Lord Lister No. 0002: De straf van den juweelenvervalscher

Part 1

Chapter 13,944 wordsPublic domain

LORD LISTER GENAAMD RAFFLES DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 2 DE STRAF VAN DEN JUWEELENVERVALSCHER.

DE STRAF VAN DEN JUWEELENVERVALSCHER.

EERSTE HOOFDSTUK.

DE BEDRIEGER BEDROGEN.

Voor hotel Cecil te Londen hield een rijtuig stil en terstond was de portier bij de hand om een tweetal elegante heeren bij het uitstappen de behulpzame hand te bieden.

Een van beiden, die een zwart puntbaardje droeg, vroeg in het Engelsch, dat terstond den Franschman verried, hoe laat het was.

De portier haalde zijn horloge te voorschijn.

„’t Is kwart voor zes,” antwoordde hij.

De vreemdeling had ook zijn horloge voor den dag gehaald:

„Ik begrijp u niet! Spreek alstublieft Fransch!”

„Zooals ge verkiest,” sprak de portier en hij herhaalde in deze taal de tijdsopgaaf.

De vreemde knikte, gaf den portier een franc en verdween met zijn begeleider in de vestibule, waar hij, alweer in slecht Engelsch, naar den prijs der kamer vroeg.

Ook thans kon Raffles zich slechts moeilijk verstaanbaar maken, totdat eindelijk een der hotelbeambten, die de Fransche taal uitstekend machtig was, zich met den lord kon onderhouden.

Hij nam drie kamers op de eerste verdieping voor zich en zijn geleider en in het vreemdelingenboek schreef hij:

Gaston Durand, bankier uit Parijs en zijn secretaris Henry Ricold.

De heeren gingen naar hun kamer en toen zij alleen waren, snelde die met den zwarten baard naar de deur en deed deze op de grendels.

Daarna luisterde hij aan de muren, opende de kasten en keek uit het venster, als om zich ervan te overtuigen, dat alles veilig was.

Hij zag, dat zijn kamers uitkeken op den Theems.

„Kom eens hier, Charly, kijk eens, wat een prachtig uitzicht. Het lijkt wel of de hotelier dat voor Raffles heeft uitgezocht!”

„Pst!” meende de ander, „spreek den naam Raffles niet uit, ik vermoed dat de politie jacht op ons maakt.”

De zwartbaardige stak een sigaret op en keek zijn vriend aan.

„Maak je maar niet bang, wij zijn zoo veilig als ’t maar kan. Iedereen houdt ons voor echte Fransozen. En dan, Charly, je moet je er toch heusch aan wennen om over Raffles te spreken als over een onbekend, maar hoogst interessant persoon. Jij ziet de menschen voor veel te snugger aan en denkt dat iedereen in mij terstond Raffles herkent. Daarin vergist je je geweldig! Ik zal je zoo gauw mogelijk overtuigen van je dwaling, als wij eens in dezelfde tram zitten met onzen vriend Baxter, den inspecteur van recherche van Scotland-Yard”.

„Om ’s hemelswil, doe het niet, kerel!”

„Ik doe het zeker! Jij moet je zenuwen wat meer stalen, Charly, ze zijn zulke uitstekende wapens in ons bedrijf!”

Lord Lister zweeg.

Hij nam een nieuwe sigaret, stak deze op en lachte toen eensklaps heel luid.

„Ik zou het gezicht van den inspecteur wel eens hebben willen zien,” barstte hij los, „toen hij het telegram openmaakte dat ik hem van Victoria-Station stuurde.”

Charly Brand keek angstig naar de deur en luisterde.

„Wat doe je?” vroeg lord Lister.

„Ik ben zenuwachtig! Erg zenuwachtig. Jij praat zoo ongedwongen, alsof je in je villa in Regent-Park zat. De muren konden hier wel eens ooren hebben!”

„Best mogelijk! Maar ik geloof toch, dat je volkomen gerust kunt zijn. Ik zei je toch al, dat het geheele hotelpersoneel ons voor Franschen houdt. Vóórdat wij uitgaan, wil ik eerst nog eens onze valsche baarden inspecteeren om te zien, of alles inderdaad goed in orde is.”

