Lord Lister No. 0028: De koning van de club

Part 3

Chapter 33,943 wordsPublic domain

Hij rende in de kamer op en neer. Plotseling bleef hij voor zijn vrouw staan, terwijl het sissend over zijn lippen kwam:

„Is dat de dank, dat ik van de dochter van een misdadiger een eerlijke vrouw maakte?”

Nauwelijks waren deze woorden gesproken, of mevrouw Hundley hief haar hand op en in het volgende oogenblik sloeg zij den woedende midden in ’t gezicht.

Een zinnelooze razernij maakte zich van den heer Hundley meester.

Zijn oogen sprongen bijna uit de kassen.

Hij rukte een zilver fluitje te voorschijn en floot er meermalen op.

„Eruit met jullie!” schreeuwde hij de kamermeisjes toe.

Twee krachtig gebouwde negers stortten nu in de kamer en bleven aan de deur staan.

„Hé! José en Tom!” riep Hundley. „Pakt deze daar en houdt haar vast.”

Met katachtige sprongen stortten zich de beide negers op mevrouw Hundley die als vastgenageld bleef staan.

Maar toen de eerste neger haar aanvatte, stootte zij hem terug, taste in den zak, en haalde een kleine revolver te voorschijn.

„Terug, ellendelingen, of ik maak van mijn wapen gebruik.”

„De duivel zal je halen,” woedde de millionnair. „Pakt deze vrouw,” schreeuwde hij opnieuw.

Een van de zwarten wilde nogmaals op haar indringen.

Daar knalde een schot Een fijne kruitdamp trok door de lucht, en de dienaar stortte met een luiden smartuitroep, beide handen tegen het dijbeen drukkend, neer.

Mijnheer Hundley stond als versteend. Dat had hij niet verwacht. Maar het beste moest nog komen.

„Eruit!” riep mevrouw Hundley en hief de revolver opnieuw. „Waagt het niet nog eens, mij aan te raken, ellendige creaturen!”

De niet gewonde zwarte hief zijn steunenden kameraad van den grond en sleepte hem naar buiten. De millionnair volgde hen.

Op den drempel van de kamer keerde hij zich nogmaals om, balde de vuist tegen zijn gemalin en riep:

„Binnen vier-en-twintig uur zal de wereld vernemen, dat uw achtbare vader een misdadiger is geweest.”

Een overhalen van den haan liet hem spoedig het vertrek ontvluchten.

Hijgend van woede stormde hij naar zijn slaapkamer en opende de kist. Hij wilde het document, dat hij sedert verscheidene jaren bewaarde, uit het geheime vak halen en als wapen tegen zijn vrouw gebruiken.

Haastig wierp hij den inhoud van de bovenste afdeeling op den grond, en opende het geheime vak.

Duizelend deinsde hij achteruit. Hij zag dat het document verdwenen was.

Hij wilde, hij kon het niet gelooven.

Nogmaals boog hij zich over de kist. Met sidderende vingers bevoelde hij de kanten, zocht als een waanzinnige rond maar niets was te vinden. Het document was verdwenen. Half bedwelmd zonk hij op den dichtst bijzijnden zetel, en staarde verscheidene minuten voor zich heen, voor hij weder denken kon.

Hij overlegde.

Wie zou het document gestolen hebben?

Nog twee dagen geleden had hij het zelf in de hand gehad, nog gisteren was mevrouw Hundley hem onderdanig geweest, omdat zij wist, dat hij een dergelijk schriftstuk bezat.

Het kon dus slechts dezen nacht gestolen zijn en mevrouw Hundley moest het bezitten.

Daarom haar plotselinge vlucht uit het huis!

Daarom was zij niet langer bang voor hem.

Maar hoe had zij het aangelegd?

Wie zou geweten hebben, hoe de geheime sloten van den koffer te openen.

Dit alles bleef een raadsel.

Hij zelf was indertijd als directeur van een bank in bezit van dit document gekomen.

