Lord Lister No. 0010: De beeltenis der Indische
Part 2
„Een echte Lister, dat is mijn Lord! O, ik weet het, gij zult niet dulden, dat de trouwe, vlijtige Mac Karthy en de anderen ten gronde gaan! Het zal u gelukken, Lord Edward, want wat gij onderneemt, daarop rust Gods zegen!”
„Ja, ik zal dezen schurkenstreek verhinderen. Mac Karthy zal niet tevergeefs mijn hulp hebben ingeroepen. Hier heb je geld, Fred! Het is goed, als je niet al te spoedig weer in de villa verschijnt, kerel!”
De Lord nam een pak bankbiljetten uit zijn portefeuille en overhandigde dit aan Fred, die hem vol spanning aankeek.
„Je vertrekt”, vervolgde de Lord, „dadelijk van hier naar Holyhead en verder per stoomboot naar Dublin.
„Daar huur of beter koop je twee goede paarden met rijtuig en wacht op mij in de je welbekende Three-roads-Tun in de Zuidelijke voorstad.
„Verder is hier een sleutel van het kleine tuinpoortje, waarvan ik als Raffles gebruik maak. Het poortje is van buitenaf moeilijk te onderscheiden.
„Hiervan kan je gebruik maken, omdat ik den detective niet vertrouw.
„En nu, maak je dadelijk gereed!”
Fred was vol vuur. Hij had in langen tijd zijn Iersch vaderland niet gezien en vooral het bewustzijn, er bij tegenwoordig te mogen wezen als zijn aangebeden jonge Lord de ongelukkige pachters redde uit de klauwen van zijn vrekkigen oom, deed zijn hart zwellen van trots.
Haastig nam hij afscheid en snelde langs een hem door Lord Lister aangeduiden weg dwars door struiken en kreupelhout naar een bijna onzichtbare houten deur in de schutting. Het poortje was goed geolied en kon dus onhoorbaar worden geopend en gesloten.
De kamerdienaar kwam dicht bij een andere villa in een andere straat uit en bereikte onopgemerkt een daar gereedstaande omnibus, welke hem tot vlak bij het Noorderstation bracht.
Intusschen had Lord Lister een versche sigarette opgestoken en nogmaals den brief van Mac Karthy doorgelezen.
Plotseling keek hij op.
„Hoorde je niets buiten in den tuin?” vroeg hij, scherp luisterend, maar met de grootste kalmte.
DERDE HOOFDSTUK.
„DE VLOO” OP HET OORLOGSVELD.
De brave Fred was maar een matig kunstenaar in de vermommingskunst en bovendien lang niet vlug genoeg om het, zooals hij dacht, tegen detective Marholm te kunnen opnemen.
Lord Lister had het zaakje dadelijk niet vertrouwd, toen hij hoorde, dat de geslepen Marholm, bijgenaamd „De Vloo”, zich op het oorlogsveld bevond. Hij was echter op zijn hoede.
„Mij dunkt, neef Robert”, sprak hij, „dat ik iemand op het krakende grint voor het huis hoor rondsluipen.
„Het zou mij verbazen, als dat niet de beroemde Vloo was! Laat eens kijken, Robert, zie je er Amerikaansch genoeg uit om voor een detective te verschijnen? O ja, dat zal wel gaan!”
Hij wierp zelf nog een onderzoekenden blik in den spiegel en constateerde met genoegen, dat niemand in den reeds eenigszins grijzenden heer van middelbaren leeftijd, met zijn vollen baard, die door een vernuftig uitgevonden middel aan zijn gelaat was bevestigd, den eleganten jongen Lord Lister zou herkennen.
Nogmaals wendde hij zich tot Charly Brand.
„Neef, vergeet niet, dat wij reeds een maand hier zijn, ten einde de luchtscheepvaart te bestudeeren, zooals op onzen pas vermeld staat!”
„Wat!” riep Charly vol bewondering uit, „hebben wij ook een pas?”