Lord Lister voegde de daad bij het woord.

Hij keek bij zijn vriend met de grootste nauwgezetheid na, of Charly’s valsche baard geen achterdocht kon wekken en onderzocht dat toen bij zich zelf.

Daarna sprak hij:

„Kom, wij zullen er eens op uit gaan. Ik voel er veel voor om onze portemonnaie wat te stijven en daarvoor den bekenden juwelier Collgate in Holborn-Street eens uit te noodigen tot een onderzoek. De kerel heeft mij eenige jaren geleden voor verscheidene honderden ponden sterling bedrogen door mij valsche diamanten te verkoopen.”

Charly Brand trok een verwonderd gezicht. Hij wist dat lord Lister in den laatsten tijd heel wat geldsommen had geschonken aan liefdadige instellingen en dat hij zelf nauwelijks eenige ponden rijk was.

„Als ik je goed begrijp,” zei de secretaris, „dan ben je van plan juweelen te koopen. Maar waarvan zou je die willen betalen?”

Lord Lister lachte eens vroolijk.

Toen knipte hij met een vingerbeweging de asch van zijn sigaret en zei:

„Beste jongen, ik heb je nooit tot mijn raadgever benoemd, maar ik heb je alleen bij mij genomen, omdat een eenzelvig leven zoo leeg en vervelend is.

„Je kunt het dus gerust aan mij overlaten op welke manier ik de zaakjes met dezen juwelier zal opknappen. En daar ik er de man niet naar ben, de zaak op de lange baan te schuiven, zal ’k hem vandaag nog bezoeken.”

Raffles zag, hoe Charly het hoofd schudde.

„Laat ons gaan,” sprak hij op koelen toon en met Charly verliet hij de hotelkamer.

Beneden vroeg hij in het Fransch, of er ook brieven voor hem gekomen waren. Hij noemde den door hem aangenomen Franschen naam en de nummers van zijn kamers.

De beambte keek de aangekomen brieven na en overhandigde lord Lister toen eenige op het adres waarvan diens aangenomen naam „Durand” stond.

Toen zij het hotel verlaten hadden en in een cab hadden plaats genomen, die hen naar Holborn-Street zou brengen, naar de zaak van den juwelier Collgate, zei Charly Brand:

„Ik ben benieuwd te weten, van wie je die brieven hebt ontvangen. Twee uur geleden was je het nog niet met jezelf eens, welken naam je zoudt aannemen en nu heb je al brieven ontvangen.”

De lord lachte.

„Charly, leer het je toch af, zooveel onnoodige dingen te vragen en neem de dingen, die op mij betrekking hebben, zooals ze zijn.

„Hier zijn de brieven. Wat erin staat, kan ons geen van beiden belang inboezemen, want het zijn slechts onbeschreven bladen.”

Charly Brand keek ten hoogste verbaasd.

„Onbeschreven bladen? Hoe weet je dat? Kun je door de enveloppes heen zien?”

„Dat niet! Maar ik zal toch wel weten, wat ik zelf geschreven heb?”

Charly keek nog verbaasder.

„Wat je zelf geschreven hebt? Wat bedoel je daar nu eigenlijk mee, Edward?”

„Héél eenvoudig”, luidde het antwoord, „ik heb de brieven aan mijzelven geadresseerd om daardoor hier in het hotel eenig vertrouwen te wekken. Geloof maar gerust, dat de hotelhouder en ook de andere lui er al op durven zweren, dat ik niemand anders ben dan de bankier Durand uit Parijs. Zie je deze brieven?”

Hij haalde een enveloppe te voorschijn.

