Lord Lister No. 0001: De Groote Onbekende

Part 1

Chapter 13,916 wordsPublic domain

LORD LISTER GENAAMD RAFFLES DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 1 DE GROOTE ONBEKENDE.

DE GROOTE ONBEKENDE.

EERSTE HOOFDSTUK.

BELAAGDE ONSCHULD.

Het was tegen zes uur in den namiddag toen de rijke zijde-importeur Lukas Brown zijn eersten boekhouder bevel gaf om de zaak te sluiten.

De vensters van het gebouw, dat zich aan het Strand in Londen bevond, zagen uit op dezen breeden verkeersweg en Mr. Brown kon door de neergelaten jaloezieën het drukke gewoel der reuzenstad zien.

Voordat zijn boekhouder het particuliere kantoor had verlaten, sprak Mr. Brown tot hem:

„Zend de nieuwe beambte, Miss Walton, bij mij. Ik moet haar spreken.”

De boekhouder maakte een buiging, terwijl hij een ironisch lachje trachtte te verbergen.

Hij kende zijn chef en wist, wat een dergelijk onderhoud beteekende.

Mr. Brown nam uit principe slechts jonge, onervaren meisjes in zijn dienst, wier uiterlijk hem beviel.

„Zijt gij over het werk van Miss Walton tevreden?” vroeg hij den boekhouder.

„Zeker”, antwoordde deze, „zij doet haar plicht uitstekend.”

„Zoo, zoo”, sprak Mr. Brown, zijn vleezige handen wrijvende, „het doet mij genoegen, dat te hooren! Zij is een buitengewoon mooi meisje. Dat meisje kan, als ik mij haar lot aantrek, een goede toekomst hebben.”

Weer maakte de boekhouder een buiging, om een glimlach te verbergen.

Toen hij de kamer wilde verlaten, weerklonk van de straat het geschreeuw van courantenjongens, die de nieuwste avondbladen aanboden en die met luide stem den korten inhoud uitgalmden van het laatste belangrijke nieuws, dat de courant behelsde:

„Een nieuwe streek van Raffles!” schreeuwden zij. „Raffles, de groote onbekende, roofde een kwart millioen juweelen!—Raffles! Raffles is onvindbaar!”

Mr. Brown zag hoe de voorbijgangers letterlijk vochten om de nieuwsbladen.

„Haal mij een avondblad!” beval hij zijn boekhouder, „dat is een gekke geschiedenis met dien Raffles!”

De boekhouder verdween en kwam na eenige minuten terug met de gevraagde courant, welke de laatste daad van Raffles met groote letters verkondigde.

Haastig las Mr. Brown het artikel door, waarna hij tot zijn boekhouder sprak:

„Een buitengewoon mensch! Een dergelijke kerel heeft nog nooit bestaan! Met groote geslepenheid houdt hij nu al wekenlang onze geheele politiemacht bezig. Men is er nog niet in geslaagd, een enkel spoor van den vent te vinden. Sherlock Holmes schijnt zich uit het openbare leven terug te willen trekken en zonder dezen is onze zoo beroemde politie een ouwe wijvenboel.”

„Ja”, antwoordde de boekhouder, „die Raffles is een genie! En ik moet eerlijk bekennen, dat ik respect voor hem heb! Hij moet een buitengewoon talent bezitten, die koning der inbrekers. Een ware Napoleon! En voor de rest ontegenzeggelijk een gentleman!”

„Ik geloof, dat je gek bent, mijn waarde. Geheel Londen schijnt aangetast te zijn door Raffles-koorts. Waar men komt, hoort men over dien aristocratischen dief spreken!” Mr. Brown trok verachtelijk zijn dikke lippen op. „Gij schijnt een eigenaardige opvatting te hebben omtrent een gentleman!”

„In ’t geheel niet, Mr. Brown”, antwoordde de boekhouder, „het is immers een feit, dat deze onbekende inbreker het gestolene alleen gebruikt om den armen uit Whitechapel of Eastend weldaden te bewijzen.”

