Lord Lister No. 0017: De gestrafte Don Juan
Part 2
Het portaal was leeg. Onopgemerkt bereikte de jonge man de deur en reeds twee minuten later nam hij bij de eerstvolgende zijstraat een rijtuig.
Intusschen sliep de edele voorzitter van de „Vereeniging tot opheffing van gevallen vrouwen” nog steeds den slaap der rechtvaardigen.
Eerst na een uur werd hij door een schudden aan zijn arm gewekt.
Mrs. Dumby, die het vreemd voorkwam, dat het in de kamer van de haar tot dusverre onbekende Miss Green zoo merkwaardig stil en donker bleef, had eindelijk moed gekregen en aangeklopt.
En nu kostte het haar geen geringe moeite om den Lord, dien zij tot haar verbazing alleen en in diepen slaap had gevonden, wakker te krijgen.
Hij herinnerde zich eerst niets van het voorgevallene, want door de opium, die de sigarette had bevat, was hij nog half verdoofd.
En daarop greep hij verschrikt naar zijn borstzak.
Goddank, de portefeuille was er nog!
Toen hij ze echter te voorschijn haalde en opende, werd hij doodsbleek.
Het geld was weg.
De portefeuille bevatte alleen een briefje. Diep zuchtend las de Lord het bij het licht van de door Mrs. Dumby gebrachte lamp.
„Edele beschermer!
Waarom zijt gij niet bij uw brandkast gebleven? Ik had u immers geschreven, dat ik tusschen 5 en 7 uur de vierduizend pond eruit zou halen!
Kan men nog meer doen?
Maar dat komt ervan, als de beer uitgaat om honing te snoepen!
De oude man, dien gij gisteren met een schunnige aalmoes hebt afgescheept, heeft nu meer gehaald.
Zulke liefelijke, onschuldige schepseltjes als dat, wat gij lastig zijt gevallen, zijn niet bestemd voor oude huichelaars.
Probeer niet, het de goede Mrs. Dumby lastig te maken!
Zij weet van niets, ik heb de kamer eerst twee uur geleden gehuurd.
En bovendien zou het niet in uw voordeel zijn, als het bekend werd, op welke wijze Lord Rochester vierduizend pond heeft verloren.
JOHN C. RAFFLES.”
Lord Rochester stiet een kreet van woede uit.
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
Ongeveer op denzelfden tijd, toen Lord Rochester uit zijn diepen slaap ontwaakte, hielden kapitein Baxter en zijn mannen de lange, donkere gestalte vast in de studeerkamer van den Lord.
Toen er echter licht was gemaakt, bleek de teleurstelling groot te zijn.
De bevende, doodelijk verschrikte jonge man was een der bedienden van het huis, die gekomen was om zijn meester een telegram te brengen, dat zoo juist bezorgd was.
Het was geadresseerd aan: „Kapitein Baxter, per adres Lord Rochester, enz.”
Daar het donker was geweest in de studeerkamer van zijn meester, had hij eerst niet durven binnengaan.
En hij was niet weinig ontsteld geweest, toen hij, terwijl hij den knop van het electrische licht, vlak bij de brandkast, had willen omdraaien, plotseling bij de keel was gegrepen.
Van alles wat men tegen hem had geroepen, had hij niets begrepen.
Baxter had zijn vergissing ingezien en den bediende het voor hem bestemde telegram uit de hand getrokken.
Waarschijnlijk een boodschap van den Lord.
Nauwelijks echter had hij het voor de oogen van zijn beambten geopend en gelezen, of zijn gelaat werd vaalbleek en zijn handen beefden zóó hevig, dat het papier op den grond viel.
„O, die duivel!” riep hij uit, op een stoel neervallend.
Marholm bukte zich met een spottend lachje, nam het telegram op en las zijn kameraden op halfluiden toon voor:
„Lieve kapitein, doe verder geen moeite! Het geld is sinds een half uur in mijn bezit! Tot den volgenden keer dus!
RAFFLES.”
