Part 8
--Het had erger kunnen zijn--voor iemand van Becker's gestel, van Becker's geweten? oordeel zelf! Er kwamen geprotesteerde traittes voor, door hen op het buitenlandsche huis getrokken, die natuurlijk dadelijk gerembourseerd werden,--maar wier bedrag Becker voor oogen stond, toen hij zijne arme vrouw en kinderen aanzag, door wier pas verworven vermogen eene streep was gehaald, die er nu erger aan toe waren dan het gezin van menig kantoorbediende--hij was Haeften schuldig!--Er moest naar de beurs worden gegaan, en het gerucht had hun verlies reeds verbreid, vergroot, vertienvoud; want de nijd had lang naar eene gelegenheid uitgezien, het opkomend huis te benadeelen; want de laster had vrij spel, dewijl zij er inderdaad eene aanzienlijke som bij verloren. Becker las wantrouwen in de blikken van wie hen groetten, in de deelneming van wie hen beklaagden. Hij bespeurde het in de opmerking, welke hun kassier aarzelend maakte, dat hij geloofde, voor hen in voorschot te zijn,--in de traagheid, waarmede hunne makelaars inkoopen voor hunne firma schenen te behartigen, eene traagheid, die week, zoodra zij 1 pCt. contant aanboden,--in de klagte der wisseljoden, dat er schier geene nemers waren voor papier, zoo min voor kort als op tijd. --Er school, ondanks zijn ziekelijke kwetsbaarheid, het gevolg van zijnen toestand, van zijne hoogere vlugt dan zijne vlerken reikten, waarheid genoeg in zijn vermoeden, om tot dubbele voorzigtigheid te verpligten in de keuze der maatregelen, om de belemmering te doen ophouden. Becker bragt nachten door, welke slechts de eerzuchtige, neen, de gemoedelijke zich voor kan stellen; want zijn gezin had heiliger regten op hem, op ons mogen toekennen.--Er volgde stilte op den storm. Toen zij menige proef, welke de zaakkennis van oudere huizen nam, zegevierend hadden doorgestaan, toen keerde het vertrouwen terug, en vergat men het verlies, dat zij hadden geleden, ja, veranderde het schier te hunner gunste, in een blijk, "dat zij toch goed moesten staan." Maar wie het vergat, Becker niet--wie het voor een bewijs hunner soliditeit liet gelden, Becker wist dat er slechts vijf ten honderd van hunne aanzienlijke vordering te wachten viel; werken--werken--werken--werd zijn pligt. Er bood zich eene gelegenheid aan, hun verlies te herstellen; --het leed geen' twijfel, dat er nieuwe, voordeelige betrekkingen vielen aan te knoopen, als men anderen vooruit wist te zijn in ijver, in schikken naar den geest des tijds, in groote omzettingen voor geringe winsten misschien. Eene verre reize moest met groote spoed worden ondernomen; als zij slagen zouden, dan diende een der chefs van het huis die zelf te doen. Becker ontwierp het plan, Becker ondernam haar, Becker voerde haar uit,--hij was terug eer het algemeen wist, dat hij weg was geweest;--hij had orders, groote, solide orders, zij wonnen veel gelds, zij waren het verlies bijna te boven.--
"Het had erger kunnen zijn," zei Haeften.
En de vrouw van Becker zeide het hem na, maar eens,--het was in den nawinter, ontwaakte zij midden in den nacht: "Wie kucht daar? Becker! Becker!"--Hij schonk een glas water in, en leegde het in een paar teugen. "Wat scheelt er aan?" en, daar zij geen antwoord kreeg, werd zij eensklaps wakker of het uchtend was; "waarom frommelt gij dien zakdoek weg?" Helaas, niemand dan hij wist, dat hij reeds meermalen bloed had opgegeven ten gevolge van de vermoeijenissen der reize, dacht hij,--ten gevolge van den angst, dien hij maanden lang leed, van de onrust over het lot van vrouw en kinderen, die hij nog niet te boven was. "Het had erger kunnen zijn," zeî de arts, die des morgens voor zijne legerstede stond, en rust aanbeval, en veel van de naderende lente en van eenige weken verblijfs op het land hoopte; Becker moest zich aan alle beslommeringen onttrekken; Becker moest de zaken uit het hoofd zetten. Och, die goede artsen, hoe redelijk eischen zij soms het onredelijke! Maar waarlijk, het scheen dat het inderdaad erger had kunnen zijn. Eer de lente kwam, werkte Becker reeds weder in zijne kamer, en toen hij veertien dagen buiten was geweest, en zich--"beter, o veel beter," --gevoelde, hijgde hij naar het kantoor, en de zomer zag hem tot tien uren des avonds op zijne kruk voor den lessenaar zitten, want hunne zaken stonden gunstiger dan ooit ...
