Lord Lister No. 0021: Onder de puinhoopen van Messina
Part 5
„Ja, bastaard!” antwoordde de gevangene onbevreesd, „dien ik op straat liet werpen als afperser en schriftvervalscher! Heb ik jullie, ellendelingen, niet genoeg betaald? Waarom hebt gij het verbrast, waarom hebt gij er roekeloos mee omgegaan, nietswaardig sujet?”
De gemaskerde beefde van woede, zijn vuist kneep het papier in elkaar.
„Gij zijt in mijn macht! Gij zult duizend dooden sterven, niet één, vervloekte stijfkop!—Ziet gij dat uurwerk daar boven? Ziet gij het mes, dat daar hangt?”
Hij liep haastig naar den muur, waarlangs een gewicht en een ketting afhingen. Met ratelend geluid trok hij met de linkerhand het gewicht in de hoogte, waarna men het uurwerk hoorde tikken. Het mes bewoog zich nu in gelijkmatige tusschenpoozen op en neer. Het hing precies boven de borst van den gevangene.
De geboeide grijsaard keek onverschillig naar boven.
„Ik begreep dadelijk”, sprak hij, „toen ik dat mes daar boven ontdekte, dat dit wel het een of andere duivelsche werk van mijn zoon zou zijn! Kijk, kijk—het beweegt en komt vermoedelijk steeds lager! Wat een schitterende uitvinding!”
De gemaskerde had intusschen met een stok het uurwerk, dat vrij hoog hing, gesteld.
„Gij vergist u, dierbare vader! Ik ben wel knap op het gebied der mechaniek, maar deze doodsklok heb ik niet uitgevonden, ik heb haar slechts hersteld. Dit prachtige toestel is uitgevonden door de heilige Vaders, de menschlievende leden van de Inquisitie, om de verstokte ongeloovigen te straffen en een driedubbelen dood te doen sterven.
„Reeds menig ander heeft op de plaats gelegen, waar gij nu ligt; ongeloovigen en geloovigen, schuldigen en onschuldigen, welke zich niet konden verdedigen en die dikwijls alleen de misdaad op hun geweten hadden, rijk te zijn en de hebzucht der heilige Vaders te hebben opgewekt.
„Misschien waren zij minder verstokt dan gij, dien ik haat— — —!”
„Het is nu het jaar onzes Heeren 1908, als ik mij niet vergis—!”
„Zeker, zeker, markies, onnatuurlijke vader, hoogmoedige edelman! En al zoudt gij ontkomen aan dit mes, wat niet denkbaar is, dan zullen de muren boven uw hoofd instorten en als gij daardoor niet verpletterd wordt, dan zal de grond onder uw voeten uit elkaar vallen en gij zult in den onderaardschen arm van de Torrente di San Francesco di Paola storten, die onder dezen bodem door zijn weg neemt naar zee!”
„Dank—dank!” antwoordde de grijze gevangene hoonend. „Een gedeelte van dit alles is reeds meer dan voldoende! Maar jij, schurk, wees gevloekt! Als ooit de vloek van een vader is uitgekomen, dan zal hij zeker jou treffen! Vaar naar de hel, vervloekte, waar jij, duivel, behoort!”
Ondanks al zijn gewetenloosheid beefde de gemaskerde innerlijk. Maar, om niets te laten merken, lachte hij luid.
„Verouderde opvattingen, dierbare vader! En als het u misschien eenigszins kan troosten, zoo weet, dat gij spoedig vereenigd zult zijn met uw geliefden Luigi! Maar ik zal dan toch, ondanks uw weigering om te onderteekenen, uw erfgenaam zijn! Dit is—mijn afscheidsgroet!”
„De Heiligen zullen mijn beminden zoon beschermen!—Ga heen, onmensch, laat mij sterven! Maar bevrijd mij eerst van je gehate aanwezigheid!”
De schurk lachte.