„De kerel is gek”, sprak Mr. Brown, „stapelgek! Hij deed verstandiger, als hij het gestolene aanwendde voor betere doeleinden. Al was het maar voor wijn, vrouwen en weelde. Dat gepeupel in Whitechapel en Eastend zou mij geen penny waard zijn!”

„Daarom zorgt Raffles daarvoor”, glimlachte de boekhouder. „Hij neemt in plaats van de pennys, welke gij niet aan de armen geeft, banknoten uit uw zak. Dat helpt beter.”

Brown fronste toornig zijn wenkbrauwen en antwoordde op beleedigenden toon:

„Gij durft veel beweren, Mr. Thomas. Houd uw opmerkingen voor u. Als gij niet zooveel jaren bij mij in betrekking waart, zou ik u dit zeer kwalijk nemen.

Maar—laat ons geen ruzie maken om dien Raffles. Het voornaamste is, dat hij ons ongemoeid laat.”

„Laten wij het beste ervan hopen! Ik geloof ook niet, dat gij genoeg bezit, om een bezoek van Raffles te zullen krijgen”, vervolgde de boekhouder.

„Wat?!” riep Mr. Brown, „bezit ik niet genoeg?—Mijnheer, ik ben millionnair!—Ik ben hofleverancier!”

„Zooveel te beter voor Raffles, als hij komt!”

„Zwijg! Gij maakt mij zenuwachtig”.

De boekhouder sprak lachend:

„Het zou mij zeer aangenaam zijn, als hij mij op onzichtbare wijze aan eenige banknoten hielp, al kwamen zij dan ook niet uit uw kas, Mr. Brown!”

Deze richtte zijn korte, breede gestalte op en riep woedend uit:

„Houd eindelijk uw flauwe aardigheden voor u. Gij zijt in staat, iemands humeur totaal te bederven. De duivel moge dien Raffles halen! Ik slaap toch al zoo onrustig, sinds die kerel op het tooneel is verschenen; elken nacht droom ik, dat hij mijn brandkast heeft geplunderd. Ik wil niets meer over hem hooren. Maar roep nu Miss Walton!”

De boekhouder verliet de kamer, terwijl Brown naar de brandkast liep, die naast de schrijftafel stond, en de blinkende grendels en sloten onderzocht.

„Men zou er zenuwachtig van worden”, mompelde hij, „je zou zoo langzamerhand gaan denken, dat die Raffles in een gesloten brandkast zat.”

Nogmaals probeerde hij de verschillende grendels, hij zette het letterslot op een ander geheim woord en noteerde dit.

Toen hij hiermee gereed was, kwam Miss Walton binnen.

Zij was een jong meisje, zeer bescheiden gekleed, maar met een bijzonder lieftallig en fijn gezichtje.

Aarzelend bleef zij op den drempel staan.

„Kom wat nader, lief kind”, lachte Brown en zijn kleine oogen gleden langs haar gestalte.

Hij trad op haar toe, vatte met zijn vleezige zwaar-beringde vingers haar slanke hand en voerde het jonge meisje naar een Turkschen zetel.

Deze vertrouwelijkheid maakte op Miss Walton den indruk, alsof een griezelige spin over haar heenkroop en een onverklaarbare angst greep haar aan.

Brown zette zich in een stoel naast den hare, vatte wederom haar hand en streelde die, terwijl hij het meisje teeder aankeek.

Miss Walton werd bloedrood in het gelaat.

„Wat hebt ge mooie handen! Die vingertjes zijn veel te teer om het ruwe bureauwerk te doen; die zijn alleen geschikt om zijden rokken op te houden en met briljanten versierd te zijn!”

Het jonge meisje was te onervaren om te begrijpen, wat haar chef bedoelde en hoewel het onaangename gevoel niet van haar week, waagde zij het toch niet, haar hand terug te trekken. Zij meende, dat de vijftigjarige man haar met vaderlijke welwillendheid tegemoet trad.

Deze van zijn kant dacht, dat zij haar hand in de zijne liet rusten als een teeken van toenadering en zich vooroverbuigend, kuste hij haar vingers.

Het meisje schrikte terug.