Echter liep de herfst niet ten einde, of zijne vrouw lag bij zijn hoofdkussen op de knieën, en hij kuste zijne kinderen goeden nacht. Haeften beloofde hem, voor deze te zullen zorgen,--en eene diepe stilte verkondigde, dat het zijne laatste woorden waren geweest.
"Suze ik had u zoo gaarne rijk achtergelaten!"
Was het niet erg genoeg?
Ik heb de voorkeur gegeven aan eene schets naar het leven, boven eene schepping der fantasie, maar geloof niet dat ik tot de verdichting mijne toevlugt zou behoeven te nemen, om u somberder tafereel op te hangen, hoe menig klerk de vermetelheid koopman te spelen heeft geboet. Waarom zoude ik het verzwijgen, dat de figuur van Haeften mij, om het harmonische, dat zij den indruk des geheels geeft, beviel? Er is, in de bescherming, welke hij den kinderen toezegt, iets, dat ons met het lot des vaders verzoent. En echter, hoe zeldzaam is de afloop van verbintenissen van dien aard zoo weemoedig-bevredigend! Hoe vele heb ik er niet gekend, die mij het oude spreekwoord: "alle compagnieschappen beginnen in den naam des Heeren, maar eindigen in den naam des duivels," voor den geest herriepen? Het was altijd de vennoot, die luttel had ingebragt, aan wien de kwade afloop geweten werd, hij was _te dit of te dat_; genoeg, een man, die geen geld heeft, en wat dan ook _te_ is, wat is hij anders dan een verloren man? _Le succes justifie tout_, zegt de wereld; maar ik beschuldig den armen kantoorbediende niet van gebrek aan moed, als hij zich laat terughouden van eigen zaken, door een grijnzend gebouw, dat het verschiet verdonkert, door de _gijzeling_!
Voor haar huivert de klerk van middelbaren leeftijd, wanneer de gedachte aan een etablissement bij hem opkomt, zoo dikwerf hij zich ergert aan het vrolijke leven der buitenlandsche volontairs, welke zijn chef,--commissionair--zeehandelaar--bankier--bijna als zijns gelijken, als zonen van den huize behandelt. Inderdaad, uitheemsche vrijwilligers hebben zich slechts fatsoenlijk te gedragen, om in de gezelschapszaal des patroons als gasten te worden ontvangen; noch in het fransch, noch in het duitsch, noch in het engelsch, heeten de jonge lieden, die op het kantoor werkzaam zijn, _bedienden_. Onze patenten zijn in dit opzicht waar, tot krenkens toe.--Als er iets aardigs of geestigs in die vreempjes schuilt, zijn zij overal welkom,--als ze vlugge beenen hebben, introduceert men hen alom, tot op het Casino toe,--en waarom zou men niet? Eens zullen zij zelve een huis van negotie oprigten, en de herinneringen uit de jeugd geven aan de handelsbetrekkingen, ten gevolge van deze aangeknoopt, iets duurzaams, dat latere mededinging tart. Voor de _gijzeling_, voor den kerker, waarin hij misschien zijnen ondernemingslust boeten zou, huivert de gesalariëerde kantoorbediende terug, als hij de uitspanningen zijner kinderen vergelijkt met het geld stuk slaan der onbezorgde trekvogels. O, geloof niet, dat de schaal effen hangt, wanneer hij hen voor "een bok op een' ezel" uitscheldt, als zij hem te paard voorbij rijden en hem noode groeten;--geloof het niet, als hij u verzekert, dat zij er in hun nieuwe kleêren uitzien "als apen dat ze zijn," terwijl hij zijn kaalgeschuijerden jas humoristisch digt heeft geknoopt, om zijn vuil linnen te verbergen. Hoe pijnlijk gaan hem zijn aardigheden tegen fransche comedie en italiaansche opera af,--als hij niet te zeer verstompt is om eenigerlei malligheden te bedenken, om zijn' nijd achter schimp te verbergen, om spijtig te zijn. Immers uitvallen van dien aard onderstellen nog een besef van vatbaarheid voor genot,--hoe dikwijls gevoelen de ongelukkigen niets dan het wigt des juks, dat hunne schouders neerkromt!
