Lord Lister No. 0014: De verwisselde detective
Part 2
„Je hoopte! Dat heeft al menig vriend van mij gedaan! Je moet die vijfhonderd pond morgen om dezen tijd betaald hebben of—”
„Of?”
Dokter Marchner hief het fijnbesneden gelaat op.
„Of je zult zien, met wien je te doen hebt!”
„Ik dacht, dat je mijn vriend waart, Alfred!”
„Ik was het! Als je echter je woord niet houdt, ben je een eerlooze, en met zulke menschen hou ik geen vriendschap”.
Een lange pauze volgde.
„Ik kan mij niet eens meer een revolver koopen, die ik noodig heb”, zei Marchner toonloos.
Hopp haalde een klein pistool, in nikkel gevat, te voorschijn.
„Hier, als ik je daarmee soms van dienst kan zijn.”
Marchner nam het wapen en in Hopp’s oogen lichtte het met duivelschen glans.
Het gordijn ging open—Alfred Hopp verdween.
„Vaarwel!”
Wanhopig zonk Marchner in den stoel, zijn rechterhand hief langzaam de revolver—
Daar werd de portière op den achtergrond geopend.
Graaf Selfar trad binnen.
„Halt!” sprak hij op bevelenden toon, „ongelukkige, ben je je leven al zoo zat, dat je het om een bagatel wilt vernietigen?”
Met groote oogen keek Marchner den graaf aan.
„Hebt ge—alles gehoord?”
„Alles”. Een glimlachje speelde om de lippen van den graaf.
„Hoeveel zijt ge Alfred Hopp schuldig?”
„Vijf honderd pond. Maar—”
Graaf Selfar haalde een portefeuille te voorschijn en drukte den jongen dokter tien banknoten in de hand.
„Hier. Ga haar de speelzaal en betaal uw schuld. Waarom hebt ge gespeeld?”
„Ik ben in deze club verzeild geraakt. Mijn vriend, Alfred Hopp heeft mij hier gebracht. Ik hoopte, mijn berooiden toestand te zullen beteren. Ach, hoe zal ik u danken voor dit geschenk!”
„Maak u niet bezorgd! Ik krijg dat geld wel terug. Ga nu?”
Marchner ging naar de speelzaal.
De slanke, jonge man, die alleen in het zaaltje was achtergebleven, drukte nu op een electrische schel.
Een dienaar verscheen.
„Zeg mr. Hopp, dat een heer hem wenscht te spreken.”
De lakei ging en de graaf draaide de helft van de lichten uit, haalde een zwart masker te voorschijn en bond dit voor het gelaat.
Eenige oogenblikken later kwam Alfred Hopp binnen. Hij zag bleek van opwinding.
„Is hier iemand?” vroeg hij.
„Ja. Ik wilde u spreken.”
Hopp keek in het gelaat met het zwarte masker en wilde, doodelijk verschrikt, terug gaan. Maar in hetzelfde oogenblik schitterde de loop van een revolver hem voor de oogen.
„Geen stap verder, ellendeling, als je leven je lief is.”
Hopp stond als vastgenageld op zijn plaats. Hij sprak geen woord en zijn lichaam kromp ineen, alsof hij een zweepslag afwachtte.
„Wat wilt ge van mij?” kreunde hij.
„Dokter Marchner betaalde u daar juist vijfhonderd pond, nietwaar?”
„Ja.”
„Hebt ge hem de schuldbekentenis teruggegeven?”
„Natuurlijk.”
„Goed. Leg die vijfhonderd pond dan hier op tafel.”
„Maar—dat geld is mijn eigendom.”
„Zwijg! Geen woord meer! Moet ik u naar de speelzaal brengen en daar de linkermouw uit uw rok snijden? Pas op, anders deel ik iedereen mee, waar ge uw valsche kaarten verbergen hebt.”
Alfred Hopp schrikte. Maar nog aarzelde hij.
De man met het masker glimlachte.
„Ik tel tot drie. Als dan het geld niet op tafel ligt, gebeurt er iets vreeselijks. Eèn, twee—”
Maar reeds had Hopp vliegensvlug het geld op tafel gelegd en met schuwen blik vroeg hij nu:
„Wie ben jij?”
De gemaskerde lachte weer.
