Lord Lister No. 0027: Letter R. 100

Part 1

Chapter 13,906 wordsPublic domain

LORD LISTER GENAAMD RAFFLES DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 27 LETTER R. 100.

LETTER R. 100.

EERSTE HOOFDSTUK.

TIENDUIZEND POND STERLING.

De directeur van de Bank van Engeland, John Ruster, was juist gereed met de uitgebreide ochtendcorrespondentie, toen zijn secretaris binnentrad, hem nog een brief overhandigde en sprak:

„Mijnheer de directeur, ik heb dit schrijven apart gehouden, omdat het van zooveel gewicht is.”

„Wat behelst het?” vroeg John Ruster.

„Een ongehoorde brutaliteit,” sprak de directeur, toen hij van den inhoud had kennis genomen, „daar schrijft die beroepsmisdadiger, die door alle speurhonden wordt gezocht, die zoogenaamde onbekende, John Raffles, een vriendelijken brief, waarin hij mij meedeelt, dat hij zoo vrij zal zijn om, wegens onzen overvloed aan geld, een bedrag van minstens tienduizend pond sterling te komen weghalen.

„Hij stelt ons voor om hem en onszelf alles gemakkelijker te maken door het bedrag aan contanten in een couvert post-restant, onder de letters R. 100 aan het postkantoor van het Victoriahotel te verzenden.

„Zoo niet, dan zou hij gedwongen zijn, ons een massa onaangenaamheden te berokkenen. Maar dat is een ongekende schurkenbrutaliteit!”

Mr. Griffin, de secretaris, antwoordde glimlachend:

„Dat is de gewone manier, waarop deze meesterdief met zijn cliënten pleegt om te gaan.

„In de meeste gevallen zendt hij hun van te voren bericht en schrijft:

„„Hierbij heb ik de eer u mede te deelen, dat ik van plan ben om bij u in te breken—” of:

„„Hierbij de mededeeling, dat ik zoo vrij ben geweest om bij u in te breken!”

„En in beide gevallen, niettegenstaande politie, pers en publiek, is het hem steeds gelukt.

„Het ontbreekt er nog alleen maar aan, dat hij zijn daden met groote aanplakbiljetten aan de huizen bekend maakt, ongeveer zooals een fabrikant van cacao of geconserveerde groenten reclame maakt.

„Ik ben ervan overtuigd, dat hij zonder mankeeren zijn plan ten uitvoer zal brengen om, naar hij schrijft, van onzen geldovervloed, tienduizend pond te komen halen.”

„Maar dan moest hij in verbinding staan met den duivel,” sprak de directeur, „als het dezen man bij onze uitstekende veiligheidsmaatregelen en de groote stiptheid van ons personeel zou gelukken, tienduizend pond van ons te stelen.

„Dat is eenvoudig onmogelijk. Gij maakt mij zenuwachtig met uw glimlach, mr. Griffin!”

Maar mr. Griffin, een der oudste beambten der Bank, bleef glimlachen, ondanks de woorden van zijn chef en antwoordde:

„Op denzelfden toon als gij, mijnheer de directeur, hebben alle anderen gesproken, met wie John Raffles in verbinding is getreden. Maar steeds heeft Raffles zijn plan volvoerd.”

„Dus gij denkt,” sprak de directeur der Bank, „dat het het verstandigste van mij zou zijn, als ik den wensch van dien man inwilligde?”

„Ongetwijfeld,” antwoordde mr. Griffin, „wij mogen van geluk spreken, als wij dezen heer met zoo weinig kunnen tevreden stellen. Het zou best kunnen gebeuren, dat hij anders met een veel grooter bedrag van ons aan den haal ging.

„Als gij de courantenberichten omtrent de daden van Raffles hebt gevolgd, zult gij weten, dat hij zich nooit met kleinigheden tevreden stelt.

„Hij is een origineele kerel!