Den volgenden morgen werd een groot aantal postwissels verzonden. De meeste waren geadresseerd aan de pachters van Lord Rochester en waren ten bedrage van tweehonderd pond.
Allen bevatten de mededeeling, dat de Lord, den slechten oogst in aanmerking genomen en rekening houdende met de moeilijke tijdsomstandigheden, zijn pachters door het bijgaande bedrag tegemoet wenschte te komen.
Eén der postwissels was gericht aan Kate Berkley, zooals de naam luidde van het jonge meisje, dat op zoo beleedigende wijze door den Lord was behandeld. Ook dit geld was vergezeld van een paar regels, waarin Lord Rochester Miss Kate Berkley vergiffenis vroeg voor zijn onhebbelijk optreden en haar vriendelijk verzocht de vijfhonderd pond, die hij haar deed toekomen, te willen aannemen als bewijs van zijn berouw!
Al deze postwissels waren door een elegant gekleeden jongen man van rijzige gestalte aan een bijpostkantoor in het westelijk deel der stad aangeboden.
VIERDE HOOFDSTUK.
LADY LEA ROCHESTER.
De ergernis over het geldelijk verlies en zijn moreele nederlaag weerhielden den Lord niet, nog denzelfden avond de „Regenten-Club” te bezoeken. Want hij had den jongen Lord Percy Meneval beloofd, hem heden revanche te geven voor een spel, dat deze pas aan Lord Rochester had verloren.
Toen hij tegen negen uur de rijk gemeubelde vertrekken van deze streng aristocratische club in Westend binnentrad, was zijn partner reeds aanwezig.
Lord Percy Meneval was een zeer interessant, gedistingeerd persoon.
De jonge aristocraat was eerst eenige weken geleden in Londen verschenen, maar had door zijn voornaam optreden en zijn schitterende aanbevelingen dadelijk toegang tot de voornaamste kringen gekregen.
Het heette, dat hij een bloedverwant was van den Onderkoning van Indië, van welk land hij ook afkomstig was en dat hij beschikte over fabelachtige rijkdommen.
En dienovereenkomstig was ook zijn geheele levenswijze, welke veel had van die van een Indischen Nabob.
Hij bezat een prachtige woning, die met den meest verfijnden smaak en weelde was ingericht en gevuld was met zeldzame Indische kunstschatten.
Zijn meer dan knap uiterlijk en het geheimzinnig waas, dat hem omgaf, maakten hem in het bijzonder tot den lieveling der dames, zonder dat hij het schoone geslacht bijzonder tegemoet kwam.
In elk geval—men wist niet veel bijzonderheden te vertellen omtrent de liefdesavonturen van den jeugdigen Adonis.
Met zijn onafscheidelijke gardenia in het knoopsgat begroette Percy Lord Rochester met groote hartelijkheid, al kwam het dezen ook voor alsof een ironische trek om den mond van den jeugdigen aristocraat speelde.
Maar dit moest gezichtsbedrog zijn en zeker toe te schrijven aan zijn eigen prikkelbare stemming.
„Nu?” vroeg de jonge gentleman, toen beide heeren aan het speeltafeltje plaats namen. „Zijn de zaken gisteren naar genoegen gegaan?”
Lord Rochester meende een oogenblik, bij het hooren van deze stem, datzelfde geluid korten tijd geleden ergens anders gehoord te hebben, maar hij kon zich niet herinneren, waar dat geweest kon zijn.
Hij fronste de wenkbrauwen.
Eenige dagen geleden, bij hun laatste ontmoeting, had hij Lord Percy verteld van zijn bezittingen, van de last en moeite, welke zij hem veroorzaakten en van de vele ergernis, die hij had. En eindelijk, dat hij des Zaterdags naar buiten moest om de pacht in ontvangst te nemen en met zijn rentmeester af te rekenen.
„Och, mijn hemel, zonder slag of stoot gaat het nu eenmaal niet!” antwoordde hij ontwijkend.
„Gij moet geven, Lord!”
„Allright!”
Lord Percy verdeelde de kaarten.