Mijnheer Symond, de vader van zijn vrouw, had bij hem een safe gehuurd, waarin hij waardevolle papieren bewaarde.

Gedurende zijn presidentschap aan de bank, had mijnheer Hundley steeds de grootste belangstelling voor de depôts van zijn cliënten.

Hij schuwde de gemeenste misdaden niet, en doorzocht ’s nachts de in de bank bewaard liggende papieren.

Op deze manier had hij het document van den heer Symond gevonden en het zich eenvoudig toegeëigend.

Toen Symond het verlies bemerkte en hem daarover, ondervroeg, antwoordde hij koelbloedig:

„Het interesseert mij niet, misschien vergeefsche, onderzoekingen naar den begraven schat te ondernemen, mij interesseert alleen dat gij een misdrijf hebt begaan.

„Daar gij nu echter een dochter hebt, van wie men zegt, dat zij de mooiste vrouw van New-York is, en ik haar wil bezitten, zoo verklaar ik hierbij, dat ik bereid ben het stilzwijgen te bewaren als gij mij uwe dochter tot vrouw geeft.”

Mijnheer Symond, die zijn goeden naam wilde redden en die in zijn jeugd, in een vlaag van lichtzinnigheid, toen hij zag dat de Zuidelijke Staten zouden verliezen, den hem toevertrouwden krijgsschat voor de Noordelijke Staten wilde redden, vervulde den wensch van mijnheer Hundley.

Spoedig daarop stierf de generaal.

Toen de bankier in den namiddag zijn villa verliet, vernam hij van den portier, dat zijn vrouw, met de koffers, reeds het huis verlaten had.

Om zich te verstrooien ging hij naar de Hamiltonclub en begon, na gedineerd te hebben, veel te drinken.

Hij was reeds goed aangeschoten, toen Palmer in de club kwam en lachend riep:

„Hundley, ik moet je de groeten overbrengen van je vrouw. Ik trof haar met Bird op een wandeltoertje in het Centraalpark.”

Hundley stond langzaam op en ging met wankelende schreden op Palmer toe:

„Laat mij met rust met deze vrouw,” stotterde hij; „dat wil ik je echter wel zeggen, dat als ik dezen Bird, dezen zoogenaamden clubkoning aantref, hij mijn vuisten zal voelen. Hij is degeen, die naar het schijnt, mijn vrouw het hoofd op hol heeft gebracht.”

Een ademlooze stilte volgde op deze woorden.

En zooals het wel meer met toevalligheden gaat, juist op dit oogenblik trad Bird, alias Raffles de zaal in, met een roode nagelbloem, de lievelingsbloem van mevrouw Hundley, in het knoopsgat.

Met een vriendelijk lachje begroetten hem de vrienden, die hij in de club had leeren kennen.

Palmer was intusschen naderbij gekomen en had hem de hand geschud. Dan bracht de voorzitter zijn mond bij het oor van den juist binnengetredene en fluisterde:

„Vermijdt alle ruzie met Hundley. Hij is dronken.”

Hundley sloeg deze scène met bloed beloopen oogen gade.

Plotseling verhief hij zich uit zijn zetel nam een half geleegde champagneflesch en smeet die naar Raffles.

„Daar hebt gij een gedachtenis, hond!” schreeuwde de aangeschotene woedend.

John Raffles wendde snel het hoofd ter zijde, waardoor hij geen nadeelige gevolgen van den worp had.

„Hij is dronken,” riepen eenige heeren, „laten de bedienden hem weg brengen.”

Doch nauwelijks had de razende deze woorden gehoord, of hij riep uit:

„Wat, gij wilt mij hier uit gooien? De duivel zal dengene halen, die het waagt mij aan te raken.”

Hij trok een groote Texas revolver uit zijn zak en hield die op Raffles gericht.

Van schrik verstijfd stonden de clubleden daar en zagen naar de scène.

Slechts Raffles lachte.

Hij haalde een sigaretétui te voorschijn, als wilde hij een sigaret opsteken.

Echter, toen hij het opende, viel het op den grond.

