Lord Lister No. 0001: De Groote Onbekende
Part 2
Hij glimlachte spottend en maakte daardoor zijn chef nog woedender.
Inspecteur Baxter sloeg met zijn vuist op de schrijftafel en riep met toornig gelaat: „Gij amuseert u op een eigenaardige manier, detective Marholm!”
„Ik ontken niet”, antwoordde deze, „dat die geschiedenis mij vermaakt en voor dien man heb ik respect!”
„Gij behoeft geen respect voor hem te hebben. Ik wil mijn hoofd verwedden, dat ik hem dezen keer vang.”
„Wat heeft Sherlock Holmes u geantwoord?” vroeg Tyler.
Het gelaat van den Engelschen politiebeambte kreeg een uitdrukking van misnoegen bij het hooren van den naam van zijn wereldberoemden collega.
„Hier ligt een brief Van Mr. Holmes over deze zaak en hij schrijft mij, dat hij de misdaden van dezen man zoo vermakelijk vindt, dat hij hem niet wil storen in zijn werk en er dus voor moet bedanken om Scotland Yard de behulpzame hand te bieden.”
„Dat wil zeggen,” sprak Tyler, „dat Sherlock Holmes den spot drijft met Scotland Yard en ons wil toonen, hoe weinig wij zonder hem kunnen uitrichten.”
„De couranten hebben hetzelfde oordeel geveld,” zei detective Marholm. „Sherlock Holmes heeft ons door zijn wereldberoemdheid onze goede reputatie ontnomen.”
„Deze John Raffles maakt me gek”, herhaalde inspecteur Baxter op verdrietigen toon, „geheel Londen amuseert zich. Hoe mag de schurk er wel uitzien?”
In dit oogenblik belde de telefoon.
Tyler ging naar het toestel, terwijl de anderen zwijgend wachtten.
Plotseling begon de groote, breedgeschouderde man te sidderen, alle kleur week uit zijn gelaat en zijn rechterhand zocht steun op de schrijftafel.
Verbaasd keken zijn collega’s hem aan.
„Wat is er, Tyler?” vroeg Baxter.
Deze wenkte hem te zwijgen, daarop riep hij op zenuwachtigen toon: „Ja!” in de microfoon, legde den hoorn op het toestel en sprak gejaagd.
„Wij moeten dadelijk naar het kantoor van den bankier James Gordon in Oxford Street. De bankier ligt daar bewusteloos bij den haard. Uit de brandkast zijn 3865 pond sterling gestolen.”
„Wie gaf het bericht?” vroeg Baxter, die zich dadelijk gereed maakte om te gaan.
„Wie?” herhaalde Tyler, diep ademhalend—„de misdadiger zelf!”
„Voor den duivel!” klonk het eenstemmig door het vertrek.
„En de inbreker zendt u, inspecteur Baxter, zijn beste groeten,” vervolgde Tyler, „en hij laat u weten, dat zijn naam is John Raffles!”
Een ademlooze stilte volgde, maar na eenige seconden riep Baxter uit:
„Voorwaarts, lui! Iedere seconde is kostbaar! Die man maakt mij krankzinnig!”
Eenige minuten later vloog een auto de groote poort van Scotland Yard uit. Daarin zaten inspecteur Baxter en vier der handigste beambten van Scotland Yard.
Het doel was Oxford Street, het kantoor van James Gordon.
In een kwartiertje hadden zij het huis bereikt, een groot gebouw, dat veel kantoorlokalen bevatte.
De portier bracht de politieambtenaren in de lift naar het kantoor van James Gordon, dat op de vierde verdieping was gelegen.
De deur was gesloten.
In een deurspleet zat een visitekaartje, dat Baxter te voorschijn haalde.
Hij las:
„Den sleutel van het kantoor heeft Jim, de liftjongen”.
Deze werd terstond gehaald.
Hij vertelde, terwijl hij den sleutel uit zijn broekzak te voorschijn haalde, dat een heer hem dezen had gegeven om hem mister Gordon te overhandigen, als hij er naar vroeg; hij had daarvoor een shilling gekregen.