„Voor zichzelf heeft hij weinig noodig, niet meer, dan een Engelsch edelman gewoonlijk gebruikt. De millioenen, die hij door zijn daden verkrijgt, besteedt hij voor liefdadige doeleinden en geeft hij op de allermildste wijze uit, alsof hij een keizer ware.

„Het geld is goedkoop voor dezen man.”

„Ja,” sprak de directeur, „zeer goedkoop, want het komt uit vreemde brandkasten. Maar ik ben toch niet van plan om tienduizend pond te boeken op de verliesrekening der Bank.

„Laat hij zijn kunsten maar eens bij ons beproeven.”

„En ons zooveel gezanik met de politie bezorgen,” viel Griffin uit, „dat wij dagenlang niets anders te doen hebben dan naar Scotland Yard te trekken om allerlei getuigenissen af te leggen.”

„Nu, dat is dan niet anders,” antwoordde de bankdirecteur, „deel den inhoud van dezen brief aan al onze beambten mee en druk hun op het hart, uiterst voorzichtig te zijn.

„Vooral de aangeboden chèques moeten nauwkeurig onderzocht worden!”

„Gij vergist u!” sprak Griffin, „voor zoover ik mij herinner, heeft John Raffles nog nooit een chèque vervalscht!

„Met die soort van misdaden houdt hij zich in ’t geheel niet op. Zijn manier van werken draagt steeds een geniaal karakter en het is bewonderenswaardig, zooals hij zijn plannen ten uitvoer weet te brengen. Altijd heeft hij een nieuwe manier en hoe hij zijn troeven ook uitspeelt, hij wint altijd het spel, terwijl de bedrogene behalve de schade, ook nog den spot van pers en publiek moet dragen, want John Raffles werkt altijd met een zekeren humor!”

„Gij schijnt goed bekend te zijn met dien man,” vroeg John Ruster verbaasd.

„Omdat ik met de grootste belangstelling zijn lotgevallen tot op den dag van heden, door de pers gepubliceerd, heb gevolgd.”

De directeur der Bank stak een sigaar op en dacht, blauwe rookwolkjes uitblazend, eenige oogenblikken na.

Toen had hij een besluit genomen.

„Wees zoo goed, dien man te schrijven uit mijn naam, dat hij maar moet probeeren, zijn plan uit te voeren. Ik ben zeer nieuwsgierig naar den afloop.

„Geef tegelijkertijd Scotland Yard kennis van het geval en tevens van het adres van den post-restant-brief; misschien lukt het, Raffles gevangen te nemen.”

„Ik zal ervoor zorgen, mijnheer,” antwoordde mr. Griffin, „maar ik geloof niet, dat Scotland Yard, na alle vergeefsche pogingen om Raffles in handen te krijgen, veel moeite zal doen om het Victoria-Hotel te bewaken. Ik ben ervan overtuigd, dat, ondanks de aanwezigheid van meerdere politiebeambten, Raffles den brief af zal halen.”

„Zend u een bericht aan de politie, zooals ik u zei!”

De directeur der Bank maakte een handbeweging, waarmee hij mr. Griffin te kennen gaf dat deze het vertrek kon verlaten.

TWEEDE HOOFDSTUK.

R. 100.

„Raffles is weer aan het werk,” sprak detective Marholm tot zijn college Roland, toen hij den brief van den directeur der Engelsche Bank had gelezen.

Marholm verving tijdelijk den inspecteur van politie Baxter, die op reis was naar New-York en die reeds herhaaldelijk had verklaard, dat Raffles hem nog eens krankzinnig zou maken.

Alle vindingrijkheid der politie had tot dusverre niet gebaat om Raffles gevangen te nemen en het oude, beroemde detectivebureau, dat bekend stond als het beste ter wereld, werd door Raffles steeds belachelijk gemaakt.

„Wat zijt gij van plan te doen?” vroeg detective Roland. „Denkt gij, het Victoria-hotel te bezetten en de komst van Raffles af te wachten?”

Marholm lachte.

