Lord Lister No. 0021: Onder de puinhoopen van Messina

Part 3

Chapter 33,880 wordsPublic domain

„Luigi! Kom dadelijk! Wij worden allen door ongeluk bedreigd! Als je van mij houdt, haast je dan! Maar verander je uiterlijk! Ontmoet mij bij de tuinen van Pace op den weg naar de Madonna della Grotta! Marietta”.

„Dat is zeer dringend, markies! Kunt gij de schrijfster vertrouwen?”

„Als mijzelf, beste vriend! Gravin Marietta di Torresani is mijn bruid!”

„Dan twijfel ik niet aan haar goede trouw. Maar toch wensch ik niet, dat gij onmiddellijk naar aanleiding van dezen brief naar Messina gaat, want ik maak uit het stelen van den brief en uit den dolksteek, welke voor u bestemd was, de gevolgtrekking, dat uw leven wordt bedreigd en dat men ook uw verhouding tot gravin Marietta bespionneert. Kent gij misschien uw vijanden en weet gij, hoever hun macht strekt?”

„Niet in het minst! Ik begrijp niet eens, hoe mijn vader en ik vijanden kunnen hebben!”

„Dan zal ik het u uitleggen!

„Het is mij gelukt, er achter te komen. De vijand, welke u en uwe familie vervolgt, is—” Lister fluisterde hem in het oor: „de Maffia!”

De markies viel bleek en bevend in zijn stoel neer. Sprakeloos keek hij naar Lister en met moeite stamelde hij: „De Maffia? De Maffia?”

„Moed, markies! Zooals eenmaal uwe voorvaderen hebben gevochten als helden tegen de Franschen en Saracenen en den hoogsten roem behaalden, zoo willen ook wij den strijd aanvaarden tegen de verraderlijke pest van uw heerlijk vaderland!”

„Het is een wanhopig geval, evenals een strijd tegen de pest! Laat mij over aan mijn noodlot, edelmoedige vriend! Als gij gelijk hebt, dan ben ik verloren, evenals mijn vader! Waarom zal ik u mede in het verderf sleuren?”

„Onzin, Finori! Wees niet moedeloos! Ik heb al een kleine zege behaald!”

En op fluisterenden toon vertelde hij de bijzonderheden van zijn avontuur. Het toeval was hem te hulp gekomen. Hij had tegenover een medelid van de Maffia het overeengekomen woord gebruikt. De man hield hem voor een der voornaamste leiders van het geheime genootschap en stond nu in zijn dienst. Met behulp van den Italiaan zou het hem gelukken, de geheimen van den gevaarlijken bond te onthullen en het geluk der familie Finori weer te herstellen, het verdwijnen van den ouden markies op te helderen en, zoo mogelijk, het hun afhandig gemaakte vermogen terug te verkrijgen.

Finori schudde droevig het hoofd.

„Gij waagt onmogelijke dingen! Gij kent de macht der Maffia niet, waarvoor zelfs rechters en overheidspersonen het hoofd buigen. Heimelijk en zonder medelijden gaat zij op haar doel af en wie haar vijand is, is verloren!”

„Best!” antwoordde Lister, „laat mij mijn gang maar gaan! Ik heb uw hulp op het oogenblik ook in ’t geheel niet noodig! Men zou u kunnen herkennen! Ik ga vooruit om het terrein te verkennen! Gij blijft met Charly hier tot ik een telegram zend. Gij schetst en teekent, alsof alles hier nieuw voor u was en Charly maakt kiekjes als een echte amateur-photograaf.

„Ik zal mijn telegram hierheen zenden aan het adres van Mr. Shaw Junior. Denk er dus om, telkens te vragen of het al is aangekomen of een adres op te geven, als het nagezonden moet worden. De „Meteor” zend ik dadelijk na mijn aankomst te Messina weer terug, zoodat die hier tot uw beschikking blijft! En nu adieu en amuseert u zoo goed mogelijk in het heerlijke Napels!