„Dus vadertje, laat de tijd u niet al te lang vallen. Gij hebt nog tien minuten te leven! Kijk naar den wijzer! Als die de twaalf bereikt, zal het mes zoo laag zijn gekomen, dat het zich langzaam, maar zeker in uw hart boort! Dat zal de voltooiing mijner wraak zijn! Veel genoegen, oude stijfkop! Deze tien minuten zullen uw trots breken—Addio!”
„Stumper! Ik bevind mij in de hoede van God! Maar jij, ongelukkige, bent voor eeuwig des duivels. Ga heen, plaag mij niet langer! Een Siciliaansch edelman weet te sterven!”
„Wat? Durft gij mij nog trotseeren?” riep de ontaardde zoon vol woede en teleurstelling. „Dat is sterk! Geen God zal u kunnen redden, dwaas, en geen gebed zal uw noodlot kunnen veranderen!”
„Wie weet het?”
Hoonlachend verwijderde zich de schurk en dreunend viel de deur achter hem dicht. Eenzaam en verlaten, niet in staat om zich te bewegen, bleef de grijsaard op de houten brits liggen.
Als hij zijn oor drukte tegen het hout, waarop hij lag, vernam hij diep onder zich werkelijk het ruischen van het water der Torrente. Maar onweerstaanbaar werd zijn blik getrokken naar het uurwerk boven hem—nog acht minuten!
Langzaam maar zeker liep het door en het mes, dat aan een stang was bevestigd en flikkerde in het licht van een door Cesare achtergelaten fakkel, naderde al meer en meer, telkens met een schokje kwam het nader—zeven minuten!
Hij wilde de oogen sluiten, maar onwillekeurig richtten zij zich weer op het uurwerk en zijn oor luisterde naar het onheilspellende tikken.
—Zes minuten nog!—
De stoomboot van de maatschappij Florio-Rubaltino was juist aan de Scala dit Marmo te Messina aangekomen.
Onder de talrijke personen, die aan de kade hunne uit Napels komende vrienden of bloedverwanten verwachtten, bevonden zich ook een kleine man en een slank, elegant gekleed meisje, wier gelaat door een sluier bedekt was.
„Ik ben bang, dat hij weer niet komt, Signore Sarpi!” sprak het jonge meisje tot den detective.
Daar naderden twee jonge mannen, met vlugge stappen van den steiger, met veerkrachtigen tred de trappen der kade bestijgend.
De een, naar zijn uiterlijk een artist, had nauwelijks de wachtenden gezien, of hij groette met een handbeweging en snelde naar de slanke jonge dame toe.
„Marietta mia!”
„O, Luigi, Luigi!”
Het meisje had haar verloofde ondanks zijn vermomming aan stem en gestalte herkend en viel, lachend en weenend tegelijk, in zijn armen.
De detective had intusschen Charly, of liever Mr. Robert Bentinck-Shaw uit Chicago, op levendigen toon begroet en hem medegedeeld, dat zijn oom—dat wil zeggen Lord Lister—hem had opgedragen, Mr. Robert en den jongen markies hier aan de kade af te halen.
Zijn oom was zelf verhinderd door gewichtige zaken, die waarschijnlijk betrekking hadden op de misdaad in de familie Finori.
Toen de bagage vooruit was gezonden naar het hotel Vittoria en men bijeen zat in het echt Italiaansche restaurant van het Venetiaansch Hotel in de Oca Neve, werd het gesprek zeer levendig.
Spoedig echter stond de detective op.
„Het is tijd! Mijn lieden wachten op de afgesproken plaats. Als gij blijft bij uw moedige voornemens, heeren— —?—Het is niet meer of minder dan een tocht in de onderwereld—het is nu tijd om de misdadigers te overvallen!”
„O, neem mij ook mee! Luigi, kan je meenen, dat ik je nu alleen in het gevaar zou laten gaan, om zelf achter te blijven?—Ik weet, wat het plan is van Signore Sarpi!”