Het spel begon.
Vreemd!—kwam het, omdat Lord Rochester in gedachten nog over de nederlagen tobde, die hij dien dag geleden had of vervolgde hem ook nu het ongeluk,—hij verloor slag op slag, totdat hij na een verlies van tweehonderd pond de kaarten verdrietig neergooide.
„Laten we ophouden, Lord Meneval”, sprak hij.
„Ik hoop, dat deze revanche u voldoende is!”
Baronet Percy boog.
„Volkomen, Lord Rochester. Mij dunkt, dat gij heden buitengewoon gelukkig in de liefde moet zijn geweest, dat Fortuna u hier aan de speeltafel zoo hardnekkig den rug toekeert!”
En daarbij glimlachte hij vriendelijk.
Lord Rochester bloosde tot over zijn ooren.
„Gij schertst zeker, Lord Meneval”, antwoordde hij op eenigszins verlegen toon. „Ik ben getrouwd en heb een goede opvatting van mijn plicht als echtgenoot.”
„Zooals over ’t geheel van moraliteit”, vulde Lord Meneval aan, terwijl hij de kaarten neerlegde en een cigarette aanstak. „Ik begrijp dat volkomen. En dat spreekt ook vanzelf bij den president van de vereeniging tot opheffing van gevallen meisjes en vrouwen.
„Ik ben misschien niet serieus genoeg in uw oogen, maar toch zou ook ik wel genegen zijn, mij aan werken van naastenliefde te wijden en daarmee reeds nu, met mijn juist verworven winst, te beginnen.
„Misschien wilt gij mij met uw rijke ervaring op dat gebied de behulpzame hand bieden.”
Lord Rochester deed alsof hij innig verheugd was.
„Bravo, mijn jongen, dat besluit strekt u tot eer! Gij toont een christelijken aard te hebben.
„Wend u maar tot mijn vrouw!
„Zij klaagde mij gisteren toevallig haar nood, dat de kas van „de vereeniging tot steun van fatsoenlijke armen”, waarvan zij beschermvrouw is, geheel is uitgeput. Lady Rochester zal u voor zulk een aanzienlijk bedrag zeer dankbaar zijn!”
Lord Meneval stond op.
„Ik dank u, Mylord! Het zal mij veel genoegen doen, de Lady mijn kleine gift ter hand te stellen...!”
Toen Lord Percy tegen den middag van den volgenden dag een der vertrekken van Lady Lea Rochester betrad, hoorde hij een groot alarm.
Het kwam uit het boudoir van de dame.
De jonge Lord hoorde de stem der Lady, die in woede ontstoken was en een andere vrouwelijke stem, die haar weenend antwoordde:
„Mylady, ik verzeker u......!”
„Zwijg, schaamteloos schepsel! Zooiets in mijn huis! Vertrek, ga dadelijk heen! En laat je niet meer in mijn huis zien! Nu, waarom aarzel je nog? Wacht, ik zal je een handje helpen! Neem dit als aandenken mee, zoo, en dit en dit!”
Lord Percy hoorde het klappen van oorvijgen, waarop telkens een kreet volgde. Bijna op hetzelfde oogenblik werd de deur van het boudoir geopend. Een jong meisje in dienstbodenjapon snelde met roodgeweende oogen angstig als een achtervolgd hert de kamer uit.
Het meisje was mooi en jong en zag er goedig en lief uit, een reden te meer voor den jongen Lord, om medelijden met haar te gevoelen.
Het meisje was verbaasd blijven staan, toen zij den vreemdeling zag en omdat er niemand anders aanwezig was, sprak Lord Percy haar aan, om haar te vragen, wat de reden was van haar verdriet.
Snikkend vertelde het dienstmeisje hem, wat er was voorgevallen.
Haar meesteres was zeer streng op het gebied van zeden. Zij duldde van haar dienstpersoneel niet de kleinste liefdesgeschiedenis.