„Maar wacht eens, markies! Ik zou gaarne een groet willen overbrengen aan uw gravin en nadere bijzonderheden omtrent haar vernemen, teneinde mijn plan te kunnen opmaken!”

„Als gij niet anders wilt, beste vriend! Ik zie wel, dat gij u niet laat weerhouden. De kerk Madonna della Grotta ligt in het visschersdorp Pace, op een afstand van vijf kilometer van Messina verwijderd, aan den prachtigen straatweg naar Kaap Peloro en den vuurtoren!”

De vrienden waren opgestaan. Lister schudde hun de hand tot afscheid.

„A rivederci!”

VIJFDE HOOFDSTUK.

MESSINA.

Spoedig had het grijze jacht, dat als een trotsche zwaan de golven der zee doorkliefde, de landtong van Kaap Peloro met zijn hoogen vuurtoren bereikt.

Duidelijk verhieven zich links de Liparische eilanden en langs de schilderachtige kust van Calabrië, vanwaar duidelijk hondengeblaf en hanengekraai kon worden vernomen, werden, naarmate de „Meteor” de hier slechts drie en een halven kilometer breede Straat van Messina verder instoomde, de witte huizen van Scilla, Cannitello en Villa San Giovanni steeds duidelijker zichtbaar.

Aan de Siciliaansche kust verscheen het visschersdorp Pace, de plek, die als ontmoetingsplaats was bedoeld door de gravin, de bruid van den markies. De ronde koepel van de kerk Madonna della Grotta, een vroegeren Artemistempel, stak boven de huizen uit.

Hoe meer het jacht Messina naderde, des te meer prachtige tuinen ontwaarde het oog, tuinen, waarin citroenen, sinaasappelen, olijfen en druiven welig groeiden.

En reeds werd de prachtige stad Messina zichtbaar, zoo schilderachtig gelegen aan de lichtgroene zee, met een woud van masten in de van het Oosten naar het Noorden loopende halfronde haven.

Het jacht nam zijn koers nu weer naar het zuidwesten, langs de wonderschoone havenstraat: Corso Vittorio Emanuele, waar de „Meteor” tegenover het gedeeltelijk in Dorischen stijl opgetrokken stadhuis zijn anker liet vallen.

Daar het intusschen namiddag was geworden, besloot Lord Lister eerst den volgenden dag met zijn eigenlijk onderzoekingswerk te beginnen. Omdat hij toch in de buurt van het stadhuis was, begaf hij zich, echter dadelijk naar den Syndaco, terwijl de manschappen van de „Meteor” de bagage naar het beste hotel van Messina brachten, het Duitsche hotel „Vittoria”, aan de Via Garibaldi, een lange straat, die evenwijdig loopt met de Corso Vittorio Emanuele.

De Syndaco ontving den wereldberoemden Amerikaanschen Croesus, mr. Shaw, uiterst vriendelijk in zijn particulier vertrek en was zeer verheugd, hem welkom te mogen heeten binnen de muren van het oude Messina. Hij stelde zich volkomen ter beschikking van den voornamen vreemdeling, maar omtrent den dood of de verdwijning van het hoofd der grafelijke familie Finori wist hij niets meer dan wat Lister reeds bekend was. De graaf was op een zeiltocht naar Catania verongelukt, maar zijn lijk tot heden niet gevonden.

De Lord nam afscheid.

Hij had er de voorkeur aan gegeven om geen gebruik meer te maken van den gummibuik, die nog niet weer hersteld was, en alleen met behulp van pruik, baard en schmink, had hij het uiterlijk van den beroemden Amerikaanschen milliardair nagebootst.

Zoodoende was zijn gestalte slank gebleven en wie hem op een afstand zag, kon zich gemakkelijk vergissen in zijn leeftijd, vooral omdat hij af en toe vergat om, wat vlugheid en veerkrachtigheid zijner bewegingen betrof, zijn rol van bejaard heer geheel vol te houden. Om kort te gaan, wie niet goed uit zijn oogen keek, zou hem, zooal niet voor Lord Lister zelf, dan toch voor den jongen graaf Finori houden, daar deze twee merkwaardig veel op elkaar geleken.