„Natuurlijk!” antwoordde de Lord. „Ik zal wel oppassen om mij uit te geven voor iets, wat ik niet bewijzen kan. Bovendien heb ik de beide Amerikanen zoo getrouw mogelijk nagebootst. Zelfs de consul, die hen toch kent, heeft niets van het bedrog gemerkt!”
„Maar denk je werkelijk, Edward— —”
„Ik verzoek je, aan onze familierelatie te denken; Oom Shaw heet ik!”
„Lieve oom, denkt ge werkelijk, dat Marholm daar buiten is?”
„Natuurlijk! Fred’s vermommingen zijn geen cent waard! Maar kom nu mee om te dineeren! En laat ons een echte havana opsteken, dat is meer Amerikaansch! Hier, waarde neef! Ik zal eenige bij mij steken! En nu, vooruit!”
De beide heeren verlieten de kamer, die Lord Lister zorgvuldig afsloot en waren door de vestibule naar buiten gegaan, toen van rechts en links twee gestalten bliksemsnel te voorschijn kwamen, die hun een luid „halt” toeriepen.
„Wat wilt gij?” riep Lord Lister met een zoo onvervalscht Yankee-accent, dat Charly op zijn lippen moest bijten.
„Dat is een eigenaardige gewoonte in Engeland om de menschen lastig te vallen! Als gij wilt bedelen, hier!”
De „oude Amerikaan” greep in zijn vestzak en hield kapitein Baxter met voorname grootheid een shilling voor.
„Overigens sta ik het niet toe, dat men zich in mijn park ophoudt! Een volgenden keer moet gij buiten aan het tuinhek wachten, als gij komt bedelen. Nu, pak maar aan en maak dan dat gij wegkomt!”
Kapitein Baxter was zoo overbluft, dat hij eenige oogenblikken met open mond bleef staan. Het scheelde niet veel, of hij had den shilling aangenomen.
Maar ook Marholm, want dat was de andere, keek verbaasd.
Zou hij zich dan toch vergist hebben?
Maar toen hij naar Scotland Yard telephoneerde, liep de achtervolgde kamerdienaar immers nog voor het huis heen en weer.
Kapitein Baxter was zijn verbazing meester geworden.
„Wij zijn beambten van Scotland Yard en komen niet om te bedelen!”
„Very striking indeed!” riep Lister op Yankee-toon uit.
„Drommels, Robert, wat zeg jij ervan? Van het groote Scotland-Yard, het beroemdste politiebureau der wereld! En zijt gij werkelijk detectives van Scotland-Yard?”
Kapitein Baxter gaf zijn collega een stoot in de ribben.
„Wat doe je eigenlijk, Marholm? Dit zijn de goeie niet! Dit zijn immers Amerikanen! Ge haalt in den laatsten tijd allerlei domme streken uit!”
De Vloo antwoordde niet veel.
„Maar de bediende liep hier toch een heelen tijd op en neer! Ik heb hem echter niet zien binnengaan en ook niet weer naar buiten komen.”
De beide detectives keken elkaar besluiteloos aan.
Het is in Engeland niet geoorloofd om zonder toestemming of zonder wettige reden iemands eigendom binnen te dringen en Amerikanen zijn natuurlijk op de hoogte van dergelijke voorschriften.
„Het was ons een genoegen, heeren, om twee der leden van Scotland-Yard, wier roem ook tot in Amerika is doorgedrongen, te leeren kennen! Maar wij zijn juist van plan, te gaan dineeren!”
Kapitein Baxter kreeg moed, hij nam zijn hoed af (want beiden waren in civiel) en sprak:
„Mag ik mij even aan u voorstellen: kapitein Baxter van Scotland-Yard— —”
„Wat! De beroemde kapitein Baxter, van wien ik zooveel gelezen heb? Neen maar, dat is een geluk, mijn beste kapitein! Dat had ik niet durven droomen! Onze geheele Club zal mond en ooren openzetten, als ik dat vertel!”
Lord Lister schudde bij deze woorden onophoudelijk de hand van kapitein Baxter, die met nederigen trots deze overzeesche hulde in ontvangst nam.