Daarop vervolgde hij:

„Het zijn allemaal enveloppen van firma’s, die wij gisteren bezocht hebben. Ik beweerde toen, dat ik heel dringend een brief moest versturen en vroeg daarom enveloppen. Dezen zoogenaamd dringenden brief adresseerde ik naar mijzelven onder den naam Durand. De gérant van het hotel, de portier en de overige beambten verkeeren nu natuurlijk in de stellige meening, dat ik bij al deze firma’s ook bekend ben onder den naam Durand. Ik moet aan alle kanten op mijn hoede zijn, Charly, dat hoort nu eenmaal bij mijn baantje: Als ik niet oppas, dat geen sterveling vat op mij kan krijgen, zou inspecteur Baxter mij al heel gauw kunnen knippen, vat je?”

De cab hield voor de zaak van den juwelier Collgate stil en de beide heeren gingen den winkel binnen.

Lord Lister had weer alle moeite met zijn gebroken Engelsch, totdat de heeren Fransch met hem gingen spreken.

De vreemdeling verlangde ingezette diamanten van het zuiverste water. Verder vroeg hij parelen, die bij de diamanten pasten, opdat daarvan een sierlijke collier vervaardigd zou kunnen worden.

De eigenaar van de zaak, juwelier Collgate, een oude, verschrompelde diamantenhandelaar, met wien zelfs zijn collega’s niet gaarne zaken deden, omdat hij zoo meesterlijk valsche steenen kon vervaardigen, kwam uit zijn kantoor om de vreemden persoonlijk te helpen. Hij gaf zijn bedienden een geheim teeken, daardoor te kennen gevend, dat hij de bezoekers voor gauwdieven hield en dat zijn ondergeschikten dus een oogje in het zeil moesten houden.

Hij liet een groote ijzeren cassette uit zijn kantoor halen, en toen hij deze opende, schitterden in de kleine hokjes de prachtigste steenen.

Met een eigenaardig gevormd stalen pincet nam hij een steen en klemde deze zoodanig met een paar fijne stalen schroeven vast, dat het kostbare kleinood onmogelijk losgerukt kon worden.

Daarop reikte hij het pincet aan lord Lister.

Deze bekeek den diamant, toonde hem Charly Brand en verklaarde in het Fransch, dat de steen goed van grootte was en dat hij hem wilde koopen.

„Ge geeft mij zeker voor ieder stuk eenige garantie,” voegde hij erbij.

Juwelier Collgate vertrok zijn gelaat en antwoordde:

„Ik maak er u opmerkzaam op, dat ik een van de meest geachte juweelenhandelaars van Engeland ben; ik koop mijn steenen alleen uit de Debeers-mijn en nooit van eenig tusschenpersoon. Mijn firma verkoopt alleen correcte waar.”

Bij deze woorden had hij een nieuwen brillant in het pincet geklemd, een meesterlijk nagebootsten, valschen diamant, die zoo handig was vervaardigd, dat bijna geen sterveling de onechtheid er van ontdekte.

Op deze manier bedroog de juwelier jaarlijks honderden vreemdelingen.

Lord Lister had eenige jaren geleden een stel diamanten bij hem gekocht en was eenige dagen later tot de ontdekking gekomen, dat deze allen valsch waren.

Hij had toen getracht, den juwelier tot schadevergoeding te dwingen, maar de aanklacht was op niets uitgeloopen.

En nu wilde John Raffles zich wreken.

Juwelier Collgate herkende in den Franschman zijn vroegeren klant niet terug.

Lord Lister deed, alsof hij niets verdachts bespeurde en met groote onverschilligheid zocht hij een dozijn steenen uit. Hij was er van overtuigd, dat hieronder verscheiden valsche waren.

Nadat de lord de diamanten had uitgezocht, liet hij zich parelen voorleggen, een artikel, waarin de juwelier ook meesterlijk vervalschingen wist te vervaardigen.

De klant zocht ongeveer twintig parelen uit en sprak toen:

„Ge wilt zeker wel zoo vriendelijk zijn, mij hedenavond de juweelen naar Hotel Cecil te laten brengen. Vraag daar naar bankier Gaston Durand uit Parijs, ik zal dan tegelijkertijd de rekening voldoen.”

Juwelier Collgate boog hoffelijk en wisselde tegelijkertijd een blik van verstandhouding met zijn bediende.