Hij was de persoon in Scotland Yard, van wien Raffles zei, dat hij den heldersten kop had en de eenige voor wien John Raffles achting gevoelde.

Detective Marholm was klein van gestalte en bezat de eigenaardigheid, plotseling te voorschijn te komen uit gaten en schuilhoeken, waar men hem het minst vermoedde om zoodoende de door hem achtervolgde misdadigers gevangen te nemen.

„Gij lacht,” sprak detective Roland, „en ik begrijp daaruit, dat gij het voor onmogelijk houdt, Raffles bij het afhalen van den brief in handen te krijgen.”

„Juist,” antwoordde Marholm.

„Houdt gij Raffles voor een idioot of voor iemand, die pas komt kijken? Gij miskent dezen genialen misdadiger. Maar ik stel er belang in om te zien, op welke wijze hij in het bezit van den brief zal komen. Zoo eenvoudig is de zaak niet.

„Ik ken den postambtenaar in het Victoria-hotel als een zeer voorzichtig mensch.

„Ik zal zelf met u daarheen gaan om te kijken, hoe John Raffles zijn post-restant-brief afhaalt.”

Een half uur later bevonden de beide detectives zich bij den dienstdoenden ambtenaar aan het postkantoor „Victoria-hotel”.

Het kantoor bevond zich in de nabijheid van den hoofdingang van het hotel. Aan het loket stond een ambtenaar. Langs den langsten muur zag men in een honderden vakjes ingedeelde kast, waarvan elke afdeeling een nummer van een der hotelkamers droeg.

Naast de tafel bevond zich een kleine ingang voor den ambtenaar, buiten wien niemand het kantoorlokaal mocht binnengaan.

Voor het loket was de doorgang naar den wintertuin van het hotel.

Detective Marholm deelde den ambtenaar mede, waarom zij waren gekomen en vroeg hem meteen, of er reeds een brief onder de initialen R. 100 was aangekomen.

De beambte zocht in een der vakken en ontdekte, dat de ochtendpost werkelijk een dergelijk stuk had meegebracht

„Bij dezen brief moet gij opletten,” sprak detective Marholm, „op het oogenblik, waarop naar dit stuk wordt gevraagd, geeft gij ons een teeken. Wij zullen ons dan verder bezighouden met den persoon, die om den brief komt.”

Zij hadden ongeveer twee uur gewacht, toen bijna op hetzelfde oogenblik verschillende kruiers en loopjongens aan het loket kwamen die alle denzelfden wensch hadden, namelijk den brief R. 100 af te halen.

Besluiteloos stond de ambtenaar tegenover al deze menschen.

Hij had slechts één brief en deze werd door vier verschillende menschen opgeëischt.

Dat was een moeilijke zaak voor hem, die hij niet zoo dadelijk wist op te lossen.

Onder de wachtenden ontstond twist, want ieder van hen eischte den brief met het adres R. 100, omdat Raffles, die hen had gezonden, aan elk van hen een pond had beloofd.

Zij eischten den brief van den ambtenaar en detective Marholm, die de twistende groep was genaderd, amuseerde zich over deze truc van Raffles.

„Wat moet ik doen?” vroeg de postambtenaar hem, „hier zijn vier menschen, die denzelfden brief komen afhalen. Hoe moet ik dit zaakje behandelen?”

„Dat mag de duivel weten!” lachte Marholm. „Doe, zooals in een Oostersch sprookje wordt verteld en behoud den brief!”

„Ja,” sprak de postambtenaar, „dat zal ik doen.”

Hij wendde zich tot de vier mannen aan het loket.

„Gaat terug, naar den heer, die u heeft gezonden en zegt hem, dat hij zelf den brief moet komen halen.”

„Daar zult gij lang op kunnen wachten”, meende Marholm.

Met veel lawaai ging het viertal heen.

Na ongeveer een half uur herhaalde zich hetzelfde tooneel.

Dezen keer werd echter brutaler opgetreden door de afgevaardigden van Raffles, die volgens strenge bevelen van dezen schenen te handelen.

