de kunst van stelen?— — —

Terwijl Lord Lister op deze wijze zijn hersens pijnigde over de beteekenis van dit eene woordje, dat hij uit den mond van den overledene meende te hebben gehoord, was de havelooze vrouw van den misdadiger, aan wier rok zich het verwaarloosde kleine meisje vastklemde, voor hem gaan staan, terwijl zij hem met schuwen blik de handvol goudstukken voorhield.

Zij durfde niets vragen, daar volgens haar meening niet aan de voorwaarde, door den rijken heer gesteld, was voldaan.

„Dus ook zij heeft niets gehoord! Zou ik mij dan toch vergist hebben? Was het misschien mijn groote verbeeldingskracht, die mij het sissende geluid als het woordje „zelf” deed verstaan?” dacht Lister.

„Als gij mij wilt beloven, dat gij u hiervoor het allereerst kleeren en voedsel zult koopen, moogt gij het geld behouden!”

„Al dit goud voor mij?” stamelde de arme vrouw met ongeloovigen en schuwen blik.

„O, men zal mij niet gelooven! Men zal mij in de gevangenis opsluiten, als men zooveel goud bij mij vindt en het kind zal van honger omkomen!”

„Zij heeft gelijk, Mr. Shaw”, sprak de geneesheer. „Geef haar liever zilver, goud kan haar slechts verdacht maken.

„En het is ook veel te veel! Wat denkt gij, Mr. Shaw? Wij zijn hier niet in Amerika!”

„Nonsens!” antwoordde met echt Amerikaansche onverschilligheid de Yankee. „Geef niet alles tegelijk uit en spaar iets voor later.”

Daarop nam hij een visitekaartje uit zijn portefeuille en schreef er met zijn vulpen aan de achterzijde eenige regels op, vermeldende, dat Mrs. Cogwell, dit was de eigenlijke naam van den vermoorden Sloten-Bob, tien sovereigns eerlijk had verdiend.

Hij onderteekende het en ook de dokter zette er als getuige zijn naam onder.

„Hier, vrouw! Als iemand u wantrouwt en u wil ondervragen, toon dan dit kaartje. Bewaar het goed.

„En als gij voor u en het kind eenvoudige, warme kleeren hebt gekocht, als gij gewasschen en gekamd zijt, kom dan aan het opgegeven adres aan mijn villa, in het Westeinde. Begrijpt gij?

„Dan zullen wij verder zien”.

De arme vrouw staarde nog steeds ongeloovig naar al de goudstukken in haar handen en twee dikke tranen rolden langs haar magere wangen. Aarzelend deed zij het geld en het kaartje in haar zak, alsof zij een misdaad pleegde.

Daarop wilde zij Lister’s hand kussen. Maar Lister, die als vrije Engelschman dergelijke betuigingen van onderworpenheid haatte, duwde haar zacht weg en sprak:

„Goed, goed, vrouwtje. Als gij uw dankbaarheid wilt betuigen, doe dan wat ik u zeg. Geen sterken drank! Koopt er eten en drinken en kleeren en dekens voor! Daarna kunt gij u bij mij vervoegen!”

„Ja, ja, mylord, de Hemel zegene u! Gij meent het goed! Ik zal alles doen! Ach, dat mijn arme Bob dit nog had beleefd! Hij had zulk goed werk bij een rijk heer en nu is hij dood!

„Bob was niet slecht, mijnheer, naar hij kon helaas den borrel niet nalaten! Gij hebt gelijk mijnheer! De brandewijn is het verderf der armen!”

Bij die woorden maakte zij aanstalten om heen te gaan.

„Wacht eens even!” riep Lister. „Hij had werk bij een rijk heer, zegt gij? Heeft hij u ook verteld, hoe die heer heette?”

„Neen, mijnheer, dat weet ik niet! Bob zei alleen nog: het is eerlijk werk, Kate, en het wordt goed betaald. En toen vertelde hij mij nog—en hij was goed nuchter—dat de rijke heer hem werk voor altijd had beloofd, als hij zijn taak dezen keer goed volbracht.

„Verder niets en o, ik was zoo blij!”

Lister schudde het hoofd.

Hierdoor kwam hij niet verder.

„Dus het blijft bij hetgeen wij hebben afgesproken. Ik merk wel, dat gij ook niets verder weet!”