Persoonlijk bracht hij de Franschen tot de deur, schijnbaar uit wellevendheid, inderdaad echter, omdat de vreemdelingen hem wantrouwen inboezemden.

De diamanten-vervalscher was steeds op zijn hoede en vertrouwde ten slotte geen sterveling.

Toen lord Lister het magazijn had verloten, zei de juwelier:

„Dat is een heel voornaam persoon of een oplichter, zoo groot, als ik nog nooit in mijn leven heb gezien.

„Enfin, als hij maar betaalt, is het mij volkomen hetzelfde wie en wat hij is!”

Hij onderzocht daarop nog eens alle parelen en diamanten om te zien, of de kooper misschien een paar daarvan had omgeruild, maar hij kwam tot de geruststellende ontdekking, dat dit niet het geval was.

„Ik geloof, mister Collgate”, zei de eerste bediende, „dat het zelfs den knappen Raffles niet zou gelukken, u te bedriegen of te bestelen.”

De juwelier lachte gevleid.

Hij was lang niet onverschillig voor vriendelijke woorden en vleitaal.

Daarop sprak hij:

„Ge moet met mij meegaan naar hotel Cecil, mister Bertram.”

Het was een groote onderscheiding van den juwelier als hij een bediende mee nam bij belangrijke zaken.

Lord Lister had gevraagd om de juweelen nog dienzelfden avond naar het hotel te brengen.

De juwelier zag in deze bestelling alweer een oplichtersstreek en toen hij met zijn bediende op weg was, gaf hij deze nog allerlei aanwijzingen om toch vooral voorzichtig te zijn.

Toen zij in het hotel kwamen en naar bankier Durand vroegen, bracht de hoteljongen hen in een conversatiezaal op het terras van het hotel.

Daar zaten aan een kleine tafel lord Lister en Charly Brand.

Met de voorname, onverschillige rust van een hooggeplaatst personage, ontving lord Lister het bezoek en noodigde hen uit plaats te nemen.

Raffles dronk op zijn dooie gemak zijn thee, alsof de hele persoon van Collgate hem niets aanging en diens meening, dat hij hier met een oplichter te doen had, begon nu wel een beetje te wankelen.

Eindelijk, nadat de kellner alles had weggeruimd en een doos sigaretten op tafel had gezet, beduidde de zoogenaamde bankier den juwelier en diens bediende wat nader te komen.

„Mag ik de steenen en de parelen nog eens zien?” vroeg hij, „ik wil mij ervan overtuigen, dat het nog dezelfde zijn als die ik in uw zaak gezien heb.”

Collgate trok zijn gelaat in een onwilligen plooi.

Het wantrouwen van den vreemdeling mishaagde hem.

„Pardon, mijnheer,” begon hij op hoogen toon, „ge hebt te doen met een persoon van hoog aanzien. Mijn naam alleen staat u er borg voor, dat hier geen minderwaardige steenen in het spel zijn!”

Hij zag niet het ironische lachje op Raffles gelaat.

Deze antwoordde:

„Best mogelijk! Maar ik sta op het standpunt, dat er in de wereld meer oplichters zijn dan eerlijke personen en dat ik eerst moet ondervinden of zakenmenschen te vertrouwen zijn, zonder af te gaan op woorden of aanbevelingen.”

De juwelier keek zijn bediende aan.

Deze haalde de schouders op en wist niet, welken raad hij zijn chef moest geven.

Collgate verkeerde in hevigen tweestrijd.

Zou hij dezen man vertrouwen of wantrouwen?

Ten slotte toch opende hij de juweelenkist en nam er een steen uit, dien hij lord Lister overhandigde.

Deze haalde een loupe uit zijn vestzak en onderzocht, schijnbaar met groote kennis van zaken, den steen.

Hij gaf den diamant weer aan den juwelier terug en deze reikte hem zijn bediende.

Op deze manier onderzocht lord Lister alle steenen en hij bemerkte, hoe scherp hij daarbij werd gadegeslagen door Collgate en diens bediende.