Onwillekeurig keken alle aanwezigen er naar, ook Hundley.

Raffles alleen niet! Hij benutte het oogenblik dat Hundley het voorwerp met zijn oogen zou volgen.

Snel sprong hij op Hundley toe, trok hem de revolver uit de hand en stiet den dronken man in zijn zetel terug.

De clubleden hadden het doel van dit spelletje begrepen en riepen: „Bravo!”

Toen pakten zij Hundley op en brachten den zich als een razende werende, uit de zaal.

„Dat had gevaarlijk kunnen worden,” meende Palmer, terwijl Raffles de patronen uit de revolver haalde.

„Hij was dronken,” antwoordde Lord Lister, de schouders ophalend, „en heeft een onverklaarbare woede, tegen mijn persoon gericht.”

„Hij gelooft,” antwoordde Palmer, „dat gij de minnaar van zijn vrouw zijt.”

John Raffles richtte zich hoog op, klemde zijn monocle in het oog en antwoordde daarop:

„Ik verzeker alle aanwezigen hier, dat de heer Hundley zich vergist. Overigens, heeren, verzoek ik u, mij bij deze aangelegenheid te willen helpen. Ik ben van plan om, zooals het onder gentlemen, gebruikelijk is, den heer Hundley rekenschap te vragen voor deze gemeene beleediging.”

Verwonderd keken allen naar Raffles.

Een dergelijk verlangen was in een Amerikaansche club iets buitengewoons. Men kende hier niet de manier om een beleediging in een tweestrijd uit te vechten als in Europa.

„In ieder geval,” sprak Raffles, „moet ik eerst nog onderzoeken of de heer Hundley in de termen valt, zich als man van eer met mij te meten.”

Gezamenlijke clubleden waren opgetogen over de idée van Raffles om met Hundley te duelleeren.

Het was iets nieuws, iets bijzonders.

Iedereen bood zich als secondant voor Raffles aan.

Niemand wilde daarentegen voor Hundley opkomen.

Zij waren allen trotsch op hun clubkoning.

Alleen Palmer schudde bedenkelijk het hoofd en zeide, nadat de algemeene opwinding over het ophande zijnd duel een weinig bedaard was, met vroolijk gezicht:

„Heeren, om te duelleeren moeten er twee zijn. Ik geloof niet, dat Hundley de vordering van den heer Bird zal aannemen.”

„Oho!” riepen de clubleden, „dan wordt Hundley van de lijst van de club geschrapt”

„Ook dat is nog de vraag,” antwoordde Palmer, „het is bij ons in Amerika geen gewoonte om te duelleeren.”

„Dan zullen wij het zijn,” riep mijnheer Lyon, een bekend New-Yorksch advocaat, „die deze gewoonte in onze club invoeren.

„Ik stel voor, heeren, nu wij vanavond toch bijna voltallig aanwezig zijn, over dit besluit te stemmen.”

„Allright,” riepen de leden, „wij zullen stemmen.”

De bedienden van de club moesten zwarte en roode balletjes brengen.

Toen nam Lyon zijn hoogen hoed en de heeren wierpen er hun balletje in.

De zwarten beteekenden neen, de rooden ja.

Toen Lyon de balletjes telde, was er slechts één zwarte in.

Hiermede was dus het besluit genomen, dat de leden van de Hamilton Club in de toekomst een beleediging in een duel zonden uitvechten.

Lyon bood zich bij Raffles als secondant aan en deze nam het aanbod dankend aan.

De heer Palmer echter en nog eenige oudere heeren werden tot eereraad benoemd, om in dergelijke aangelegenheden een besluit te nemen.

HOOFDSTUK V.

DE MISLUKTE MOORDAANSLAG.

Hundley was ondertusschen in een grenzenlooze woede in zijn auto naar huis gekomen en liet daar zijn dienaar José, een neger van buitengewone lichaamskracht en grootte, in zijn slaapkamer komen.

„Gij moet heden een werkje voor mij doen”, zei Hundley tot den zwarte.