Haar vrouwelijk instinct zei haar plotseling in welk gevaar zij zich thans bevond.

Haastig stond zij op en sprak:

„Het is laat, Mr. Brown. Gij moet mij verontschuldigen, mijne zieke moeder, die thuis wacht, zou ongerust worden als ik te lang wegbleef. Ik moet nu gaan.”

„Zoo laat is het nog niet”, antwoordde haar chef, „en uw moeder zal uitstekende verpleging hebben en alles wat zij verlangt, als ge een beetje vriendelijk tegen mij wilt zijn.”

Miss Walton keek den chef met groote oogen aan, die opstond en haar wederom naderde om opnieuw haar hand te vatten.

Maar zij stiet hem terug.

„Laat mij! Ik moet gaan!”

„Niet zoo gauw, kleintje! Je kunt nog een uurtje met mij babbelen, dan ben je nog vroeg genoeg thuis.”

Hij wilde haar omvatten, maar zij week terzijde.

„Laat mij gaan, of ik roep om hulp!”

„O ho, je bent een kleine kat, maar je roepen zou tevergeefsch zijn, want wij zijn alleen in het gebouw”.

Miss Walton keek angstig om zich heen om een uitweg te ontdekken.

Daar zag zij door een der vensters een slank gebouwden jongen man staan, die van een krantenjongen het avondblad kocht.

In een oogwenk was het meisje naar het venster gesneld en had dit geopend.

„Help mij alstublieft! Men beleedigt mij!”

Verbaasd draaide de man zich om.

Het meisje keek een oogenblik in een paar groote, zwarte oogen en zag een donker, door de zon gebruind gelaat.

De vreemdeling boog.

„Ik kom onmiddellijk!”

Miss Walton haalde verruimd adem.

Met een van woede verwrongen gelaat stond Brown midden in de kamer en riep met gebalde vuisten:

„Zottin! Dat zal ik je betaald zetten!”

Maar in hetzelfde oogenblik ook trad de vreemdeling binnen.

„Wat wilt ge in mijn bureau? Dadelijk eruit of ik roep een politieagent!” schreeuwde de koopman.

Zonder hem met een antwoord te verwaardigen, wendde zich de vreemdeling tot Miss Walton.

„Waarmee kan ik u van dienst zijn? Ik hoorde, dat men het u lastig maakt.”

„Breng mij uit dit huis! Die man daar beleedigt mij!”

De vreemdeling begreep terstond, wat gebeurd was. Hij sprak op minachtenden toon tot hem:

„Ellendeling!”

„Ga heen!” herhaalde de aangesprokene.

De vreemdeling keerde zich om en sprak tot Miss Walton:

„Volg mij alstublieft!”

Het jonge meisje knikte hem dankbaar toe en verliet met hem het vertrek.

„Ge zijt ontslagen!” riep de chef haar na.

Haar redder glimlachte en bracht Miss Walton haar buiten, waar zij met eenige woorden van dank afscheid van hem wilde nemen.

„Het kan misschien van eenig nut zijn, als ik uw adres wist”, vroeg de jonge man.

Miss Walton gaf hem oogenblikkelijk haar visitekaartje.

Toen boog hij tot afscheid.

Het jonge meisje haastte zich huiswaarts en zag dus niet, dat de vreemdeling in het bureau terugkeerde en de buitendeur achter zich sloot.

Secondenlang luisterde de indringer.

Toen haalde hij een zwart masker uit den zak te voorschijn en sloop door de verschillende lokalen naar Brown’s werkkamer.

Deze wilde juist vertrekken.

Hij had het heele voorval reeds vergeten en floot zachtjes een melodie uit „Die lustige Witwe.”

Plotseling bleef hij als verlamd staan, want vlak voor hem stond eensklaps een gemaskerd persoon, die hem den loop van een revolver voorhield.

„Ik wil graag kennis met u maken,” sprak een dreigende stem.

De koopman kon geen woord uiten.

Zijn knieën sidderden—het werd hem zwart voor de oogen.

„Volg mij!” beval de gemaskerde.