„Neen, neen, gravin!” riep deze uit. „Ik bid u, blijf hier! Men kan niet weten, welke strijd daar gestreden zal worden! En gij vermoedt niet, naar welk afschuwelijk oord ik de heeren zal moeten brengen!”
„Al ging het rechtstreeks naar de hel, waar die vreeselijke man thuis behoort, ik verlaat mijn Luigi niet meer, ik zou uit angst om hem sterven! Kijk, Signore Sarpi en jij Luigi, ik ben gewapend; ik heb moed! Niet tevergeefs ben ik een dochter der Torresani’s!”
De schoone Marietta haalde met schitterende oogen een sierlijk revolvertje en een prachtigen kleinen dolk te voorschijn, wat den heeren een glimlach ontlokte.
„Goed dan, signora,” antwoordde de detective, op vriendelijken toon, „dan zal ik u vertellen, waarheen wij gaan. Naar het onderaardsche kanaal der Torrente, dat in verbinding staat met de zee, een weg, die niemand anders kent dan wij en de Maffia—en die voert naar de overblijfselen der catacomben.”
„De—catacomben—?” herhaalde het meisje rillend van afschuw. „Om het even, waarheen Luigi gaat, ga ook ik! Al zou het dood en verderf zijn, met hem wil ik liever ondergaan in den eeuwigen nacht dan te moeten leven in weelde en licht zonder hem!”— —
„Benijdenswaardige markies!” mompelde de kleine man, ondanks zichzelf ontroerd door de offervaardigheid van het jonge meisje.
„Komaan dan, heeren, naar den onderaardschen weg, waar de boot met mijn lieden op ons wacht! Op ten strijd tegen de—Maffia!”
NEGENDE HOOFDSTUK.
GEVECHT GEDURENDE DE AARDBEVING.
Luide klonk het tikken van het uurwerk in het onderaardsche verblijf, steeds op en neer, maar merkbaar dalende, bewoog zich de dolk, flonkerend bij het licht van den fakkel.
De wijzer wees nu vijf minuten vóór twaalf en de oude markies kon zijn blikken niet van de helsche machine afwenden.
Ondanks zijn moed rilde hij bij de gedachte aan hetgeen hem nu te wachten stond. Onafwendbaar naderde het ontzettende. Geboeid en verlaten door iedereen, diep onder de aarde, gedoemd tot onbeweeglijkheid, zag hij het staal nader sluipen en het flikkerende mes, dat steeds dichterbij kwam, leek hem het begeerig vonkelende oog van een roofdier.
Zonder dat hij het wist, liepen groote zweetdroppels langs zijn voorhoofd, zijn haren rezen te berge van angst en ontzetting. Wanhopig greep hij met de rechterhand naar zijn voorhoofd.
Eerst op dit oogenblik dacht hij er aan, dat zijn misdadige zoon in zijn groote opgewondenheid en haat had vergeten om opnieuw de rechterhand van zijn slachtoffer, die hij had los gemaakt voor de handteekening, te binden.
De wijzer gaf hem nog vier minuten, toen de grijze markies bevend met de rechterhand trachtte zijn touwen los te maken. Weer was een minuut verstreken en in zijn zenuwachtige haast mislukte de eerste poging. De touwen op zijn borst schenen niet los te krijgen te zijn.
De markies dwong zichzelf met bovenmenschelijke kracht tot kalmte en overleg. Eindelijk gelukte het hem, met zijn eene vrije hand het eind van het touw te vinden en den knoop los te maken. Slechts nog twee minuten restten hem.
Met moeite haalde hij het eind van het touw door de knoopen en toen de wijzer op 1 minuut vóór het laatste cijfer stond, viel het touw, dat hem aan de brits vasthield, aan weerszijden naar beneden.
