Lord Lister No. 0025: De bankdirecteur
Part 5
„Voor den duivel, wie heeft je losgesneden, toen je aan de galg hing?” vroeg Tom. „Hebben de vogels je door de lucht gedragen? Ik heb zelf in de couranten gelezen, dat je opgehangen zoudt worden en op den morgen, waarop het met je was afgeloopen, dronken wij een groot glas brandewijn van mijn beste soort op je gezondheid. Ben je uit den dood herrezen? Dat is bij St. Patrick, een heel zeldzame gebeurtenis!”
„Niet zoo merkwaardig als jij wel meent,” sprak McIntosh lachend.
„De strik, waaraan ik hing, was goed, maar zij hadden de galg een beetje al te vlug in elkaar geslagen. Toen men de plank onder mijn voeten wegtrok, om mij naar de eeuwigheid te sturen, viel ik wel in een kuil, maar met mij plofte de heele galg naar beneden. Je weet dat mijn keel niet veel te wenschen overlaat.
„Men schonk mij toen genade, omdat volgens de Engelsche wet, niemand tweemaal mag worden opgehangen. Ik werd naar Australië gezonden om daar de straten en wegen netjes te houden.
„Een duivelsche lol, als men een ketting met een kogel mee moet sleepen aan zijn been, terwijl de zon zóó op je kop brandt, dat je hersens bijna smelten.”
„En hoe ben je weer uit die braadpan geraakt?” vroeg Tom, terwijl hij zijn ouden vriend nog een glas brandewijn inschonk.
McIntosh dronk het gemeene goedje in een enkelen teug leeg en sprak met een vies gezicht:
„Geef mij eerst wat beters te drinken. Aan de galg te hangen is nog heerlijk, vergeleken bij dit bocht! Dat doet meer kwaad aan de keel dan een strop!”
„Wees blij, dat je mijn brandewijn nog kunt drinken”, bromde Tom. „Maar hier heb ik een extra goed merk, dat ik alleen op feestdagen schenk. Ik zal maar denken, dat jouw bezoek een feestdag voor mij is. Drink en vertel mij dan, hoe je uit dien smeltoven bent gekomen.”
Hij schonk een nieuw glas vol, dat McIntosh onderzoekend proefde:
„Dit is beter. Je hadt dadelijk aan een feestdag moeten denken. Nu, luister dan:
„Ik vond toevallig op den weg, waar ik werkte, een vijl en daarmee bevrijdde ik mij.
„Het was een ellendig, verroest instrument. Maar in den nood vreet de duivel vliegen. Elken nacht vijlde ik onder mijn deken aan den ketting. Een vervloekt moeilijk werkje! Het duurde twee maanden, eer ik den ijzeren band had doorgevijld.
„Toen was ik vrij! Ik sloeg een oppasser, die zoo gek was om mij den weg te willen versperren met een enkelen slag neer, nam hem zijn geweer af en vluchtte het bosch in.
„De bereden politie zat mij achterna. Verduiveld, Tom, voor een tweeden keer zou ik het niet hebben volgehouden.
„Zonder water, zonder brood zwierf ik verscheiden weken in de wildernis rond, totdat het mij gelukte, een ouwen kameraad als mijneigenaar terug te vinden. Hij ontfermde zich over mij en verborg mij voor de speurhonden.
„Met hem ben ik nu naar Engeland teruggekomen en omdat de man niet naar mijn raad wilde luisteren, is het slecht met hem gegaan en—Scotland Yard heeft hem gisteren als lijk meegenomen.”
„Toch niet—niet—” Tom aarzelde.
„Ja zeker”, hielp McIntosh hem, „dezelfde, dien jij bedoelt!”
„Is het mogelijk? Mr. Geis die zich Stein noemde! Vroeger bekend onder den naam „Dikke Leg”.
„Jawel, dezelfde!—Verduiveld, Dikke Leg, die kassier aan een groote Bank is geweest, je weet wel. Nou, de kerel had een flink zondenregister, dat verzeker ik je!”