De oogen van den neger blikten begeerig op.

„Hoor eens, José”, sprak de millionnair verder, „gij kent het huis in het Centraalpark van een kennis van mij, een zekeren mijnheer Bird?”

„Ja, mijnheer.”

„Gij moet nog hedennacht in dit huis sluipen, en den heer Bird met een dolkstoot bestraffen voor de beleediging die hij mij heeft aangedaan.

„Hij is oorzaak dat mevrouw Hundley mijn huis verlaten heeft. Ja, als mij niet alles bedriegt, heeft zij dezen man lief.”

De zwarte tandenknarste, iets wat Hundley bevredigde. Hij wist dat José op zijn mooie vrouw verliefd was.

Hij was dus de aangewezen persoon om den gehaten clubkoning naar de andere wereld te helpen.—

Een half uur later verliet de zwarte het huis van zijn heer, en gleed als een schaduw langs de villa’s.

Hij was jaren lang een gevreesde bankroover geweest, en wel, wat niemand wist, met zijn heer te zamen.

De millionnair was, voor hij naar New-York kwam, het hoofd van een in het Westen van Amerika werkende bende geweest, had echter niet verzuimd om, zoodra hij een slag geslagen had en een millioen veroverd, het Westen te verlaten en zich als man van eer onder een anderen naam in New-York te vestigen.

Hier had hij nu sedert tien jaren een bankzaak, die hij met het gestolen geld had gevestigd. Van de geheele bende behield hij slechts den reusachtigen José bij zich. Alle overigen waren verdwenen of dood.

José was ook op de hoogte van den gevaarlijken inhoud van Hundley’s brandkast.

Op een eenzame boerderij in de nabijheid van New-York woonde een knappe, teringachtige plaatsnijder en drukker, die met het maken van de valsche vijf-dollarbiljetten was belast geweest.

Voor millioenen had de arme man, door nood gedreven, gemaakt, en was, toen Hundley hem ontsloeg en hem met enkele duizenden dollar paaide, in een New-Yorker hospitaal gestorven.

José bekeek enkele minuten het huis van mijnheer Bird, dat geheel in het donker lag.

Reeds wilde hij het hek openen, dat de villa van de straat scheidde, toen hij door een aankomende automobiel daarin verhinderd werd.

Snel gleed hij in een schuilhoek en zag, hoe de auto voor het huis van den heer Bird stilhield en de clubkoning in huis ging. Dadelijk daarop reed de chauffeur door de geopende deur in de auto-garage.

De man had niet bemerkt, dat toen Raffles de rechterzijde van de auto opende, de neger de tegenoverliggende deur opende en zich in den gesloten wagen zette.

Op deze manier was de handlanger van den millionnair in huis gekomen zonder over een hek te klimmen of een deur open te breken. Toen de chauffeur langzaam de auto in de garage bracht, opende de zwarte zachtjes de deur en sloop onbemerkt weg. In de schaduw van een kleine loods verborg hij zich, tot de chauffeur en de portier de bergplaats verlaten hadden.

Nu ging hij naar het sousterrain, opende met zijn mes een raam, en gleed er doorheen.

John Raffles, die tamelijk vermoeid was, had zich dadelijk te slapen gelegd.

Slechts Charly Brand waakte nog en las.

Plotseling legde hij het boek neer.

Het was hem als hadden de planken in den vloer gekraakt.

Gewoon op ieder geluid te letten, ging hij naar de deur en opende die op een kier.

De gang was helder verlicht, aan het einde daarvan lag Raffles’ slaapkamer.

Verschrikt staarde Charly op de deur van de kamer. Duidelijk zag hij er een neger voorstaan met een geopend mes in de hand.

Dadelijk greep Charly Brand in zijn zak, haalde zijn Browning-pistool te voorschijn, richtte het op den niets vermoedenden zwarte en riep:

„Handen omhoog, of ik schiet!”

Met een schreeuw van woede sprong de neger van de deur terug en zag met rollende oogen naar Charly Brand.