"Zoo ik nog vrij man ware!" zeiden wij, "wanneer ik nog alleen in de wereld stond!" Inderdaad, wie zou dan de afhankelijkheid willen dulden, in een' leeftijd, die zoo weinig plooibaars meer heeft; wie zou zich op veertigjarigen ouderdom willen voegen naar de begrippen van nieuw aankomende chefs, naar de grillen van jongere patroons! En echter--het gezin, dat zich reeds zoo armelijk behelpen moet, het zou tot den bedelstaf vervallen--zoo de plaats werd opgezegd. Verwondert het u, dat de bedaagde bediende slaafscher kruipt dan een dienstbode, dat het jammer met elk jaar ergerlijker wordt? O graauwende hairen, gebogen om den wille van een karig loon! De meiden van het huis voeren hooger toon dan hij. Op het bekende: "er is geene hand vol, maar een land vol," die naïve verklaring van het beginsel, waarop de wisselzin der vrouwen steunt, antwoorden de deernen luchtig weg: "Er zijn meer diensten dan kerken!" Hoe anders ontrust zich de bejaarde klerk over een onwillekeurig verzuim, over eene vergeeflijke vergissing, dan zij het zich over het grofste vergrijp doen. Het heugt mij, een' vijftigjarigen Correspondent te hebben zien beven van verkropte gramschap, toen een lafbek van een' Associé de pen haalde door een' vier zijdjes langen brief,--en echter ging de man naar zijnen lessenaar terug en schreef eenen anderen. Nooit zal ik de dankbaarheid vergeten, waarmede een Kashouder den eerlijken borst de hand drukte, die hem het geld weêrom bragt, dat de laatste te veel had ontvangen, dat de eerste hem te veel had betaald. De tranen stonden den grijskop in de oogen, en toch waren het maar--vijf en twintig gulden. De volgende morgen zag beide, zoowel na het eene voorval als na het andere, weder op het kantoor, weder aan den arbeid, briefschrijvende en geldtellende; maar wat moet er in die harten zijn omgegaan, toen zij, den avond te voren, in den schoot der hunnen, ieder het zijne, hun gezin gadesloegen! "Dat leed ik om u," dacht de Correspondent; en welligt relde zijne vrouw hem aan de ooren over een' uitgang voor de kinderen, om het zien van een spel op de Botermarkt, de bloeden waren nog nergens geweest! "Wanneer er dat eens bij was gekomen," zei de andere, terwijl hij misschien zuchtende, de rekening van den schoolmeester wegborg. Verg hem niet, dat hij zijn kroost op die der armen zende: zijn buurman, de blikslager doet het niet eens!
"Als de armoede de deur inkomt, dan vliegt de liefde het venster uit," zeiden onze vaderen, maar men went niet aan den ruwer toon, dien zij voert. Maar men komt niet tot de onverschilligheid, die haar dragelijk maakt; maar men leert het leven niet dulden, ondanks dat het lijden is geworden, dan door ongevoeligheid, door versteening. Dirk, de kashouder, of Daan, de correspondent, zijn zoo min dezelfde Daan of Dirk meer, welke zij vóór twintig jaren zijn geweest, welke zij, behoudens de natuurlijke overgangen van den leeftijd, beloofden te zullen blijven, als het paard, dat altoos een paard wordt geheeten, hetzelfde dier is, wanneer het in jeugdigen overmoed de lucht van gehinnik doet daveren en heiningen overspringt en stroomen klieft, en als het in een tuig gespannen, dat het voor jaren zou hebben gescheurd als rag, den molen rondstrompelt, blind en lam, met den vilder in het verschiet. Het is even zeldzaam voor een van beide, deernis aan te treffen; maar hoe verdienstelijk het zijn mag dierenapostel te wezen, menschen hebben hooger aanspraak op ons mededoogen. En zoo lang ik niet geloof, dat iemand tot dergelijke bestemming geboren wordt, zoo lang ik niet wankel in de overtuiging, dat de wijsheid des Scheppers, welke in de Natuur aller behoeften bevrediging waarborgt, zich af moest spiegelen in onze beschaafde maatschappij, zoo lang zal ik de ziekelijke verschijnselen van dezen aard bewijzen eener krankte achten, die genezing eischt.
