Lord Lister No. 0002: De straf van den juweelenvervalscher

Part 2

Chapter 23,971 wordsPublic domain

Hij verslond als het ware zijn ontbijt, waaraan hij anders wel den noodigen tijd besteedde en holde toen naar de Bank.

Daar kwam hij tot de vreeselijke ontdekking, dat hij de chêque onder zijn hoofdkussen had laten liggen.

Met een zwaren vloek riep hij een cab en reed naar huis terug.

Doch de chêque was verdwenen.

Met een nieuwen vloek riep hij het dienstmeisje en eischte van haar de chêque.

De dienstbode, een brave Iersche vrouw, die eerst sinds enkele weken in Londen woonde, keek haar meester aan met onnoozel gelaat.

„Ik moet mijn chêque hebben!” schreeuwde Collgate, „mijn chêque van achttienduizend pond! Waar is die? Waar hebt ge haar gelaten? Geef mij dadelijk het papier!”

Hij schudde de vrouw bij haar arm, totdat deze, een groote, flinke vrouw, hem terugstiet.

„Wel allemenschen! Ik weet niet, wat meneer bedoelt! Ik heb niks gezien! Niemendal hoor! Dan moet ge Tom maar vragen, die was nog eerder dan ik in de slaapkamer!”

„Je liegt!” brulde de juwelier, „je liegt alles! Jij hebt de chêque gestolen! Geef haar dadelijk terug of ik roep de politie!”

Hij trok de dekens van het bed en tilde de kussens op, maar met een van woede vuurrood gelaat keek hij op het leege laken!

Van een chêque was niets te zien.

„Waar is Tom? Breng den kerel dadelijk hier.”

De Iersche verdween en Collgate hoorde, hoe zij den neger riep.

Ook deze was eerst sinds enkele maanden in dienst van den juwelier.

Geen enkele dienstmeid of huisknecht hield het lang bij hem uit, daar hij iederen ondergeschikte op hondsche manier behandelde.

De Iersche vrouw kwam een poosje later terug.

„Tom is voor een paar minuten uitgegaan, meneer!”

Een oogenblik stond Collgate als vastgenageld.

Toen begon hij de dienstbode opnieuw door elkaar. te rammelen.

„Jelui vervloekt tuig! Je speelt onder één hoedje! Maar wacht maar! Ik zal jelui! Beken onmiddellijk, dat je met Tom samen de chêque hebt gestolen!”

Hij had de dienstmeid bij de keel gegrepen en drukte haar de ademhalingsorganen bijna dicht.

Maar dat was de Iersche toch te veel.

Zij gaf haar meester een trap in den buik en sloeg hem stevig in het gelaat, zoodat hij een heel eind achteruit vloog.

„Jij ouwe schooier!” riep ze uit, „ik zal jou eens wijzen, hoe je menschen moet behandelen! En nu ga ik dadelijk heen! Ik blijf geen minuut langer in je dienst!”

Voordat zij de deur bereikt had, was de juwelier alweer op de been.

Hij rukte een venster open dat op straat uitkwam en schreeuwde met luider stem:

„Help! Moordenaars! Dieven!”

In een paar seconden was de heele straat in oproer.

Tramwagens moesten stoppen, omdat een groote menschenmenigte zich voor het huis van den juwelier had verzameld.

Politie snelde toe van alle kanten.

Het was een grenzenlooze verwarring, maar eindelijk toch gelukte het den politiemannen, eenige orde te brengen in die grenzenlooze verwarring en toen zij de woning van Collgate waren binnengedrongen, hoorden zij al spoedig, wat er gebeurd was.

Zij gaven den juwelier den raad, terstond naar de Bank te telephoneeren, dat de chêque niet uitbetaald moest worden, als hij door een ander werd gepresenteerd.

„Juist”, steunde Collgate, „daaraan heb ik heelemaal niet gedacht!”

Hij vloog naar de telephoon en schelde de Bank op.

Het korte antwoord luidde: „All right, Sir!”