„Hoe zag die heer er uit?” vroeg Baxter.
„Hij was zoo groot als u,” antwoordde de lift-boy, „en droeg een grooten, zwarten baard, een bruine jas, een bruinen hoed; hij stotterde nogal erg”.
„Welke kleur hadden zijn oogen?”
„Dat weet ik niet. Die heer droeg een donker gekleurden bril”.
Detective Marholm lachte luid.
„Laat ons geen onnoodigen tijd verliezen”, drong Tyler aan.
Baxter sloot de deur open en de heeren traden het kantoor binnen.
Alles zag er zoo uit, als hun per telefoon was meegedeeld.
Voor den kleinen schoorsteen lag de oude, 70-jarige bankier met gesloten oogen.
Een zoetelijke geur van chloroform vervulde het vertrek.
Dank zij den bemoeiingen der politiemannen gelukte het, den bewustelooze weer in het leven terug te roepen.
Nauwelijks was hij in zooverre hersteld, dat hij kon spreken, toen hij opstoof:
„Wat wilt ge hier?”
Deze vraag kwam zoo onverwacht, dat de detectives den bankier verbaasd aankeken.
„Ge zijt beroofd,” sprak Baxter en hij wees op de openstaande brandkast.
De bankier maakte een onverschillige handbeweging en vroeg:
„Wie zijt ge?”
Baxter en zijn mannen dachten, dat de bankier nog onder den invloed van de chloroform verkeerde en detective Marholm sprak tot Baxter:
„Laat den bankier nog een paar minuten met rust, opdat hij zijn herinneringsvermogen kan terugkrijgen”.
Over het spitse vogelgezicht van Gordon vloog een donkerroode gloed.
Met scherpe stem vroeg hij nu:
„Ik vraag u nogmaals, wat ge hier in mijn bureau te maken hebt. Wenscht ge zaken met mij te doen?”
Baxter deed zijn overjas open en liet zijn ambtspenning zien.
Wij zijn politieambtenaren en kregen mededeeling, dat ge beroofd zijt.”
„Wie vertelde u dat?”
„De inbreker zelf,” antwoordde Baxter.
„Ge zijt gek!” riep Gordon uit. „Ge zijt gek, ik weet toch beter dan gij, wat er gebeurd is?”
De detectives begrepen er niets van.
„Wilt ge ons voor den mal houden?” vroeg Baxter boos.
De bankier richtte zijn misvormde gestalte op, wees naar de deur en snauwde:
„Als ge niet dadelijk mijn bureau verlaat, zal ik van het naburige politiebureau hulp inroepen. Ge hebt hier niets te zoeken! Ik heb u niet noodig! Ga heen!”
De detectives gingen, geheel uit het veld geslagen, naar de deur.
Daar wendde Baxter zich nog eens om en zei:
„Bedenk toch, wat gij doet, mijnheer, gij zijt overvallen en beroofd; men heeft u 3865 pond ontstolen!”
„Bemoei u met uw eigen aangelegenheden en niet met de mijne”, brulde de bankier purperrood van woede. „Ik herhaal u, dat ik u niet riep—en nu voor het laatst, ik verzoek u, mijn bureau te verlaten.”
De beambten moesten dit bevel gehoorzamen.
Toen zij zich weer buiten bevonden, keken zij elkaar aan, alsof zij aan hun eigen verstand twijfelden. Een boosaardig, hoonend lachen klonk hun van uit Gordons kantoor in de ooren.
„Zoo iets is mij in mijn geheele leven nog niet gepasseerd,” sprak Baxter eindelijk tot Tyler, „maar ik geloof, dat ik het zaakje wel zal verklaren. De man is bestolen, de inbreker zelf deelt het ons mede, wij vinden alles, zooals hij het ons beschrijft en de bestolene wijst ons de deur.”
Een boodschapsjongen kwam op dit oogenblik aangesneld en riep luid den naam van inspecteur Baxter.
„Hier!” antwoordde deze, „dat ben ik!”
De jongen reikte hem een couvert over, waarop met groote letters den naam van den inspecteur Baxter stond, aan het adres van bankier Gordon, Oxford Street.
