Lord Lister No. 0019: De erfenis van Eaglestone
Part 1
LORD LISTER GENAAMD RAFFLES DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 19 DE ERFENIS VAN EAGLESTONE.
DE ERFENIS VAN EAGLESTONE.
EERSTE HOOFDSTUK.
DE ZELFMOORDENAAR.
In het zuidwesten van Londen strekt zich het Batterseapark uit. Aan de noordzijde reikt het tot de Theems, terwijl het aan de drie andere kanten door straten wordt begrensd; ongeveer een vijfde deel van het park wordt ingenomen door den vijver aan den noord-oostelijken kant gelegen.
Het was omstreeks tien uur in den avond. Van het geraas der omliggende straten drongen slechts weinig geluiden in het park door, dat met zijn ruischende boomkruinen een oase geleek in het drukke stadsgewoel.
Op een smal pad, dat zich kronkelde langs den vijver, wandelden twee heeren.
Oogenschijnlijk waren beiden in hun gesprek verdiept. In ruime, donkere jassen gehuld, wandelden zij gearmd verder. De grootste van het tweetal lachte eens luid; de een of andere gedachte scheen zijn vroolijkheid te hebben opgewekt.
Hij bleef een oogenblik staan en stak een nieuwe sigaret op. Toen begon hij:
„Charly, ik had er een mooi ding voor over gehad als ik het gezicht van Baxter had gezien bij ons laatste zaakje.”
De ander schudde het hoofd.
„Ik weet het niet, Edward, maar ik geloof, dat jij je hebt ingelaten met dingen, die ons in ernstige ongelegenheid brengen.”
Het tweetal wandelde verder door het stille Batterseapark.
Op een eenzame bank zat een man ineengedoken, de elleboog op de knie geleund, het hoofd steunend in de hand. Hij staarde voor zich uit in het water van den vijver, waarover een vaalgrauwe nevel was neergestreken. Onbeweeglijk zat hij daar.
Hij had daar zeker meer dan een uur gezeten, toen een diepe zucht zijn borst ontsnapte. Moeizaam stond hij thans op, de armen uitrekkend.
Zachtjes fluisterde hij:
„Geen enkele uitweg meer, geen enkele! Het moet!”
Hij had een eind touw te voorschijn gehaald en ging dat nu met bevende vingers aan een stevigen boomtak bevestigen.
Toen dit geschied was, maakte hij een strik in het neerhangende gedeelte, klom op de bank en sloeg het om zijn hals. Toen sprong hij naar beneden en een oogenblik later zweefde hij vrij tusschen hemel en aarde. De zwaarte van het lichaam had den strik dichtgetrokken; een gorgelend geluid ontsnapte zijn mond en langzaam verloor hij het bewustzijn. — — —
Druk redeneerend waren de beide heeren doorgeloopen. Bij een buiging van een voetpad zei een hunner:
„Kijk eens, Edward, wij schijnen hier toch niet alleen te zijn. Daar beweegt zich iemand!”
Hij wees met uitgestrekte hand voor zich uit.
„Hallo, Charly! Ik geloof, dat daar iets voor ons te doen is! Gauw!”
De heeren liepen zoo vlug als zij konden, naar de plaats, waar de levensmoede een eind aan zijn leven trachtte te maken.
„Kijk, Edward!” riep huiverend de jongste, terwijl hij het licht van zijn electrische zaklantaarn op het lichaam liet vallen.
Zijn vriend had met een enkelen blik den geheelen toestand overzien, zijn mes te voorschijn gehaald en den levensmoede afgesneden. Charly hield het lichaam van den zelfmoordenaar vast om het voor vallen te behoeden.
Toen de redder den strop had doorgesneden, ontsnapte een diepe zucht de lippen van den bewustelooze. Beide vrienden werkten nu ijverig om de levensgeesten in het ontzielde lichaam terug te roepen en spoedig werd hun moeite beloond. Een zacht, doch regelmatig ademhalen werd gehoord en al spoedig sloeg de vreemde de oogen op.