„Dat geloof ik,” sprak de herbergier.
„Toch is het jammer van den kerel,” vond McIntosh. „Hij had goede plannen en als die vervloekte Raffles ons dezen keer geen streep door de rekening had gehaald, was ik nu in het bezit van millioenen en behoefde ik jou slechten brandewijn niet te drinken.”
„Je schijnt een erg voornaam heer te zijn geworden. Ik vraag je immers niet om mijn borrels te drinken!”
„Dat klopt,” bromde McIntosh.
„Je hebt zeker wel een doel voor je komst?” informeerde Tom.
„Schenk mijn glas nog eens vol met die goeie soort, dan zullen wij met elkaar spreken. Ik denk wel, dat je mij zult begrijpen en meedoen. Maar hier kan ik het je niet vertellen. Je hebt zeker wel een andere kamer?”
Tom schonk het glas nog eens vol en nam zijn bezoeker mee naar een vertrek, achter de gelagkamer gelegen.
„Nou, wat heb je op je hart?” vroeg Tom, nadat beiden in de rommelige kamer hadden plaats genomen.
McIntosh onderzocht eerst of niemand hun gesprek zou kunnen hooren.
„Het is hier veilig,” sprak de waard, „maak je niet ongerust.”
McIntosh boog zich naar hem toe en fluisterde:
„Heb je lust, een rijke kerel te worden?”
„Ik zou niet weten, waarom niet,” antwoordde Tom, „Hongerlijden is lang geen pretje.”
„All right,” ging McIntosh fluisterend voort, „ik weet een zaakje, dat millioenen oplevert.”
„Dat laat zich hooren,” antwoordde Tom begeerig. „Een moord?”
„Als het noodig is, ja. Gemakkelijk is het niet,” vertelde de Ier, een sigaar opstekend.
„Ik heb niet graag met moorden te doen. Het geeft te veel herrie.”
„Zoo was je vroeger niet,” hoonde McIntosh, „ik zal je een kindermeid sturen!”
„Vertel, wat het is. Als het moet, sla ik altijd nog een kop in tweeën. Je kent mij. Ik heb voor slager gestudeerd.”
Zij staken de hoofden bijeen en McIntosh begon:
„Je herinnert je wel, dat ik twaalf jaar geleden den ouden bankier Burns— — —”
„Ja, dat weet ik, dat hoef je niet te herhalen. Daarom zou je worden opgehangen. Het was een beroerde geschiedenis voor je.
„Als dit zaakje niet heel goed in mekaar is gezet, neem dan liever een ander mee dan mij, want ik bedank voor dergelijke stropdassen.”
„Als er gemoord moet worden, neem ik dat voor mijn rekening”, antwoordde McIntosh, „en ik hoop, dat het zal gaan zonder roode soep te maken.”
„Mooi!” sprak Tom met een breeden grijns, „vertel verder kerel.”
„Ik heb toen,” vervolgde McIntosh, „anderhalf millioen van den ouden bankier gestolen en had de papieren en het geld begraven op een eilandje in de buurt van IJsland.”
„Een mooie plaats,” lachte Tom, „daar zoeken de fijnste speurhonden van Scotland Yard de centen niet.”
„Neen, dat spreekt,” antwoordde McIntosh, de glazen opnieuw vullende.
Nadat zij gedronken hadden, ging hij verder:
„Ik had nooit gedacht, dat het iemand zou gelukken, de duiten te vinden, maar”—hij sloeg met de vuist op tafel, „de duivel hale dien hond.”
„Wien?”
„Raffles! De grootste gauwdief van deze eeuw!
„Het is Raffles gelukt, den buit te vinden!”
Nu sloeg ook Tom met de vuist op tafel, zoodat de glazen rinkelden en hij riep uit:
„Vervloekt, Patt Jimmy, wat zeg je daar? Raffles, de groote onbekende, heeft je een poets gebakken?”