Hij scheen nog te overleggen wat hij zou doen, want Charly was, bij hem vergeleken, een kleine, tengere figuur.

Nog eens klonk Charly Brand’s bevel:

„Handen omhoog, of ik schiet!”

Nu eindelijk liet de neger het mes vallen en hief de handen op.

Op dit oogenblik werd de deur van Raffles slaapvertrek geopend en verscheen hij zelf.

„Een aardig onderhoud in den nacht”, zeide hij kalm, en keek glimlachend naar de beide anderen.

„Ik trof hem voor je kamerdeur met het geopende mes in de hand”, verklaarde Charly Brand.

„O!” knikte Raffles, „nu herken ik den knaap. Hij is in dienst van den heer Hundley. Een merkwaardige manier om mij een bestelling over te brengen. Wat verlangt gij?”

De neger wist niets te antwoorden.

Zijn oogen keken onzeker heen en weer.

Hij verstond de beteekenis van Raffles’ woorden niet.

Deze bukte zich, en raapte het dolkmes van den zwarte op.

„Een goed wapen”, zeide hij, „waart gij bevreesd, dat u iemand hier zou aanvallen?”

De neger knarste met de tanden. Hij bemerkte nu, dat Raffles hem voor de mal hield.

„Ik zal uw wapen”, ging Lord Lister verder, „bij mijn verzameling voegen. Ga nu naar huis, en zeg uw heer, dat hij voortaan voor de uitvoering van zijn bestellingen een geschikteren dienaar moet kiezen.

„Voorwaarts! En nu het huis uit!”

„Je laat hem loopen?” vroeg Charly Brand verwonderd.

„Moet ik hem ook nog gastvrijheid verleenen?” lachte Raffles. „Hij zou zich wel niet op zijn gemak bij mij voelen. En nu, goeden nacht, Charly, slaap wel.”

Rustig, als was er niets voorgevallen, zocht de Groote Onbekende zijn slaapkamer weder op. Toen begaf ook Charly Brand zich ter ruste.

Juist toen hij zich wilde nederleggen, hoorde hij weder den grond kraken.

Haastig greep hij zijn revolver en stormde naar buiten. Daar zag hij Raffles voor zich in een donkere overjas, den kraag opgeslagen en een zwarte tasch in de hand.

„Ben jij het?” vroeg de secretaris verwonderd, „waar wil je nog heen?”

„Een wandelingetje maken”, was het gewone antwoord, „ik ben binnen twee uur terug. Ik heb een prachtigen inval gekregen. Ga intusschen maar naar bed en ga slapen.”

Zonder verder op Charly Brand te letten, stapte John Raffles de gang door en was verdwenen.— —

Het was bijna morgen, toen Lord Lister, door de schemering, naar de kleine geheime deur van den wintertuin in het paleis van Hundley trad.

Met den sleutel, die hem den vorigen nacht door mevrouw Hundley was gegeven, opende de Groote Onbekende de deur en trad binnen.

Hij had verscheidene uren in de omgeving van het paleis verscholen moeten blijven en wachten, daar hij bemerkte, dat Hundley zich nog niet te slapen had gelegd.

Langs den hem welbekenden weg sloop Raffles nu in de slaapkamer van Hundley.

Wederom verdoofde hij den slapende met chloroform en opende de brandkast.

Nu nam hij alle bankbiljetten, die in pakjes verpakt waren, eruit en vulde daarmede zijn tasch. Zij was niet voldoende, hij moest van krantenpapier nog een groot pak maken.

Daarop verliet hij de slaapkamer en ging naar huis.

Het was ongeveer negen uur in den morgen, toen een krantenjongen het bureau van directeur Stamford binnentrad en hem een brief overhandigde.

Hij moest niet op antwoord wachten en verliet dus dadelijk het kantoor.

Stamford opende het couvert, nam den brief er uit, en las:

„Zeer geachte Heer!