Onwillekeurig tastte hij naar den hals, als wilde hij zich ervan overtuigen, dat er geen strop meer om zat.
De heeren knielden naast den ongelukkige en Charly lichtte hem met de zaklantaarn in het gelaat. De vreemde telde ongeveer vijftig jaren. Het hoofdhaar was aan de slapen licht vergrijsd. In het gebruinde, doch ingevallen gelaat tintelden een paar levendige verstandige oogen. De neus was fraai gebogen; om mond en oogen lagen diepe rimpels, die wezen op velerlei zorg en teleurstelling. De man had een gespierde gestalte.
Toen de onbekende de oogen had opgeslagen, keek hij een oogenblik met starenden blik om zich heen. Spoedig echter begreep hij zijn toestand en zijn blik scheen zijn redders te vragen:
„Waarom hebt ge mij aan de vergetelheid ontrukt?”
De heer, die den zelfmoordenaar had afgesneden, boog zich thans tot hem over en zei:
„Wij weten niet, wat u tot dien onzaligen stap heeft gedreven. Als de nood op het hoogst is, is de redding nabij. Maar zeg ons eens, waar kunnen wij u thans heenbrengen? Hebt ge bloedverwanten?”
De ongelukkige keek nog steeds met verwarden blik naar zijn redders.
„Ik weet niet, of ik u moet danken,” begon hij eindelijk, „voor wat ge voor mij hebt gedaan. In ieder geval dank ik u voor het medelijden met ongelukkigen, waarvan ge hebt blijk gegeven. Ik heb niemand en niets meer, ik sta alleen op de wereld.”
De eerste spreker nam thans weer het woord,
„Wel, beste vriend, als toch niemand op u wacht, kunt ge ons nog wel wat van uw gezelschap laten profiteeren. Ga mee. Wij willen een café opzoeken, waar het gezelliger is dan hier in de nachtelijke koelte.”
Hij nam den arm van den weerstrevenden man en trok hem met zich mede.
TWEEDE HOOFDSTUK.
NOODLOT.
Op den hoek van Kingsroad vonden de drie wandelaars een klein lokaal, dat op dezen tijd nog niet druk werd bezocht.
De grootste der beide heeren, die den ongelukkige hadden gevonden, bestelde een uitgebreid avondeten en warme dranken voor het drietal.
De onbekende was als ’t ware willoos; hij liet als een klein kind voor zich zorgen en had nog nauwelijks een woord gesproken. Zijn blikken echter zeiden des te meer en vol dankbaarheid hingen zij aan zijn beide redders, die zich beijverden om door vroolijk gebabbel over alle mogelijke onverschillige dingen zijn onaangename gedachten op de vlucht te drijven.
Toen de grootste der beide vrienden zijn jas had uitgedaan, zag men een elegante, buigzame gestalte. Het gelaat was fijn besneden en verried hooge intelligentie. Iedere beweging wees erop dat deze persoon van omstreeks dertig jarigen leeftijd behoorde tot de hoogste kringen.
Zijn vriend was jonger. Een kleine snor versierde diens bovenlip en in het frissche gelaat keken een paar blauwe oogen goedmoedig de wereld in.
Toen het drietal het avondeten had gebruikt, zei de oudste der beide vrienden:
„Wij hebben thans den inwendigen mensch zoo’n beetje versterkt; nu is het zaak om eens verder te praten. Wij wenschen ons niet aan u op te dringen, maar wenschen u te helpen. Ik verzoek u dus, als ge daartoe genegen zijt, ons iets naders omtrent uw persoon mee te deelen.”
De spreker reikte den vreemdeling de hand, die deze greep en vol dankbare ontroering drukte. Toen zei hij met diepe stem:
„Ik dank u van ganscher harte voor de goedheid, die ge mij hebt bewezen. Ge hebt er recht op, iets omtrent mij te vernemen. Ik wil mijn noodlot geheel en al in uw handen leggen; gij zult over mijn verder leven beslissen.”