„En van mij zult gij misschien ook reeds gehoord hebben: Mr. William P. Shaw—in Amerika kent ieder kind mij—uit Chicago!”
„Voor den drommel!” fluisterde Marholm den kapitein toe, „dat is de grootste milliardair, de oliekoning! Daar hadden wij bijna een leelijke flater gemaakt! Handjes thuis!”
Dat de groote Amerikaansche industrieel en beursman zich aan hem voorstelde, vleide Baxter buitengewoon.
Hij knikte glimlachend.
„Mijn collega, Mr. Marholm, heeft zich vergist—”
„Ik weet het nog niet, kapitein,” waagde Marholm het te zeggen, „ik meende stellig, hem herkend en hem hier voor het huis te hebben gezien!”
„Zwijg, Marholm, als uw chef een zaak uitlegt aan deze Amerikaansche heeren! Het was natuurlijk een vergissing van detective Marholm, toen hij meende, een bediende van den grooten onbekende, Raffles, alias Lord Lister—”
„Het is omgekeerd, kapitein!” viel de andere detective hem in de rede.
„Gij zijt onuitstaanbaar met uw eeuwige wijsneuzigheid— —hier te zien binnengaan! Of weet gij misschien iets van zijn aanwezigheid, heeren?”
Lord Lister stond gemoedelijk zijn sigaar te rooken, met de handen in de broekszakken.
„Wij zullen toch zeker niet ondervraagd worden, Robert?”
„O oom, hoe kunt gij zoo iets denken! De heer Baxter is van top tot teen een gentleman! Zoo iets zou hij u niet aandoen!”
De kapitein voelde zich zeer gevleid en hief met een afwerend gebaar zijn hand op.
„Maar waarde heeren, hoe zou ik! Ik vraag maar zoo terloops. Het zou voor ons van het grootste belang zijn, een spoor te vinden! Die vervloekte Raffles zet nu reeds een jaar lang geheel Scotland-Yard in beweging en is niet te vangen!”
„Ach, mijnheer Baxter, dat moet toch een kleinigheid zijn voor iemand zooals gij! En ook gij, geachte heer detective—hoe was uw naam ook weer?—maakt op mij den indruk, bijzonder geschikt te zijn voor uw beroep! Toeval, heeren, enkel toeval, dat hij u tot nu toe is ontsnapt!
„Ik heb hartelijk gelachen om eenige zijner streken, maar voor zoo geniaal als de verslaggevers der couranten hem aanzien, beschouw ik hem niet!
„Nu ik u persoonlijk heb leeren kennen, zal ik uw werk met nog grooter belangstelling volgen dan tot dusverre en het zal mij buitengewoon veel genoegen doen, als het u eindelijk zal gelukt zijn, hem te vangen!
„En nu wilt u zeker wel een sigaar opsteken; zooals deze krijgt u ze niet veel! Ze zijn van mijn eigen plantages op Cuba!”
Bij deze woorden haalde Lord Lister een handvol uit zijn borstzak te voorschijn, die hij hun aanbood.
„Neem ze gerust, kapitein Baxter! Ik heb er nog meer van! En nu, heeren, vaarwel en veel succes!”
De beide detectives putten zich uit in dankbetuigingen.
Kapitein Baxter drukte den milliardair hartelijk de hand en zoo nam men op vriendschappelijke wijze afscheid van elkaar, zonder dat de detectives er zelfs aan hadden gedacht, de passen der Amerikaansche heeren te vragen.
Zooals wij weten, was echter Lord Lister zelfs op deze mogelijkheid voorbereid!
VIERDE HOOFDSTUK.
EEN WANHOPIG PACHTER.
Kalm en vriendelijk lag de pachthoeve van Mac Karthy te midden der goudgele korenvelden, omgeven door dichtbegroeide heuvels.
Vol zorgen en met gefronst voorhoofd stond de pachter, een groote, welgebouwde man met gebruind gelaat en welig blond kroeshaar, een man van ongeveer veertig jaar, op den drempel van zijn woning.
Hij keek een jachtwagen na, waarin een vroolijk heerengezelschap naar het kasteel reed, dat op eenigen afstand zichtbaar was.