"Gierige feeks!" mompelde Doorne, in zich zelven, terwijl hij, op een' zondag-avond in de laten herfst, den trap van zijn bovenhuis opstommelde, "gierige feeks! het is hier zoo donker, dat men hals en beenen breken kan!"
Deze liefelijke toespraak gold niemand anders dan zijne vrouw, die toch eens de liefste zijner jeugd, zijn mooi Kaatje was geweest,--die met hare drie kinderen had zitten voortschemeren, terwijl hij door een' zijner confraters van het kantoor--den expediteur--was vrijgehouden op een heeren-diner;--de man was zoo aardig--buiten 's huis. Ik geloof niet, dat het zijn doel was haar het verwijt toe te duwen, en echter hoorde zij het. Op het portaal staande, had zij zelve, door een' ruk aan het smerige touw, de deur opengetrokken, en zag, trots het duister, waarover hij zich beklaagde, aan zijn struikelend klimmen slechts te duidelijk, dat hij meer dan ontnuchterd was. Verwacht dus niet, dat zij hem verbeidde, dat er eene ontmoeting plaats greep, zoo als herderszangers er schilderen, bij de tehuiskomst van eenen daglooner, een vriendelijk welkom, een kus als eene klok. In stilte hare smart verkroppende, dat wrevel, louter wrevel in zijn gemoed alle vroegere, zachtere, edelaardige aandoeningen had vervangen, trad zij de kamer binnen en had licht ontstoken, eer hij over den drempel was gezwaaid.
"Al weêr roode oogen," gromde hij, haar opgewonden aanziende, "al weêr roode oogen; als je meent dat het grienen je mooi maakt, Kaatje, dan heb jij het mis, danig mis, kind!"
De vrouw antwoordde niet op den uitval; de beide meisjes, en hun zoontje, zagen vader vreemd aan.
"Huilen en pruilen," voer hij voort, "men zou waarachtig voor zijn pleizier t'huis komen. Was ik maar met de jongens meêgegaan--maar me dacht, dat gaf voor een' getrouwd man geen pas! Hm, een getrouwd man! Wie een fatsoenlijk meisje neemt, is er toch maar ongelukkig aan toe, dat moet ik zeggen. Als het hem niet meeloopt in de wereld, als ze een beetje de handen uit de mouw moet steken, dan zucht zij, dan steent ze--"
Het verwijt was onbillijk, want het gansche vertrek getuigde, hoe veel netheid vermag om behoefte te verbergen; en Kaatje--brave vrouw als zij was--beproefde te verhelen, hoe diep de smadelijke woorden haar griefden. Zij deed het om der kinderen wil.
"Maar, het is waar," voer hij voort, als tergde hem haar stilzwijgen, --en toch zou het haar onmogelijk zijn geweest iets uit te brengen, al had haar leven er aan gehangen,--"het is waar, je was het anders gewend. Als jonge jufvrouw, hadt je een meid om je aan te kleeden, en schoon er zie dàt niet bij je oude lui is overgebleven, toch was het Mijnheer en Mevrouw, ja wel!--"
Hij moest veel gedronken--hij moest, zoo als het gemeen zegt, een' kwaden dronk hebben, om dien toon aan te slaan; om Kaatje in hare omstandigheden, in zulk een' oogenblik, aan hare jonkheid te herinneren, toen betrekkelijke weelde haar deel was geweest, toen zij de poëzij des levens genoot:--achting, vriendschap, liefde--zij, die nu tot zulk een laag proza was gedaald:--vergetelheid, armoede, smaad.--
"Gaat naar bed, kinderen!" sprak zij tot de kleinen, zoo bedaard ze zijn konde,--zij had de oogen een wijle ten hemel geslagen.
"Nacht paatje," mogten de meisjes zeggen; "paatje!" grinnikte hij, "wel zeker, paatje! het was immers ook grootpapa _von Habernichts!_" Kaatjes lippen sloten zich krampig;--de jongen was aan de beurt, een borst van een jaar of tien.
--"Goeden nacht--"
"Haal me eerst mijn pijp, Bram!"
"Ze is stuk, pa!" zei de knaap.
"Stuk!" was het antwoord, "mijn meerschuimen pijp stuk! haal me mijn pijp, zeg ik, of ik sla je de ribben stuk."
"Doorne!"--viel de moeder in--"de kinderen hebben van middag achter gespeeld, en het roer gebroken."
"Dat komt er van; dewijl jij ze altoos t'huis houdt;--mijn pijp, jongen! zeg ik."