Een ironisch lachje vertrok zijn mondhoeken.

Toen hij den laatsten steen in de hand nam, bekeek bij dien lang en aandachtig.

Verscheiden seconden later sprak hij:

„Dit stuk weiger ik, mister Collgate; de steen is valsch!”

De juwelier werd verlegen.

Hij had gehoopt, dezen valschen diamant zonder moeite aan den vreemdeling te kunnen verkoopen.

„Onmogelijk!” stotterde hij, „ge vergist u.”

„O neen, mister Collgate, maar gij schijnt uw steenen niet te kennen.”

De juwelier nam den diamant en bekeek hem, alsof hij hem voor het eerst in handen had.

Eenige oogenblikken later beweerde hij:

„Gij hebt gelijk! Ik vraag u wel excuus voor deze nalatigheid!”

„Dat excuus is u gaarne verleend, mister Collgate, maar ge ziet, hoeveel recht ik had, mijn wantrouwen uit te spreken!”

De juwelier wist van verlegenheid niet te antwoorden.

Voor het eerst in zijn langdurige practijk was hij door een klant ontmaskerd.

Met zuurzoet gelaat nam hij den steen, terwijl lord Lister de parelen onderzocht.

Ook bij deze gelukte het hem, twee valsche exemplaren te ontdekken.

Juwelier Collgate verwenschte in stilte dezen heelen verkoop.

„Ik zal de exemplaren, die nog ontbreken, wel in Parijs koopen,” zeide lord Lister, „ik ben van plan, morgen vroeg met de eerste stoomboot naar Frankrijk terug te gaan. Hoe duur zijn deze juweelen?”

De juwelier haalde diep adem.

„Zij zijn van het zuiverste water, mijnheer de bankier, maar ik zal u toch geen al te hoogen prijs rekenen! De juweelen kosten samen achttienduizend pond sterling!”

„Heel goed,” antwoordde lord Lister, en zonder zich eenigszins te verbazen over dezen enormen prijs, haalde hij een chêque-boek en een vulpen te voorschijn.

Met duidelijk schrift schreef hij een chêque van de genoemde som, terwijl de juwelier toekeek met een gelaatsuitdrukking, alsof hij niet wist wat hij doen moest.

Toen lord Lister den naam „Gaston Durand” neerschreef, begon de juwelier:

„Pardon, monsieur! Ik hoor daar, dat ge morgen vroeg reeds naar Frankrijk zult teruggaan. Gij zult dan wellicht al over het Kanaal zijn, vóórdat nog de Bank, die mij deze som zal moeten uitbetalen, geopend is.

„Ik zal daarom zoo vrij zijn, u de juweelen eerst te overhandigen, als ik de som op de Bank heb geïnd.”

Lord Lister blies den rook van zijn sigaret met langen haal voor zich uit.

„Ge hebt gelijk, mijnheer,” antwoordde hij, „maar daar ik van de echtheid van mijn chêque evengoed overtuigd ben als gij van de echtheid van uwe steenen en ik geen enkelen waarborg heb, dat ik dezelfde juweelen krijg als ik ze in uwe handen achterlaat, heb ik u een voorstel te doen!”

„En dat is?”

„Kijk eens hier!”

Lord Lister nam een zilveren lucifersdoosje, dat op tafel stond en schudde de zich daarin bevindende lucifers op tafel, totdat het doosje leeg was.

„Gij legt in dit doosje,” begon hij toen, „de door mij gekochte juweelen: diamanten en parelen. Wij zullen ons door den kellner garen, papier en lak laten brengen. Ik zal het doosje dicht binden en voorzien van een lak, waarop ik mijn zegel zal drukken. Gij kunt het dan in uw bezit houden, totdat ge uw geld hebt gekregen. Dan stuurt ge het mij onmiddellijk over. Ik zeg u vooruit, dat ik het doosje door mijn Parijschen juwelier zal laten openen en dat het zegel ongeschonden moet zijn. Als dat niet het geval is stuur ik u het doosje terug en vraag u daarvoor een schadevergoeding van tweehonderd pond.”