„Ga heen. Ik ben Raffles.”
Hopp deinsde achteruit.
„Raffles!” schreeuwde hij met een stem, die drie zalen ver klonk, en met een reuzensprong verdween hij.
Eenige oogenblikken later drong een tiental heeren het vertrek binnen. Maar Raffles had de zaal al verlaten en op zijn dooie gemak, terwijl men hem overal zocht, daalde hij de trappen af, liet zich zijn jas geven en ging heen.
Hij had zijn automobiel weggestuurd om den weg naar huis te voet te kunnen maken en te genieten van de kristalheldere nachtlucht.
„En ik verzeker u, dat het graaf Selfar was en niemand anders,” schreeuwde Alfred Hopp tot zijn vrienden. „Ik zag het aan den prachtigen Indischen ring. En bovendien! Draai het woord Selfar eens om! Dan krijgt ge Raffles! Zoo’n bedrieger!”
Allerwege heerschte de grootste opwinding.
Overal zocht men naar den graaf.
Hij was verdwenen.
De lakeien deelden mede, dat ze hem hadden zien weggaan.
„Dan is Raffles ook Selfar en Selfar Raffles,” klonk het dooreen.
Alfred Hopp echter lachte.
„Nee maar! Die is prachtig!” riep hij uit. „Ik zal dadelijk de politie telefoneeren. Bij ons thuis is het adres van dien schurk bekend! Wacht maar! Over een uur zit hij achter de tralies!”
En Alfred Hopp waarschuwde de politie, in de heilige veronderstelling, dat hij wel heel gauw zijn vijfhonderd pond weer in den zak zou hebben.
DERDE HOOFDSTUK.
EEN INHECHTENISNEMNING DIE MISLUKTE.
Een der detective nam de boodschap aan.
Hij berichtte het terstond aan Baxter.
Deze beval, dat een twaalftal politie-agenten, onder leiding van detective Marholm zich dadelijk naar de woning van Raffles moest begeven om deze bij zijn thuiskomst te arresteeren.
Marholm echter had zijn eigen plan.
„De Groote Onbekende,” zei hij, „is een vervloekte kerel. Honderd keer kan je zijn woning omsingelen en honderd keer ontsnapt hij weer. Ik heb een plan, waardoor ik mijn college Sherlock Holmes beschaamd en Baxter geel van afgunst zal maken.”
Hij zocht twaalf agenten uit, die in burgerkleeding zich om het huis van graaf Selfar zouden opstellen.
„Als ik fluit, komt ge! Dreigt gevaar dan schiet ik! Overigens moet ge mijn bevelen afwachten,” zei hij.
De troep zette zich in beweging.
Marholm sprong op een fiets en trapte naar de woning van den Grooten Onbekende.
Het was één uur na middernacht. Alles sliep. Marholm schelde en een poos later opende de dienaar van graaf Selfar de deur.
„Zijt gij de dienaar van graaf Selfar?”
„Om u te dienen!”
„Luister dan! De graaf zal heel spoedig thuis komen. Ik zal mij in zijn slaapkamer verbergen, daar ik hem persoonlijk wil arresteeren. Zeg dus den graaf geen woord. Verstaan?”
„Verstaan wel, maar—”
„Geen maren! Als je het waagt, je heer te waarschuwen, ben je er bij!”
De dienaar haalde de schouders op.
„Als dat zoo gevaarlijk is, zal ik het wel laten!”
Marholm keek eens rond.
„Vorstelijk ingericht”, mompelde hij, „als gewoonlijk! Maar waar verberg ik mij nu het best?”
Hij keek eens onder het ledikant.
„Dat is de beste gelegenheid. Ik zal wachten, tot hij gaat slapen! Jammer, dat ik zijn gezicht niet kan zien, als ik zoo plotseling den hand op zijn schouder leg en zeg: „Raffles, je bent mijn gevangene!””
De dienaar knikte.
„Noemt ge daar Raffles niet?” vroeg hij, „dat is die groote held, de man, die nog niet gevonden is en waarvoor ik een grenzenlooze vereering koester!”
En terwijl hij deze woorden sprak, zette hij een grooten staanden spiegel zóó voor het ledikant, dat daarin nog juist de zolen van den daaronder liggende zichtbaar werden.