Naast hem stond zijn vrouw met roodgeweende oogen. Een ongeveer vijfjarige knaap hield zich vast aan haar schort, terwijl zij een kind van nauwelijks een jaar in haar armen hield.
Een meisje en een jongen van 7 en 9 jaar speelden met de zorgeloosheid der jeugd in den hof.
Het rijtuig waarin het gezelschap heenreed, dat hier in de buurt een pic-nic had gehouden, behoorde aan den eigenaar van het kasteel, Lord Edwards oom, Lord Raynald Lister, wiens karakter wij reeds hebben leeren kennen.
Hij had stil laten houden bij de boerderij en den pachter naar buiten laten roepen.
In tegenwoordigheid van zijn gasten had hij hem zonder mededoogen er aan herinnerd, dat de laatste betalingstermijn verstreken was!
Als hij den volgenden dag de pacht niet tot op den laatsten cent had betaald, zou de Lord hem met zijn gezin uit het huis laten zetten, zooals het iemand toekwam, die niet in staat was, het luttele bedrag, dat hij aan zijn heer verschuldigd was, op tijd te voldoen!
„Och, heb nog wat geduld, Mylord!” had de pachter gebeden. „Gij weet, Lord Raynald, dat ik altijd stipt was, evenals mijn vader en voorvaderen, die deze akkers hebben bebouwd! Maar de pacht is te hoog en de mislukte oogst— —”
„Papperlapap!” riep de Lord hoonend uit. „Ik weet het wel, de mislukte oogst en het slechte weer hebben schuld! Ik wil daar niets meer van hooren! Jullie kunt niet huishouden en ik heb een pachter noodig, die dat wel kan!
„Als je morgen niet betaalt, kan je met je heele familie naar den duivel loopen!
„Begrepen?”
De pachter richtte zich op en keek den Lord met vasten blik aan.
„Ik zal u alles betalen, maar gij moet mij uitstel geven, want, weet wel, Lord Raynald Lister, dat ik hier erfpachter ben en dat ook ik van mijn goed recht in de Vereenigde Koninkrijken gebruik wensch te maken?
„Men kan mij niet voetstoots wegjagen, zooals gij dat denkt te doen, vooral niet, als buiten mijn schuld de oogst mislukt is!”
„Wat? Jij, ellendige boer, hebt den treurigen moed, mij zoo te durven brutaliseeren? Dat is het gevolg van het optreden van mijn broer en ik begrijp wel, op wiens hulp je vertrouwt!
„Maar ik trek mij niets van al je klaagliederen en protesten aan. Geld wil ik zien! Het mij toekomende bedrag zult ge mij morgen uittellen, anders laat ik je door de politie van deze hoeve jagen, die mij toebehoort, al zou je op je bloote knieën om genade smeeken!
„Onthoud dat.
„En Lord Edward Lister, die hongerlijder, is zoo arm als een kerkrat en kan je niet helpen!
„Mijn woord is hier wet en wat ik zeg, dat gebeurt!”
Met tranen in de oogen knielde nu Mary, de vrouw van den pachter, bij het rijtuig neer:
„O, Lord Raynald, heb medelijden, ter wille van de kinderen!”
Maar de pachter richtte haar met zijn krachtige hand op en beval haar, in huis te gaan.
Toen zij haar man aankeek, begreep zij, dat zij gehoorzamen moest en met haar kind op den arm wankelde zij snikkend naar huis.
„Verneder je niet nutteloos!” sprak haar man op scherpen toon.
„Die man heeft een steenen hart.”
„Hond, durf je mij beleedigen?”
„Op scheldwoorden antwoord ik niet! Is dit alles, wat Uwe Lordschap mij te zeggen heeft?”
„Goddam! Loop naar den duivel, onbeschaamde boer!”
„Dan behoef ik niet ver te gaan!” antwoordde de boer op kalmen toon, terwijl hij zich omkeerde om naar huis te gaan— —
Nu was de pachter weer met zijn vrouw en kinderen alleen, het hart vervuld van zorg en kommer.
