Liedekens van Bontekoe en vijf novellen Blaauw bes, blauw bes!—'T is maar een pennelikker!—Marie—De ezelinnen—Hanna

Part 6

Chapter 63,417 wordsPublic domain

"Rivers! in het vervolg laat jij turf af, je bent bedaarder," zegt de patroon, die van den Bergh nauwelijks heeft durven bestraffen; hij zou hem geantwoord hebben, dat het _knechts werk_ was. En Staaf, Staafje die met de overigen weêr binnen is gekomen, Staafje hoort het, Staafje die "er vinger en duim naar zou likken" om drie honderd gulden 's jaars te trekken,--de mededinger in den dop!

Als Rivers weigerde,--er loopen andere Staafs in menigte langs de straat!--Maar het komt niet bij hem op--hij lachte straks niet bij het rumoer der gebroken vensterschijven,--hij verkropt nu.

Gelukkige van den Berghs, gelukkige volontairs! had ik moeten zeggen, die u zelve niet om den wille eener kleine toelage behoeft te verloochenen, die den handel als eene wetenschap bestudeert, wat zijn voor u _copij-boek, rekening-courant, journaal, grootboek_, wat zijn ze voor u andere voorwerpen, dan voor den eigenlijk gezegden bediende! Of verkeeren in uwe oogen de cijfers niet in zoo vele tooverteekenen, welke gij magtig moet zijn, om den staf te zwaaijen, die alle geneugten des levens, alle weelden van den geest ter beschikking van zijnen gelukkigen eigenaar stelt! "Phoe!" hoor ik uitroepen, "alsof er poëzij in den handel school, alsof hij iets van philosofie wist!" En men is zeer beleefd als men het daarbij laat; want het spook der slinksche streken, der knevelarijen, der volslagene oneerlijkheid, het staat aan de deur en het klopt. Laat binnen, mijne heeren! er zijn schelmen onder de kooplieden;--maar eilieve, vergun mij een enkele vraag: is in uwe kringen, in die der wetenschap en in die der kunst--voor de balie, bij het ziekbed, op den kansel,--in den raad en aan het hof, is daar alles goud wat blinkt? Ik eisch niet, dat ge mij de gruwelen biecht, welke allerlei ijverzucht, van lage broodnijd af, tot geniale jaloezij toe, ook onder u aanrigt; ik wenschte slechts, dat gij erkendet, dat menschen menschen blijven, waar gij die ook aantreft. Ik vleide mij dat uwe studie u ten minste tot de overtuiging zou hebben geleid, dat een gezin, eene maatschappij, een staat, dat onze handeldrijvende burgerij, zoo zij door geene andere dan onedele; oneerlijke, onzedelijke beginselen werd bezield, niet zoo lang zou hebben bestaan, in de orde der dingen niet denkbaar is.--Poëzij, philosophie, het ligt gelukkig in den aard der menschelijke natuur, die overal meê te dragen, die onder allerlei omstandigheden aan te kweeken: wie oogen heeft om te zien, merkt beide alom op.