„Zoo zal men mij niet kunnen zien, zeg?” vroeg Marholm.
„Geen draad!”
„Prachtig! En denk eraan, dat je je mond houdt!”
„Natuurlijk!”
Daar werd gescheld.
Jean vloog weg.
Het was graaf Selfar, die binnenkwam in gezelschap van een vreemden jongeman.
Deze, met een rooden baard en bleek gelaat, was niemand anders dan dokter Marchner. Hij was graaf Selfar genaderd, toen deze bij zijn woning kwam.
„Pardon, graaf—een enkel woord. Zijt gij Raffles?”
De graaf dacht een oogenblik na.
„Als ge er dan zooveel belang in stelt”, sprak hij toen, „ja, ik ben Raffles.”
„Vlucht dan! Ik was nog in de club, toen gij vertrokken waart! Men heeft u herkend. De politie is gewaarschuwd! Twaalf agenten hebben het huis omsingeld!”
Raffles haalde zijn gouden sigarettenkoker te voorschijn, bood den dokter een, stak zelf een op en keek met een lachje rond.
„Ha! Ik zie verscheiden schaduwen!”
„Doe toch geen stap verder, graaf—ge wordt gearresteerd!”
„Och, dokter, maak u toch niet bezorgd! Kom toch mee! ’t Is hier te koud! Kom een glaasje cognac drinken in het huis van graaf Selfar! En laat ons wat babbelen en een paar sigaretten rooken.”
Marchner werd doodsbleek.
„Om Godswil—” fluisterde hij, „ge hebt mij het leven gered—ik ben u dankbaarheid verschuldigd, maar— —”
„Ge zult verkouden worden, dokter, als ge voortdurend staat te praten”, lachte graaf Selfar en hij sloot de deur open.
Niemand bewoog zich.
De schaduwen bleven onbeweeglijk in de nissen.
Daar kwam Jean, de huisdienaar.
Graaf Selfar keek hem eens scherp aan.
„Niets gebeurd, Jean?”
„Niets, graaf!”
„Geen brief gekomen?”
„Neen, graaf. Ik heb den spiegel al klaar gezet, opdat ge u terstond kunt ontkleeden.”
Graaf Selfar keek zijn dienaar nog eens scherp aan en liet toen zijn gast den salon binnentreden.
Voordat ook de graaf binnentrad, ging deze eerst naar zijn slaapkamer.
Zooals hij altijd deed, keek hij eerst eens aandachtig rond van onder zijn half dichtgeknepen wimpers.
Daar zag hij, in den spiegel, twee vuile schoenzolen.
Hij glimlachte eens en ging naar het salon terug, zonder de tusschendeur te sluiten, zoodat hij een ruimen blik over de slaapkamer had.
„Maak het u gemakkelijk, dokter,” sprak de graaf en hij vulde twee glazen uit kristallen karaffen.
Dokter Marchner viel van den eenen angst in den andere.
Hij liep naar het venster en keek eens naar buiten.
Graaf Selfar voegde zich bij hem.
„Een mooie, heldere winternacht, nietwaar, dokter? Ik sta hier soms uren lang te kijken naar het firmament en beproef dan de geheimen te doorgronden, die zweven tusschen hemel en aarde, als langzaam en eentonig de sneeuwvlokken tegen het venster dwarrelen en heel Londen hult in een sluier van kristallijnen raadselen.
„Maar gij zijt mij nog eenige opheldering schuldig, dokter. Neem het mij niet kwalijk als ik u een vraag doe. Ik ben zoo’n soort philosoof. Hoe hebt gij zoo kunnen toegeven aan den belachelijken hartstocht van het spel?”
„Ik had mij al voorgenomen, graaf, u daarover eenige opheldering te geven.
„Nog komt het mij voor, alsof ik een boozen droom heb doorleefd.
„Maar luister naar de ware oorzaak.
„Ik heb een arm meisje lief. Ja, lieve God, ze is arm, meer dan arm.
„Magda Werner heeft ook mij lief en mij daardoor gemaakt tot een der gelukkigste stervelingen.
„Ik zou gaarne bereid zijn, alle ontberingen met haar te deelen en vooral thans, nu de armoede zoo nijpend is in haar familie.