Haastig scheurde de inspecteur het couvert open, waaruit een klein briefje en een banknoot van tien pond te voorschijn kwam.
„Voor uw bemoeiingen inzake mijn laatste inbraak zend ik u 10 pond en ik hoop, dat gij dit bedrag voor een goed ontbijt zult besteden. Raffles.”
In onmachtige woede verscheurde Baxter het briefje, hij schaamde zich, zijn beambten iets van den inhoud mede te deelen.
„Laten wij nu naar Lord Lister rijden,” sprak hij tot de detectives, „al moeten we ook geheel Scotland Yard op de been brengen, deze kerel moet gevangen worden. Hij behoeft niet te gelooven, dat hij met den duivel in gemeenschap staat!”
Baxter zag het glimlachende gelaat van den „Kakkerlak” niet.
Detective Marholm amuseerde zich zooals nog nooit te voren.
VIERDE HOOFDSTUK.
EEN VRIEND DER ONGELUKKIGEN.
In de vestibule van de kleine deftige villa van Lord Lister, in het Regent Park, had zich tegen den avond van dienzelfden dag een groote menigte menschen van verschillenden stand en leeftijd verzameld.
Allen hadden een telegram in de hand en spraken op fluisterenden toon over den merkwaardigen inhoud van deze depêches, die alle denzelfden tekst bevatten:
„Kom dadelijk bij mij, ten einde op bevredigende wijze uwe zaken af te doen met bankier Gordon.
Lord Lister, Regent Street 2”.
Een deur werd geopend.
Een slanke jonge man van ongeveer 30-jarigen leeftijd betrad vanuit een der binnenkamers van het huis de ruime vestibule: het was Lord Lister, gevolgd door zijn jongeren particulieren secretaris, die een gevulde, lederen portefeuille droeg.
De aanwezigen keken uitvorschend den jongen Lord aan en vooral de vrouwen, die zich ook daar bevonden, gevoelden dadelijk de grootste sympathie voor hem.
Een regelmatige, prachtig gebouwde gestalte en een frisch gelaat, waarop tegelijkertijd trots en edelmoedigheid lagen uitgedrukt. Met een welwillenden blik uit zijn groote, zwarte oogen keek hij naar de aanwezigen en met zijn welluidende stem sprak hij:
„Ik ontving hedenmiddag deze portefeuille van den bankier Gordon, met het verzoek, aan de verplichtingen welke hij jegens u heeft, te voldoen”.
Er ontstond een pauze.
Daarop naderde een oude man in wien men den vroegeren officier herkende, Lord Lister en antwoordde:
„Gij veroorlooft u waarschijnlijk een grap. Bankier Gordon heeft geen verplichtingen jegens ons—het tegendeel is helaas waar!”
„God moge dezen gemeensten woekeraar van geheel Londen vervloeken!” riep een vrouw uit en een derde sprak op luiden toon:
„Ik vloek het uur, waarin de noodzakelijkheid om mijn familie te redden mij in de klauwen van dien bloedzuiger dreef en evenals mij is het allen gegaan, die met hem in aanraking kwamen.”
Met luide kreten betuigden de aanwezigen hun bijval.
Lord Lister keek hen zwijgend aan.
De meesten hadden sporen van zorg en kommer op het gelaat.
Om de lippen van den edelman verscheen een fijn lachje, toen hij sprak:
„Even als gij allen ken ik de reputatie van dezen woekeraar. De wet is helaas niet in staat om dergelijke menschen te straffen. Zij zijn echter veel grooter misdadigers dan die, welke in de gevangenissen worden opgesloten, want zij weten hun schandelijk bedrijf uit te oefenen onder bescherming van de wet.
Daarom ook herhaal ik u, dat bankier Gordon verplichtingen jegens u allen heeft, waaraan ik heden een einde zal maken!
Hier, mijn vrienden, overhandig ik u allen de wissels en schuldbrieven, die gij met uw hartebloed en zielsrust hebt onderteekend.
God moge u ervoor bewaren, in de toekomst nog eens in de handen van dergelijken schurk te vallen.