Men had den markies in zijn bibliotheek overvallen en gebonden. De schurken hadden niet de moeite genomen om de zakken van zijn fluweelen huisjasje te doorzoeken. Wat beteekenden de kleinigheden, die daarin te vinden mochten zijn, tegenover de millioenen in de brandkast!
En de Capo had op grooten spoed aangedrongen. Zoo had men hem ijlings geboeid en door de kast, een weg, die slechts de Capo kende, naar de oude catacomben gedragen.
Het was een groote dwaasheid van den markies geweest, om in vroegere jaren deze geheimen te verraden aan zijn geliefde, de schoone Chlia Ginozzi, teneinde haar heimelijk bij zich te kunnen ontvangen. Na hun scheiding had zij dit alles toevertrouwd aan haar zoon Cesare, maar nu tot geheel andere doeleinden.
Misschien was het zelfs de schuld van den markies, dat hij, Cesare, in het bezit van deze gevaarlijke geheimen, zijn heerschersplaats veroverde in het geheime genootschap en zoodoende een misdadiger werd.
Terwijl al deze gedachten bliksemsnel door zijn brein schoten, haalde hij zijn zakmes te voorschijn. In een oogwenk sneed hij ook de andere touwen, die zijn linkerarm, beenen en voeten samensnoerden, door en snel sprong hij van de houten brits af, die zijn onmenschelijke zoon hem als doodsbaar had toegedacht.
De wijzer stond op twaalf.
Plotseling weerklonk een luid geratel en dicht bij hem drong met groote kracht het vlijmscherpe mes in het hout, juist op de plek, waar zich een enkele minuut eerder zijn hart had bevonden.
„God zij geprezen! Nog in het laatste oogenblik heeft Hij mij gered!” fluisterde de grijze markies.
Plotseling doofde de uitgebrande fakkel, die tot nu toe het gewelf had verlicht, geheel uit.
Een ondoordringbare duisternis omgaf hem. Hij voelde in zijn zak en vond een doosje waslucifers. Toen hij een ervan had aangestoken, keek hij verschrikt naar boven.
Wat was dat voor een luchtstroom, die van boven kwam en waarschijnlijk ook de fakkel had uitgedoofd? Bij het flikkerende licht ontdekte hij boven zich een spleet, die steeds breeder scheen te worden.
De dubbele zoldering gaapte en de beide gedeelten schenen zich steeds sneller te bewegen.
Een enkele blik overtuigde hem ervan, dat alleen in het midden, op de brits, een veilig plekje was, als hij niet verpletterd wilde worden door de neervallende steenen.
Zijn waslucifer was uitgebrand.
Hij ontstak een nieuwe.
Met donderend geraas vielen plotseling de beide gedeelten van de zoldering neer. En alsof door dien val een nieuw mechaniek in beweging was gebracht, begon nu onder den markies, zooals eens in het Londensche huis onder de voeten van Lord Lister, de vloer te bewegen.
Misschien had Cesare deze oeroude inrichting, welke was uitgedacht door vernuftige monniken, als voorbeeld genomen voor de kamer in het huis van zijn moeder, de misdadige waarzegster.
De grijsaard rilde, het koude zweet brak hem uit, toen hij voelde, hoe de vloer onder hem wankelde en scheen weg te glijden.
Opeens echter luisterde hij scherp.
Wat was dat?
Wilder en luider dan de krakende machinerie, die door menschen was gemaakt, weerklonk, als uit de diepten der aarde komend, een rollen, donderen en bruischen, dat overging in fluiten en huilen, kraken en gieren, alsof alle duivelen der hel in het binnenste der aarde waren losgelaten en met hun krijschende, woeste legerscharen al nader en nader kwamen.
Plotseling scheen alles een golvende beweging te hebben aangenomen, de muren bogen zich tot elkaar en door merg en been dringende geluiden werden vernomen.
„God beware ons! Ook dat nog!” fluisterde de markies vol ontzetting: „Een aardbeving!”