Willoos gehoorzaamde Brown.

Het tweetal ging naar een vertrek, dat achter in het gebouw was gelegen: de kleedkamer der beambten.

De gemaskerde opende een groote kleerkast en beval Brown daarin te gaan.

„Uw portefeuille, mijnheer”, beet hij den handelaar toe en deze gehoorzaamde, blij, er zoo gemakkelijk af te komen.

„Voor uw brandkast heb ik nu geen tijd, daar kom ik een volgenden keer wel om!”

De deur van de kast ging dicht en de onbekende verliet het vertrek.

Toen hij weer in het kantoorlokaal was gekomen, opende hij de portefeuille en nam er verscheidene banknoten uit.

Daarop zocht hij eenige enveloppen, bedrukt met den naam der firma en deed in ieder een bankbiljet.

Aan de schrijftafel van Mr. Brown zette hij op iedere enveloppe:

„Voor een nuttig gebruik zendt u dit

JOHN RAFFLES.”

Hij lachte zachtjes en sloot de enveloppe met een zegel, dat een gekroond doodshoofd vertoonde.

Hierop legde hij de brieven op de lessenaars der beambten.

Van den verderen inhoud der portefeuille interesseerde hem slechts een enkele brief, die door zekeren bankier James Gordon uit Oxford Street aan Mr. Brown gericht was en luidde:

„Mijn waarde Mr. Brown,

Ons laatste zaakje heeft een schitterende winst afgeworpen. De wissels, die wij van dokter Walter kregen zijn eindelijk door hem, nadat ik hem met het gerecht heb gedreigd, betaald. Ik heb u voor tweehonderd pond gecrediteerd. Zend mij heel gauw iets dergelijks. Zoo’n zaak is de moeite waard.

Met beste groeten, uwe

JAMES GORDON.”

„Dien man moet ik leeren kennen,” mompelde Raffles.

Hij stak den brief in zijn zak en verliet het kantoor.

Het kloppen en schreeuwen van den opgesloten koopman hoorde hij weerklinken, lachte er eens hartelijk om en verdween tusschen de menigte.

Daar buiten ventten nog steeds de krantenjongens hun bladen, waarvan de laatste daad van Raffles stond beschreven; zij vermoedden niet, dat reeds een nòg latere streek was gepleegd.

TWEEDE HOOFDSTUK.

EEN SCHURKACHTIGE BANKIER.

In zijn klein kantoortje in Oxford Street te Londen zat de bankier James Gordon en telde groote geldsommen, die hij in verschillende muntsoorten verdeelde, in rollen wikkelde en in zijn brandkast borg.

Hij was een klein, mismaakt persoon, met pokdalig gelaat, dat duidelijk de sporen droeg van gierigheid.

De bankier had zoo juist zijn brandkast gesloten, toen er bescheiden aan de deur werd geklopt.

Met heesche stem riep hij: „binnen!” en een oude vrouw van omstreeks vijftig jaren trad bescheiden en aarzelend binnen. Zij monsterde het bureau.

„Wat wilt ge?” vroeg hij op korten toon.

„Neem mij niet kwalijk,” stamelde de vrouw, „ik heet Anny Walton en ik las in een advertentie, dat gij geld leent.”

„Zeker, dat is mijn zaak! Wenscht ge geld?”

„Ja, ik verkeer in groote verlegenheid. Mijn man is verleden jaar gestorven en mijn dochter heeft geen betrekking.”

„Hebt ge borgen?”

„Och, mijnheer,” antwoordde de oude vrouw op bevenden toon en tranen vulden haar oogen, „ik heb nog maar een paar kleinigheden, maar dat zal voor u niet genoeg borgstelling zijn.”

Bankier Gordon liet een zacht gefluit hooren en lachte toen brutaal:

„Denkt ge, dat ik gek ben? Dan zou heel Londen wel kunnen komen, heel Whitechapel en Eastend, om geld van mij te leenen! Poeh! Hahaha!”

De vrouw keek hem aan met angstig gelaat.

„Mijnheer,” smeekte zij, „ik ben heel ziek en heb mij hierheen gesleept om hulp te halen.”