Tamelijk onbevredigd was de jonge Lord juist van plan, uit het voorportaal van het stadhuis de prachtige Piazza te betreden, om het hotel „Vittoria”, in de via Garibaldi op te zoeken. Plotseling voelde hij een hand op zijn schouder leggen, en een kleine man met een vossengezicht en scherpe, maar kalme en eerlijke oogen stond, met zijn vinger op den mond gedrukt, tegenover hem.

„Wat wenscht gij, Signore?” vroeg Lister, tamelijk kortaf.

„Niet hier! Gij woont in het hotel „Vittoria?”

„Weet gij dat?”

De kleine man boog glimlachend.

„Wacht mij daar, als het u belieft! Ik volg u!”

Bij die woorden overhandigde hij Lister zijn visitekaartje en snel was hij tusschen de zuilen van het stadhuis verdwenen.

„Duivelsch!” riep de Lord. „Dat treft prachtig!” Hij las op het kaartje:

+----------------------------------+ | CARLO SARPI, | | Detettivo. | | | | Serrizio Civico. Messina. | +----------------------------------+

Nauwelijks had de jonge Lord in zijn mooie hotelkamer plaats genomen en een cigarette aangestoken, of Giannettino, die intusschen tot kamerdienaar was bevorderd, diende een bezoeker aan, terwijl hij fluisterde: „Pas op, Signore, politie!”

Reeds trad de kleine man met het spitse gelaat onhoorbaar en glimlachend binnen. Toen hij de deur achter zich had gesloten, liep hij met uitgestoken handen en een blijden glimlach naar Lister toe.

„Wees duizendmaal, welkom, signor markies, in uw vaderstad, waar men u met verlangen verwacht!”

„Gij vergist u, Signor Sarpi!

„Ik ben niet de markies Finori, dien gij waarschijnlijk bedoelt! Ik ben Shaw,—een bekende naam—uit Chicago en zooeven met mijn jacht uit New-York hier aangekomen!”

De kleine man vertrok zijn gelaat tot een vriendelijken grijns, waardoor hij op een lachend vogeltje geleek en antwoordde:

„Dat gaat u goed af, markies Luigi! Uw vermomming is uitstekend geslaagd! Gij hebt trouwens groot gelijk! Maar tegenover mij, een oud vriend, die u vanaf uw kinderjaren kent, behoeft gij niet verstoppertje te spelen!”

„Ik dank u voor het compliment, signor Sarpi! Maar gij vergist u werkelijk! Markies Finori, dien ik in Londen heb leeren kennen, gelijkt zoo sprekend op mij, dat men ons voor broers hield! Als gij echter op mijn stem let, dan moet het verschil u opvallen!”

„Ja, dat is waar!” stemde de detective aarzelend toe. „Uw stem is dieper en voller! Waar had ik mijn ooren? Maar dan—” hij wilde opstaan, maar Lister was hem voor.

„Neen, Signor Sarpi, blijf! Gij komt als geroepen! Ik zou eenige vragen tot u willen richten. Ik ben hier als Luigi’s vriend en zou gaarne het geheim omtrent den dood van zijn vader willen ophelderen, voordat hij zelf op het tooneel verschijnt!”

„Een gevaarlijke onderneming, mr. Shaw!”

„Dat weet ik!” antwoordde Lister kalm. „Dat prikkelt mij juist. Want ik kan u gerust toevertrouwen, dat het het werk is van de Maffia”.

De kleine man sprong op en staarde den jongen Lord vol eerbiedige bewondering aan.

„Weet gij, dat dit woord u het leven kan kosten?”

„Natuurlijk! Ik ben immers—als vertegenwoordiger van den markies—tweemaal ternauwernood aan hun sluipmoorden ontkomen!”

„Hoe? Aan de Maffia?”