Collgate boog.

Dat voorstel scheen hem zeer aannemelijk.

Hij hield de juweelen, tot hij het geld in handen had en de vreemdeling kon ervan overtuigd zijn, dat hij het gekochte in ongeschonden staat zou ontvangen.

Lord Lister deed het doosje in papier, bond het dicht met een touw, dat door den kellner was gebracht en verzegelde alles met twee lakken. Toen deed hij een prachtigen zegelring van zijn wijsvinger en verzegelde alles.

Hij overhandigde Collgate het pakje:

„Hoe vindt ge dezen zegelring?” vroeg lord Lister.

Collgate wilde het met juweelen bezette kleinood aanvatten, toen de ring door een onhandige beweging op den grond viel.

Hij bukte zich, evenals zijn bediende en Charly Brand.

Het zoeken duurde een paar seconden, toen had Charly den ring gevonden en gaf hem Collgate.

De juwelier had zich nauwelijks weer opgericht of zijn eerste blik viel op het lucifersdoosje met den kostbaren inhoud.

Gelukkig!

Het stond nog, verzegeld en wel, op dezelfde plaats.

Voordat hij den ring bekeek, nam hij het doosje en lord Lister zag, hoe hij vol argwaan de zegels bekeek.

Maar zijn scherpe blik kon niets verdachts ontdekken en geheel tevreden gesteld stak hij het doosje in zijn borstzak.

Toen bekeek hij den ring.

„Dat is een antieke ring, een oud-Romeinsche gemme. De briljanten zijn niet geheel modern gezet. Ik taxeer dezen ring op vier- of vijfhonderd pond.”

„Mijn juwelier te Parijs”, antwoordde lord Lister, „taxeerde hem veel hooger.”

Collgate gaf den ring terug en Lister deed hem weer aan den vinger.

„Hier is de chêque!” sprak hij daarna, „ge kent nu onze afspraak!”

„Uitstekend”, antwoordde Collgate.

Daarop nam hij afscheid en verliet met zijn bediende het hotel.

Toen hij met dezen in de cab zat, sprak hij:

„Jammer! Ik dacht niet, dat die Franzoos zooveel verstand van juweelen en parelen zou hebben! De man is waarschijnlijk juwelier geweest. In ieder geval ben ik nu toch zeker van mijn geld.”

De bediende kuchte eens.

„Ik weet het niet, mister Collgate, maar zouden we toch misschien niet het slachtoffer worden van de een of andere oplichtersstreek?”

„Maak je maar niet zenuwachtig”, antwoordde de juwelier.

„Zouden de juweelen nog wel in het doosje zitten?”

„Hoe zouden zij er uitgekomen zijn?”

Collgate haalde het pakje voorzichtig uit zijn zak te voorschijn en bekeek de zegels.

„Ze zijn onbeschadigd”, sprak hij.

Bertram bekeek met argwaan het pakje.

Toen zei hij nog eens:

„Maar als ze er nu toch eens uit zijn?”

„Wees toch niet zoo angstig; ge zijt waarlijk in staat om de heele zaak te bederven! Als ik mij door u liet leiden, zou ik het pakje openmaken en dan komt er niets van de heele geschiedenis terecht.”

Lord Lister had intusschen zijn rekening betaald en het hotel verlaten om met den nachttrein naar de boot te reizen.

Charly Brand sprak, terwijl het tweetal door Londen reed, geen woord. Ook Lister was zwijgzaam.

In Common-street ging Raffles naar het station en nam den sneltrein naar Brighton, de beroemde Engelsche badplaats.

Toen hij met Charly Brand alleen in den coupé zat, begon deze:

„Ik begrijp niet, waarom je je toch zooveel moeite met dien juwelier hebt gegeven. Je bent toch immers geen oogenblik van plan geweest om de juweelen te koopen.”

Lord Lister lachte.

Hij haalde een sigarettenkoker voor den dag en hield dien Charly voor.

„Een sigaret, jongen?”