Volontairs vallen eigenaardig in twee klassen te verdeelen, _inheemsche_ en _uitheemsche_. De kantoorbediende haat beide met een' fellen haat. "Het zijn heertjes, die voor een' beenen knoop werken!" Wat wonder, dat hij de binnenlandsche nog minder kan uitstaan dan de buitenlandsche? Om de laatste van de hoogte, waarop zij zich boven hem plaatsen, neêr te trekken, geeft onze volkstrots hem honderd middelen aan de hand. Ten eerste "zijn het meestal maar moffen"--ten tweede "vreemde vogels, vreemde veren; wie weet, hoe het er in hun nest uitziet?"--ten derde ... maar er is geene aardigheid aan de teekening dier magtelooze woede en even magtelooze wraak. Ook treffen wij bij den tweedehands koopman slechts den inboorling, slechts een' vrijwilliger van goeden Hollandschen huize aan. Grooter kwelling dan de trekvogels, die hier hunnen zomer doorbrengen, en in het volgend saizoen naar Havre of naar Liverpool, naar Hamburg of naar Londen vliegen, blijft de inheemsche vrijwilliger onzen klerk eene rots der ergernis, die geenszins uit den weg wordt geruimd, al stoot hij er telkens morgen op het kantoor zijne scheenen niet meer aan. Immers, ofschoon de heuschheid des chefs veelal tegenstellingen als die, welke wij straks omtrokken, voorkomt--de turfhistorie is exceptioneel, maar schildert er niet minder om!--toch vallen er op de grenzen gedurig schermutselingen voor. Neem eens beider uitspanning! Wat de openbare betreft, het verschil is gering, dewijl we er schier geene hebben: dank zij de ligging onzer koopsteden, dank zij onzen huiselijken aard! Immers,--wandelingen? geniet de natuur als gij kunt in den omtrek van Amsterdam of Rotterdam! Gezellige genoegens in den winter, in ruimeren kring dan die van vertrouwde vrienden? de laatste stad biedt er weinig aan, tenzij ge het koffijhuis, het biljart, enz. daaronder betrekt. Concerten? ze zijn in de hoofdstad wat duur voor kantoorbedienden; maar deze heeft schouwburgen, het is waar, in het gebouw op het Leijdsche plein--met acteurs, die om een longtering wedijveren, zoo schreeuwen zij--voor de vrijwilligers; en voor de anderen de Variétés in de Nes--de kunst en nog iets, eene pijp en een glaasje.--En toch zult ge mij van geene overdreven kieskeurigheid beschuldigen, als ik deze en andere plezieren, onzer jeugd uit den middelstand aangeboden, maar overspring, om van het onderscheid tusschen beider huiselijke geneugten te gewagen? Stel u van den Bergh voor, als hij des zomers, 's zaterdagmiddags, na de beurs, in een' omnibus wipt, om naar het buiten zijner ouders te sporen, of uit het portier eener diligence, de gansche Kalverstraat door en de Utrechtsche op den koop toe, op de t'huis blijvende sukkels, Rivers en consorten, nederziet, hij, die naar de Vecht of naar Zeist moet! En de winter is niet liefelijker voor den misdeelde dan het schoone saizoen zich jegens hem betoonde; de vrijwilliger woont in die barre maanden allerlei partijtjes bij, met wier beschrijving hij misschien den klerk kwelt--dewijl het hem, in de prettige stemming, eener onbezorgde jeugd eigen, niet invalt te vermoeden, hoe zeer het verhaal dier geneugten den ontberende ergert en grieft. Van den Bergh spreekt van zich te vestigen, van den Bergh is geëngageerd, als Rivers nog aan geen huwelijk, zelfs met een allerburgerlijkst meisje denken durft. Welk een hatelijk buurman wordt hij; wat al afgunst wekt hij op! Confraters achter den lessenaar, herneemt de hoogere stand zijn regt, liever gaapt de maatschappelijke klove op nieuw tusschen hen, zoodra zij de deur des kantoors achter zich hebben digtgetrokken. De eene heeft eene toekomst; de ander geen verschiet dan dezelfde dienstbaarheid. Als de balling van het maatschappelijk leven er zich niet dood over zal kniezen, rest hem maar één middel om gelukkig te zijn; het zich te wanen. Andere kapitein Jackson, die zich in zijn armoede rijk dacht, moet hij zich verbeelden, dat hij er in zijne bekrompenheid wonder wel aan toe is. Of het bij allen, als bij den vriend van Lamb, ontstond uit eene speling der natuur, die de oogen des mans, voor het weinigtje genot hem vergund, de eigenschap van vergrootglazen bedeelde! Maar bij geen enkele van honderd heb ik de opgeruimdheid van geest aangetroffen, welke dien sanguinen Brit onderscheidde; het is meestal een ziekelijk zelfbedrog, dat kwalijk de innerlijke ontevredenheid vermomt. Als men herwaarts en derwaarts heeft uitgezien en van deze noch gene zijde hulp, licht, troost ziet opdagen, dan zet men zich moedeloos ter zijde van den grooten weg neder, dan legt men de handen in den schoot, en verzekert den eersten voorbijganger den beste, die ons vraagt, waarom wij dáár blijven mokken: "Wel ik mok niet, ik zit hier heel goed;" al is de glimlach waarmeê wij het zeggen, ook zuur als edik.