„Ja. Of misschien moest ik ook als het persoonlijke slachtoffer vallen van het opperhoofd. Trouwens, ik ken den Capo!”

„Zijn naam, mr. Shaw? Kent gij den naam van den tegenwoordigen chef der Maffia, den naam van den Capo, die zoo streng geheim gehouden wordt? Gij komt uit een ander werelddeel naar dit eiland en kunt ons, die jarenlang tevergeefs hebben gezocht, dien naam opgeven?”

„Nu, om u de waarheid te zeggen, kom ik rechtstreeks uit Londen, om handelend op te treden in het belang van mijn vriend Finori. In Londen heb ik bij de waarzegster van Messina bijna het leven verloren!”

Hij vertelde in korte woorden zijn avontuur.

Sarpi greep zijn hand en schudde die.

„Noem mij den naam, noem mij den naam!”

„Ik ken alleen den voornaam! Hij is de zoon eener waarzegster, hij heet Cesare—!”

„O, mijn Hemel!” riep de detective plotseling uit. „Daar gaat mij een licht op! Afschuwelijk! Nu worden mij de dingen duidelijk. Goede God! Hoe dankbaar ben ik u! Gij zijt op het goede spoor! Ik moet echter achter de coulissen blijven, want men let overal op mij! Ik zal echter alles voorbereiden, om u op het juiste oogenblik te kunnen helpen. Laat het mij tijdig weten, als het tot een uitbarsting komt, dan zal ik present zijn!”

„Uitstekend! Ik wil zelf ook liever alleen en onafhankelijk optreden”.

De detective stond op.

„En wat denkt gij het eerst te doen? Ik vraag dit alleen om u in gevaren te kunnen bijstaan.”

„O, er is geen gevaar aan verbonden! Vol enthousiasme voor antiquiteiten en kunstvoorwerpen ga ik een bezoek brengen aan het paleis der Finori’s, dat een waar museum moet zijn. Dan ga ik daarna naar La Pace, om daar een briefje af te geven. Verder—en dat is het voornaamste—denk ik zelf lid te worden van het geheime genootschap, teneinde alles nauwkeurig te kunnen onderzoeken.”

„Ik raad u een dergelijke overmoedigheid ten sterkste af, Mr. Shaw! De koelbloedigheid, waarmee gij mij dit vertelt, dwingt mij tot bewondering, maar gij zult, als zoo menigeen, dit waagstuk met den dood bekoopen.”

Lister haalde de schouders op.

„Ik moet weten, wat er met den ouden markies is gebeurd en waar de erfenis van mijn vriend Luigi is gebleven. En nu, laat ons gescheiden werken, maar te zamen slagen. Vóór alles moeten wij elkaar op de hoogte houden van gewichtige gebeurtenissen. Wilt gij dat?”

De kleine man keek Lord Lister aan met zijn groote, kalme oogen en reikte hem de hand.

Beiden wisten zij, dat zij elkaar nog niet alles hadden medegedeeld, omdat ieder van hen gaarne het leeuwendeel wilde hebben aan het werk, maar zij begrepen ook, dat zij elkaar ten volle konden vertrouwen.

ZESDE HOOFDSTUK.

TWEE GEHEIMZINNIGE BESPIEDERS.

Lord Lister had den volgenden morgen op de prachtige kade, die misschien op de geheele wereld haar weerga niet heeft, het uitwendige van het paleis Finori bekeken.

In een halven cirkel liggen hier de paleizen in Renaissance-stijl, het een al grootscher dan het andere, aan zee gebouwd. Maar ten gevolge der vreeselijke aardbeving van 1783 bevatten zij niet meer dan twee verdiepingen. Op de zware zuilen en boven de tweede etage van de oorspronkelijk veel hoogere gebouwen bevindt zich het dak.

Daardoor gelijkt deze lange straat gedeeltelijk op een verbazend groot paleis, dat door Jonische zuilen en pilaren in verschillende afdeelingen is gescheiden. Het middenste gedeelte wordt ingenomen door het stadhuis, een overweldigend grootsch gebouw, waarnaar de straat de „Palazzata”—paleisstraat—heet.