„Blijf liever thuis en houd mij niet op”, antwoordde de bankier op ruwen toon.

„Maar wat moet ik dan beginnen? Ik weet geen raad meer en geef u mijn eerewoord, mister, dat ik dag en nacht wil werken, zoo gauw als ik weer beter ben om u het geleende terug te betalen.”

„Dan zal ik nog lang moeten wachten,” meende de bankier op drogen toon, „zoo spreekt jelui allemaal als je honger hebt. Ik kan dat! Maar ge hebt een dochter, zooals ge vertelt! Stuur die dan des nachts naar Piccadilly Street, of, als ze daarvoor niet mooi genoeg is, stuur haar dan naar Whitechapel, om er op de straat haar brood te verdienen.”

De oude vrouw verbleekte, toen zij de namen van die Londensche wijken hoorde, waar slechts de, demi-monde en de misdadigers hun handwerk beoefenden.

„Nooit!” riep zij uit, „gij hebt geen kinderen, mijnheer, anders zoudt ge niet zoo spreken, dat is heel zondig van u!”

Bankier Gordon haalde minachtend de schouders op.

„Ga nu toch, ik kan uw gejammer niet langer hooren, ik heb te werken.”

Moeizaam wankelde de vrouw naar de deur.

In hetzelfde oogenblik kwam een jonge, elegante man binnen, die de oude vrouw bij den arm vatte.

„Blijf hier, juffrouw Walton. Ik hoorde toevallig, daar de deur niet geheel gesloten was, het gesprek, dat hier gevoerd werd. Ik hoop u te kunnen helpen.”

De vrouw volgde hem aarzelend en ging in de kamer terug.

Bankier Gordon was opgestaan en keek den binnentredende aan, die elegant gekleed was.

De vreemdeling van zijn kant deed met onverschillig gebaar zijn parelgrijze handschoenen uit, nam zijn monocle uit het rechteroog en stak een sigaret op. Den cilinderhoed had hij, als een bijzondere uiting van onverschilligheid, niet afgenomen. Hij kon ongeveer dertig jaren oud zijn; zijn gelaat had een trotsche, zelfbewuste uitdrukking en zijn oogen schitterden overmoedig en keken vastberaden neer op bankier Gordon.

Deze was heel zenuwachtig geworden; hij wist niet, wat hij met dien indringer doen zou.

Te oordeelen naar de kostbare diamanten, die de gentleman aan de handen droeg, kwam deze persoon geen geld leenen.

Daar de vreemdeling geen aanstalten maakte tot spreken, maar met een spottend lachje den rook van zijn sigaret den bankier in het gelaat blies, vroeg eindelijk James Gordon:

„Waarmee kan ik u van dienst zijn?”

„Met heel veel”, antwoordde de vreemdeling, „ik kreeg uw adres gisteravond tijdens een kort bezoek, dat ik bij mister Brown bracht. Het is mij zeer aangenaam, kennis met u te maken!”

Toen de bankier den naam van zijn handelsvriend hoorde, klaarde zijn gelaat op. Hij boog hoffelijk, maakte met de hand een uitnoodigende beweging tot plaats nemen en zei:

„Met wien heb ik de eer?”

De onbekende keek hem aan en antwoordde na een korte poos:

„Mijn naam zal u wel bekend zijn. Ik heet—” hij wachtte een oogenblik en sprak toen op langzamen, afgemeten toon: „John C. Raffles.”

Als door een adder gestoken, sprong bankier Gordon van zijn stoel op en tastte met zijn rechterhand naar een, onder een stapel papieren verborgen revolver.

„U bent Raffles?” vroeg hij stotterend van angst. „Raffles, van wien—die—die—”

„Juist”, viel de gentleman den bevenden bankier in de rede, „dezelfde, dien ge meent, ik ben Raffles, de groote onbekende, de aartsdief, die er een sport van maakt, onmenschelijke schurken op te sporen en te beproeven met den roof, dien hij jelui bloedzuigers en woekeraars afperst, datgene goed te maken, wat gij hebt gezondigd.”— — —

”— —Maar eerst”, hij wendde zich tot mrs. Walton, die zwijgend neerzat, „hoeveel geld hebt ge noodig, beste vrouw? Vijftig pond, misschien?”