Zij keken het rijtuig met het rumoerige gezelschap na.
Pachter Mac Karthy en zijn nog steeds weenende vrouw hadden angst voor de toekomst. Ach, zij dachten minder aan zichzelf, dan aan het harde lot, dat hun kinderen wachtte.
De pachter maakte een handbeweging, alsof hij zeggen wilde:
Wat helpt het! De strijd moet gestreden worden.
Plotseling keek hij verbaasd op.
Van de tegenovergestelde zijde als die, waarin de jachtwagen was verdwenen, zag hij twee ruiters naderen. Het was duidelijk te zien, dat zij naar zijn hoeve kwamen. In razende snelheid naderden zij en het leek, alsof de paarden vleugels hadden.
Mac Karthy sloeg zijn handen samen en keek met groote spanning.
„Mary! Kijk eens! Zij komen naar ons huis toe! Als dat—”
„Dat zal toch niet reeds de politie zijn?” riep de pachtersvrouw, terwijl zij haar jongste kind vaster aan haar borst drukte.
„Domme vrouw, spreek toch niet van politie! Neen, ik dacht aan iemand anders! En als ik dien voorsten ruiter goed zie— —!
„Dat is niemand anders dan— —”
„Wien bedoel je toch? Ik heb allen moed verloren. O, Mac, wat moet er van onze kinderen worden! Wat moeten wij zelf beginnen? Denk je, dat we van elkaar zullen moeten scheiden en— —?”
„Houd nu toch je mond, jij!— —Ja, hij is het—hij is het! O, ik wist wel, dat hij zijn ouden Mac Karthy niet in den steek zou laten!”
„Maar wien bedoel je toch, Mac? Zeg het toch, spreek dan toch! Ik verga van angst en zenuwachtigheid! Wie is het?”
„Jij bent met blindheid geslagen, Mary! Anders zou je toch dien langen, slanken man, die den ander een heel eind vooruit is, herkennen! Zet je oogen wijd open! Herken je hem nu nog niet?
„Nu wordt alles weer goed! Ja, ik zie het! Het is onze jonge Lord! Maar wat komt hij doen, weet hij iets van ons ongeluk?” vroeg Mary.
Gedurende dit gesprek waren de beide ruiters genaderd en eindelijk sprong Lord Lister van zijn hijgend, dampend ros, waarvan hij den pachter de teugels toewierp.
„Fred,” sprak hij, „je oude beenen hebben zich dapper gehouden, dat moet ik zeggen! Je hebt het paardrijden nog niet verleerd!”
Daarop wendde hij zich tot den pachter, schudde dezen de hand en reikte toen zijn slanke rechter aan Mary, welke deze wilde kussen, wat de trotsche Engelschman echter belette.
„Nu, Mac Karthy, daar zijn wij, om op ons erfgoed de zaakjes eens op te knappen. Weest nu allebei maar volkomen gerust! Van de voornemens van mijn waarden oom zal niet veel komen. Ik zal hem nog wel weten te dwingen! Gij zijt hier erfpachters en uw voorouders hebben met en onder de mijne hier menigen strijd gestreden.
„Het zou wat moois zijn, als het geslacht der Mac Karthy’s om een ellendig beetje geld in den vreemde en in de ellende gedreven zou kunnen worden!
„Ik zal er voor zorgen, dat de pacht lager wordt! Zij zal u niet als een last drukken voortaan! Gij moet vroolijk en welgemoed uw werk kunnen doen als erfpachter, en, evenals uw voorvaderen, als vrije, fiere mannen hier den ouden grond bebouwen!”
„O, Lord Lister,” sprak de pachter met vochtige oogen, „als gij dat zoudt kunnen bewerken! Dan zou ik u zegenen en mijn kinderen en kindskinderen na mij!
„Wat wij volgens recht en billijkheid verschuldigd zijn, willen wij graag betalen! De pacht echter, die uw oom ons heeft opgelegd, is veel te hoog en maakt ons, pachters, allen tot bedelaars!”