Hier lag, aan den noordkant der straat, het oude paleis Finori, welks fundamenten afkomstig waren uit den tijd der Noormannen. Terwijl echter de andere Palazzi nog twee verdiepingen bevatten, had dit paleis nog meer geleden van de aardbevingen en zijn toenmalige eigenaar had zich tevreden gesteld met de beneden-etage, waarop hij onmiddellijk het dak had laten aanbrengen.

Ook had hij, om voor verdere aardbevingen beveiligd te zijn, de muren laten versterken met zeer zware ijzeren staven.

Men vertelde dan ook, dat zelfs de sterkste aardbevingen tot dusverre niet de minste schade aan het paleis hadden aangebracht.

Maar Lord Lister was volstrekt niet van plan om zijn geheelen morgen te besteden met het bezichtigen van de kunstschatten en antiquiteiten, die het paleis bevatte. Het was hem onaangenaam, min of meer in bescherming te worden genomen door Signore Sarpi en diens lieden, te moeten denken, dat zijn doen en laten gecontroleerd zou worden.

Hij wist van Finori, dat Marietta tusschen negen en tien uur van het hooger gelegen landhuis van haar vader naar beneden placht te komen, om in den ouden Artemistempel, de tegenwoordige kerk Madonna della Grotta, de mis te hooren of te bidden.

Lister, die Giannettino, zijn nieuwen bediende, thuis had gelaten, richtte zich, nadat hij het paleis en zijn omgeving vluchtig had bezichtigd, in noordoostelijke richting naar het strand om het op eenige kilometers verwijderde Pace op te zoeken.

Wie Lister’s weg was gevolgd, dien zou het zeer zeker zijn opgevallen, dat een andere man, zich zorgvuldig verborgen houdend, hem nasloop.

Het was Giannettino, die zich reeds sterk aan Lister had gehecht. Hij kon het niet uithouden in het hotel, hij vreesde voor het leven van zijn nieuwen meester, die zich langs den eenzamen landweg begaf met zijn heerlijk uitzicht op de zee, de kust van Calabrië en op het schoone Messina, dat als een witte boog aan de blauwgroene zee tegen de bergen lag.

Achter hem kwam weer, even voorzichtig en verborgen, een kleine man met een vossengezicht, wien het gevaarlijke plan van Lister ongerust maakte en den bediende, welke zijn meester nasloop, niet vertrouwde.

Maar hij deed in dit geval den braven Giannettino groot onrecht, want het was dezen alleen te doen om de veiligheid van zijn nieuwen patroon.

Lister had spoedig het pad bereikt, dat van de zeestraat voert naar de mooie ronde kerk met koepel en zuilengang.

Hij verdween in de kerk, maar kwam spoedig weer naar buiten, daar hij gezien had, dat zich daar binnen geen dame bevond. Lister leunde tegen een der zuilen en keek, betooverd door zooveel schoons, naar het heerlijke panorama beneden zich.

Hij was zoo verzonken in den onvergetelijken aanblik der zee en der prachtige getinte heuvelen van de Calabrische kust, dat hij de lichte schreden van een sierlijk voetje niet hoorde.

Plotseling echter ontwaakte hij uit zijn gedroom, want een helderklinkende stem riep vroolijk:

„O, daar is mijn Luigi! Hoe heerlijk, dat je gekomen bent, Luigi!”

Zij nam met haar beide handjes Lister’s rechterhand en toen zij haar groote, zwarte oogen, die in het zachtblozende, fijnbesneden gezichtje glansden, naar hem opsloeg, blonken twee groote tranen aan haar lange, donkere wimpers.

„O, Signora!” antwoordde de gewaande Finori, „het is helaas mijn vriend Finori nog niet in eigen persoon! Maar ik ben gekomen om u zijn hartelijkste groeten te brengen en u een briefje van uw bruidegom te overhandigen”.