Een der politiemannen sprak toen:

„Ik verzoek u thans, mister Collgate, om met mij mede te gaan naar Scotland Yard en daar het signalement van den verdwenen neger op te geven.”

„Heel goed!” hijgde de juwelier, „de kerel moet aan den galg!”

Hij reed met een der politiemannen naar Scotland Yard en werd daar toegelaten bij inspecteur Baxter.

De inspecteur der recherche trommelde zenuwachtig met zijn vingers op zijn schrijftafel en luisterde slechts met een half oor naar het verhaal, dat Collgate hem deed.

Zijn gedachten hielden zich onophoudelijk bezig met de vervolging van Raffles en toen de juwelier het heele verhaal had verteld, wist de politie-inspecteur alleen, dat de bezoeker door een neger Tom bestolen was.

„Waar is die neger?” vroeg hij plotseling?

De juwelier keek hem met verbaasd gelaat aan.

„Waar de neger is? Ja, als ik dàt wist, was ik niet hier gekomen! Ik hoop dat gij den kerel spoedig zult vangen!”

„Ge kunt wel heen gaan, uw zaak zal onderzocht worden,” sprak Baxter.

Geheel gebroken kwam Collgate in zijn huis terug, waar Bertram hem tegemoet trad om hem over het gebeurde zijn leedwezen te betuigen.

„Zwijg!” bulderde hem de juwelier toe, „gij zijt de schuld van alles!”

„Ik?” vroeg de bediende op gekrenkten toon, „hoedat, mister Collgate?”

„Hoe dat?” snauwde de chef, „vraagt ge dat nog? Weet ge dat niet? Ik heb u veel te hoog aangeslagen! Gij zijt te dom om voor den duivel te dansen!—gij zijt”— —de juwelier hapte naar adem.

Hij was door opwinding heelemaal blauw in het gelaat geworden.

„Ik verzoek u om opheldering, mister Collgate”, stoof nu Bertram op. „Dergelijke beleedigingen verdraag ik niet en ik zal u aanklagen!”

Collgate lachte woedend.

„All right!” schreeuwde hij, „klaag mij maar aan! Misschien vind je wel ergens een rechter, die mij nog schuldig verklaart ook! Ezel dat je bent! Groote, groote ezel! Driedubbel overgehaalde stommerik! Ik herhaal het hier nogmaals, dat jij en jij alleen de schuld bent van alles. Van alles, versta je? Jij hebt mij op de gedachte gebracht, dat Raffles in het spel was! Jij hebt gezegd, dat die bankier uit Parijs mij misschien wel had bedrogen! Daardoor heb ik den heelen nacht niet geslapen! Daardoor ook heb ik de chêque vergeten mee te nemen. Begrijp je nu, waarom je een ezel bent?”

„Mister”, sprak de bediende nog eens en hij wist zich verbazend kalm te houden, „ik zal u het tegendeel door den rechter laten bewijzen!”

Daarop nam hij zijn hoed en verliet den winkel.

De juwelier hield het in zijn huis niet langer uit.

Hij vloog als een gek heen en weer en rende ten slotte weer naar de Bank om daar te vragen, of misschien al een chêque van 18,000 pond gepresenteerd was.

„No, Sir!” antwoordde de kassier.

Toen ging hij door de straten van Londen wandelen in de stille hoop, den gevluchten neger ergens te ontmoeten.

Even voordat de Bank werd gesloten, ging hij er nog eens vragen, of de chêque was aangeboden, en toen hem daarop wederom ontkennend werd geantwoord, ging hij naar Scotland Yard om bij den detective Marholm te informeeren, of men misschien al iets op het spoor was.

Marholm lachte hoonend.

„Neen, wij hebben nog niets. De chêque is trouwens volkomen waardeloos voor den neger, daar de Bank er hem geen penny op uitbetaalt!”

„Juist!” antwoordde Collgate, „maar voor mij is zij van de grootste waarde.”

„Laat dan dien kooper een nieuwe chêque uitschrijven,” meende de detective.

Collgate zuchtte diep.

„Dat is juist mijn grootste ongeluk,” verklaarde hij toen, „de man is vanmorgen afgereisd!”