„Ach, mylord”, vervolgde zij snikkend, „denk niet al te slecht van mij. Ik ben van nette familie en een fatsoenlijk meisje. Er bestaat een eerlijke verhouding tusschen Alfred Reynolds en mij. Hij wil met mij trouwen, zoodra hij een vaste betrekking met behoorlijk salaris heeft gekregen.
„Gisteren wachtte hij op mij bij het hek van het park, om mij mede te deelen, dat hij veel kans heeft, om aan een groote bankinstelling geplaatst te worden.
„Wij liepen een poosje heen en weer en toen wij afscheid namen, gaf hij mij een kus.
„Dat heeft Jonny, de kok, door het raam gezien, en het aan de Lady verteld.
„Hij heeft al lang het land aan mij, omdat ik niets van zijn mooie praatjes wilde weten.
„En ik kan het toch niet helpen, dat Alfred arm is en de honderd pond, die hij noodig heeft voor zijn borgstelling, niet dadelijk bijeen heeft!”
Zij brak opnieuw in tranen uit, en verborg het mooie gezichtje in haar handen.
Lord Percy keek vol ontroering naar haar.
„Schrei niet, kindlief!”
Het jonge meisje snikte echter nog heviger.
„Ach, wat moet er nu van ons worden?” jammerde zij. „Nu ben ik ook zonder betrekking en Mevrouw zei, dat zij in mijn getuigschrift zou zetten, dat zij mij wegens onzedelijken levenswandel had ontslagen.”
De oogen van den jongen man fonkelden toornig onder de half neergeslagen oogleden.
„Laat mevrouw in het getuigschrift zetten wat zij wil! Zeg mij, hoe gij heet en waar gij woont! Ik heb veel kennissen en het is een kleine moeite voor mij om u een betere betrekking te bezorgen bij een meer menschlievende dame. Ik beloof u op mijn woord, dat ik voor u zal zorgen.”
Het meisje keek hem verbaasd en dankbaar aan. Zijn geheele persoonlijkheid boezemde haar vertrouwen in.
„Ach, Mylord, hoe zal ik u danken! Ik heet Nelly Somerset en als gij mij wilt schrijven, dan is mijn adres bij mijn tante, de weduwe Mary Somerset, Wilsonstreet 318.”
Zij droogde snel haar tranen en ging minder bezwaard heen, nadat Lord Percy haar nogmaals had beloofd, dat zij binnen drie dagen iets van hem zou hooren.
Juist was zij vertrokken, toen een ander dienstmeisje de kamer binnentrad. Lord Percy overhandigde haar zijn kaartje met verzoek het aan Mevrouw te willen geven.
Een oogenblik later kwam het meisje uit het boudoir terug.
De Lady, die niet had geweten, dat haar bezoeker reeds eenigen tijd wachtte, liet hem zeggen, dat het haar een genoegen was, Mylord te ontvangen.
Toen deze het weelderig ingerichte boudoir van de dame binnenkwam, was Lady Lea juist gereed met haar toilet.
Zij was een groote, slanke, zwartgelokte verschijning. Glimlachend stak zij Lord Percy haar met juweelen versierde, iets te groote hand toe.
„Gij heb lang op u laten wachten, Lord Meneval,” sprak de ongeveer dertigjarige dame met eenigszins harde stem. „Maar gelukkig hebt gij eindelijk den weg naar mij gevonden.”
Lord Percy was verbaasd over deze woorden.
„Ik weet niet, of gij op de hoogte zijt van de reden mijner komst...”
„Zeker, zeker—de Lord, mijn echtgenoot, heeft mij verteld, dat gij van plan zijt, aan ons vroom werk mede te doen.
„Maar neem toch plaats, Lord en sta mij toe, dat ook ik het mij gemakkelijk maak. Ik ben namelijk nog een beetje vermoeid door de laatste drukte. Mijn man heeft er waarschijnlijk wel van verteld. Wij hebben eergisteren de politie in huis gehad.”
Lord Percy vertelde, van niets te weten.
De Lady had zich op een divan neergevleid en keek haar bezoeker smachtend aan.