Toen het mooie meisje de vreemde stem hoorde, liet zij verlegen Lister’s hand los en ging teleurgesteld een paar stappen achteruit.

„Vergeving, Signor! Maar ik verwachtte mijn verloofde stellig. En gij lijkt zooveel op Luigi! Ik dacht niet anders, of gij moest het zijn. Nu zie ik het verschil en uw stem deed mij dadelijk mijn dwaling inzien.

„Maar komt gij van hem? Is hij gezond en welvarend en—is hij over zijn groot verdriet heen?”

„Hier is het briefje, gravin, dat hij mij medegaf. Dat zal u van alles beter op de hoogte brengen dan ik het kan!”

Begeerig nam het meisje den brief aan en spoedig had zij den inhoud ervan gelezen.

„O, Signor Shaw, hoe kan ik u danken! Gij hebt hem tweemaal het leven gered en gij wilt ook verder over hem waken en voor hem arbeiden!”

Weer nam zij zijn hand, die zij warm en hartelijk drukte.

„Hij heeft zoozeer behoefte aan vrienden! Verschrikkelijke vijanden bedreigen hem in het verborgene en, evenals zijn vader, zoo willen zij ook hem ombrengen alleen uit eigenbaat. Het is onbegrijpelijk! En nu ook nog dit laatste verschrikkelijke! Mijn vader is oud en wij zijn niet zoo rijk als onze voorouders het waren. Nu heeft een kwaadwillige hem verteld, dat de millioenen van den ouden markies, Luigis erfenis, verdwenen zijn. En daarom is hij nu even sterk tegen ons huwelijk, als hij er vroeger voor was!

„Een rijke, jonge man, die, God weet hoe, een reuzenerfenis uit Amerika heeft gekregen, heeft om mijn hand gevraagd. Hij heeft mijn ouden vader allerlei voorgespiegeld over den herbouw van ons kasteel, het terugkrijgen der landerijen en den vernieuwden glans van onzen naam.

„Mijn vader heeft hem mijn hand toegezegd! En Luigi is weg en ik ben zoo geheel alleen! Ach, als hij maar terugkwam en mij ervoor behoedde om de vrouw te worden van Cesare, dien ik veracht!”

Doordringend, keek Lister naar het schoone meisje, dat daar voor hem stond in de schilderachtige kleeding der Siciliaansche boerinnen. Haar kleed was echter van fijnere stof en in fijnere tinten dan dat der gewone boerenmeisjes.

Onder het zwarte keursje, dat met een zilveren koord was dichtgeregen, welfde de maagdelijke boezem en haar blanke handjes waren, als smeekend, gevouwen.

„Hij zal spoedig komen, gravin! Reken daarop! Wij zullen over hem waken en zijn schandelijke vijanden ontmaskeren en onschadelijk maken. Maar noemdet gij niet den naam: Cesare? Heeft een zekere Cesare om uwe hand gevraagd? Wat is dat voor een man? Is hij dezelfde persoon, die uw vader mededeelde, dat Luigi’s erfenis verdwenen is?”

„Dat vermoed ik!” antwoordde Marietta nadenkend. „Ik weet, dat hij Luigi haat, hoewel hij—”, het meisje bloosde tot achter haar ooren, „hoewel hij zoo na aan hem verwant is!”

„Gelooft gij, dat deze Cesare uw verloofde van het leven zou willen berooven?”

„Ach neen, neen, Signor Shaw! Hoe zou dat mogelijk kunnen zijn! Zou Kaïn nogmaals zijn broeder kunnen vermoorden? Ik kan niet aan zulke slechtheid gelooven, vooral niet omdat ik weet, welke groote weldaden hij en zijn moeder steeds van den ouden markies hebben ondervonden!”

„En die Cesare heeft nu veel geld, plotseling veel geld, gravin, terwijl hij vroeger niets had? Welk een eigenaardig toeval. En haatte hij den ouden markies?”