Zij stelden zich niet tevreden met het antwoord van den loketambtenaar en bedreigden dezen.

Op dit oogenblik kwam een postbode het hotel binnen. Hij wilde naar het loket gaan om brieven af te geven, maar, daar de twistende mannen hem den weg versperden, opende hij de zijdeur en trad het kantoorlokaal binnen.

De ambtenaar had zijn handen vol met de kerels, die aan het loket tegen hem stonden te tieren en lette niet op den binnenkomende.

„Hier is de post,” sprak deze tot den ambtenaar, terwijl hij een bundel brieven voor hem neerlegde.

Daarop ging hij heen.

Detective Marholm en zijn collega hielpen bereidwillig om de twistende lieden naar buiten te brengen. Daarop ging Marholm naar het loket terug waar de postambtenaar met verbaasd gelaat bezig was, het hoopje brieven, dat de besteller hem juist had gebracht, na te zien.

„Wat is dat voor een vervloekte nonsens?” bromde hij. „De besteller heeft bij mij een stapeltje open brieven neergelegd; ik weet niet, wat ik ermee moet doen. De couverts zijn gedeeltelijk met oude couranten gevuld, gedeeltelijk leeg.”

Detective Marholm antwoordde:

„Wat vertelt gij daar? Hoe kan een besteller nu leege couverts brengen?”

„Kijk dan zelf,” antwoordde de beambte, „hier hebt gij,” en bij deze woorden schoof hij Marholm het pak brieven toe, „met couranten gevulde couverts en dergelijke rommel. Zoo’n post heb ik nog nooit in mijn leven ontvangen.”

Detective Marholm keek de brieven door en zag, dat de beambte gelijk had.

Haastig vroeg hij daarop:

„Waar is de brief R. 100?”

De beambte zocht in het bepaalde vak naar den brief, die daarin moest liggen, maar verschrikt week hij achteruit.

„Dat is goochelarij, neen, hekserij!” riep hij vol verbazing uit, „zooeven lag de brief daarin en nu—”

„Raffles!” sprak detective Marholm, „de besteller, die u zooeven de brieven bracht, was Raffles!

„Hij heeft die lui op u afgezonden en had hun van te voren de noodige bevelen gegeven. In een onbewaakt oogenblik heeft hij den brief uit het vak genomen.

„Kom, collega Roland, ik zei u reeds vooruit, dat er hier nog wel iets voor ons te leeren zou zijn!”

DERDE HOOFDSTUK.

HET GEDEPONEERDE KISTJE.

„Ik heb hier een massa waardevolle stukken,” sprak Raffles tot zijn vriend Charly Brand, „welke ik bij de Engelsche Bank zou willen deponeeren.

„Ik ben van plan, gedurende de feestdagen naar Brighton te gaan.

„Daar ik nog nooit zaken heb gedaan met de Engelsche Bank, maar jij wel, verzoek ik je, dit kistje bij den kassier in bewaring te willen geven.

„Let er vooral op, dat het touw goed door den beambte wordt verzegeld.

„Ik ben er zeer op gesteld, dat de zegels van de Bank ongeschonden op het kistje zitten, als je dit weer afhaalt!”

„Wat ben je van plan?” vroeg Charly Brand, terwijl hij vol nieuwsgierigheid zijn vriend en meester aankeek.

„Ik heb gemerkt,” sprak Raffles lachend, „dat de toestand van mijn kas treurig is en men heeft geld noodig om te leven.”

„Zeer zeker,” antwoordde Charly Brand, „hoogst noodig! Wil je door middel van dit kistje het geld, dat je noodig hebt, van de Engelsche Bank halen?”

„Juist,” sprak Raffles. „Ik hoop stellig, het bagatel van tienduizend pond op deze wijze te verkrijgen. Doe nu, wat ik je zeg!”

Eenige uren later bevond Charly Brand zich tegenover den hem bekenden kassier der Bank, zette het twee voet lange en één voet hooge kistje op tafel en sprak:

„Ik wensch gedurende de feestdagen dit kistje bij u in bewaring te geven.”