„Dit zal geregeld worden, Mac Karthy, ik geef u mijn woord erop! Ik zal met mijn dierbaren oom spreken! Maar vertel mij eerst eens, hoe hoog het door u verschuldigde bedrag is.”
De pachter zweeg een oogenblik.
„Hij heeft ons allen opgeslagen en ik moet nu 450 pond opbrengen!” antwoordde hij op zachten toon.
„Maar hebt gij dat kunnen aannemen, gij en de andere pachters? Dat hadt ge u niet moeten laten welgevallen! Dat is immers belachelijk, zoo’n hoog bedrag voor uw kleine hoeve! Neem mij niet kwalijk, Mac Karthy, maar dat was een groote dwaasheid!
„Gij hadt er u met alle kracht tegen moeten verzetten. Hij had er ook niet het recht toe, u zulke hooge lasten op te leggen, want alles staat officieel beschreven in het archief van het kasteel Canaroon!
„Nu, ik zal de zaak weer voor u opknappen!
„Rijd jij weer vooruit, Fred! Ik kan je nog geen rust gunnen. Kijk eens, of het oude dienstpersoneel nog in het kasteel is. Fluister den ouden getrouwen een enkel woord van mij in het oor, onderzoek, of ik ongemerkt in het archief kan komen en laat de deur voor mij open. Ik zou graag onverwacht willen verschijnen.
„Je kunt je paard, evenals ik het zal doen, in den ouden stal links van het park brengen, want wij zullen de dieren misschien noodig hebben, als wij heelhuids uit Canaroon willen vertrekken!”
Fred knikte zielsvergenoegd en vol zelfbewustzijn. Hij was er trotsch op, zijn heer te mogen helpen en deze opdracht leek hem eenvoudig kinderspel.
Hij zat reeds weer op zijn bruinen hengst en reed weg.
De Lord nam zijn portefeuille en stelde Mac Karthy 100 biljetten van vijf pond ter hand.
„Laat je behoorlijk kwitantie geven! Of misschien is het nog beter, als Mary het bezorgt. Span je kleinen wagen in, Mac, breng haar naar het kasteel en wacht buiten tot zij terugkomt met de kwitantie!
„Duld echter geen enkele onbeschaamdheid, Mary! Geneer je niet tegenover den ouden vrek! Beroep je op de erfpachtspapieren, die in het archief berusten en eisch op beslisten toon, dat de pacht weer verlaagd wordt. Gij zult u uw goede recht toch niet laten ontnemen!”
„O, mijnheer, hoe kan ik u ooit genoeg danken! Ja, nu ziet de zaak er anders uit! Ik geloof ook, dat Mary de zaak beter kan afdoen dan ik. Zij heeft haar mond op de rechte plaats!
„Misschien ook zou ik buiten mij zelf zijn van woede als ik tegenover den ouden woekeraar stond en als ik er aan dacht, hoeveel leed hij ons berokkend heeft. En ik ben er zeker van, dat hij u op gemeene wijze uw erfenis ontstolen heeft!”
Lord Lister glimlachte over den woordenvloed van den braven pachter, die anders weinig spraakzaam was.
„Dus flink erop los! Er is haast bij de zaak! Neem het geld, Mary, kleed je aan en spoed u dan naar het kasteel, waar gij moet doen wat ik u heb gezegd.”
Bij die woorden nam hij de teugels, die Mac Karthy om een boom had gebonden, weer op, sprong in het zadel en reed met een vriendelijken groet in snellen draf naar het oude kasteel zijner vaderen.
Spoedig had hij den ouden witten muur bereikt, die het reusachtige park rondom het slot omgaf en hij wendde zich naar den paardenstal, waar hij Fred’s bruintje reeds zag staan. Hij bracht zijn paard ook daarheen, nam een tamelijk omvangrijk pakje uit zijn zadeltasch en keek met scherpen blik om zich heen, of niemand in de buurt was.
Nadat hij zich had vergewist dat hij niet bespied werd, haalde hij een zwartzijden masker te voorschijn en bevestigde dit voor zijn gelaat. Hij drukte zijn zachten sporthoed diep over het voorhoofd en sloop behendig het door Fred opengelaten parkhek binnen.