„Ik kan het niet denken! Dat zou de grootste zonde zijn! Neen, neen, dat kan niet! Cesare Ginozzi is misschien jaloersch en wangunstig op Luigi, omdat hij verstooten is, uitgesloten als—een onwettige uit het oude, beroemde geslacht der Finori’s, maar een moordenaar—neen, signor Shaw, dat zou àl te verschrikkelijk wezen?”

„Goede gravin, ik hoop, dat gij gelijk hebt!” antwoordde Lister, „in elk geval ben ik u zeer dankbaar voor uw interessante mededeelingen! Ik zal niet in gebreke blijven, den markies, zoodra hij komt, of wanneer ik hem ontmoet, van alles op de hoogte te brengen!”

„O, ik moet ù danken, Signor Shaw, dat gij om mij hierheen zijt gekomen! En ik ben gerustgesteld, nu ik weet, dat het hem goed gaat en dat gij over hem waakt.

„Het is mij een ware troost!

„Daar boven ligt de bescheiden villa van mijn vader. Ik moet nu naar huis terug, het is meer dan tijd!”

De jonge gravin reikte hem met een betooverend, weemoedig glimlachje, dat haar klassieke trekken nog bekoorlijker maakte, haar sierlijke, blanke hand. Lord Lister drukte deze vol eerbied aan zijn lippen en ging met een beleefden groet heen.

Ook de gravin boog met een vriendelijken groet het hoofd. Daarop liep zij langs de groene oranjeboomen naar boven, waar de eenvoudige villa van haar vader lag.

Een knarsend geluid deed Lister omkijken.

Beneden op den straatweg naderde snel een automobiel, die door een bocht van den weg snel aan zijn blikken onttrokken was.

Peinzend liep de jonge man door de overdekte zuilengang, om ook het inwendige van de eigenaardige, koepelvormige kerk te zien. In het prachtige, gebouw liep hij met langzame schreden heen en weer. Maar hij zag niets van de zuilen en gewelven, noch van de vele interessante beeldhouwwerken en schilderijen der oude Siciliaansche meesters. Zijn gedachten hielden zich onwillekeurig bezig met de verrassende mededeelingen, die hij van het beeldschoone meisje had vernomen.

En langzamerhand werd het hem duidelijk, welke geheimen de familie Finori omgaven, hij begreep nu de verhoudingen en beweegredenen en tevens wist hij nu, wie de persoon was, die al deze misdaden op zijn geweten had.

De gravin was intusschen eveneens in gedachten verzonken langs de groene tuinen naar boven gewandeld.

Daar kwam plotseling uit de schaduw van een groep boomen een goed gekleede jonge man met een sportpet op het krullende zwarte haar, naar haar toe, zoodat zij verschrikt terugweek.

„Gij hebt zeker een slecht geweten, gravin!” zeide hij. „Met wien hebt gij zoo lang staan praten? Ik wil het weten, hoort gij, gravin Marietta?”

„Wat hebt gij mij te doen schrikken, signor Ginozzi! Wat is dat voor een manier, om zoo van achter de boomen te voorschijn te springen?”

„Dat is geen antwoord, Marietta, versta je mij? Antwoord mij, wie was het, door wien liet de kuischte aller jonkvrouwen zich zoo galant het handje kussen?”

„Wat is dat voor een taal tegenover een dame, signor Ginozzi! Dergelijke vragen weiger ik te beantwoorden. Ik herhaal u bij dezen nog eens, wat ik u reeds in tegenwoordigheid van mijn vader zei, dat uw aanzoek niet alleen een brutaliteit, maar ook slecht is! Gij weet zeer goed, dat ik, al is het ook nog in stilte, verloofd ben met markies Luigi Finori! Slechts van hem duld ik dergelijke vragen!”

„Ja, ja, ik weet het, mijn duifje, dat heb je gezegd, toen je vader mij zijn toestemming gaf!

„Ik heb je beleedigende woorden voor eeuwig in mijn hart gegrift! Maar je zult toch de mijne worden! Tevergeefs zal je op je trotschen bruidegom wachten. Voordat ik je opgeef, zal ook hij—”