„Dat is goed. Opdat ge echter weet, wie ge uw vertrouwen schenkt, wil ik u eerst zeggen, wie wij zijn. Ik ben lord Edward Lister en dat is mijn vriend Charly Brand.”
De vreemde stond op en boog.
„Mijn naam is Harry Leyden, en thans, heeren, luistert naar het verhaal van mijn noodlot.”
En hij begon:
„Aan de westkust van Schotland ligt het graafschap Argyll, een ruw berglandschap.”
Lord Lister knikte en sprak:
„Dat weet ik; die buurt is mij bekend.”
„Goed,” sprak Leyden, „dan behoef ik u niet te vermoeien met de beschrijving van het landschap. Op ongeveer zes uren afstands van de hoofdstad Inverary ligt, tusschen ruwe rotsen het kasteel Eaglestone. Tot het midden van de zeventiende eeuw behoorde het aan de Schotsche familie Campbell, die nog heden den titel graaf Argyll voert. Toen op den 27sten Mei 1661 Archibald, graaf Argyll, een vriend van Cromwell, als koningsmoordenaar werd onthoofd, viel het kasteel Eaglestone aan de Kroon. In 1680 ging de bezitting over aan het geslacht Danby. De beteekenis van dit geslacht voor de geschiedenis van Engeland zal u zeker bekend zijn. Eaglestone is sindsdien tot op den huidigen dag in het bezit van het geslacht Danby gebleven. Juist heden voor tien jaren, op zijn 65sten geboortedag, stierf lord Robert Danby.”
Bij de laatste woorden smoorde de spreker een snik en heete tranen ontrolden zijn oogen.
Lord Lister legde de hand met bemoedigend gebaar op Leyden’s arm en deze vervolgde op meer vasten toon:
„Ge zult er u over verbazen, heeren, dat deze zaak mij zoo ontroert Maar—lord Robert was mijn vader. Ik heet eigenlijk: Harry Danby, graaf van Eaglestone.”
Harry Danby vervolgde thans opgewonden:
„Toen ik veertien jaren oud was, stierf mijn moeder. Nadat mijn vader de overledene vier jaren oprecht betreurd had, trouwde hij op 39-jarigen leeftijd met Ethel Vanderford. Zij had de kunst verstaan, mijn vader door allerlei vrouwelijke trucs in te palmen. Hij was steeds een oprecht karakter geweest en begreep niet dat de liefde van lady Ethel slechts gehuicheld was; dat het haar slechts te doen was om zijn rijke bezitting.
„Nauwelijks een jaar na het huwelijk werd een zoon geboren en sinds dat oogenblik deed mijn stiefmoeder alles om mij, wien de bezitting eens ten deel moest vallen, te verdringen. Ik begreep in den beginne niets van al de sluwe streken dier listige vrouw, maar later werd mij haar handelwijze volkomen duidelijk.
„Het was haar er om te doen, het hart van mijn vader hoe langer hoe meer van mij te vervreemden en dit werd haar des te gemakkelijker gemaakt, wijl ik haar zelf daartoe in de gelegenheid stelde.
„Door vrienden was ik in gezelschap verzeild geraakt, waar men het grootste levensgenot zoekt in spel en weddenschap. Ik geraakte al spoedig in den maalstroom en met de gedachte, dat ik toch eens een rijke erfgenaam zou zijn, zag ik op geen geld; het goud rolde mij door de vingers.
„Lady Ethel had, bezorgd als zij was voor haar zoon, aan wien deze anders zoo liefdelooze vrouw hing met geheel haar hart, mijn vader steeds weer op mijn verkwistende leefwijze opmerkzaam gemaakt. Het kwam tusschen hem en mij tot hevige uitbarstingen en hij verklaarde mij ten slotte, dat hij geen schulden meer van mij wenschte te betalen.
„Ik moest hem de hand erop geven, soliede te worden en slechts onder deze voorwaarden betaalde hij mijn schulden.