„Neen, neen!” stotterde deze, „met vijf pond was ik al geholpen!”

„Ik ken uw dochter, mevrouw”, zei Raffles, „en het toeval heeft mij u te hulp gevoerd; maar laat ons nu over zaken spreken.”

Hij wendde zich tot Gordon.

„Betaal die vrouw vijf pond!”

De bankier wilde iets antwoorden, maar de vrees voor den onbekende verlamde zijn tong en bevend ging hij naar de brandkast.

Hij legde een banknoot van vijf pond op tafel.

„Dat is voor u!” sprak Raffles tot de vrouw, „de bankier geeft het u graag. Het is de fatsoenlijkste manier van zaken drijven, die hij ooit bij de hand heeft gehad, want hij geeft u het geld zonder rente en laat het u zoo lang behouden, totdat het u weer beter gaat. Hij is een braaf mensch, deze bankier Gordon; en nu moet gij heengaan en mij met mijnheer alleen laten.”

Onder vriendelijke dankzegging verliet de ongelukkige vrouw het vertrek.

Nauwelijks had zij de deur achter zich gesloten, of Raffles sloeg een anderen toon aan.

„Ik ben werkelijk verheugd, den gemeensten woekeraar van geheel Londen eindelijk te leeren kennen.—Nu beveel ik u”, bij deze woorden haalde hij een revolver uit zijn pelsjas te voorschijn—„neem op dien stoel bij den haard plaats en blijf daar zoo rustig zitten, alsof gij in de kerk waart.”

Met sidderende knieën begaf de bankier zich naar de hem aangewezen plaats. Zonder zich te durven bewegen, zag hij, hoe John Raffles de brandkast opende en daaruit een groot pakket wissels nam, die de woekeraar van arme ongelukkigen had weten te bemachtigen en hoe hij dit in zijn geel handtaschje wegborg.

De bankier stiet een geluid uit als van een vastgebonden wild dier.

Met een spotlachje keek Raffles hem aan en sprak:

„Wat zegt u?— —Het spijt u zeker, dat ik u bevrijd van dezen zondenlast? Gij moest mij liever dankbaar zijn, mijn waarde, dat ik eindelijk weer een fatsoenlijk mensch van u maak. En voor de rest, als gij iets van mij wenscht, kunt ge u tot de politie wenden. Maar.....”

Hij lachte weer, stak een sigarette aan, sloot zijn tasch en vervolgde:

„Ik denk, dat gij er niet op gesteld zijt, in aanraking te komen met de politie, want deze mocht eens inzage van uw boeken willen nemen en dat zou u uw vrijheid weleens kunnen kosten. Men zou u waarschijnlijk een paar jaar achter de tralies zetten. Dat zou heel nuttig zijn, niet alleen voor u zelf, maar ook voor de maatschappij, die dan voor eenigen tijd bevrijd zou zijn van zulk een schandelijk insect!

Ik zal in elk geval mijn plicht doen in dezen en het genoegen hebben, de politie, zooals ik dat steeds gewend ben, te waarschuwen.”

Vrees en haat stonden duidelijk te lezen op het gelaat van den bankier.

„Gij zult de politie niet waarschuwen”, fluisterde hij met heesche stem. „Welk nut zoudt gij daarvan kunnen hebben?”

„Ik zei het u immers al”, antwoordde John Raffles, „het genoegen, de maatschappij van u te bevrijden.”

De bankier wierp zich op de knieën, hief de handen smeekend op en kermde om genade.

Maar de ander liet zich niet vermurwen.

Met een blik vol afschuw keek hij naar den smeekeling en op minachtenden toon sprak hij:

„Gij zijt even lafhartig, als elke schurk. Maar ik ben zonder erbarmen, zooals gij dat zijt geweest jegens de ongelukkigen, die zeker dikwijls hier om medelijden hebben gesmeekt.”