Ik heb mij veroorloofd gisternacht inzage van uw boeken te nemen en ik hoop dat daardoor, voor ons beiden, bevredigende zaakverbindingen zullen ontstaan. Gij zult tot de overtuiging gekomen zijn, dat ik een concurrent van uw verzekeringsmaatschappij ben, waartegen gij niet zijt opgewassen. Gij bezit niet zooveel millioenen, als gij, indien ik wilde, zoudt moeten betalen. Daarom doe ik u den voorslag, mij als stille vennoot in uw zaak op te nemen. Ik zal u in de toekomst alles, wat ik met mijn bezigheden verdien, voor de helft van de waarde verkoopen. Ik denk, gunstiger aanbod is u nog nooit gedaan. Ook zult gij niet spoedig iemand vinden, die u zoo tegemoet komt.

Om het antwoorden mogelijk te maken, wilt gij u wel van de afdeeling advertenties van de New-York Herald bedienen. Als opschrift gebruikt gij de woorden „Stipte deelgenoot”.

Ik heb vannacht bij een van uw klanten, zekeren Hundley, 1½ millioen dollar in bankbiljetten geroofd.

Ik bied u de biljetten voor een half millioen aan, dus een prachtige zaak voor u, niet waar?

Gemakkelijker dan door mij kunt gij geen geld verdienen.

Antwoordt mij of ik morgen de chèque bij uw bank kan laten afhalen. Zoo gauw als ik het geld heb, zal ik u uw eigendom toezenden.

Mocht gij soms de politie of een bureau van detectives op mij afzenden, dan zal het uw schade zijn, en niet de mijne.

Hoogachtend, JOHN C. RAFFLES.”

Stamford had onder het lezen bijna zijn adem ingehouden, louter van opwinding.

Het zweet stond in dikke parels op zijn voorhoofd.

Nu was dan gebeurd, wat Newton hem voor eenige dagen had gezegd.

John C. Raffles, die zichzelf aandiende als de Onbekende, nachtelijke inbreker, was ongetwijfeld een niet te bedwingen tegenpartij.

Stamford herinnerde zich ook den raad, om zich met den Grooten Onbekende te verstaan.

Tevergeefs martelde hij zijn hersens om een uitweg te vinden. Ieder oogenblik kon Hundley bij hem komen, om hem te vertellen van den diefstal, waarvoor hij bij hem verzekerd was.

Stamford riep zijn beambten en beraadslaagde wat te doen.

Men kwam eindelijk tot het resultaat, op Raffles’ voorslag in te gaan.

Juist was het onderhoud afgeloopen, toen Hundley binnenkwam en aan de deur reeds uitriep:

„Men heeft mij bestolen, directeur, ik ben bestolen!”

Naar lucht happende, zonk hij in een leuningstoel.

„Hoeveel is u dan ontstolen?” vroeg mijnheer Stamford, hoewel hij het reeds wist.

„Millioenen!” steunde Hundley.

„Hoeveel millioenen?”

„Twee en een half millioen!”

Hij zag den eigenaardigen blik niet, waarmee Stamford hem aankeek.

„Twee en een half millioen?” herhaalde de directeur.

„Ja, twee en een half millioen, ik ben voor drie bij u verzekerd, zooals gij weet.”

Stamford keek met een onderzoekenden blik naar den millionnair.

„Kunt gij mij een bewijs van de grootte der som brengen, mijnheer Hundley?”

„Bewijzen? Houdt gij mij niet voor een man van eer? Gij wilt misschien nog tegenstribbelen om mij het geld uit te betalen?”

„In geen geval”, antwoordde Stamford, „maar het zou toch kunnen, dat gij u in de som vergistet.”

Hundley lachte ironisch.

„Neen, mijn waarde, als bankier vergis ik mij nooit in getallen. Gisternacht lag de genoemde som nog in mijn brandkast, en die is nu gestolen. Ik kan u twee getuigen bijbrengen, mijn kassier en mijn secretaris.”

„Ik moet u uwe onbedachtzaamheid verwijten”, meende de directeur. „Hoe kan men een dergelijke groote som in huis bewaren? Daarvoor zijn toch de banken.”