„Wel, dan kan ik u misschien een middel aan de hand doen om de chêque terug te krijgen!”

„Spreek op—vlug! Ik ben u dankbaar voor iedere aanwijzing!”

„Het is nu vier uur,” sprak Marholm.

„Ge kunt in het Avondblad nog een advertentie plaatsen, dat ge den brenger van de gestolen chêque een belooning geeft van 500 pond sterling!”

Collgate wrong zijn handen.

„Mijn heele winst gaat naar de maan!” riep hij uit.

„Dunkt u niet, dat 200 pond voldoende is?”

„Wel mogelijk! Maar over het algemeen trekt een hooge belooning toch veel meer en levert het beste resultaat!”

Collgate dacht een oogenblik na.

Toen sprak hij:

„Ik zal uw raad opvolgen!”

Hij huurde een automobiel en reed de groote kranten af om daar inderhaast nog de advertentie op te geven.

Toen hij thuis kwam, was hij als gebroken.

De slaap kon hij echter ook dezen nacht niet vatten.

Hij overlegde bij zich zelven of hij maar niet liever het pakje zou openen, maar zijn schraapzucht weerhield hem.

Eindelijk, tegen den morgen, sliep hij in, het lucifersdoosje vast in de hand geklemd.

Eerst tegen den middag ontwaakte hij, daar het dienstpersoneel zijn huis verlaten had en niemand hem had gewekt.

Alleen de portier was nog op zijn post.

Toen deze bemerkte, dat Collgate was opgestaan, vertelde hij hem, dat een jongen op hem wachtte.

In boozen luim liet de juwelier hem boven komen.

„Waar kom je vandaan?” snauwde hij.

De jongen haalde twee papieren te voorschijn.

„Ik heb hier een chêque van 18,000 pond en een kwitantie van 500 pond. Tegen betaling van 500 pond zal ik u de chêque geven!”

De juwelier haalde verruimd adem.

Met bevende handen greep hij naar het papier, maar de jongen, die klaarblijkelijk goed was ingelicht, hield de chêque stevig vast en zei:

„Pardon Sir! ik mag u dit papier alléén geven, als ge mij 500 pond betaalt!”

„Maar ik moet het papier toch zien,” antwoordde Collgate, „ik moet er mij toch van overtuigen, dat dit de gestolen chêque is!”

„Dat kunt ge,” zei de jongen en hij liet hem het papier even zien.

Collgate keek er scherp naar.

Geen twijfel mogelijk!

Dat was zijn gestolen eigendom. Zonder verder overleg nam hij uit zijn portefeuille vijf banknoten van 100 pond en gaf ze den jongen, die hem papier, en kwitantie overhandigde en snel het huis verliet.

Een paar straten verder ging de jongen een volksherberg binnen, waar aan een tafeltje twee heeren zaten.

Hij ging naar hen toe, nam beleefd zijn pet af en gaf den oudste van het tweetal de vijfhonderd pond waarop deze de jongen tien pond als belooning overhandigde.

De jongen verdween en de heer, die het geld in ontvangst had genomen, sprak:

„Kom Charly, we gaan terug naar Brighton, je ziet, hoe goed het is, als men vroeg bij dag opstaat en de advertenties in de kranten leest. Ik heb dien Collgate nu een tweede chêque gestuurd, waarop hij evenveel geld kan halen als op de eerste.”

Lord Lister lachte, betaalde het ontbijt en verliet met Charly Brand de herberg.

In hetzelfde oogenblik rende Collgate naar de Bank om eindelijk de chêque te incasseeren.

De kassier nam het papier van den zenuwachtigen juwelier in ontvangst, las de onderteekening en gaf haar toen den juwelier terug.

Op kalmen toon sprak hij:

„Die chêque is niet goed!”

Collgate stond als versteend.

„Ge vergist u,” sprak hij, „ik ben de juwelier Collgate, de eigenaar van de gestolen chêque. Ge behoeft geen bezwaar te maken, mij het bedrag uit te betalen. Als ge het wenscht zal ik mij legitimeeren!”