„Lady Ethel speelde een onwaardig spel. Terwijl zij achter mijn rug mijn vader voortdurend tegen mij opzette, deed zij zich aan mij steeds voor als een liefhebbende moeder.
„Op zekeren dag echter vielen mij de schellen van de oogen en ik bemerkte vol ontzetting, welk een slechte vrouw zij was.
„Hoewel ik mijn vader mijn woord had gegeven, mij te zullen beteren, was ik toch weer gaan spelen en moest een schuld van twaalf duizend gulden binnen 24 uren afdoen. Ik waagde het niet, vader dit te bekennen, want ik vreesde zijn rechtmatigen toorn. En in mijn grooten angst wendde ik mij tot mijn stiefmoeder.
„Zij, die zich steeds zoo hulpvaardig had betoond, beloofde ook thans, mij te helpen en mijn dankbaarheid kende geen grenzen. Ik viel voor haar op de knieën en kuste haar handen. Zij verscheen mij als een goede engel en was toch inderdaad de zwartste duivel die ooit op aarde rondwandelde. Des avonds wilde zij mij het geld brengen.
„In dien tijd logeerde een groot jachtgezelschap op het kasteel, dat den volgenden morgen een drijfjacht zou ondernemen.
„Vol ongeduld wachtte ik het oogenblik, waarin mijn stiefmoeder mij de duizend pond sterling zou brengen. Het werd al later en later. Ik was, volgens afspraak, op mijn kamer gebleven en brak mij het hoofd over de vraag, waar lady Ethel die groote som toch vandaan zou halen, maar tenslotte vergenoegde ik mij met de zekerheid, dat ik spoedig in het bezit zou zijn van de vereischte som en mijn schulden kon delgen, zonder dat vader iets vernam van mijn nieuw vergrijp.
„Het was reeds elf uur, toen zacht aan mijn deur werd geklopt. Ik opende en mijn stiefmoeder duwde mij vlug een portefeuille in de hand. Zij legde den vinger op den mond, mij tot zwijgen dwingend en ging snel weer heen.
„Ik deed de portefeuille open en vond daarin tot mijn onuitsprekelijke vreugde de ronde som van duizend pond. Ik kuste de portefeuille en dacht daarbij vol dankbaarheid aan de edele geefster. Daarna ontkleedde ik mij en legde mij ter ruste. De portefeuille had ik op het nachttafeltje gelegd.
„Met de gelukkige zorgeloosheid der jeugd sliep ik in en vertoefde al dra in het land der droomen.
„Ongeveer een uur had ik geslapen, toen ik door luid rumoer gewekt werd.
„Ik sloeg de oogen op, en zag mijn vader, die met een zijner vrienden in mijn kamer stond. Zij waren gekomen om mij te wekken, want het volgende was er voorgevallen.”
Leyden, of beter gezegd lord Danby hield even op en bedekte het gelaat met de handen. Een diepe zucht ontsnapte zijn borst.
Na een korte pauze vervolgde Danby zijn verhaal.
„Toen het jachtgezelschap tegen middernacht zich naar de slaapkamers had begeven, ontdekte een der gasten, dat hij een portefeuille met 1000 pond sterling miste. Hij begon zijn kamer te doorzoeken en ging toen naar de eetzaal terug, waar hij mijn vader aantrof. Hij achtte zich verplicht, den gastheer het gebeurde mede te deelen en deze was ten zeerste ontsteld, dat zoo iets in zijn huis had plaats gevonden.
„Men wilde terstond de dienstboden ondervragen. Als zoon des huizes zou ik den heeren daarbij behulpzaam zijn en daarom kwam mijn vader mij wekken.
„Het is onmogelijk te beschrijven, wat thans gebeurde.—Toen men licht in mijn slaapkamer had gebracht, zag de eigenaar terstond de hem behoorende portefeuille op het nachttafeltje liggen. Mijn vader was buiten zich zelven. Hij wilde mij te lijf om mij te worgen.