„Niet? Nu, eigenlijk had het ook niets te beteekenen. Verbeeld u: Eergisteren veroorloofde een spotvogel zich de gekheid, mijn man te dreigen, dat hij dien dag zou komen om zijn brandkast leeg te halen en dien brief te onderteekenen met den beruchten naam John C. Raffles. Gij heb zeker wel van dien Raffles gehoord?”
De Lord glimlachte geheimzinnig.
„Ja, Mylady! Nu, en kwam de groote onbekende?”
„Neen, maar wij waren toch zenuwachtig. Ik tenminste; mijn man bleef volmaakt kalm. Hij stak het geld eenvoudig bij zich en liet zich zelfs niet weerhouden, dienzelfden middag de godsdienstoefening bij te wonen in het ziekenhuis in Whitechapel.
„Onze politie is voortreffelijk en bovendien zijn de verhalen, die over Raffles in omloop zijn, zeer overdreven of geheel uit de lucht gegrepen. Ik houd hem voor een gewonen dief en zakkenroller en daarenboven voor een echten pocher en opsnijder!”
„Werkelijk, Mylady?” vroeg de jonge Lord met een vreemde schittering in zijn oogen. „En niettegenstaande dat waart gij eergisteren zoo zenuwachtig en angstig?”
De Lady lachte geheimzinnig.
„Ja, maar dat heeft ook een heel bijzondere reden. Ik kan het u wel vertellen, gij zult mij niet verraden.
„Luister maar eens: mijn man had wel zijn eigen geld uit de brandkast genomen, maar hij wist niet, dat zich daarin ook het mijne bevond. Hij vermoedt namelijk niets van het bestaan daarvan en mag het ook niet weten. Mijn man is een groote gierigaard, die het vreeselijk vindt als ik hem om geld voor mijn toiletten vraag.
„Ik heb daarom—hoe, dat is mijn zaak—een beetje overgespaard en met dat geld door middel van een mijner vertrouwde vrienden aan de beurs gespeculeerd. De vorige week heb ik tienduizend pond gewonnen.”
„En was dat geld in de brandkast?” vroeg Lord Percy vol belangstelling.
Lady Lea knikte toestemmend.
„Het is er nog in. In de brandkast bevindt zich namelijk een geheim vak, waarvan alleen ik den sleutel heb. De Lord heeft mij dat vak afgestaan om er mijn juweelen in te bewaren. Hij vermoedt niet, wat er nog meer in verborgen is.
„Begrijpt gij nu, dat ik beefde? Want ik kon het geld er onmogelijk uitnemen, daar de brandkast na de ontvangst van den brief voortdurend onder toezicht was van mijn man en de politie.
„Ik ben er van overtuigd, dat die Raffles het geld toch niet gevonden zou hebben. Toch zou ik dien grooten onbekende graag eens willen zien.”
De jonge Lord, die nadenkend voor zich uit had gestaard, glimlachte bij de laatste woorden van de Lady.
„Die wensch van u zou wel eens vervuld kunnen worden, Mylady,” sprak hij. „Pas op, neem u in acht! Misschien komt Raffles het verzuimde nog inhalen en uw schat meenemen.”
De dame sloeg met haar kanten zakdoekje naar hem.
„Gij zijt afschuwelijk, Lord! Hoe durft gij mij zoo plagen? Maar gij hebt gelijk, ik ben onvoorzichtig. Morgen reeds ga ik mijn geld deponeeren bij de Engelsche Bank!”
De Lord lachte.
„Sta mij toe, nu over de zaak te spreken, waarvoor ik hier ben gekomen en waaraan ik het genoegen te danken heb, een oogenblik van uw gezelschap te mogen profiteeren.”
„Dat genoegen zoudt gij vaker kunnen hebben,” antwoordde de Lady, terwijl zij zich oprichtte. „Maar spreek verder, beste Lord! Gij komt met uw gave op het juiste oogenblik, want onze kas is leeg. Het groote weldadigheidsconcert in December, heeft veel geld gekost!”
De gast keek haar verbaasd aan.