„Jawel,” riep McIntosh met van woede vonkelende oogen, „door een grenzenlooze domheid van mij is het hem gelukt.”
Tom riep lachend:
„Jongens, wat ben jullie dom! Jullie waagt je leven en steelt en laat den boel door Raffles weghalen. Dat is een grap voor een humoristisch album! Jij hangt aan de galg en hij staat er bij een havanna te rooken, die hij voor het geld heeft gekocht, dat jou aan de galg bracht. Kerel, dat is al te mal! Hoe was dat mogelijk?”
„Vraag er niet naar,” sprak McIntosh, „ik zeg je immers dat ik een stommiteit heb uitgehaald en nu moet jij me helpen, alles terug te halen.”
„Als het mogelijk is, graag,” sprak Tom. „Ik ben nieuwsgierig, hoe je dat wilt aanleggen. Jij zoudt de eerste wezen, wien het gelukte om Raffles een poets te bakken.”
„Ik denk wel, dat het zal lukken,” sprak McIntosh op geruststellenden toon.
„Luister. Ik zal vannacht te weten zien te komen, hoe de woning van Raffles is gebouwd.”
Tom keek verrast op:
„Weet je, waar de hond woont? Dat is vijfduizend pond sterling waard, die als belooning worden uitbetaald!”
„Wij moeten meer hebben dan vijfduizend pond.”
„Dat ben ik volkomen met je eens, als het kan! Maar hoe is het mogelijk, dat jij weet, waar hij woont? Geheel Scotland Yard weet het niet!”
„Dat ben ik van mijn kameraad te weten gekomen en daarop is mijn plan gebouwd!”
„Ik neem aan, dat alles wat je zegt, waarheid is. Hoe denk je de zaak aan te pakken? Het zal zeker niet gemakkelijk zijn.”
„Dat hangt van jou af,” antwoordde McIntosh. „De hoofdzaak is, dat ik een flinke hulp heb. Want alleen geloof ik niet, met Raffles klaar te zullen komen.”
„Goed,” sprak Tom, „als je je plan hebt opgemaakt, kom dan bij mij. Ik zal je helpen. Maar eerlijk deelen!”
„Dat spreekt van zelf,” gaf McIntosh ten antwoord, „of houdt je mij soms voor een bedrieger?”
„Ik hoop niet, dat je er een bent; daar heb je mijn hand, het zal aan mij niet liggen, om de zaak klaar te spelen.”
Den dag daarna zat Raffles met Charly in zijn bibliotheek en was bezig, de courantenuitknipsels met berichten over zijn daden te rangschikken, toen hij een geritsel hoorde aan de groote glazen deur, die toegang gaf tot den tuin.
Hij maakte Charly Brand er niet opmerkzaam op, maar stond op en sprak op onverschilligen toon:
„Kom, laat ons het werk tot morgen laten rusten en naar een restaurant gaan.”
„Zooals je wilt,” antwoordde de secretaris bereidwillig en samen verlieten zij het huis.
Eerst tegen middernacht kwamen zij terug.
Charly was verbaasd, toen hij zag, dat Raffles geen gebruik maakte van den gewonen ingang, maar om de villa heenliep naar het andere gedeelte van het huis. De maan wierp haar zwakke stralen naar beneden, maar voor de scherpe oogen van Raffles was dit licht voldoende.
Als een Indiaan liep hij telkens bukkend langs de paden, die hij elken dag door den bediende zorgvuldig liet harken. Elke voetstap liet daardoor zijn spoor achter. Spoedig had Raffles dan ook gevonden wat hij zocht.
Hij wees met zijn hand naar de duidelijke sporen van groote mannenlaarzen.
„Houdt je kalm,” fluisterde hij tot Charly, „wij hebben nachtelijk bezoek in huis.”
Hij onderzocht de voetstappen verder en bleef eenige meters verder opnieuw staan.
„Zij zijn met hun beiden,” sprak hij, „hier ontdek ik andere sporen. Deze voeten zijn kleiner dan de andere.”