„In mijn angst en verwarring bekende ik alles: mijn lichtzinnigheid, mijn speelschulden. Ik vertelde ook, dat mijn stiefmoeder mij deze portefeuille gebracht had en dat ik ze had aangenomen, in de veronderstelling, dat lady Ethel mij wilde helpen.
„Mijn vader liet lady Ethel terstond ontbieden. Sidderend wachtte ik haar komst, opdat die afschuwelijke verdenking zoodra mogelijk van mij zou worden afgewend. Zij verscheen al heel spoedig—en—ik dacht mijn verstand te verliezen—zij—ontkende alles.— —
„Koud, met een hoonlach op het gelaat, zei ze mij, dat ik wel gedroomd moest hebben. Nooit had zij zich op eenige wijze ingelaten met den lichtzinnigen zoon; nog veel minder eraan gedacht, hem op eenigerlei wijze te steunen of voor hem een gast te bestelen. Het was schandelijk van mij, haar van zooiets te beschuldigen.
„Mijn vader, die nu niets anders kon gelooven, dan dat ik den gast had bestolen om mijn schulden te betalen en dat ik nu nog zijn echtgenoote op schandelijke wijze verdacht wilde maken, vloog in toomelooze woede op mij af. Plotseling sloeg hij met zijn handen in de lucht en stortte ter aarde; een beroerte had zijn rechterzijde verlamd.”— — — — — —
Met doffe stem vervolgde Harry Danby:
„Nu nog zie ik alles voor mij. Vader, worstelend met den dood, lag op den vloer; zijn oogen, waaruit ontzetting, woede en schaamte spraken, waren op mij gericht. Dra was hij door vrienden omringd en op den achtergrond stond, koel, hoogopgericht, de vrouw, die mijn grenzelooze vertwijfeling zag en maar glimlachte, zooals dat slechts de duivel kan. Met een laatste krachtsinspanning wees vader mij de deur.— — — —
„Ik was geheel buiten mijzelven. Ik kon mijn gedachten niet bij elkaar houden en, als door furiën achtervolgd, vloog ik bij nacht en ontij de deur uit. Ik rende door velden en weiden, zonder te weten waarheen, totdat ik aan den rand van een sloot uitgeput neerviel.
„Hier vond een arme kolenbrander mij den volgenden morgen. Hij nam mij mede en verpleegde mij, want hevige zenuwkoortsen hadden mij aangegrepen.
„Toen ik eindelijk weer beterde en de crisis voorbij was, schreef ik mijn vader. Ik legde hem nog eens alles uit en zwoer hem, bij de nagedachtenis van mijn gestorven moeder, dat ik onschuldig was. Ik kreeg geen antwoord. Drie dagen wachtte ik. Toen ging ik naar het kasteel. Ik werd echter niet ontvangen. Den volgenden dag echter ontving ik een brief. Mijn hart klopte van blijde verwachting. Toen ik de enveloppe opende, vielen er eenige bankbiljetten uit, maar er was geen letter bijgevoegd.
„Ik was wanhopig.
„Nadat ik eenigszins tot kalmte was gekomen, nam ik zooveel van het geld, als ik voor de reis naar Londen noodig had. De rest liet ik den armen kolenbrander voor zijn zorgvuldige verpleging. Ik nam afscheid van de menschen, die mij zoo liefdevol hadden opgenomen en vertrok naar Londen. Daar liet ik mij op een schip aanmonsteren, dat naar Australië ging en was voor mijn familie dood en vergeten.
„Bij mijn vlucht had ik geen papieren meegenomen en ik was dus niet in staat, mijn identiteit te bewijzen.
„Het eenige, wat ik nog bezit, is dit medaillon. Het is een aandenken aan mijn overleden moeder, die het mij op haar sterfbed om den hals hing.”