„Ik zeg u nogmaals,” antwoordde de ambtenaar, „dat de chêque niet goed is.”

„Maar begrijp mij dan toch,” beweerde Collgate met klem, „de chêque, die mij ontstolen is, moet uitbetaald worden!”

„Ik betaal de chêque niet uit,” antwoordde de kassier.

Collgate werd ongeduldig.

Hij begon te schelden zoodat de kassier het luikje voor zijn neus dichtgooide.

„Ik zal naar detective Marholm gaan,” bedacht Collgate, „en hem vragen mee te gaan, opdat hij mij kan legitimeeren.”

En hij vloog weer naar Scotland-Yard, waar hij, daar Marholm niet aanwezig was, naar inspecteur Baxter werd verwezen.

Nadat hij dezen verteld had, wat hij verlangde, verklaarde Baxter zich bereid, met den juwelier naar de Bank te gaan.

Een half uur later was het tweetal daar aangekomen.

Toen Baxter vertelde, waarvoor zij gekomen waren en hij zich door zijn ambtspenning had gelegitimeerd, herhaalde de kassier nogmaals met een ironisch lachje:

„Die chêque deugt niet!”

„De duivel kan je halen voor mijn part! Ik moet dat geld hebben!” schreeuwde Collgate woest.

Onverschillig haalde de kassier de schouders op.

„Ik heb u nu al een dozijn malen verklaard, dat dat papier niet echt is. Wij hebben niet de eer, dien heer Durand te kennen.”

Collgate keek den ambtenaar geheel ontzet aan.

Een vreeselijke gedachte doorflitste zijn brein.

De adem stokte hem.

Zijn knieën beefden.

„Ik—ik—” stotterde hij, „ik heb 500 pond voor die chêque betaald!”

„Jammer van al dat geld,” beweerde Baxter, „die chêque schijnt dus niets waard te zijn.”

Het duizelde den juwelier voor de oogen. Hij kon Baxter nauwelijks meedeelen, hoe dien morgen een jongen hem de chêque had teruggebracht.

„Dan heeft de oplichter u een tweede poets gespeeld. Maak nu het lucifersdoosje eens open, waar de juweelen in moeten zitten.”

De juwelier deed dit.

Toen hij het papier had verwijderd en het doosje opende, om de kostbare steenen in zijn hand te schudden, viel daaruit niets dan een visitekaartje en wat kiezelsteentjes.

Met verglaasde oogen keek Collgate toen in het leege doosje en viel in zwijm.

Inspecteur Baxter raapte het visitekaartje op.

Nauwelijks echter had hij gelezen, wat er op stond of hij liet het weer op den grond vallen, alsof hij gloeiend vuur had beetgepakt.

Zijn gezicht werd bleek, het koude zweet parelde hem op het voorhoofd, hij bukte zich en raapte het kaartje weer op.

In hetzelfde oogenblik trad detective Marholm naar Baxter toe.

Hij zag, hoe bleek Baxter was.

„Hallo, inspecteur!” vroeg hij, „wat is er met u gebeurd? Hebt ge een spook te pakken?”

Baxter haalde eens diep adem.

Toen antwoordde hij:

„Yes Sir, zoo is het! En ik zou willen, dat het spook werd tot vleesch en bloed, want het is in staat, zooals ik je al meer gezegd heb, om mij in het gekkenhuis te brengen. Lees dit eens!”

Marholm nam het visitekaartje.

Er stond op:

„John C. Raffles.”

Verscheiden seconden bleef hij staren op dezen naam.

Toen reikte hij het kaartje den inspecteur en glimlachend sprak hij:

„Een duivelsche kerel! Hebt ge dat kaartje misschien per marconigraaf gekregen? Ik acht dien kerel namelijk tot alles in staat!”

„Neen”, antwoordde inspecteur Baxter, „het viel met een hoop kiezelsteenen uit dit lucifersdoosje, dat een aantal diamanten van den juwelier moest bevatten.”

Detective Marholm liet een zacht, spottend lachje hooren.