„Wat zegt u? Heeft het weldadigheidsconcert uw kas uitgeput? Maar dat is schandelijk! Het doel van dit feest kan immers alleen zijn geweest om die kas te vullen!”
De dame lachte hartelijk.
„Onschuldige jongen! Maar wacht een oogenblik, dan zal ik u het raadsel oplossen!”
Zij ging naar haar sierlijk schrijftafeltje en keerde met een groot boek terug.
„Kijk, hier aan de linkerzij vindt gij, post voor post, de gelden die zijn ingekomen. Zooals gij kunt zien, bedragen deze totaal 2615 pond en 33 shilling!”
„Een flink bedrag!” meende de jonge Lord.
„Zeker. Maar kijk nu eens naar de lange reeks van uitgaven!”
Percy Meneval deed het en hij durfde zijn oogen nauwelijks gelooven.
De uitgaven voor zaalversiering, het oprichten van een tooneel, verlichting en muziek, enz., alles te zamen bijna 800 pond, konden er nog door, maar daar waren nog andere posten ook!
„Spijzen en dranken aan de bestuurstafel, 50 pond 3 shilling.
„Lady X., voorschot voor haar Arabisch costuum, 50 pond.
„Lady V., extra uitgaven voor de versiering van haar Turkschen harem, 30 pond.
„Miss Ellinor, lid van het Olympia-Theater, onkosten voor haar toilet, 40 pond.
„Mister Sweadly van de opera, onkosten voor rijtuig, enz. en honorarium, 20 pond.”
„Wat?” vroeg de Lord verbaasd, „ik denk toch, dat artisten zich belangloos ten dienste der weldadigheid stellen?”
„Zeker,” lachte de dame, „zij laten alleen hun onkosten terugbetalen en hun verloren uren vergoeden!”
„Prachtige liefdadigheid!” riep de jonge Lord uit, terwijl hij den laatsten post las, waarop vermeld stond: „De beschermvrouw, voor rijtuigen, fooien, porto’s, tijdverzuim en andere voorschotten, 100 pond.”
Lady Lea sloeg snel het boek dicht. Zij zelf was immers de beschermvrouw!
De Lord wist nu, uit welke bron de „gespaarde gelden” der Lady kwamen.
Hij werd donkerrood van verontwaardiging en het kostte hem moeite om zijn kalmte te bewaren.
„Begrijpt gij nu, Lord Meneval, dat wij uit onze kas ongeveer 500 pond moesten bijpassen en dat uw gift dus zeer welkom is?”
„Dat begrijp ik volkomen”, antwoordde de Lord met een fijn lachje. „Ik heb u nu echter een voorwaarde te stellen. Mylady, gij moet het bedrag, dat ik u ter hand zal stellen, voor liefdadige doeleinden gebruiken, die ik u zal opnoemen!”
De Lady keek hem verbaasd aan.
Daarop echter lachte zij vroolijk.
„Maar, Mylord, dat is immers gekheid! Op een dergelijke conditie zou ik voor uw gift moeten bedanken!”
„Ook goed, dan behoud ik mijn geld”, sprak de Lord op kalmen toon en hij stak de portefeuille, die hij reeds voor den dag had gehaald, weer bij zich.
De Lady keek hem even aan.
Plotseling stond zij naast hem en op vleienden toon sprak zij:
„Meneval, waarom spelen wij comedie? Waarom zijn wij niet eerlijk tegen elkaar? Beken het openhartig, dat die geheele weldadigheidsquaestie slechts een voorwendsel is geweest! O, jij lieve, stoute man! Hoe heb je het over je hart kunnen krijgen om mij in de vestibule van het Britsch Museum een vol uur tevergeefs te laten wachten?
„Ach, ik was er zoo vast van overtuigd, dat gij zoudt komen!
„Geloof mij, Percy, het viel mij niet gemakkelijk, om die regels aan je te schrijven! Maar ik kon niet anders, het was sterker dan ikzelf.