Open de portefeuille, Charly!”......
Als in een droom stonden de ongelukkigen voor den jongen Lord. Het kwam hun zoo onbegrijpelijk voor,—als een wonder van hoogerhand!
Aarzelend namen zij de papieren in ontvangst, nauwkeurig bekeken zij de onderteekeningen, als twijfelden zij aan de echtheid.
Maar geen dwaling was mogelijk.
Allen kregen hun schuldbrieven en wissels terug die zij den bloedzuiger eens hadden gegeven.
Een gevoel van oneindige dankbaarheid jegens den hun onbekenden weldoener Lord Lister, maakte zich van hen meester.
Maar toen zij hem de hand wilden drukken met tranen van dankbaarheid in de oogen, was hij verdwenen.
Alleen zijn secretaris stond nog op dezelfde plek en verzocht hun, naar huis te gaan.
Langzaam stroomde de vestibule leeg en spoedig heerschte groote rust in de kleine villa.
Bij den haard in zijn werkkamer zat Lord Lister in een gemakkelijken fauteuil, de hem nooit ontbrekende sigarette te rooken.
Zijn fijnbesneden gelaat, dat meestal een ernstige, melancholieke uitdrukking had, blikte nadenkend in de vlammen.
Dichtbij hem zat zijn particuliere secretaris en vriend Charly Brand.
De werkkamer was eenvoudig, maar voornaam en elegant ingericht.
Een breede schuifdeur leidde naar het slaapvertrek; links van deze deur stond een oud-Hollandsche klok van meer dan manshoogte, terwijl zich aan de rechterzijde een brandkast bevond.
Een bediende trad binnen en overhandigde Lord Lister met een diepe buiging de avondbladen.
De eerste bladzijde reeds, welke de Lord opsloeg droeg in vette letters het opschrift:
Raffles aan den arbeid!
Scotland Yard beetgenomen!
De nieuwste daad van den beroepsdief!
Een Londensch bankier, die niet wil weten, dat hij bestolen is!
Lord Lister lachte zachtjes en gaf zijn vriend, nadat hij de berichten had doorgezien, de couranten.
Terwijl Charly Brand de sensatienieuwtjes las, bestudeerde de edelman met gespannen aandacht het gelaat van zijn vriend; hij zag, hoe dit verbleekte.
De Lord stak een nieuwe sigarette aan.
Toen hij een paar trekjes had gedaan, sprak Charly Brand:
„Edward, in welke relatie sta jij met den bankier Gordon?”
Lord Lister lachte opnieuw, daarop wierp hij de asch van zijn sigarette in het haardvuur, haalde onverschillig de schouders op en antwoordde:
„Ik? In eenige relatie? Hoe meen je dat?”
„Ja, heb je gelezen, Edward, dat die man vanmiddag bestolen is? En hijzelf ontkent het! Zoo iets geheimzinnigs heb ik nog nooit gehoord!”
„Als ik Sherlock Holmes was, zou ik dat raadsel heel spoedig hebben opgelost!” antwoordde Lord Listen
„Hoe dan?”
Charly Brand Keek zijn vriend in gespannen aandacht aan.
„Heel eenvoudig,” sprak deze, „de bestolene heeft ongetwijfeld reden te over om niet met de politie in aanraking te willen komen.”
„Jij zoudt een uitstekend detective zijn geweest!”
„Zeker,” stemde de Lord toe, „een jaar geleden, toen mijn gewone leven mij begon te vervelen, dacht ik er over na of ik niet met Sherlock Holmes zou gaan samenwerken.
Na rijp beraad kwam ik echter tot de conclusie, dat het veel interessanter moet zijn om, inplaats van den jager, het wild te zijn, of liever gezegd: inplaats van detective misdadiger te wezen.
Begrijp mij goed Charly, ik beschouw de zaak alleen uit een oogpunt van sport.
Zoo’n misdadiger moet de dubbele portie energie, slimheid en dergelijke eigenschappen bezitten, als de detective.
Hij staat alleen tegenover de groote massa”.