Hij kende de praktijken van juwelier Collgate en daarop zinspelend, antwoordde hij:

„Wie weet! Gij beweert, of beter gezegd, de juwelier doet het, dat hij in dit doosje de diamanten had gedaan, die hij den vreemdeling naar Parijs moest zenden! Gezien heeft hij dat natuurlijk maar alleen!

„Voor den duivel, inspecteur, het is niet onmogelijk, dat die Collgate de diamanten in zijn vestjeszak heeft gestoken en den vreemdeling de kiezelsteenen heeft willen overzenden!”

Baxter antwoordde:

„Jij houdt er altijd zoo je eigen beschouwingen op na, Marholm, maar laat nu voor alles een dokter roepen, die den juwelier kan bijstaan.”

Marholm verliet de kamer en kwam eenigen tijd later terug met een arts.

Onder diens hulp kwam Collgate al heel spoedig weer bij.

Toen hij eindelijk weer in zooverre genezen was, dat men met hem kon redeneeren, liet Baxter hem het visitekaartje zien.

„Ge hebt een heel beruchten klant in uw winkel gehad”, meende hij, „en ge moogt waarlijk van geluk spreken, dat hij u niet nog meer ontstolen heeft.

„De man, met wien ge te doen hebt gehad, is in staat, al uwe kostbaarheden op onverklaarbare wijze in zijn zakken te doen verdwijnen.”

Collgate meende, dat Baxter den draak met hem stak en ondanks zijn lichamelijke zwakte antwoordde hij op boozen, opgewonden toon:

„Houd uw grapjes voor u, mister Baxter, ik verzeker u, dat het tot nog toe geen enkelen gauwdief gelukt was, mij ook slechts voor een six-pence te bedriegen.”

Detective Marholm lachte en beweerde:

„Het was waarschijnlijk den gauwdieven de moeite niet waard, zaken met u te doen!”

Collgate wierp het hoofd in den nek met trotsch gebaar:

„Juist, mijnheer! Mijn helder doorzicht, is steeds allen boevenstreken de baas gebleven!”

„Kom, kom!” zei Marholm, „de gauwdieven houden er weer een heel andere beschouwing op na als u. Een paar maanden geleden vond ik bij een berucht persoon in Eastend een aanteekenboekje, waarin allerlei juweliers en bankiers stonden genoteerd in verband met nachtelijke bezoeken.

„Uw naam stond ook onder de firma’s, maar daarbij was een opmerking gemaakt, die ik niet zou gelooven, als een eerlijk, gewoon burger haar had gemaakt.

„De opmerking kwam echter van een mensch, die heel nauwkeurig informeert naar een firma als de uwe, als hij daarmee in eenige relatie wenscht te treden en daarom ben ik zoo vrij alles te gelooven wat ik daar destijds vernam.”

Juwelier Collgate keek detective Marholm aan met de woedende uitdrukking, die de snoet van een buldog heeft.

„Mag ik misschien ook weten”, snauwde hij den detective toe, „wat die schurk over mijn alom als solide bekend staande firma in zijn aanteekenboekje had geschreven?”

„Wel!!” lachte Marholm, „als ge er op gesteld zijt, het te hooren— —”

„Ja, ik wil het hooren!” schreeuwde Collgate, „ik zal dien ellendeling, als hij mij beleedigd heeft, voor den rechter brengen!”

„Dan moet ge nog een oogenblik wachten, de zegsman heeft voorloopig twaalf jaar tuchthuisstraf”, sprak Marholm doodkalm.

„Komt er niet op aan!” antwoordde Collgate, „al had hij ook dertien jaar,—als hij mij beleedigt, moet hij in de gevangenis!”

„Wie was het?” vroeg Baxter nu.

„Een Duitscher,” antwoordde de detective, „ge herinnert u misschien nog wel de inbraak in het Lyrictheater, drie maanden geleden. Toen arresteerde ik een inbreker, die uit Duitschland gevlucht was. Hij heette Wauer.”

„En wat zei die schurk, die gauwdief?” vroeg Collgate.