„Allright!” antwoordde de beambte der Bank. „Wat is de waarde van den inhoud?”

„Er bevinden zich gewichtige documenten in,” sprak Charly Brand, „en ik kan geen juist bedrag opgeven.

„Ik verzoek u alleen, het kistje goed te verzegelen, opdat geen onbevoegde gedurende den tijd, dat het zich hier bevindt, inzage van mijn papieren kan nemen.”

„Ik zal het zoodanig verzegelen, dat het zelfs, den duivel niet zou gelukken, er een blik in te werpen,” antwoordde de kassier.

Hij nam het kistje in ontvangst en verzegelde het op 18 plaatsen. Daarop gaf hij Charly Brand een ontvangbewijs. Deze betaalde een bedrag van twee pond en keerde naar Raffles terug.

Met een onverschillig gelaat stak deze de quitantie in zijn borstzak.

Daarop vertrok hij met zijn vriend naar Brighton, een uitstapje, dat de Londenaars gaarne maken.

Na drie dagen kwam hij met Charly terug en gaf hem het bevel, het kistje van de Bank terug te halen. Hij drukte hem nogmaals op het hart, er op te letten, dat geen der zegels geschonden was!

Toen Charly Brand met het kistje van de Bank terugkeerde, onderzocht Raffles het nauwkeurig; daarop nam hij een grooten leeren koffer en zette het kistje daarin.

Het verdere van den koffer vulde hij met waschgoed, dat tevens moest dienen om de lakken van het kistje te beschermen.

Charly Brand keek naar dit alles met het gelaat van iemand, die niet weet wat hij ervan denken moet.

Raffles sloot den koffer, gaf den sleutel aan Charly Brand en sprak tot hem:

„Ga nu eens zitten en luister aandachtig naar hetgeen ik je zal vertellen.

„Je moet van hier naar Southampton reizen en van daar morgenochtend met de van New-York komende stoomboot „Keizer Wilhelm de Groote” naar Bremen varen.

„Den koffer met het kistje erin moet je daar mee naar toe nemen als bagage.

„Volgens alle waarschijnlijkheid zal je voor Bremerhaven bezoek krijgen van eenige heeren, die je zullen dreigen met in hechtenisneming en tegen wie je moet doen, alsof je hen en jezelf wilt doodschieten.

„Een van deze heeren zal een zekere bankier Brackbush zijn, en hem moet je later op je knieën vergiffenis vragen voor je daad. Hij zal je geld geven en daarmee kom je bij mij terug.”

„Dat alles moge de duivel begrijpen!” riep Charly Brand uit, „wat ben je van plan? Ik moet naar Bremen varen, ik zal gevangen genomen worden, ik moet doen alsof ik mijzelf wil doodschieten, alsof ik anderen wil vermoorden, eindelijk moet ik genade smeeken, ik moet een misdaad hebben begaan, ik zal geld krijgen en ik weet niet waarvoor.

„Dat draait allemaal als een molenrad in mijn hersens rond!”

„Dat hindert niet”, lachte Raffles, „maar ik zal je een beetje op de hoogte brengen, opdat je niet blindelings mijn bevelen behoeft op te volgen.

„Welnu! Veronderstel dat het kistje, dat zich in den koffer bevindt, ongeveer twee millioen pond sterling bevatte en dat jij een kassier waart van de Bank van Engeland, die er van door is met dat kistje.

„In Bremen wil men je gevangen nemen, je grijpt naar je revolver en krijgt als belooning voor je daad tienduizend pond sterling, welk bedrag je als borg had gedeponeerd bij de Engelsche Bank.”

„Maar dat is immers klinkklare onzin!” riep Charly, Brand verbaasd uit, „men geeft een voortvluchtigen kassier toch geen geld toe! Dat zou een prachtig lokmiddel zijn voor ontrouwe ambtenaren!”