„Zij is een kind uit het volk, graaf, maar voor mij is zij een prinses, want ze is edel en goed.
„En om haar een onbezorgd bestaan te kunnen verschaffen, haar, die ik lief heb boven alles, daarom kwam ik op het rampzalige denkbeeld—nu ja—ge kent de rest.”
Zwijgend had graaf Selfar zijn sigaret gerookt.
Hij lag nu in een Amerikaanschen schommelstoel, de groote, heldere, donkere oogen omhoog gericht.
Toen, plotseling, sprong hij op.
„Magda Werner zegt ge, dokter?”
„Ja. Kent ge haar? Haar vader werd twee dagen geleden ontslagen uit de fabriek van Arthur Hopp.”
„Zoo—zoo—ja! Enfin, we spreken daar morgen nog wel eens over, dokter.”
Dokter Marchner ging. Hij was moedeloos gestemd, want hij dacht, dat hij nu wel niets meer van den graaf zou hooren.
Hij liep voort.
Maar plotseling bleef hij staan.
Hij hoorde een fluitje door de lucht snerpen en snel liep hij weg, met kloppend hart, om niet te zien, hoe zijn weldoener geboeid werd weggebracht.
Intusschen had graaf Selfar gescheld.
Jean trad binnen.
„Je kunt gaan slapen, Jean, ik heb je niet meer noodig.”
„Heel goed, graaf.”
Jean boog en ging.
Graaf Selfar ging naar zijn slaapkamer, draaide het electrische licht half af en nam plaats in een leunstoel, tegenover zijn bed.
„Zeg eens, vriend,” begon hij toen, „heb je niet gezien dat beneden duidelijk staat: voeten vegen? Je hebt mijn tapijt leelijk vuilgemaakt.”
Geen antwoord.
„Zeg eens, hoor je niet, Marholm?”
„Meent ge mij?”
Op doffen toon kwam het van onder het bed vandaan.
„Ja, wien zou ik anders meenen? Maar kom toch hier, dan kunnen we gezellig wat babbelen!”
Marholm kroop te voorschijn.
„Ge zijt mijn gevangene,” sprak hij toen tot graaf Selfar.
Deze lachte eens.
„Niet zoo gauw, Marholm. Ga eerst eens zitten! Je zult wel moe zijn! Een glaasje cognac?”
„Niets!”
„Hoe dat zoo?”
„Ik ben geheelonthouder. En wees nu eens ernstig! Ge zijt mijn gevangene!”
„Kom, kom, ik geef niet veel om de praatjes der politie!”
„Ge zijt mijn gevangene!”
En Marholm wilde naar het venster gaan om het afgesproken fluitsignaal te geven.
Maar toen ook stond eensklaps, dreigend, graaf Selfars hooge gestalte voor hem.
Schuimbekkend van woede haalde Marholm zijn gummistok te voorschijn.
In ’t zelfde oogenblik gaf Raffles hem een stomp tegen de keel, dat hij ter aarde smakte.
Hij sprong echter elastisch weer op de been en vloog op graaf Selfar af.
Maar wat was dat?
Als twee groote, lichtende sterren keken Selfars oogen den detective aan en deze kon zich niet losmaken uit die ban.
Slap viel zijn hand met den gummistok langs zijn lichaam.
En als van uit de verte klonken hem de woorden in het oor:
„Slaap!”
Alles werd zwart om hem heen.
Alles werd nacht.
„Ge slaapt. Weet ge, wie ge zijt? Neen, ge weet het niet!”
„Ja——ik—weet—het!—Ik—ben—Mar—Mar,” maar verder kwam hij niet.
„Neen. Ge zijt Raffles.”
„Raffles?”
„Ja. Ge zijt Raffles. Wie zijt ge?”
„Mar——ik ben Raffles!”
„Wie?”
„Raffles!”
„Zeg het nog eens!”
„Raffles!”
„Goed. Ge zijt Raffles! En ge zijt naar huisgegaan om te slapen, omdat ge vermoeid zijt. Nietwaar?”
„Ja!”
Graaf Selfar bekeek den slapende een oogenblik en haalde toen een etui te voorschijn.
In dit oogenblik stak Jean die voortdurend door het sleutelgat geloerd had, zijn hoofd binnen de deur.