Bij deze woorden, haalde Harry Danby een medaillon te voorschijn en reikte het lord Lister. Het was een klein, ovaal voorwerp, dat aan den voorkant het familiewapen der Danby’s toonde: een springende leeuw en een hert. Daarboven zweefde een adelaar met uitgebreide vleugels. In het medaillon waren de miniatuur-portretten van Danby’s vader en moeder.
Lord Lister liet Charly Brand het medaillon zien en gaf het toen den eigenaar terug.
Harry Danby vervolgde nu zijn verhaal.
„Wat moet ik nog verder vertellen, heeren? Toen ik in Australië op een boerderij werk had gevonden, schreef ik mijn vader nogmaals een uitvoerigen brief, maar wederom kreeg ik geen antwoord. Ik ben er thans van overtuigd, dat mijn vader nooit mijn brieven heeft ontvangen. Die satansche vrouw heeft ze onderschept. Als haar boosaardig plan wilde gelukken, dan mochten mijn brieven, die vaders oordeel konden wijzigen, hem nooit onder de oogen komen. Ik, haar stiefzoon, moest voor de familie dood zijn en blijven, opdat haar eigen zoon, Arthur, alles zou ten deel vallen.
„Mijn laatste dertig jaren waren vreeselijk voor mij. Het was alsof de vadervloek, die zoo geheel onverdiend over mij was uitgesproken, alle geluk had vernietigd. Ondanks alle moeite heb ik nooit eenig noemenswaard kapitaal kunnen verwerven. Ik kon nauwelijks in eigen onderhoud voorzien.
„Den naam Harry Leyden, dien ik bij mijn vlucht uit Europa had aangenomen, behield ik. Later leerde ik nog Azië, Afrika en Amerika kennen, maar alle aangewende moeite was tevergeefsch. Ik keerde twee jaar geleden naar Engeland terug. Hier ging het mij nog slechter. Ofschoon de verleiding mij vele keeren in verzoeking bracht, ben ik tot het laatste uur stipt eerlijk gebleven en heb mij aan geen enkele misdaad schuldig gemaakt. Daar ik echter uit deze ellende geen uitweg meer zag, wilde ik een einde maken aan mijn ellendig bestaan. Toen zijt gij gekomen en hebt mij teruggeroepen tot dit aardsche tranendal.”
Lord Lister scheen diep getroffen door alles, wat hij gehoord had, evenals Charly. De donkere oogen van den lord gloeiden van toorn en hij zei tot zijn secretaris:
„Dat is wat voor ons, mijn jongen. Die vrouw moet gestraft en deze ongelukkige in eer hersteld worden.”
Charly drukte zijn vriend de hand.
„Ik ben het ditmaal volkomen met je eens, Edward, en wil van ganscher harte helpen, voor zoover het in mijn macht is.”
Harry Danby schudde bij deze woorden droef het hoofd en zei op triesten toon:
„Ik dank u hartelijk voor deze deelneming, maar ik verzoek u, geen tijd en moeite voor mij te verspillen. Mijn leven is toch geknakt, ik geef niets meer om het bezit van rijkdommen. Mijn stiefbroeder Arthur mag alles behouden. Wat mij zoozeer ter neder drukt is de gedachte, dat mijn vader gestorven is, zonder overtuigd te zijn van mijn onschuld.”
„Neen”, zei lord Lister, „ge zult en moogt niet zoo spreken. Hoe ge met uw onschuldigen stiefbroeder wilt handelen, moet gij weten, maar uw onschuld moet klaar worden bewezen. Leeft die vrouw nog?”
„Ja! Ik heb van tijd tot tijd inlichtingen ingewonnen en weet, dat ze voor korten tijd nog leefde!”
„Goed. Dan moet ze haar schuld bekennen en u in eer herstellen. Men heeft u in uw geboorteplaats nooit teruggezien en weet niets van u af. Ik zelf zal, als Harry Danby, mij in het hol van den leeuw wagen. Mijn vriend volgt mij en het zal ons beiden zeker gelukken, u in uw rechten te herstellen. Wilt ge uw lot in mijn handen leggen?”