Daarop nam John Raffles een der boeken van den woekeraar, nam den zwaren foliant met beide handen op en, terwijl hij hem met een geweldigen slag op het hoofd van den bankier liet neerkomen, sprak hij:

„Hier hebt ge nog een klein souvenir!”

Gordon was door den slag bewusteloos op den bodem in elkaar gezonken; John Raffles keek eenige seconden naar hem, daarop nam hij een klein fleschje uit zijn zak, dat een verdoovend vocht bevatte, deed eenige druppels hiervan op een zakdoek van den bankier en drukte deze op het gelaat van den bewustelooze.

Zachtjes sprak hij tot zichzelf: „Hij moet zoolang blijven liggen tot de politie komt.”

Daarop nam hij het kasboek en zijn taschje met de wissels en schuldbrieven op en verliet het kantoor.

Zorgvuldig sloot hij de deur van buiten met een sleutel af en gaf dezen aan een liftjongen, terwijl hij tot dezen zei:

„Mr. Gordon is voor een paar uur uitgegaan, hij verzocht mij, u dezen sleutel te geven.”

„In orde!” antwoordde de jongen, den sleutel bij zich stekend.

Daarop verliet John Raffles het huis.

DERDE HOOFDSTUK.

DE SCHRIK VAN SCOTLAND YARD.

De inspecteur van politie Baxter van de geheime afdeeling zat in zijn werkkamer, die zich in Scotland Yard bevond, de schrik van alle misdadigers.

Hij stond aan het telegraaftoestel naast zijn schrijftafel en las met gespannen aandacht de geheime berichten, die hem van de verschillende politiebureaus werden toegezonden.

Zenuwachtig liet de inspecteur de smalle, eindelooze papierstrook door zijn vingers glijden.

Plotseling werden zijn oogen grooter. Alsof hij een spook zag, zoo keek hij naar het juist aankomende telegram.

Zijn gelaat werd bleek, hij stiet een kreet van verbazing en woede uit, daarop sprong hij naar zijn schrijftafel, drukte haastig op een electrischen knop en na eenige seconden snelden meerdere geheime beambten van zijn afdeeling de kamer binnen.

„Wat is er gebeurd?” riep detectieve Tyler uit, een groote, breedgeschouderde kerel.

„Een spook! Het is meer dan gek!” riep de inspecteur opgewonden uit. „Daar ontvang ik een raadselachtig telegram, afgezonden door John Raffles, den kerel, die door den duivel zelf beschermd schijnt te worden. Het is hem gelukt, een verbinding te krijgen met onzen geheimen kabel. Die man schijnt met bovenaardsche machten in contact te staan.

Nu bezitten wij geen geheime geleiding meer! Hij is nu in staat, onze onderlinge telegrammen te controleeren.

Dat is de dolste streek van dien Raffles, heeren! Overtuigt u zelf!”

Nieuwsgierig verdrongen de beambten zich om den inspecteur Baxter en staarden op de papierstrook van het morse-seinapparaat, waarop te lezen stond:

„inspecteur van politie baxter, scotland yard. veroorloof mij, u zoo kort mogelijk, langs dezen weg, mede te deelen, dat ik in de eerstvolgende vierentwintig uur de brandkast van lord edward lister zal plunderen. ik zal zoo vrij zijn, u voortaan mijn plannen steeds langs dezen weg mede te deelen. met de meeste hoogachting voor u en scotland yard. raffles.”

„Raffles!” herhaalden de beambten.

„Ja, heeren”, riep Baxter, „deze John Raffles brengt mij in een krankzinnigengesticht. Ik kan aan niets meer denken dan aan Raffles. De couranten van het binnen- en buitenland drijven den spot met ons. De brutaliteit van den onbekenden dief overtreft alle grenzen. Voortaan zal hij ons zelfs aankondigen, welke misdaden hij van plan is, te begaan.”

„Hij wil het u gemakkelijk maken, inspecteur, het is een zeer beleefd mensch!” meende detective Marholm, welke door de Londensche misdadigers „De Kakkerlak” werd genoemd.