De vreeselijke, alles verwoestende aardbeving had een aanvang genomen.
In de onderaardsche vergaderzaal der Maffia waren de monden van twaalf revolvers op Lord Lister en zijn trouwen Giannettino gericht. Om hun Capo te beschermen was het elftal met de wapens in de hand op de zitplaatsen geklommen, waar zij slechts op een nader bevel van hun meester wachtten.
Giannettino was lijkbleek geworden. Hij kende zijn vroegere makkers maar al te goed en wist, dat van hen geen medelijden te wachten was.
Lord Lister dacht met koortsachtige spanning na, op welke wijze hij het dreigende gevaar zou kunnen afwenden.
Zijn fonkelende oogen verrieden niet de minste vrees, toen hij met strakken blik de schaar zijner tegenstanders monsterde.
Hoewel in Lister’s hand geen wapen te zien was—hij had zijn beide kleine revolvers in de zakken van zijn jas tot onmiddellijke zelfverdediging gereed—hadden eenige der Sicilianen onder den magnetischen blik van zijn oogen hun revolvers laten zinken. Bevend riepen zij hun makkers toe:
„Hij heeft een boozen blik, deze vreemdeling! Laat ons vluchten!”
Met hun bijgeloovige vrees begon de een den ander aan te steken. Er bestaat misschien geen enkele Zuid-Italiaan, die niet doodelijk bevreesd was voor „den boozen blik.”
Cesare, de Capo, had deze woorden wel verstaan en begreep, welke uitwerking zij op de mannen zouden hebben.
„Lafaards!” schuimbekte hij, „laat gij u door twee kerels, als die beiden daar, door dien bierbuik en dien verrader, overdonderen? Dappere mannen kennen geen „boozen blik”. Schiet en gij zult zien, of de macht van hun blik bestand is tegen onze revolvers!”
Reeds werden de neergezonken wapens opnieuw opgeheven. In het volgende oogenblik zou het waarschijnlijk met de beide dappere indringers gedaan zijn geweest, als niet plotseling een ander aanhanger der Maffia de vergaderzaal was binnengestormd met de woorden:
„De politie! De politie! Zij komen langs den waterweg met een boot! De uitgang, langs het water is ons afgesneden. Ik ben de eenige van de wacht, die nog leeft! Giosue en Manfredo zijn doodgeschoten door de vervloekte kerels, die hun electrische lichten in onze oogen lieten schijnen om ons te verblinden!”
„Een duivelsch complot!” riep de Capo tandenknarsend, „dat is een complot tegen de heilige Maffia. Dit mag niet ongewroken blijven! Niemand anders is daaraan schuld dan deze vreemdeling, de dief onzer schatten. En weet gij, wien ik in hem meen te hebben herkend, ondanks zijn veranderde gestalte? Het is de jonge markies Finori, die ons den dood heeft toegezworen! Door hem, dat zweer ik u, zijn onze beide getrouwen in het uitoefenen van hun plicht gevallen! Welke straf komt hem toe, heeren?”— —
„De dood— —de dood!” krijschte als uit één mond het elftal en weer hieven de Capo en zijn makkers hun revolvers op.
Dit oogenblik had Lister afgewacht. Met een halfluid „Voorwaarts!” had hij zich met een enkelen sprong, die slechts mogelijk was voor geoefende Engelsche sportslui en met zijn stalen spieren, over tien der treden van de rotstrap naar boven geslingerd, waar hij den Capo de dreigende revolver uit de hand sloeg, zoodat het eerste schot met krakend geluid in den steenen wand van het hooge gewelf terecht kwam.
Voordat Cesare begreep wat er gebeurde, omklemde Lister’s rechterhand met ijzeren greep de keel van den verbaasden misdadiger, die, zonder zich te kunnen verdedigen, op de steenen trap neerzonk.