"Als wij het ruimer hadden, als we ze konden kleeden--" het was olie in het vuur,--die laatste hoogmoed van Kaatje, de hoogmoed van eene moeder op haar kroost!
"Wat ruimer! andere vrouwen kunnen er meer van doen dan jij, maar die zijn groot gebragt om den pot te koken, om--"
Bram was van de achterkamer weêr gekomen, met het _corpus delicti_ in de hand: het viel den jongen aan te zien, dat niet hij zich aan den afgod had vergrepen. De drift, waarmede Doorne de zenuwachtig trillende hand naar het gebroken roer uitstrekte, onttrok Kaatje aan zijne opmerkzaamheid; het laatste verwijt was haar te zwaar gevallen.
"O God!" zuchtte zij, terwijl hij bulderde:
"En wie heeft dat gedaan?"
Bram zweeg.
"Spreek op jongen!"
Bram bleef zwijgen.
"Als je niet antwoord, dan houd ik het er voor, dat jij de deugniet bent.--"
"Houd het er voor, pa!"
Het was zóó ver gekomen in het huiselijk verkeer, dat het kind den vader trotseerde,--schoon de knaap het uit een edel beginsel deed, dat vergoêlijkt het niet.
"Doorne!" borst Kaatje uit, terwijl zij hem de hand zag opheffen, om zijn kind te slaan, "Doorne! ge zijt u zelven niet,--straf Mietje, die ze gebroken heeft,--maar doe het morgen, niet nu!--"
De laatste woorden voegde ze er bij, dewijl Doorne opwaggelde, om naar de achterkamer te gaan.
"Er is nog een Goudsche pijp in den bak," zei Bram, instinktmatig naar een' afleider toekende.
Toen het kind andermaal uit de kamer was, sprak Kaatje, met tranen in de oogen, en smeekend zaamgevouwen handen: "Doorne! er was een tijd dat ge mij lief hadt--toen waart ge nooit beschonken,--moeten wij nog ongelukkiger worden?"
Het werkte.
"Er was een tijd dat ge mij lief hadt!" O grootheid der vrouw die alles geduldig had gedragen, bekrimping, ontbering, vernedering,--behoefte, armoede, gebrek,--zoo lang zij aan zijne liefde gelooven mogt,--die ook thans nog niet bezweek, al kon zij zich naauwelijks langer diets maken, dat er nog een' vonk van het heilig vuur in de asch gloeide.--"Toen waart ge nooit beschonken!" Er werd zedelijk verval, verstomping, versteening toe vereischt, om op zijnen leeftijd de gezochte makker te worden van een hoop losse jonge lieden, om genoegen te vinden in het zwelgen met deze, terwijl vrouw en kinderen te huis zaten, en treurden en teerden op de herinnering van blijder dagen.--"Moeten wij nog ongelukkiger worden?" Kaatje voorzag slechts te duidelijk, hoe weinig er in eene stemming, als die van dezen avond, na tooneelen als het geschetste, toe vereischt zou worden, om hem mede te slepen naar die plaatsen, waarop ter beschaming onzer hooggeroemde zeden, niet enkel de weelderige wulpschheid der jeugd hare gezondheid, en in deze haar geluk: de kracht des ligchaams en de krachten der ziel aan den wellust offert!
Helaas, versteening des harten is zoo naauw verwant met verdierlijking in genot.
Het werkte, zeide ik; maar of het op den duur zou hebben gebaat, als Doorne denzelfden slentergang was blijven gaan, aan een kantoor waarop hij automaat was geworden, naar een te huis, waarin hem slechts toenemende ellende verbeidde, wie weet het? Welligt ware hij, "om zich wat op te beuren," al dieper gezonken; doch grooter onheil, dan hij zich ooit had voorgesteld, trof hem: de Firma, in wier dienst hij arbeidde, failleerde! Verslagen kwam hij op zekeren ochtend bij Kaatje, vroeger dan gewoonlijk, te huis, en deelde haar mede, dat het met hem gedaan was! Op zijnen leeftijd scheen hem het vinden eener andere betrekking iets onmogelijks; hij was letterlijk wanhopig!
"Een christenmensch wanhoopt nooit," hernam zijne vrouw, in haren aandoenlijken eenvoud; "en allerminst onder rampen, die ons buiten onze schuld overkomen."
"Wacht maar tot de raven het u brengen!"