De vrouw groette, nam haar kind bij de hand en ging heen.

VIJFDE HOOFDSTUK.

CHARLY’S ONTDEKKING IN EEN ELEGANTE HEERENWONING.

Toen Lord Lister op vriendschappelijke wijze bij de deur van het reederskantoor afscheid had genomen van dr. Warrens, kwam tot zijn verbazing Charly op hem toe, nu in de vermomming van een Amerikaan.

„Hier staat onze auto, oom!” sprak hij gevat.

Nauwelijks hadden zij plaats genomen in de zachte kussens van het onmiddellijk wegsnellende voertuig, of Charly vertelde den uitslag van zijn navorschingen.

„Zonder de deur uit het oog te verliezen, heb ik deze auto genomen, en vanuit het raampje naar den ingang gekeken. Ik beloofde den chauffeur den dubbelen prijs en een groote fooi, als hij ongemerkt twee heeren zou volgen, die weldra uit het kantoor zouden komen, waar de inbraak had plaats gehad.

„Daar ik als kruier was gekleed, betaalde ik de gewone vracht vooruit.

„Wij letten dus nauwkeurig op en het duurde niet lang of de beide heeren kwamen uit de huisdeur naar buiten.

„Ik had natuurlijk niet de voorste auto genomen, maar de derde. De beide heeren namen de eerste en reden weg.

„Ik volgde in dolle vaart. In een der deftigste straten in het Westeinde lieten zij halt houden en stapten beiden uit.

„Zij gingen een eind te voet, nadat zij hun auto hadden weggezonden en ik sloop hen na aan de andere zijde der straat.

„Toen ik hen een deftig huis zag binnengaan, waarvan de deur door den jongen heer werd opengesloten, bleef ik voor een kunsthandel aan den overkant staan en wachtte of er iets te zien zou zijn, dan wel of zij er weer uit zouden komen.

„Misschien wilde de oude heer gaan uitrusten of zich verkleeden. Ik stak juist mijn tabakspijp aan, toen ik zag, dat op de tweede verdieping plotseling twee vensters werden verlicht. Voordat de jalouzieën neergelaten werden, meende ik, den slanken jongen heer Apsley aan het raam te hebben herkend.

„Het duurde echter niet lang of deze kwam er weer uit, riep een leeg rijtuig aan en noemde bij het instappen de Heerenclub.

„Daar ik dit adres kende en veronderstelde, dat hij er vrij lang zou blijven, volgde ik hem niet, maar wachtte, of misschien de oude heer ook nog niet zou gaan.”

„Uitstekend!” sprak de Lord. „En werd je geduld beloond?”

„Zeker! Er waren nauwelijks tien minuten verloopen, toen ik de deur weer open zag gaan en, met een zeer elegante overjas en cylinder, een fijne havanna in den mond, kwam de oude heer naar buiten. Hij zag er nu veel jonger en zeer vergenoegd uit.

„Hij begaf zich met veerkrachtigen tred, als een jonge man, naar de Square, waar bij het kruispunt van de Nelson en Campbellstreet een aantal auto’s van de Daimler-Company gestationeerd zijn. Maar ik hoorde helaas niet, welk adres hij zijn chauffeur opgaf.”

„En waarheen rijden wij nu?” vroeg Lister glimlachend.

„Nu, ik dacht, dat gij misschien de woning in de Campbellstreet, waarheen de heeren Apsley zich begaven, wel eens wildet zien.”

„Je hebt mijn bedoeling uitstekend geraden, lieve neef Robert. Maar ik word niet gedreven door gewone nieuwsgierigheid.

„In de eerste plaats kost die inbraakgeschiedenis, die zoo ongehoord brutaal is, mij veel hoofdbreken. Ik kan er nog niet achter komen, wie hier de hand in het spel heeft.

„Misschien vind ik in het logies van den reeder, die mij niet betrouwbaar voorkomt, de een of andere vingerwijzing, misschien ook niet!

„Verder is een brave jonge man, de ingenieur der firma, die zijn chef gewichtige ontwerpen ter veilige bewaring in diens brandkast heeft toevertrouwd, bij deze zaak betrokken, misschien voor zijn verdere leven ongelukkig gemaakt.