Ook Giannettino was vooruit gesneld en niemand der bandieten durfde het drietal mannen op de rotstrap schieten, uit vrees, hun Capo te treffen!
„Komt hier, vrienden!” hijgde deze met groote moeite. „Helpt uw Capo, dierbare broeders!”
Maar zijn stem werd onder Lister’s onmeedoogenden greep al zwakker en zwakker.
De beide vijanden worstelden in elkaars armen en wel wetende, dat zijn leven op het spel stond, spaarde de bandiet ook zijn gewonden rechterarm niet. Met den moed der wanhoop verdedigde hij zich tegen Lister.
Het was ook hem gelukt, den Engelschman bij de keel te grijpen en ondanks de vreeselijke pijnen, of misschien ook daardoor nog woedender geworden, omklemde hij hem als met een ijzeren tang. Tegelijkertijd had hij Lister’s linkerbeen met zijn rechter omvat en zoodoende dwong hij den jongen Lord, ondanks diens worstelkunst, bij hem op de treden der trap te blijven, waar hij trachtte door allerlei bewegingen den Engelschman, die veel last had van zijn gummibuik, langs de trap neer te werpen in het vertrek, waar de bondgenooten zich bevonden.
Maar het was hem onmogelijk, zich zoo snel van zijn tegenstander los te werken.
Nu had echter ook deze al zijn krachten en energie ingespannen en met een ruk zich van het lichaam van zijn vijand losgerukt. Plotseling greep hij den Capo bij keel en borst.
De ontstelde misdadiger voelde, hoe hij met geweldige kracht werd opgetild en bijna verlamd van schrik staarde hij naar beneden in de diepte, waarboven Listers gespierde arm hem liet zweven.
Maar het elftal schoot nu blindelings, teneinde den Capo hulp te verleenen. Om den beiden brutalen indringers den weg te versperren, waren op de schouders van twee der sterkste Italianen anderen van de bende geklommen en bijna was het hun gelukt, hooger dan de beide worstelaars de trap te bereiken en hier den uitweg te bewaken. Tegelijkertijd drongen ook zij, die beneden stonden, meer naar voren.
„Let op, signore!” riep Giannettino op waarschuwende toon. Maar het scheen alsof de beide dapperen nu het onderspit zouden moeten delven.
Wel gelukte het Giannettino om den eerste van hen, die boven aan de trap kwamen, met een ferme houw naar beneden te doen tuimelen en de geheele pyramide der misdadigers aan het wankelen te brengen, maar reeds verscheen weer een ander aan het boveneind der trap.
Als de leden der Maffia zonder erbarmen gebruik wilden maken van hun revolvers, kon, ondanks de duisternis, de einduitslag niet twijfelachtig zijn. Geen oogenblik echter dacht Giannettino eraan, zijn nieuwen meester te verlaten en gebruik te maken van den uitweg naar boven.
Een rochelend geluid drong uit de door Lister dichtgeknepen keel van Cesare, en het begon hem zwart te worden voor zijn oogen, die uit hun kassen traden.
Lister spande al zijn krachten in, maar plotseling liet hij den hals van den misdadiger los en duwde den Capo, die reeds dacht, dat zijn laatste oogenblik was gekomen, onwillekeurig een eind van zich af om ingespannen te luisteren.
Want dat waren geen menschelijke geluiden, welke nu vernomen werden, zij schenen zelfs niet van deze wereld afkomstig.
Uit de diepste diepten en kloven van onze moeder-aarde scheen een reusachtig monster huilend en brullend en alles vernietigend naderbij te komen.
Nimmer had Lister, had waarschijnlijk geen enkel levend wezen, dergelijke geluiden vernomen!
Fluitend en gillend, met donderend, krakend geraas kwam het nader, steeds sterker wordend totdat het een onverdraaglijk lawaai was geworden, waarbij alle menschelijke, aardsche geluiden, al waren het duizenden kanonschoten of de mokerslagen van reusachtige stoomhamers, kinderspel geleken.