"Foei Doorne! er valt geen muschje op aarde, zonder den wil van onzen Hemelschen Vader,--als wij de handen aan den ploeg slaan ..."
"Maar ik ben te oud voor de expeditie; maar ik schrijf niet mooi genoeg voor de boeken; maar--"
"Ik zal toch doen, wat mijne hand vindt om te doen,--niet waar, man?" vroeg Kaatje.
"Zou het mijn pligt niet zijn?"
"Daar hoor ik mijn ouden Doorne weer," begon zijne vrouw, bemoedigd; ijlings viel hij haar in de rede:
"Maar het kwartaal is al eenige dagen verstreken--de patroons betaalden nooit, tenzij men er om vroeg--wie weet hoe lang het duren zal eer wij het krijgen? Daarbij, in deze kleêren zie ik er zoo schooijerig uit, dat niemand me nemen zal; en een' hoed en een vest te koopen--crediet heb ik niet, vrienden die leenen nog minder,--neen met mij is het afgedaan.--Ik kan bakker noch slager betalen ...
"Als het dáár slechts aan hapert," hernam Kaatje, "dan weet ik raad, geld zult ge hebben," en zij riep Bram, die op de achterkamer zijn zusje schrijven leerde. "Jongen!" sprak zij, en met bevende handen sloot zij eene latafel open, waarin een bijbeltje lag, in vloei gewikkeld--dat vloei had dertien jaren dienst gedaan, het was een bijbel met een gouden slot! O! de traan, die er op viel toen zij het nog eens bezag eer zij het haar zoontje overreikte! "Brammetje?" zei zij, "op de ----gracht, --het huis van de ----straat, is eene _Bank van Leening_.--"
Zij had die toevlugt zeker menigmaal van verre en in het voorbijgaan aangestaard, daar zij zoo juist de ligging, daar zij schier het nommer van het huis wist,--en was er echter tot op dezen dag altoos nog gekomen, zonder haren bijbel te verpanden.
"Het zal niet gebeuren, Kaatje!" viel Doorne in, "het is het laatste aandenken aan uwe moeder.--"
"Dank voor het woord," zeide ze en reikte hem hare magere hand; "maar ze zou me niet anders geleerd hebben, als zij er man en kinderen mee had kunnen redden. Ge hebt eene ordentelijke plunje noodig en wij allen moeten _eten!_ Bram! die groene deur ga je in--en--dan zal iemand je vragen, wat je hebt--"
Kaatje, die van buiten was, zoo als de Amsterdammers zeggen; Kaatje, die in het hoofdstadje van eene onzer landprovinciën was geboren en opgevoed; Kaatje wist niet, hoe alles daar stil toegaat, het handuitsteken naar het voorwerp,--het overreiken van het pand,--het beschouwen--het waardeeren --heet het, geloof ik, stil, als ware de bank van leening het graf der bedrogen hoop. Slechts de som, die men eischt, slechts de naam van den verpander, wordt gefluisterd, of het eene misdaad was.
"Dan vraag je zeventig gulden op het slot, het heeft honderd en vijf gekost; doch als ze maar zestig of vijftig geven willen, dan neem jij ze ook.--"
Doorne hield de hand voor het gezigt. Beschaamde hem de moed zijner vrouw,--kwam hij tot inkeer? Het knaapje zag zijne moeder aan, of het zijne ooren niet geloofde.
"En als ze vragen van wie je komt, dan zeg je van eene oude jufvrouw ..."
"Een leugen, Maatje?"
"Om best-wil, kind! Van jufvrouw Effen.--"
"Toe jongen, ga dan toch," voer zij voort. Het kind was blijven staan, vader en moeder beurtelings verbaasd aanziende.
Bram ging met looden schoenen--niet dewijl het kind al wist, welk eene droevige ervaring er in het woord der behoeftigen schuilt: "het gaat er heen als eene veêr, het komt weêrom als een steen." neen, dewijl ook hij een' instinktmatigen afkeer had van de schuine deur, die men niet binnen gaat, maar insluipt.
"O Doorne!" zei Kaatje, toen de borst de trappen af was,--zoo lang ze zijne voetjes hoorden, hadden beide gezwegen,--"o Doorne al kwam het ook nooit weer in mijn handen, zoo noode als ik het zou missen, zoo graag heb ik het veil, als gij weêr de oude wierdt, als ge mij liefhadt als weleer, als ge begreept, dat ik maar zuinig was om bestwil!--"