„Neen”, antwoordde Raffles, met een vroolijk lachje, „de zaak is ook wel een beetje anders.

„Bankier Brackbush is chef van het filiaal der Engelsche Bank daar ter stede. De Bank wenscht, evenals elke groote instelling, geen openbare ruchtbaarheid te geven aan het feit, dat zij zulk een schandelijk individu als jij bent, tot kassier heeft aangesteld. Denk wel, een dergelijke zaak kan den goeden naam van een financieel inrichting groote afbreuk doen.

„De tienduizend pond worden jou dus gegeven om je den mond te snoeren en je zult het kistje teruggeven en doen alsof je met je verkregen borgtocht naar Amerika gingt.”

„Dat is alles heel mooi,” merkte Charly Brand op, „maar begrijpen doe ik de zaak nog niet.”

„Het is voldoende, als je alles doet, wat ik je zeg. Het overige in deze kwestie verzorg ik vanuit Londen.”

Den volgenden dag vergezelde Raffles Charly Brand persoonlijk naar Southampton, waar hij hem aan boord bracht van de stoomboot „Keizer Wilhelm de Groote”, die van New-York naar Bremen voer.

„Het is zeer lief van je”, sprak Charly Brand tot Raffles, „dat je mij aan boord hebt gebracht.”

„O neen”, lachte Raffles, „ik ben niet om jou meegegaan, maar om het nummer te weten van de hut, die je betrekt.

„Het is nummer 211.”

Een heer, die een donkeren bril droeg, passeerde hen op dit oogenblik en keek vol belangstelling door een verrekijker naar de Engelsche haven en de daar stationneerende oorlogsschepen.

Raffles noch Charly Brand hoorden, hoe de vreemde heer in het voorbijgaan mompelde:

„Dus nummer 211. Ik had niet gedacht, dat ik zoo’n uitstekende vangst hier aan boord zou doen.

„Een schitterend zaakje, waarop ik straks aan tafel,” het was tegen vijf uur in den namiddag, „een fijne flesch zal drinken.”

Het was inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard, die op deze stoomboot van New-York naar Bremen reisde, om een internationalen meisjeshandel te vervolgen, waarvan de hoofdzetel in Londen was gevestigd.

Baxter was veertien dagen geleden naar New-York vertrokken, omdat een bekend detective-bureau aldaar hem mededeelde, dat de gezochte misdadiger blijkbaar aan het hoofd stond van een groote bende handelaren in vrouwen en meisjes en dat hij zich naar Bremen zou begeven, om daar op zijn gewonen weg via Engeland een aantal ongelukkige schepsels naar Zuid-Amerika te voeren.

Onder den naam van een zekeren Mr. Lobeck bevond zich de handelaar in blanke slavinnen als kajuitspassagier eerste klasse aan boord van het schip.

Inspecteur Baxter, die zich goed had vermomd, zoo dat zelfs Raffles, die hij rakelings was voorbijgegaan, hem niet herkende, had den grooten meesterdief en diens gezel dadelijk ontdekt, toen zij aan boord kwamen.

Het hart van den inspecteur barstte bijna van vreugde en opgewondenheid, als hij eraan dacht, welke groote vangst hij nu zou doen!

Hij wist weliswaar niet, wat Charly Brand in Bremen wilde doen.

„Maar,” zoo berekende hij, „hij gaat niet voor niets naar Bremen. Raffles zal zeker een van zijn plannen in Bremen inplaats van in Londen, willen uitvoeren.”

Terwijl de stoomboot langzaam, zooals de scheepswetten dat voorschrijven, door het Kanaal voer, zat Raffles in het telegraafkantoor, dat in zijn huis was aangelegd, met het horloge in de hand om te berekenen, waar het stoomschip zich nu kon bevinden.

Hij had een zeekaart van het Kanaal en de Noordzee voor zich liggen en telkens stak hij een speld met een rood knopje op die plek van de kaart, waar de boot moest zijn.