„Als men je hoort spreken, Edward, zou men gelooven, dat jij veel belang stelt in dien onbekenden Raffles!”
„O ja, Raffles is geen misdadiger in de gewone beteekenis van het woord, maar hij voert een voortdurenden strijd tegen die kapitalisten, welke ondanks alle mogelijke wetten, de grootste woekeraars ter wereld zijn en hij doet met het gestolene oneindig veel meer goed dan alle Londensche weldadigheidsvereenigingen te zamen.”
„Een merkwaardig mensch!” sprak Charly Brand nadenkend.
Er werd geklopt en de oude kamerdienaar Fred trad binnen, zijn meester op een zilveren blad een visitekaartje aanbiedend.
Een trek van vreugde verscheen op het gelaat van den Lord.
„Breng de dame hier!” sprak hij. „En jij, Charly, laat mij nu alleen. Ik ben vanavond verhinderd nog met je samen te studeeren!”
Charly Brand stond op, gaf zijn vriend een hand en nam afscheid.
Toen hij de kamer had verlaten, trad een dichtgesluierde jonge dame binnen.
„Miss Walton, het verheugt mij, u te zien!”
Met uitgestrekte handen begroette de Lord het jonge meisje.
Galant drukte hij een kus op haar kleine, blanke hand, daarop sprak hij:
„Ik was zoo vrij, u te schrijven. Ik moest u terugzien en het doet mij oneindig veel genoegen, dat gij gekomen zijt.”
„Ik ben u veel dank verschuldigd,” antwoordde zij eenvoudig. Daarop sloeg zij haar voile terug en vertoonde een wonderschoon gezichtje, waaruit twee groote blauwe kinderoogen den jongen Lord aankeken. Een zeldzaam contrast daarmede vormde het blauwzwarte haar.
Lord Lister bood haar een stoel aan en nam tegenover haar plaats.
„Ik heb uw hulp noodig”, sprak zij, terwijl haar schoone oogen zich met tranen vulden. „Mijn moeder is ernstig ziek en haar laatste eigendommen zijn verkocht. Ik heb op alle manieren geprobeerd, werk te krijgen. Gij weet, hoe het mij in mijn laatste betrekking is gegaan. En zooals bij Brown ging het overal, zoodat ik nu zonder eenige verdienste ben.”
„Arm kind!” fluisterde Lord Lister, „ik ken dergelijke ellendelingen, die gegeeseld moesten worden. Doch laten wij dit onverkwikkelijke onderwerp liever laten rusten. Ik heb u geschreven omdat ik morgen voor eenige maanden op reis ga, mijn lieve juffrouw, en het zou mij aangenaam zijn als gij gedurende dien tijd een groot werk voor mij wildet copieeren; hieraan hebt gij voor eenige maanden werk, dat gij in uw eigen huis kunt verrichten, zoodat gij tegelijkertijd uw zieke moeder kunt verplegen.”
Hij ging naar een boekenkast en nam daaruit vijf dikke boeken over wereldgeschiedenis.
„Mijn bediende zal u deze hedenavond bezorgen en ik verzoek u, nu ik toch voor onbepaalden tijd op reis ga, dit geld aan te willen nemen als voorschot op uw honorarium.”
Hij haalde een portefeuille uit zijn borstzak te voorschijn, nam een enveloppe en deed daarin eenige banknoten.
Daarna sloot hij de envelop en gaf haar met een hoffelijke buiging aan het jonge meisje.
Zij wilde zijn hand kussen, maar hij trok deze haastig terug en sprak op vasten toon:
„Neen juffrouw, dat mag niet! Ga naar huis om uw moeder te verplegen. Als het honorarium u misschien bijzonder hoog voorkomt, dan deel ik u bij dezen mede, dat ik steeds gewend ben, goede salarissen te geven.”
Een dienaar trad binnen.
„De politiecommissaris van Scotland Yard”, kondigde hij aan.
„Baxter?” vroeg Miss Walton met een uitdrukking van angst op het schoone gelaat.
Lord Lister keek haar verbaasd aan.
„Wat scheelt eraan, Miss Walton?”