„Wil ik, graaf?”
„Durf je?”
„Maar natuurlijk!”
„Kom dan hier!”
„Tot uw dienst!”
En Jean begon in te zeepen.
„Snor en baard, allebei afscheren, Jean. Trek hem dan de uniform uit, leg ze voor mij klaar en stop hem in bed. Trek hem eerst een van mijn zijden nachthemden aan.”
„Uitstekend, graaf.”
En Jean toog aan het werk.
Met de handigheid van een tooneelspeler plakte nu Raffles zich een baard aan het gezicht, die sprekend geleek op dien, welken Marholm had gedragen.
„Het staat me niet, maar het beantwoordt aan zijn doel,” mompelde Raffles.
Hij zette den helm op en opende het venster.
Een fluitsignaal weerklonk.
Hevig spektakel volgde.
Van alle kanten stormden de agenten de halfdonkere slaapkamer binnen, nadat zij zich toegang tot het huis hadden verschaft.
„Chef?”
Raffles hield den vinger op den mond.
„Sst! Hij slaapt! Heb je de boeien?”
„Ja, chef!”
„Vooruit dan!”
Raffles tikte den slapende op den neus.
„Hé, word eens wakker!”
„Wa—wat is er?”
„Dat zult ge wel zien”
„Hèèè— —
„Zijt ge Raffles?”
„Ik?? Ja—ik ben Raffles.”
„Allo, jongens!”
En Marholm werd door twaalf paar handen uit bed gesleurd, in een deken gewikkeld en in het rijtuig gedragen, dat al klaar stond.
Raffles was intusschen naar zijn badkamer gegaan.
Daar had hij zich vliegensvlug verkleed, een pelsjas aangeschoten, een hoogen hoed opgezet en het huis verlaten.
„Waar is de chef?” vroegen de agenten.
Zij zochten Marholm, maar toen ze hem niet vonden, dachten ze, dat hij al vooruit was gegaan.
Raffles intusschen had in een telefoonbureau Scotland Yard opgescheld.
„Daar Scotland Yard? Hier Raffles!—Wat?—Ja, hier Raffles!—Ik wilde u even meedeelen, dat ik detective Marholm naar u toe heb gestuurd.—Hij lag bij mij te slapen!—Wat?—Waar ik nu ben?—Telefoon-automaat nummer 17.—Wat? Ik heb geen tijd meer!—Tot later!”
Toen reed Raffles naar het Metropol hotel, waar hij Charly Brand den volgenden dag zou ontmoeten.
VIERDE HOOFDSTUK.
DE REDDER DER ONTERFDEN.
Charly Brand zat tegenover lord Lister in het Metropol Hotel.
„En waar ben je zooal geweest, Charly?” vroeg Raffles.
„O, overal! Ik heb eerst rondgeslenterd, toen gehoord, dat fabrikant Hopp en baron von Reutz, een vriend van dezen, een heel slechten naam en al heel wat op hun kerfstok hebben en kwam daarna thuis.”
„Zoo. Nu, beste jongen, ik trek er weer op uit—en wel onder den naam van baron von Reutz.”
„Wees voorzichtig, Edward”.
„Dat ben ik altijd.”
Baron von Reutz reed naar Witchapel Road en trad daar een der groote huurkazernes binnen.
Al heel spoedig had hij gevonden wat hij zocht: het huis van Frans Werner.
Het was een nette, doch armelijke woning.
De werkman herkende terstond den eleganten heer.
Deze vroeg naar Magda en vertelde, dat hij wist, hoe zeer dokter Marchner het meisje lief had.
Werner verschoot van kleur.
„Mijn dochter,” zei hij, „is niet hier.”
„Waar is ze dan?”
Aarzelend haalde de man een onaangenaam naar muskus riekend briefje te voorschijn en liet het baron von Reutz lezen.
Er stond:
„Mijn lieve, lieve Magda!
„Ik moet je nog eens zien en spreken, liefste. Kom vanavond om acht uur op de bekende plaats. Noem den kellner mijn naam, hij zal je dan in een vertrek brengen, waar wij ongehinderd samen kunnen praten.
„ALFRED”
De baron wierp den brief terzijde, vol afschuw.