„Dat is mijn zaak”, antwoordde Hundley op ruwen toon.

„Gij moet mij de grootte der som beëedigen kunnen”, ging Stamford verder.

Hundley zette een hooge borst op en zeide:

„Ik zal het voor den rechter beëedigen.”

„Dat zal noodig zijn. Mijn maatschappij verlangt den eed. Uw polis is, naar ik hoop, in orde?”

Hundley opende zijn pelsjas en haalde een portefeuille te voorschijn.

Hij haalde er een saamgevouwen document uit.

„Hier is mijn polis!”

„Gij kunt deze bij den rechter van mijn district, tot het afleggen van uw eed, deponeeren, mijnheer.”

Hundley fronste een oogenblik het voorhoofd.

„Het spijt mij, niet lang te kunnen wachten.”

„De zaak zal morgen afgeloopen zijn.”

De heeren gaven elkaar de hand. Toen verliet Hundley het kantoor.

Een uur later bevond zich Stamford weer bij Newton.

„Het is gekomen, zooals gij voorspeld hebt. Hier! lees den brief en zeg mij wat ik doen moet.”

De eigenaar van het bureau van detectives las aandachtig het schrijven, en schudde toen het hoofd.

„Deze zaak is niet in orde, mijnheer Stamford”, meende hij.

Verstomd keek deze naar den beroemden detective.

„In hoeverre, waarom?”

„Heel eenvoudig”, lachte Newton, „vindt gij het niet merkwaardig, dat Raffles opeens de door hem geopende brandkast van zijn inhoud bevrijdt, nadat hij dit steeds een dozijn keeren niet gedaan heeft?”

Stamford schudde het hoofd.

„Ik begrijp u nog niet, wat meent gij?”

„Heel eenvoudig. Ik ben van meening, dat al de raadselachtige inbraken de laatste weken door Raffles zijn uitgevoerd. Maar daarbij is nooit iets gestolen. Ik nam dus aan, dat de inbreker een zeker doel beoogde en dat dat tegen u was gericht. Een soort van afpersing. Deze brief echter bewijst het tegendeel. Want waarom nam hij tot heden toe niets van waarde weg, en waarom besteelt hij nu den heer Hundley voor twee en een half millioen dollar en biedt ze u voor een half millioen te koop aan? Deze zaak is niet in orde.”

Beiden keken nadenkend eenige minuten voor zich, toen Stamford zeide:

„Ge maakt mij in de war, er is tegenspraak tusschen Raffles en Hundley.”

„Welke tegenspraak?”

„Hundley beweert dat hem twee en een half millioen ontstolen zijn, en Raffles spreekt slechts van anderhalf.”

Newton floot scherp door de tanden, toen lachte hij en zeide:

„Een goed idée van Hundley.”

„Wat meent gij?”

„Nu, hij wil bij het zaakje verdienen. Begrijpt gij dat niet?”

„Ja! maar Hundley verzekerde mij, dat hij de schadesom voor den rechter wil beëedigen!”

„Dan doet hij een meineed!”

Stamford trommelde zenuwachtig met zijn vingers op de stoelleuning.

Newton lachte ironisch.

„Het zou een meineed zijn, die absoluut ongevaarlijk is voor Hundley, want niemand zal kunnen bewijzen, dat hij die som niet in de brandkast had.”

Newton hield de handen voor de oogen, als hinderde hem het daglicht bij het nadenken. Na enkele minuten richtte hij zich weer op.

„Bericht Raffles, dat Hundley beweert, dat hij twee en een half millioen gestolen heeft, en wacht het antwoord af.

„Overigens laat gij Hundley rustig den eed doen. Zou hij werkelijk blijken een misdadiger te zijn, dan moet, niettegenstaande de moeilijkheid, geprobeerd worden, hem dit te bewijzen. Is dat gebeurd, dan moet de oude jongen heengaan, waar hij behoort, d.w.z. naar de gevangenis.