Bevend antwoordde zij:
„Sta mij toe, dit huis te verlaten, voordat die man mij ziet! Hij is een bloedverwant van mij, een koud, egoistisch mensch, die mij de deur gewezen heeft, toen ik hem om hulp voor mijn moeder kwam smeeken.”
„Een net mensch”, antwoordde Lord Lister op smalenden toon.
Toen bemerkte hij, dat Miss Waltons oogen zich met tranen hadden gevuld. Met een vriendelijk lachje trad hij op haar toe en streelde haar zachtjes over het haar.
Een behagelijk gevoel doorstroomde het jonge meisje. Lord Lister kwam haar niet meer als een vreemde voor.
„Hoe zal ik u danken?” fluisterde zij en haar oogen keken hem liefdevol aan.
Hij gevoelde, dat zij willoos al zijn wenschen zou hebben ingewilligd.
Een oogenblik kwam het verlangen in hem op, het mooie jonge meisje in zijn armen te sluiten en haar roode lippen te kussen.
Zoo iemand, dan had hij daarop alle recht.
Seconden lang keken zij elkander diep in de oogen en tusschen hen beiden werden nauwe liefdesbanden geknoopt.
Maar al spoedig kreeg Lord Lister alle zelfbeheersching terug.
Hij boog zich voorover en drukte een zachten kus op het voorhoofd van het schoone meisje.
Toen sprak hij:
„Ga nu naar huis, Miss Helene, misschien heb ik nog eens uw hulp noodig!”
Hij drukte het meisje de hand, schelde den kamerdienaar en zei dezen Miss Walton door een zijgang het huis uit te brengen.
Zijn gelaat werd ernstig.
Hij ging zitten in zijn fauteuil en stak een sigaret op. Toen hij een paar trekken gedaan had, schelde hij den dienaar opnieuw, klemde zijn monocle in het oog en wachtte in onverschillige houding de komst van commissaris Baxter van Scotland Yard af.
VIJFDE HOOFDSTUK.
DE INBRAAK.
„Ik kom om u te beschermen”, sprak de commissaris, toen hij tegenover Lord Lister stond.
Een spotlach speelde om den mond van den gentleman, toen hij vroeg:
„Om mij te beschermen? Dat is heel interessant. Ik wist waarlijk niet dat ik bescherming noodig had. Zie ik daar misschien naar uit?”
Hij rekte zijn fraai gebouwde, athletische gestalte, die een eind boven die van den politieman uitstak.
„’t Is ook niet voor uwe persoonlijke bescherming!”
„Dat begrijp ik! Ik zou niemand raden, met mij te vechten! Ik heb verscheidene prijzen in boksen en worstelen gewonnen en ben in mijn club bekend als de beste vechter en schutter. Ik schiet u een halve penny tusschen duim en wijsvinger weg.”
„Ik zei u toch al, dat het niet om uw persoon, maar om uw bezittingen gaat.”
Lister wees naar zijn brandkast.
„Mijn eigendom ligt daar uitstekend bewaard!”
„Maar ondanks dat alles zal vandaag een gevaarlijk Londensch inbreker u een bezoek brengen om te probeeren, uw eigendommen te rooven.”
Lord Lister lachte luid.
„Dat is grappig! Hoe weet ge, dat men bij mij wil inbreken?”
„Scotland Yard hoort en weet alles! Wij zijn bekend als de beroemdste rechercheurs der wereld!”
„Zeer zeker!” lachte Lord Lister met lichten spot.
Baxter merkte het op.
Op ietwat zenuwachtigen toon sprak hij:
„Uwe Lordschap schijnt met een beetje geringschatting op ons beroep neer te zien sinds onze laatste mislukking met dien onbekenden Raffles.”
„Zeker”, antwoordde de gevraagde, „niemand zal ook kunnen beweren, dat ge u daarbij heel roemrijk hebt gedragen.”
„Dat geef ik toe, maar wij hebben hier ook met een bijzonderen inbreker te doen en wonderlijk genoeg, worden wij in dezen strijd tegen den onbekende niet geholpen door onzen genialen Sherlock Holmes. Deze zou waarschijnlijk dien aartsschelm allang onschadelijk hebben gemaakt.”