Lord Lister stak zijn hand over de tafel uit. Harry sloeg er in en zei:
„Ge hebt mij het leven gered, ik ben u dank verschuldigd Ge kunt doen, wat ge wilt.”
„Dan moet ge naar Londen gaan. Hier zijn honderd pond voor uw eerste uitgaven.”
Harry Danby weerde het a£.
Lord Lister echter zei:
„Neem dit, beste vriend, als ge in het bezit van uw rechtmatig eigendom zijt gekomen, kunt ge mij het geleende wel terugbetalen. Ik heb u noodig voor de uitvoering van mijn plan; ge moet daarvoor gezond en frisch zijn. Wij zullen briefwisseling met elkander houden, want uw inlichtingen kunnen voor mij van het grootste belang zijn. Kom mij morgen vroeg bezoeken en vertel mij dan, waar ge woont. Ik denk, dat we reeds vanavond kunnen afreizen.”
Lord Lister gaf Harry zijn adres en vroeg hem om het kleine medaillon.
„Ik wil u nog iets zeggen”, sprak hij toen. „Ik heb mij tegenover u lord Lister genoemd. Dat komt uit. Maar men kent mij nog onder een anderen naam, waarvan de klank allesbehalve aangenaam is voor mijn vrienden van Scotland Yard. Ik ben John Raffles.”
Zonder een antwoord af te wachten, verdwenen lord Lister en Charly.
Verbluft keek Harry het tweetal na. De naam van dien man was hem wel bekend en hij wist, dat deze er een sport van maakte, onrechtmatig verkregen goed door geweld weer terug te bezorgen aan den rechtmatigen eigenaar.
DERDE HOOFDSTUK.
DE BEIDE VRIENDEN
Inverary, de hoofdstad van het graafschap Argyll, ligt diep tusschen ruwe, kale rotsblokken. Een weinig noordelijk van de hoofdstad strekt een kleine landtong zich uit naar het Zuiden.
Op een der meest ontoegankelijke rotsen verheft zich een oud slot, dat met zijn tinnen het ruwe bergland geheel beheerscht. Trots verheffen zich de kanteelen van Eaglestone (Steen van den adelaar).
De geschiedenis van het kasteel Eaglestone gaat terug tot in de twaalfde eeuw. Sinds 1680 was het, zooals wij reeds lazen, in het bezit van het geslacht Danby, waarvan de oudste zoon graaf van Eaglestone was.
In den loop der eeuwen is het uitwendige van het kasteel eenigszins veranderd. In den vroegsten tijd bestond de burcht slechts uit hooge gewelven, onderaardsche gangen en holen, die in de harde rotsen waren uitgehouwen.
In later tijden is het eigenlijke kasteel op deze overoude grondvesten opnieuw opgebouwd, zoodat er feitelijk een samenstelling is ontstaan van den ouden burcht en het nieuwe kasteel. De totaal-indruk heeft daardoor echter geenszins geleden, want ook de nieuwste opbouw is reeds vier eeuwen oud en de tijd, die alles uitvaagt, heeft ervoor gezorgd, dat ook dit gedeelte er grijs en verweerd uitziet.
De weg, die naar den burcht voert, is uiterst moeilijk.
Een goed voetganger kan dezen weg niet afleggen in korter tijd dan vijf à zes uren. Als men dezen weg ten einde is gekomen, ziet men plotseling een peilloozen afgrond aan zijn voeten, die ongeveer negen meter breed is. Op de tegenover liggende rotsen verheft zich de poort van het kasteel. Eerst als de geweldige ophaalbrug wordt neergelaten, kan men het inwendige van die onverwinbare vesting betreden. Dit is de eenige officieele toegang tot het kasteel. Er is echter nog een kleine poort, die ongeveer tegenover den hoofdingang is gelegen en naar een smal pad voert, dat voortslingert over de kam van het gebergte. Deze weg wordt echter niet gebruikt.