Hier sloeg hij een door struikgewas, slingerplanten en onkruid bedekt, blijkbaar niet meer in gebruik zijnd pad in. Het was buitengewoon moeilijk zich hier een weg te banen.
Maar de jonge Lord kende hier elk plekje uit zijn gelukkige kinderjaren en was zelfs verheugd te bemerken, dat blijkbaar niemand in langen tijd zijn voet hier had gezet.
VIJFDE HOOFDSTUK.
HET PRAALGRAF VAN DEN ONDERKONING
Bij een kromming van het pad verhieven zich voor hem twee grillig gevormde Indische zuilen, die echter bijna geheel verborgen waren onder mos, klimop en reusachtige varenplanten. Tusschen deze zuilen bevond zich een roestige ijzeren deur.
Lord Lister keek oplettend om zich heen. Maar het struikgewas en de natuurlijke wildernis van dit parkgedeelte beschutte hem volkomen voor ongewenschte blikken.
Hij haalde een prachtigen stalen breekbeitel uit zijn zak te voorschijn en na weinig moeite reeds kraakte het verroeste slot. Lord Lister was op alles voorbereid. Hij nam nu een oliespuitje uit een zijner zakken en smeerde hiermede zoowel het oude slot als de hengsels.
De deur ging nu geruischloos open en diepe duisternis gaapte hem aan.
De Lord sloot de deur weer achter zich en stak een kaars aan. Daarop daalde hij kalm de trap af, die voor hem lag.
Ongeveer twintig treden brachten hem in een phantastische Indische zaal, waarin aan weerszijden in donkerroode steenen nissen een Indische doodkist stond.
In het midden van de zaal bevond zich een rustbed, waarachter op een marmeren zuil een glimlachend, welgedaan Boeddhabeeld was geplaatst.
Aan dezen grafkelder was in de familiekroniek der Listers een geschiedenis verbonden, die bevestigd werd door de opschriften op de doodkisten.
Een Lord Lister, die in Indië was geweest, om daar zaken te doen voor de Oost-Indische Compagnie en daar den rang van vice-koning had bekleed, was gehuwd met een ongehoord rijke Indische prinses, welke hij, nadat hij zijn betrekking had neergelegd, had medegenomen naar zijn kasteel in Engeland.
Toen hij korten tijd daarna tengevolge van de klimaatsverandering stierf, was zijn echtgenoote ontroostbaar.
Zij liet, om steeds met haar man vereenigd te blijven, den onderaardschen grafkelder bouwen in het park.
Een geheime gang leidde van uit haar vertrekken in het kasteel naar het graf gewelf, zoodat zij, als zij het graf van haar echtgenoot wilde bezoeken, haar weg niet door het park behoefde te nemen.
Men noemde dezen grafkelder algemeen in het kasteel en in de naaste omgeving daarvan „Het praalgraf van den onderkoning.”
Lord Lister legde zijn pakje op het gouden rustbed en opende het.
„Mijn dappere voorvader zal het mij, denk ik, evenmin als de prinses, kwalijk nemen, dat ik mij hier ga verkleeden.”
Hij ontstak een nieuwe kaars, nam een opvouwbaren spiegel uit het pak en begon zijn gelaat met allerlei stiften te bewerken als de volleerdste acteur.
Al spoedig had het een bruinachtige tint gekregen en tevens door het aanbrengen van bijzondere schaduwen en donkere omranding der oogen een vrouwelijke uitdrukking.
Uit het meegebrachte pakket nam hij verder een prachtig geborduurd, zijden gewaad in schrille kleuren. Nadat hij zijn rok had uitgetrokken, hulde hij zich in het zijden gewaad.
Hij bevestigde een breeden gouden armband om een zijner polsen en schoof ringen met schitterende steenen aan zijn vingers.
Daarop nam hij een pruik van pikzwarte krullen, bevestigde die op zijn hoofd en versierde de zwarte haren met een zijden band.