„Wie kan het zijn?” fluisterde Charly nieuwsgierig.
„Ik denk, een oude kennis,” antwoordde Raffles, „als ik mij niet heel erg vergis, is het de medeplichtige van Mr. Geis.”
„Aha!” fluisterde Charly, „de kerel zal willen probeeren om zijn schatten, die wij van het eiland meenamen, terug te krijgen.”
„Juist, juist en ik denk, dat ik hem leelijk voor den gek zal kunnen houden. Hij is dom genoeg om mij een bezoek te komen brengen. Ga jij nu naar de straatdeur en ga met veel lawaai het huis binnen. De schurken moeten hooren, dat je thuis komt. Zij zullen natuurlijk denken, dat ik het ben. Ga naar mijn studeerkamer, neem een revolver voor geval van nood en wacht daar op mij.”
Charly Brand ging heen, terwijl Raffles, de voetstappen volgend, naar het huis sloop.
Hij ging langs denzelfden weg het huis binnen, dien de inbrekers hadden genomen en dat geschiedde zoo onhoorbaar, alsof een schaduw door het venster de bibliotheek binnen gleed.
Lord Lister had den kraag van zijn jas hoog opgeslagen en een zakdoek voor het gelaat gebonden.
Alleen zijn oogen waren te zien, zij fonkelden als sterren.
Zoodra hij in de kamer was, bleef hij, alsof hij een inbreker was, schuw staan en luisterde eenige oogenblikken.
Als een dief sloop hij daarna voorwaarts, totdat hij midden in het vertrek stond.
Nu liet hij de dievenlantaarn, die hij in zijn zak droeg haar licht verspreiden en trok zijn pistool te voorschijn.
Met scherpen blik ontdekte hij bij het licht der lantaarn op het tapijt, dat den geheelen vloer bedekte, de sporen van de natte schoenen der inbrekers.
Zij liepen dwars door het vertrek naar een fluweelen gordijn, dat een erker afsloot en waarachter de mannen zich waarschijnlijk hadden verborgen.
Aan een geringe beweging van het gordijn bemerkte Raffles dat hij zich niet vergist had en dat de mannen hem in het oog hielden.
Hij doofde de lantaarn uit, en een tevreden lachje speelde om zijn mond.
Zacht sloop hij naar het venster terug, opende het en liet een zacht misdadigersfluitje, zooals men dat in Eastend gebruikt, hooren.
Daarop wachtte hij eenige seconden en riep duidelijk uit het raam, alsof hij tot iemand in boeventaal sprak:
„Alles is koscher! (in orde) niemand te zien. Ik zal de boel uit het raam gooien!”
Dat was wel zacht, maar toch zoo duidelijk gesproken, dat de mannen achter het gordijn het moesten hooren.
Nu sloop Raffles weer door de kamer terug, waar hij voor een groote eikenhouten kast staan bleef. Daarop stonden zware zilveren kandelaars en vazen.
Raffles klom op een stoel, liet zijn lamp schijnen en nam de zilveren voorwerpen van hun plaats. Nu zette hij de lantaarn op tafel en onderzocht de zilverwerken der verschillende stukken.
„Goede mazzematten,” zei hij hardop en ging met zijn buit naar het venster.
Weer floot hij en sprak:
„He Jim, pak aan, ik taxeer ze op tien pond. Zwaar goed!”
Hij wierp de zilveren kandelaars en kannen uit het raam en met een luiden slag vielen deze op den grond.
Dadelijk doofde hij het licht weer uit en kroop, alsof hij tengevolge van het rumoer vreesde overvallen te worden, onder de tafel.
Na eenige seconden kwam hij weer te voorschijn en naar het venster snellend, riep hij:
„Nu zal ik de andere kamers doorzoeken en als alles koscher is, komen jij en Jacq binnen.”
Nu sloop Raffles naar de studeerkamer, waar Charly Brand intusschen was binnengekomen.