En steeds kwam het ontzettende nader, altijd sterker werd het geluid.
„Een aardbeving! Redt u!” schreeuwden de misdadigers en allen haastten zich naar den dichtstbijzijnden uitgang.
Toen voor een oogenblik het onzichtbare monster in het binnenste der aarde zweeg en slechts een verwijderd gebrom werd vernomen, als van een roofdier, dat zich bukt om den sprong te doen, schreeuwde de Capo op wanhopigen toon:
„Helpt, broeders! Redt den Capo!”
Eenige der mannen vervolgden zonder te luisteren hun weg. De anderen echter hieven nog eenmaal hun revolvers op. Met den laatsten moed der wanhoop echter scheurde Cesare zich plotseling los en in een paar sprongen had hij, zonder dat Lister het hem had kunnen beletten, de catacomben bereikt.
Daar liet zich opnieuw het afschuwelijke gerommel hooren. Was het eerst meer een huilen, gillen en fluiten geweest, alsof alle duivels der hel waren losgelaten, nu waren de geluiden nog ontzettender voor het menschelijk oor. Knarsend, krakend en alles vernielend kwam het nader. En nu geleek het plotseling op den onverhoedschen sprong van een reuzentijger, die in den nacht de menschen aanvalt.
Lister tuimelde en hield zich vast aan de granietrotssteen, waar in het steenen graf van den heilige de millioenen verborgen lagen.
Beneden doofden de fakkels uit en zelfs ondanks het woeste lawaai der elementen vernam men menschelijke angstkreten.
Want overal in het rond begonnen de rotsen te wankelen. Als los zand vielen de gemetselde muren van het gewelf ineen en onder het hulpgeschreeuw der bandieten stortte de zoldering naar beneden. Steenen en rotsblokken vulden de ruimte.
Ook de granieten zijwanden, waarin in den loop der eeuwen met veel moeite graven en trappen waren uitgehouwen, wankelden, maar zij hielden het uit.
Dichtbij de trap echter, waar het metselwerk begon, opende zich een breede afgrond. Hierin stortte de aanvoerder der Maffia, Cesare Ginozzi, de ontaarde zoon van den markies, en de aarde verzwolg hem met al zijn droomen van rijkdom, grootheid en macht!
TIENDE HOOFDSTUK.
DE VERWOESTING VAN MESSINA.
Nauwelijks had in de oude folterkamer der Inquisitie de markies bij het begin der aardbeving een kort gebed uitgesproken, of met een krakend geluid stortte het gewelf ineen.
De bodem maakte golvende bewegingen, een breede kloof ontstond en tegelijk met de houten brits verdween de markies Finori in het binnenste der aarde.
Zooals de vluchteling aan den Raad van Elf had meegedeeld, was door den detective, den jongen Finori en Charly, bijgestaan door eenige beambten der geheime politie, een verwoede strijd gestreden met de wachtposten der Maffia.
De gravin had zelfs geen enkelen kreet geslaakt, al was zij ook doodsbleek en angstig geweest. Zij had echter vergeten, gebruik te maken van haar sierlijke wapens.
De manschappen van Sarpi hadden fakkels aangestoken, toen men met zachte roeislagen verder het kanaal binnendrong. Hier en daar liet Sarpi halt houden om met den loop van zijn revolver tegen de wanden te kloppen. Hij kon echter den geheimen ingang niet ontdekken.
Op dit oogenblik begon de aardbeving te woeden met haar donderend gebrul in onderaardsche diepten.
„Een aardbeving! Hoe vreeselijk!” riepen allen door elkaar en met bedenkelijken blik keek de kleine man met het vossengelaat naar de gewelven boven hun hoofden.
En ziet, zij wankelden!
Maar dank zij hun reusachtige stevigheid hielden zij stand!