Lord Lister blies de rookwolkjes voor zich uit en sprak na eenigen tijd:
„Om op onze zaak terug te komen, zou de inbreker, die mij hedennacht, zooals gij beweert, met een bezoek wil vereeren, een goeden slag slaan, daar ik juist gisteren met beursspeculaties 20,000 pond sterling heb verdiend en dit geld nog niet aan de Bank heb afgedragen. De eene helft ligt daar in de brandkast, de andere helft is in mijn slaapkamer weggeborgen onder mijn bed.”
„Heel verstandig”, zei Baxter, „maar het is best mogelijk, dat de dief alles weghaalt.”
„Ook al goed!” beweerde de heer des huizes op onverschilligen toon, „ik ben tegen inbraak en diefstal verzekerd en maak mij dus niets bezorgd. Alle schade wordt mij vergoed.”
„Voor mij en Scotland Yard is het aanhouden van den dief van het grootste belang en ik verzoek u om mij en mijn beambten toe te staan, dezen nacht uw huis te bewaken!”
„Uitstekend”, knikte de Lord, „mijn woning is tot uw dienst. Het is nu kwart voor acht, om acht uur heb ik een afspraak met een vriend. Mijn kamerdienaar zal u voorzien van alles wat ge noodig hebt. Weet ge misschien ook Mr. Baxter, wat dat voor een soort inbreker is, die mij bestelen wil?”
„Zeker, het is de beroemde Raffles.”
„Raffles? Alle duivelsch! Dien kerel zou ik wel willen leeren kennen. Ik zal mijn vriend schrijven dat ik vanavond verhinderd ben en ik zal u gezelschap houden. Misschien gelukt het ons met elkander, den inbreker eindelijk onschadelijk te maken.”
„Uitstekend”, antwoordde Baxter.
„Tenminste als hij komt”, beweerde de Lord. „Ik rijd nu dadelijk in mijn auto naar den schouwburg om mijn vriend persoonlijk te zeggen, dat ik vanavond niet vrij ben. Ik ben om tien uur weer hier.”
„En ik zal mijn beambten waarschuwen”, sprak Baxter. Hij zag nog, hoe Lord Lister naar zijn slaapkamer ging en daar van een fauteuil een pelsjas nam. Toen verliet de commissaris de kamer. In de vestibule wachtten vier beambten, dezelfden, waarmede hij destijds den bankier Gordon had opgezocht.
Zij beraadslaagden met elkander dat hij dien nacht in Lord Listers studeerkamer zou blijven, twee der mannen posteerden zich in de vestibule, een voor het huis, de vierde in een der bovenkamers.
Op deze wijze was dus de villa zeer streng bewaakt.
De inspecteur riep nu den kamerdienaar en ging met dezen naar de studeerkamer.
Lord Lister moest deze reeds verlaten hebben, daar het electrische licht in beide kamers reeds was uitgedraaid. De detective draaide het licht weer op.
De beide mannen stonden vlak bij den schoorsteenmantel en gingen het slaapvertrek nu doorzoeken. Een breede schuifdeur, die naar twee kanten in den muur rolde, scheidde slaap- en studeerkamer.
In de eerstgenoemde was slechts een klein venster, waarvoor ijzeren tralies. Hier vandaan voerde links een kleine deur naar de badkamer. Slaapkamer noch badkamer hadden een anderen uitgang en waren dus alleen van de studeerkamer uit te bereiken.
De rechercheur onderzocht alles nog eens nauwkeurig, lichtte de dekens op, opende kasten en deuren, en nam de kleeren er uit om zich te overtuigen, dat niemand was binnengeslopen.
De kamerdienaar had grooten schik in al deze voorzorgsmaatregelen en hij kon de opmerking niet bedwingen: „Ik geloof waarempel, dat gij ieder stofje optilt.”
„Dat geloof ik ook”, antwoordde Baxter met trotsch gebaar. „Ons ontgaat zelfs geen vloo!”