„In zijn aanteekenboek stond”, antwoordde Marholm: „Bij juwelier Collgate is het niet de moeite waard om in te breken, die verkoopt te veel bocht!”

De juwelier hapte naar lucht, dat was inderdaad teveel voor hem.

Hij kon niet razender worden dan als iemand het waagde, zijn eer als handelsman aan te tasten.

„Hel en duivel!” schreeuwde hij, „gelooft ge dan zoo’n tuchthuisboef? Mijnheer!—dat is een schandaal. Ik zou naar aanleiding van het gebeurde zelfs tegen u een aanklacht willen indienen. Alleen uw maatschappelijke positie redt u in dezen!”

Marholm haalde onverschillig de schouders op.

Daarna greep hij naar het visitekaartje en zei:

„Sta mij toe, dat ik u voorlees, wat u de u zoo goed bekende John C. Raffles oftewel lord Lister schrijft?”

„Gij hebt geen recht, visitekaartjes te lezen, die aan mij gericht zijn!” snauwde juwelier Collgate, „niet het minste recht hebt ge. Geef mij dat kaartje, het is mijn eigendom!”

„Voorloopig nog niet!” antwoordde de politiedienaar, „wij staan hier niet als particulieren tegenover elkaar, mister Collgate, dat moet ge toch inderdaad niet vergeten. Ik sta hier als beambte van Scotland Yard, die bezig is een misdaad op te sporen. En in dat verband, mister Collgate, heb ik het recht—en inspecteur Baxter zal het kunnen beamen—dat wij alle papieren en bewijsstukken in beslag nemen.

Als de zaak is afgehandeld, kunt ge uw bulletjes terug krijgen.

Maar luister nu, wat het bewuste visitekaartje behelst

Op de voorzijde staat gedrukt:

Lord Edward Lister. Londen. Regent-Park.

Daaronder staat met potlood het volgende geschreven:

„Mister Collgate!

Eenige jaren geleden hebt ge mij in plaats van diamanten, kiezelsteentjes verkocht. Het is mij thans een groot genoegen, u eens te herinneren aan den verkoop, die u destijds geen windeieren heeft gelegd.

Met bijzondere hoogachting.

John C. Raffles, alias Gaston Durand. bankier uit Parijs.”

Een zwarte sluier trok voor de oogen van den juwelier.

Met een zucht viel hij in een stoel neer en sloot de oogen.

„Ge weet mister Collgate,” begon Baxter, „dat deze Raffles vroeger een der voornaamste Engelsche aristocraten was en als zoodanig verwijt hij u thans, dat gij hem destijds kiezelsteenen voor diamanten hebt verkocht!”

Collgate steunde als iemand, die zwaar ziek is.

„Houd op met uw beleedigingen,” kreunde hij. „Het lijkt wel, of ik hier als beklaagde voor u zit. Zoek liever dien Raffles voor mij op”.

„Dat zal wel een heele tijd duren, voordat wij dien gevonden hebben. Maar weet ge wel zeker, mijnheer Collgate, dat ge ditmaal inderdaad echte waar hebt verkocht?”

„Maar mijnheer!” stoof de juwelier op.

„Houd u kalm. Uit dit briefje blijkt toch, dat ge bijzondere voorliefde koestert voor kiezelsteentjes en het zou niet onmogelijk zijn, dat ge u ook dit keer weer vergist hebt.”

De juwelier hijgde van woede.

Het allerliefst zou hij den inspecteur met een vuistslag hebben neergeveld.

Hij begon:

„Ik—ik—heb ditmaal inderdaad steenen gegeven van het zuiverste water.”

„Dus destijds hebt ge inderdaad Lord Lister bedrogen?”

Collgate werd bleek van schrik.

Hij zag wel, dat hij een groote fout had begaan en wist niet, wat hij moest antwoorden.

„Laat mij met rust! Ik wou maar dat ik met de heele zaak niets meer te maken had.”

„Dat wil ik graag gelooven,” lachte detective Marholm.

Toen zonk de juwelier opnieuw als gebroken op den stoel neder en hij sloot de oogen met een vermoeid gebaar.