Charly Brand schrikte, toen Raffles, dien hij niet dadelijk herkende, plotseling in de kamer stond en haastig tot hem sprak:
„Snel naar buiten! Bind een zakdoek voor je gezicht, evenals ik en kom door hetzelfde raam naar binnen. Je moet voor inbreker spelen”.
Nu sloop Raffles naar de bibliotheek terug en overtuigde zich met een enkelen blik, dat de hem onbekende inbrekers nog steeds achter het gordijn verborgen waren.
Weer ging hij naar het venster en opende het. Toen hij naar buiten keek, zag hij Charly Brand.
„He, Jim,” riep Raffles, „ik heb overal gezocht Er zijn twee heeren in huis. Beiden slapen. Nu kunnen wij de kamers uitruimen. Jij, Jim, moet hierkomen en Jacq blijft oppassen en de wacht houden.”
Bij deze woorden hielp hij Charly Brand door het venster naar binnen klauteren en zamen slopen zij nu naar het aangrenzende vertrek.
Toen zij eenige kamers van de bibliotheek verwijderd waren, sprak Raffles met een fijn lachje:
„Nu komt de grootste mop, die ik ooit in mijn leven heb beleefd. De kerels staan achter het gordijn in de erker en zweeten bloed, omdat er collega’s van hen bezig zijn. Nu zullen wij het tafelzilver uit de eetkamer nemen en het ook uit het raam in den tuin gooien. Dan keeren wij terug, jij neemt uit mijn kleedkamer een politiejas, je zet een helm op en treedt op als beambte.”
Beiden namen een armvol zilveren schalen en borden en droegen alles naar de bibliotheek.
„He, Jacq!” riep Raffles uit het raam, „Pas op, zeg!”
In het volgende oogenblik wierp hij de zilveren voorwerpen naar buiten en Charly volgde zijn voorbeeld.
„Duivelsch!” vloekte Charly! „niet zooveel lawaai, wij zijn hier niet thuis!”
„Maak je niet ongerust”, antwoordde Raffles, „de heeren slapen vast. Nu gaan wij de rest halen en dan er van door.”
Snel begaven zij zich naar de kleedkamer en nu verkleedde Raffles zijn vriend in alle haast als politiebeambte. Daarop legde hij voor zichzelf een tweede uniform en helm gereed, zonder ze aan te trekken. Hij gaf Charly Brand een revolver en een paar boeien en sprak tot hem, de eetkamer binnengaande:
„Nu ben jij een politieman en achtervolgt mij. Je blijft bij het venster der bibliotheek staan, totdat ik als politiebeambte bij je terugkom. Laat de kerels er niet uit. Houdt je flink, mijn jongen. Je moet bij het raam der bibliotheek blijven staan tot ik je een teeken geef.”
Daarop nam hij het zilver, dat op het buffet stond, wierp het met groot lawaai op den grond en beval op luiden toon, zoodat het door alle kamers weerklonk:
„Sta stil! Handen in de hoogte!” terwijl hij zijn revolver tweemaal afschoot.
Daarop fluisterde hij tot Charly Brand:
„Schreeuw, alsof je een ambtenaar van politie was en volg mij!”
Als vluchtende snelde Raffles nu door de kamers tot de bibliotheek, op zijn weg stoelen en tafels omverwerpend.
Toen hij het raam der bibliotheek had bereikt, schreeuwde hij naar buiten:
„Vlucht Jacq. De politie heeft ons overvallen. Zij hebben Jim doodgeschoten!”
Bij die woorden sprong hij uit het raam en was verdwenen in de duisternis.
In het volgende oogenblik snelde Charly Brand, verkleed als politiebeambte, de bibliotheek binnen en riep een luid „Halt!” Hij liep naar het raam en vloekte op woedenden toon:
„Vervloekt! De schurk is gevlucht, dat bezorgt mij een standje van den inspecteur!”
Hij sloot het raam en om den tijd te dooden, totdat Raffles terug zou komen, draaide hij het electrische licht in de kamer op en begon alles door te zoeken.