Tegelijkertijd overhandigde hij hem een lucifersdoosje.

Maar nauwelijks had Charly dit in handen, of hij uitte een kreet van verbazing.

Met groote, opengesperde oogen keek hij naar het doosje.

Hij wist niet, of hij waakte of droomde.

Het doosje, dat lord Lister hem overhandigde, was juist zoo verpakt en verzegeld als dat, wat de juwelier Collgate een uur geleden had meegenomen.

„Dat is een spook!” sprak hij, „hoe kom je aan dat lucifersdoosje?”

„Heel eenvoudig; ik heb het in mijn zak gestoken!”

„Ja—maar—ik heb toch gezien, dat de juwelier het doosje in zijn borstzak stak!”

„Zeker”, antwoordde Raffles, „maar niet dit, dat was een ander, dat ik in onze kamer in orde heb gemaakt, voordat ik met den juwelier ging onderhandelen.

„Ik heb het bij mij gestoken en toen jullie je bukten naar den ring, heb ik dat op tafel gelegd en het doosje met de juweelen weggenomen.

„Kijk!”

Hij maakte de touwtjes los en schudde de diamanten in zijn hand.

De prachtige, kostbare steenen fonkelden en sprankelden in alle mogelijke kleuren en Charly Brand trok zóó’n onnoozel gezicht, dat Raffles in een schaterlach uitbarstte.

„Waarom heb je dan den juwelier dien valschen steen en die paarlen teruggegeven?”

„Omdat Raffles geen minderwaardige dingen verkiest, mijn jongen, begrijp je dat?”

Voorzichtig borg hij toen de juweelen weer weg en een minuut later lag hij behaaglijk in de fluweelen kussens te snurken.

TWEEDE HOOFDSTUK.

DE JUWELIER IN ANGST.

De juwelier had een zeer slechten nacht doorgebracht.

Even voordat hij naar bed was gegaan, had hij het Avondblad doorgelezen, dat, als gewoonlijk, vol stond over de laatste schelmenstreken van Raffles.

Voor het eerst gaf de dief hem zorg en angst.

Hij dacht langen tijd na en plotseling rees de gedachte bij hem op, of die zoogenaamde Parijsche bankier misschien niet de onbekende Raffles zou kunnen zijn— —

Hij bekeek maar steeds weer het verzegelde pakje en bedacht of hij het niet zou kunnen openen, zonder de zegels te verbreken.

Hij doorstond de hevigste Tantalus-kwellingen.

Telkens weer bedacht hij het een of andere middel om het doosje te kunnen openen, zonder dat iemand het zou kunnen bespeuren.

Maar dan kwam ook even snel weer zijn gouddorst boven en de angst, dat het ten slotte toch bemerkt zou kunnen worden, weerhield hem van zijn voornemen.

Neen!

Hij mocht het niet wagen!

Hij zou er te veel bij verliezen.

Want juwelier Collgate was het zoo gewend om van elken verkoop vijfhonderd procent zoete winst op te strijken.

En telkens, als hij was gaan liggen, als hij de oogen had gesloten om den slaap te kunnen vatten, verscheen als een Alp zoo hoog, zoo dreigend-hoog, vóór hem de gedaante van den bankier uit Parijs. Die gestalte nam dan langzamerhand andere gelaatstrekken aan en de onbekende fluisterde hem toe:

„Ik ben Raffles, de meesterdief, de groote onbekende!”

Badend in zijn zweet draaide Collgate dan rond op zijn peluw of hij sprong op, ten einde raad en verteerd van onrust en hij werd zóó zenuwachtig, dat hij met een revolver in de hand zijn slaapkamer op en neer liep, rondspeurend of misschien de vreemdeling zich in een kast had verborgen om het doosje met den kostbaren inhoud te kunnen stelen als de kans schoon was.

Slapeloos bracht hij den nacht door en telkens liep hij, met het doosje in de hand, de kamer op en neer.

Eindelijk, eindelijk dan toch was de lange nacht doorworsteld.

De morgen brak aan.