„Is dat schrijven van den jongen Hopp?”
„Ja. Ik smeekte haar, er niet heen te gaan. Maar zij wilde geen oogenblik aan eenige laagheid denken en ging toch.
„Ik geloof, baron, dat ge er bij waart, toen de oude heer Hopp over de verhouding van mijn dochter en zijn zoon sprak. Ja, zij heeft zich voortdurend door hem laten bepraten; zij meende, hem lief te hebben—het was een kleine, vluchtige droom, zooals veel jonge meisjes dien droomen, maar zij is rein gebleven, ik kan de hand voor haar in het vuur steken, baron.
„Als zij verstandig was geweest, dan had zij niet de onvoorzichtigheid begaan, dezen man een reeks brieven te schrijven, waarin zij haar geheele hart voor hem uitstortte.
„Van die brieven maakt hij nu misbruik.
„Door middel van die brieven tracht hij haar voor zich te behouden, hoewel zij niets meer van hem wil weten, want hij heeft een slecht karakter, het liefst zou ik hem eenvoudig neerschieten.
„Hij heeft haar gedreigd, die brieven aan dr. Marchner te zullen geven.
„En mijn kind is totaal veranderd, sinds zij dr. Marchner heeft leeren kennen.
„Zij is gelukkig. Zij heeft in hem den man gevonden, dien zij kan vertrouwen.
„En nu dat zoo goed zal gaan, treedt deze ellendeling tusschenbeide. U begrijpt, mijnheer de baron, welke gevolgen het zou hebben, als dr. Marchner die brieven kreeg.
„Hoe verstandig en edelmoedig hij ook is—hij zou toch niet kunnen begrijpen, dat zij, die hij lief heeft, zulke brieven aan een ander heeft geschreven.
„Het was beter geweest, als mijn dochter vanaf het begin eerlijk tegen hem was geweest, als zij hem alles had meegedeeld,—maar aanvankelijk had zij daartoe den moed niet en nu—nu is het te laat!”
Baron von Reutz had met saamgeknepen lippen naar de woorden van Frans Werner geluisterd.
„Zoo. En uw dochter hoopte blijkbaar, dat zij vanavond de brieven zou terug krijgen, waarvan haar geluk afhangt?”
„Zoo is het! En ik vrees, dat hij haar een nieuwe hinderlaag heeft gelegd!
„Zij beproeft het uiterste, compromiteert zichzelf en waagt het onmogelijke.
„Hierdoor zal zij misschien in één oogenblik alles bederven, inplaats van haar levensgeluk te redden!”
„Wij moeten het ergste niet denken, mijnheer Werner,” antwoordde baron von Reutz.
„Ik zal over een paar dagen eens weer bij u komen!”
Frans Werner vervolgde op fluisterenden toon:
„Overmorgen zou het huwelijk tusschen mijn dochter en dr. Marchner voltrokken worden. Overmorgen reeds! Mag ik het genoegen hebben, u voor de bruiloft uit te noodigen?
„Ik beef bij de gedachte, dat er misschien iets vreeselijks zou kunnen gebeuren, maar hopenlijk gaat alles goed— —”
„Ik zal komen,” antwoordde baron von Reutz glimlachend.
Daarop ging hij naar beneden, sprong in zijn rijtuig en riep den koetsier toe:
„City!”
De beide paarden zetten zich in beweging en in vollen draf ging het voorwaarts.
Eindelijk bleven de paarden staan.
Baron von Reutz stapte uit.
Diep buigend naderde de oberkellner en toen de baron den naam Alfred Hopp noemde, antwoordde de „ober” geen woord, maar geleidde den jongen edelman door een lange gang.
Voordat hij echter de zware gordijnen, die de kamer afsloten, op zij kon schuiven, voelde hij de hand van den gast op zijn arm.
„Wacht even! Ik—ik wensch de kamer hiernaast te betrekken!”
De kellner bracht den gast volgens dien verlangen naar het aangrenzende vertrek.
Baron von Reutz gaf zijn verdere bevelen, waarop de oberkellner vertrok.
De jonge baron ging nu weer naar buiten naar de corridor, waar hij zacht en voorzichtig de portière van het aangrenzende vertrek opende.
Opgewonden stemmen klonken in zijn oor.