„Laat den man nu met rust,” sprak Baxter, „en ga op je post, Marholm!”

„Heel goed, inspecteur,” antwoordde de detective en met een korten groet verliet hij de kamer.

Toen hij weg was, ging Baxter naar den juwelier toe en sprak:

„Maak u maar niet bezorgd, Mr Collgate, het zal voor u misschien zoo’n vaart nog niet loopen!”

Collgate stond op en drukte den inspecteur dankbaar de handen.

„Ik dank u voor die woorden,” sprak hij op huilerigen toon, „ik dank u. En als ik u van dienst kan zijn, dan ben ik daartoe gaarne bereid. Zijt gij getrouwd? Kom dan eens bij mij en zoek een mooie diamanten broche voor uw vrouw uit. Ik verzeker u, dat ge prima kwaliteit zult krijgen en ge zult mij het genoegen toch wel aan doen zoo’n klein geschenkje van mij aan te nemen.”

Nogmaals drukte de juwelier den inspecteur dankbaar geroerd de handen, toen plotseling een woest geschreeuw werd vernomen voor de deur der kamer, waarin het tweetal zich bevond.

Baxter rukte de deur open, om te zien wat er gebeurde en zag dat detective Marholm en een agent van politie alle moeite hadden om een neger terug te houden.

„Blijf staan!” beval Marholm, „of ik schiet.”

„Collgate herkende terstond zijn ontvluchten huisknecht.

„Wij hebben Raffles!” riep de agent uit.

„Praat toch niet zoo’n onzin”, schreeuwde Marholm terug, „sta stil, neger!”

Hij trachtte den zwarten kerel de handboeien aan te doen.

In dat oogenblik vloog de juwelier op den neger af om hem bij de keel te grijpen en te slaan.

Daardoor trok hij Marholm achteruit; de neger kwam vrij en diende zijn vroegeren meester zoo’n vuistslag toe in het gelaat, dat deze achterover op den grond tolde en den detective in zijn val meesleepte.

Door deze verwarring gelukte het den neger de straat op te vluchten.

Marholm vloekte nu op Collgate.

Deze schold op den detective.

’t Was een vreeselijke verwarring.

Ook op straat was men opmerkzaam geworden, toen de zwarte kerel daar met heidensch lawaai en groot gebrul kwam aanstuiven en aan den overkant der straat, voor het venster van een groot café, zaten twee heeren aandachtig te kijken naar het relletje.

’t Waren lord Lister en Charly Brand.

Het tweetal zat daar doodkalm aan een tafeltje en hadden juist allersmakelijkst gedineerd.

Met de grootste belangstelling volgde lord Lister alles, wat daar op straat geschiedde.

De nabijheid van het gevaar had voor hem iets bekorends, iets prikkelends.

Maar Charly Brand was niet zoo kalm.

Van zenuwachtigheid draaide hij op zijn stoel heen en weer.

Het liefst was hij nu mijlen ver van deze plek verwijderd geweest.

„Laat ons gaan,” smeekte hij zijn vriend.

„Waarom?” vroeg deze, „het is immers hetzelfde, of we hier zijn of ergens anders. Een schuilplaats kan den vluchteling niet redden, wel koelbloedigheid!”

„Maar het wemelt hier van detectives”.

„Des te beter! Hoe meer er bij elkaar zijn, hoe meer de een het werk overlaat aan den ander, hoe minder vinden zij dengeen, dien zij zoeken. Dat is practische ondervinding van mij. De heeren denken ons nu heel ergens anders. En maak mij nu alsjeblieft niet zenuwachtig!”

Charly Brand keek lord Lister vol bewondering aan.

John Raffles scheen zijn kalmte geen oogenblik te verliezen.

Maar Charly keek met angstige oogen naar al de herrie op straat en naar den vluchtenden neger.

Plotseling zei Lister.

„Kijk eens, Charly, daar op straat, daar heb je onzen vriend Baxter en juwelier Collgate.”

Charly Brand keek naar buiten.

Ook hij zag de bedoelde heeren.