Dit telegraafkantoor was door hem op vernuftige wijze met den kabel verbonden, welke onder het gebouw van de Engelsche Bank liep en stelde hem elk oogenblik in staat, de gesprekken en telegrammen der Bank op te vangen of te beluisteren.

En hier lag de sleutel tot zijn plan.

Tegen zeven uur des morgens, toen de speld op de zeekaart tot vlak bij Bremerhaven was genaderd, begaf Raffles zich naar het toestel en verbond zich met de telefoon van het Londensche telegraafkantoor. Hij sprak:

„Hier Engelsche Bank—geef mij verbinding met het vaste land!”

„Alstublieft!” luidde het korte antwoord van den ambtenaar.

Raffles had zich gedurende de laatste weken voldoende op de hoogte gesteld omtrent de verhouding van de Bank met het hoofdtelegraafkantoor.

Nu legde hij zijn vingers op den sleutel van het Morse-toestel en begon de cijfers over te seinen van een met getallen volgeschreven papier.

Niemand, behalve Raffles en de Bank, kende de beteekenis van deze getallen.

Alleen de Engelsche Bank en de chefs van haar filialen in verschillende plaatsen der wereld bezaten behalve Raffles, den sleutel tot dit geheime cijferschrift.

Elk dezer getallen beduidde een woord of een zin.

Het was ongeveer een half uur later, toen bankier Brackbush, de directeur van het Bremer filiaal de Engelsche Bank, een cijfertelegram van het hoofdbureau der Bank ontving en, nadat hij het met behulp van het door de Bank uitgegeven boek had ontcijferd, sprong hij op en begaf zich, zonder zijn ontbijt verder aan te roeren, naar de kade, om met zijn motorboot dadelijk naar Bremerhaven te varen.

Eerst echter spoedde hij zich opgewonden naar het naastbijgelegen detectivebureau van Klinger, waarmee hij sinds jaren werkte.

„Geef mij dadelijk een beambte mee, snel! Ik moet den „Keizer Wilhelm” nog vóór Bremerhaven bereiken!” riep hij tot den chef.

Een corpulent man van rijperen leeftijd stond bij de woorden van den bankier op, nam zwijgend zijn hoed en stok, trok zijn overjas aan, nam uit een la van de schrijftafel een revolver en volgde den bankier.

Het was een van de beste geheime agenten, waarmee Brackbush op zijn motorboot naar Bremerhaven voer.

Onderweg gaf de bankier hem eenige inlichtingen.

„Ik wil de zaak,” sprak Brackbush, „zonder inhechtenisneming behandelen. Alleen in geval van nood maak ik daarvan gebruik.

„De hoofdzaak is, dat wij Bremerhaven nog bereiken, voordat de passagiers zijn aangekomen en voordat deze aan land zijn!”......

Een dikke nevel omgaf de reede van Bremerhaven en slechts langzaam kon de reuzenstoomboot „Keizer Wilhelm de Groote” zich een weg in de haven banen.

Onophoudelijk weerklonken de misthoorns en stoomfluiten, om aanvaringen met andere schepen te voorkomen.

Volgens berekening der loodsen was de stoomboot hoogstens een halve mijl van de haven verwijderd, toen plotseling de wacht riep:

„Motorboot aan stuurboord!”

„Werpt touwen uit!” riep de dekofficier tot de wacht, en met behulp der matrozen werd de motorboot, die naast het stoomschip was gekomen, vastgemaakt.

Na eenige minuten klommen langs een touwladder, welke men neer had gelaten, bankier Brackbush en de geheime detective op het dek.

Een kort gesprek met den kapitein volgde, waarna de nieuw aangekomenen zich, door dezen vergezeld, naar hut 211 begaven.

Deze was gesloten en de bewoner scheen bezig te zijn, zijn zaken te regelen.

Na herhaald kloppen vroeg Charly Brand:

„Wie is daar?”

„Doe open!” beval de kapitein. „Ik ben het zelf, de kapitein van het schip. Ik wensch u te spreken.”