„Percy, ik heb je lief en daarom vergeef ik je, dat je mij toen voor niets hebt laten wachten en dat je eerst nu de stem van je hart hebt gevolgd... Ach!”
Lord Meneval was in het eerste oogenblik stom van verbazing.
Was de Lady plotseling krankzinnig geworden?
Maar daarna begon hij alles te begrijpen!
Sinds zijn entree in de voorname kringen achtervolgden de dames uit die gezelschappen hem met liefdesverklaringen en werd hij overladen met welriekende billets-doux. En geen wonder, want hij had niet alleen een Apollo-kop, maar was tegelijkertijd interessant en beminnelijk.
Hij had echter nooit notitie genomen van die talrijke liefdesbriefjes, ze meestal zelfs ongelezen verbrand.
Hij herinnerde zich nu echter een van die briefjes. Het was onderteekend geweest met de woorden „Lady Lea R.”, had de krankzinnigste liefdesverklaringen behelsd en de schrijfster verzocht hem om een rendez-vous met haar, „de dame met den oranjebloesem in het haar, met wie hij op de soirée bij Lady Gray een gesprek had gehouden over de wedrennen”, in de voorhal van het Britsch Museum.
Hij had er toen niet over nagedacht, wie de schrijfster van den brief kon zijn.
Nu wist hij het!
Verontwaardiging maakte zich van hem meester.
Deze getrouwde vrouw, die zooeven een onschuldig jong meisje had mishandeld en vol zedige verontwaardiging de deur had uitgejaagd, deed liefdesverklaringen aan een haar geheel onbekenden jongen man en noodigde hem uit voor een teeder tête-à-tête!
De voorname dame, die aan het hoofd stond van alle godsdienstige werken, ontpopte zich als een schaamtelooze echtbreekster!
Maar hij bleef zijn uiterlijke kalmte bewaren.
Nadat hij van zijn eerste verbazing bekomen was, scheen het, alsof hij verrukt was over de bekentenis der Lady en alsof haar „bekoorlijkheden” een diepen indruk op hem maakten.
Hij keek Lady Lea met geheel andere oogen aan, hij beantwoordde zelfs haar kussen en luisterde vol aandacht naar haar, toen zij hem bekende, dat zij hem reeds vanaf het eerste oogenblik had liefgehad, dat de stap, waartoe zij was overgegaan, haar niet was kwalijk te nemen, omdat zij een man bezat, die voor haar veel te oud was en op wien haar bekoorlijkheden geen indruk maakten.
„Ik wist, dat je wel bij mij zoudt komen, mijn geliefde Percy”, fluisterde de schaamtelooze. „Maar stil, daar komt iemand!—Eén ding nog! Morgenavond gaat mijn man op reis. Denk daaraan! Ik zal je een paar regels zenden en tegelijkertijd den sleutel van het kleine poortje. Kom dan na middernacht bij mij!”
Buiten werden inderdaad schreden vernomen.
De deur werd geopend en de Lord kwam binnen.—
Toen Percy Meneval een kwartier later de villa verliet, lachte hij in stilte.
„Wat zei ze bij het afscheid? Tot morgennacht! Wees gerust, Mylady, wij zullen elkaar al eerder terugzien!”
VIJFDE HOOFDSTUK.
EEN NOODLOTTIG TÊTE-À-TÊTE.
Toen Lord en Lady Rochester bij Het souper tegenover elkaar aan tafel zaten, sprak de Lady alleen over den jongen Lord Meneval. Zij prees zijn beminnelijkheid en zijn verstand en opperde het plan om den jongen Lord eens uit te noodigen om te komen dineeren.
Haar man luisterde verstrooid. Hij was met zijn gedachten blijkbaar elders.
Nog voordat de bediende het dessert afnam, stond hij op en verontschuldigde zich bij zijn vrouw. Hij moest naar een algemeene vergadering van de „Vereeniging tot verbetering van het lot der gevangenen”. Het zou wel laat kunnen worden, zij moest maar niet op hem wachten.
Op straat nam hij een huurrijtuig en gaf den koetsier een adres op.