Hij keek in het kleine vertrek, dat tooverachtig verlicht werd door de roodzijden kap van een schemerlamp.
Op tafel stonden wijnglazen en flesschen, vruchten en gebak.
Alfred Hopp zat op den divan, terwijl een jong beeldschoon meisje met smeekend uitgestrekte armen voor hem stond.
Zij kon den ingang der kamer niet zien, terwijl ook Alfred Hopp met zijn rug naar de portière zat.
Met een enkele onhoorbare beweging was baron von Reutz de kamer binnengegaan.
Zijn hooge, slanke gestalte was voldoende verborgen door den donkeren achtergrond.
Zoo bleef hij roerloos staan.
„Is het mogelijk, dat gij zoo wreed kunt zijn?” vroeg Magda Werner, terwijl haar groote, donkerblauwe oogen vol tranen stonden.
„Wat hebt gij aan de brieven? Waarom kwelt ge mij op zoo wreede wijze? Is het een genot voor u om mij en den man, die mijn gansche hart bezit, in het verderf te storten?”
Alfred Hopp haalde op brutale en ruwe wijze de schouders op, terwijl hij zijn bleek, verlept gelaat oprichtte en het jonge meisje aankeek.
„Een genot? Ja, dat is het! Dacht je werkelijk, dat ik je hier heb laten komen om je de brieven te overhandigen?
„Ik denk er niet aan! Met deze brieven heb ik je in mijn macht. En ik laat je niet weer los—denk daaraan! Juist nu niet! Ik wil, dat je de mijne wordt!
„Je hebt mij altijd naar je laten smachten!
„Juist omdat ik weet, dat je mij niet liefhebt, omdat een ander je zal bezitten, daarom eisch ik dit offer!”
Het jonge meisje stond sprakeloos tegenover haar beul.
Haar boezem hijgde en het zware blonde haar was gedeeltelijk losgegaan, zoodat een paar lange krullen over haar schouders hingen.
Haar oogen keken radeloos om zich heen en met bijna klanklooze stem sprak zij:
„Ik begrijp u niet!”
Alfred Hopp rekte zich eens uit op den divan.
„Begrijp je mij niet? Je zult mij dadelijk begrijpen!
„Zie je, er schuilt een bijzondere kracht in mij! Ik vind zelf, dat ik een soort Mefisto, een duivel, ben!
„Het is mij voldoende, als ik iemand ongelukkig kan maken!
„Waarom zal ik tegenover jou den edelmoedige spelen?
„Waarom zal ik mij berustend terugtrekken en plaats maken voor een ander?
„Ik denk er niet aan!
„Als ik je later op straat tegenkom, als je wangen geverfd en gepoederd zijn en een eeuwig glimlachje om je lippen speelt—zie je, dan zal ik een duivelsche voldoening smaken!”
Hij keek haar met strakke, meedoogenlooze oogen aan.
Maar het jonge meisje scheen hem nog niet te begrijpen. Haar armen hingen slap langs haar lichaam neer en een uitdrukking van trots weerspiegelde zich in haar oogen.
Plotseling sprong Alfred Hopp op, hij stortte zich als een roofdier op haar, omklemde haar in zijn armen en—terwijl zij een kreet van ontzetting slaakte—riep hij lachend uit:
„Hier hoort niemand je, mijn duifje! Schreeuw zoo hard je kunt. Je bent in mijn macht!”
„Nog niet!” sprak een diepe welluidende mannenstem.
En in hetzelfde oogenblik vloog Alfred Hopp, door een krachtige hand weggeduwd, in een hoek der kamer.
Snikkend en sidderend snelde het jonge meisje naar den vreemdeling, die met zijn rijzige gestalte midden in de kamer stond.
Alfred Hopp was den eersten schrik te boven.
Met vlammende oogen en gebalde vuisten stond hij voor den vreemdeling.
„Raffles!”
Hijgend riep hij dat woord uit.
De ander glimlachte.
„Ja, ik ben Raffles!”
„Ellendeling, schurk!”
„Waarom geeft gij mij de namen welke gij zelf zoo rijkelijk verdient?” antwoordde de groote onbekende met onverstoorbare kalmte, terwijl het jonge meisje hem angstig aankeek.