„Aha!” riep hij uit, „zij hebben het zilver van de kast weggenomen.”
Daarop liep hij naar de deur en riep, alsof hij tot iemand sprak:
„Kapitein, de kerel is gevlucht!”
„Neen,” riep Raffles terug, die zich in dezen korten tijd had verkleed als inspecteur van politie. „Wij hebben het geheele huis omsingeld, niemand kan ontsnappen.”
Kort nadat hij deze woorden gesproken had, trad hij de bibliotheek binnen en sprak:
„Wij zullen alles doorzoeken. Het moet een geheele bende zijn. Revolvers gereed houden!”
Nauwelijks had hij deze woorden gesproken of van achter het fluweelen gordijn kwamen McIntosh en Tom te voorschijn, een poging doende om door het venster te vluchten.
„Halt!” riep Raffles, hun zijn revolver voorhoudend, „hier hebben wij twee schurken van de bende.”
Door vrees voor de uniformen en de op hen gerichte revolvers gaven de beide schurken zich zonder tegenstand over.
Raffles legde hun de boeien aan.
„Beste Scotland-Yard-armbanden,” schertste hij, „van uitstekend Dublinsch staal gemaakt. En nu vooruit!”
Hij greep McIntosh bij den arm, terwijl Charly Brand Tom’s polsen beetpakte.
Daarop brachten zij het tweetal de straat op.
Toen zij buiten waren, sprak Tom:
„Weet gij, inspecteur, dat gij een betere vangst daar in huis hadt kunnen doen, dan ons mee te nemen?”
„Dat geloof ik niet,” antwoordde Raffles.
„Maar ik wel,” sprak Tom, „in dat huis woont Raffles, de meesterdief, dien gij al zoo lang zoekt!”
„Je bent gek, kerel,” lachte Raffles, „in dat huis woont de ouder professor Morton, dien ik heel goed ken. En nu je mond houden!”
Toen riep Tom, met een woedenden blik op McIntosh:
„Ik zei je dadelijk, dat je je wel zoudt vergissen. Nu breng je mij ter wille van een ouden professor naar Scotland Yard.”
McIntosh knarste met de tanden.
Geis moest hem hebben voorgelogen, of Raffles had Geis iets op den mouw gespeld.
Het spel was verloren.
Toen zij den naasten politiepost hadden bereikt, maakten zij halt. Raffles gaf zijn gevangenen aan de beambten over:
„Ik heb een jacht op inbrekers gehouden voor Scotland Yard, neem een berichtje van mij mee. Breng deze mannen aan inspecteur Baxter. Weest voorzichtig, het zijn sterke kerels!”
Hij scheurde een blad papier uit zijn notitieboekje en schreef een briefje. Dat sloot hij in een couvert en gaf het aan een der beambten, die het bij zich stak.
„Maak dadelijk gebruik van de wapens”, riep Raffles tot de zich verwijderende mannen, „als gij merkt, dat de jongens willen vluchten!”
Een half uur later werden, tot groote verbazing van inspecteur Baxter, de beide gevangenen bij hem binnengebracht.
Baxter opende het briefje van zijn collega en las:
„Inspecteur Baxter! Ik heb u moeten vertegenwoordigen. Ik zend u als resultaat van mijn werk deze beide inbrekers. Gij zult in den een een lang gezochten, ouden bekende terugvinden. Hij was de medeplichtige van onzen vriend Mr. Geis.
Met collegialen groet!
Raffles.”
„Wat?” lachte Marholm, „stuurt Raffles die twee?”
„Ja”, antwoordde Baxter, „Raffles!”
Toen McIntosh dit hoorde werd hij bijna krankzinnig van woede en brulde hij als een bezetene.
Raffles echter zat in zijn gezellige studeerkamer en amuseerde zich over zijn laatste werk, terwijl Charly Brand het zilver weer op zijn plaats borg en met leedvermaak constateerde, dat het eenige deuken had gekregen.