De billijkheid eischt, dat wij er bijvoegen, dat de middelen, om uit dien toestand te geraken, soms erger kwalen te weeg brengen.

Het is zomer--het zondag-ochtend--het is zeer vol in het Park (in de Plantaadje te Amsterdam). Een gesprek over de groote voeten der Hollandsche vrouwen, in een poespas van allerlei talen, aan een met zes of zeven jongelui en even zooveel glaasjes bitter bezet tafeltje luidruchtig gevoerd, ergert al wie in de buurt zit: den heeren, dewijl zij het ongeveer verstaan; der dames, dewijl ze er meer van begrijpen dan haar lief is. Eensklaps rijst de drokste babbelaar van allen op: "_Himmelkreutz element_," roept hij, "een oude kennis!" en stuift naar een jonkman, die, in een' hoek, tegen het logement aan, bij een kop koffij zit te mijmeren.

"Wel Vreese, hoe maak jij het?--het is _opvallend_, zoo weinig als jij veranderd bent, 't is _fameux!_"

De aangesprokene neemt den vreemden snoeshaan van het hoofd tot de voeten op, "Ik weet waarlijk niet, wien ik de eer heb te zien," zegt hij, schoon de eer gering is; want, trots de elegante kleeding, trots den gouden horologieketting, trots den baard _à la jeune France_, en een' _glacé-handschoen_, die om de lange linkervingers schijnt gegoten, terwijl de Vreese toegestoken regterhand met een' ring, wat ben je me! praalt, brengt de oude kennis noch den aanbevelingsbrief van een fatsoenlijk voorkomen, noch het hooger te waarderen getuigenis van een zedelijk gedrag mede.

"Hoe heb ik het met je? _Stupéfait_, Vreese, ken je dan waarachtig Braeuwtje niet meer? De Braeuw, man!"

Vreese herinnert zich, ja. Het is zeven jaren geleden, en toch heugt het hem, dat er, op een' mooijen Meidag, een flinke borst aan het kantoor kwam, die er maar een half jaar bleef, en aan wien hij echter dikwijls heeft gedacht; de jongen had raafzwart haar, en oogen als vuur. Het eerste is er nog, maar de laatste! Als Vreese dichter was geweest, hij had er uitgebrande vulkanen in gezien. Herkenning,--herinnering, --herschepping,--de daad, de gedachte, de opmerking, was het werk van een oogenblik; eenige onbeduidende vragen en antwoorden volgden,--de Braeuw was al begonnen aan eene vertelling van zijne historie.

"En ben je nog altoos bij den Oude? Hij was mijne gading niet. Dat had ik gaauw _gewaarmerkt_, en daarom poetste ik de plaat. Ik heb lang gezocht, en zal blijven zoeken, tot ik vind wat mij lijkt. "_Toujours content et sans souci, c'est l'ordre du grand Bamboury!_" als een oude likkebroêr zei. Laat zien hoe dikwijls ik al _omzadelde. Fameux!_ Van Effens en Zoon, waar ik je leerde kennen, naar Schnack & Co., maar dat weet je, toen zagen wij ons nog!--Van Schnack & Co. naar Gebroeders Ter Sol, te Rotterdam, van die, naar Auf Dem Acker Wittwe & Sn., in Crefeld en uit dat aardig stadje naar Du Bois, la Riviere & Ce., te Parijs; ik zou er eerst bij een grooter huis zijn gekomen, maar die _onderbraken_ hunne betalingen: _c'est jouer de malheur, ma foi!_"

"Maar me dunkt," zegt Vreese, om toch iets te zeggen, "ge hebt geene reden van klagen,--zoo dikwijls buiten betrekking, en toch telkens weer geplaatst ..."

"O dat is het minste, jongenlief, als men zich presenteert, zooals ik ... _fameux!_ En bovendien er zijn huizen genoeg in Parijs die zich vleijen met de exploitatie van eene goudmijn, _dans le pays de canaux, canards, canaille_, als ze maar een hollandschen reiziger hebben. Foei, wat zie je zuur om die aardigheid van den Heilige van Ferney! Het is een woord, waarin veel waars steekt, schoon het mij hier zelden _ontsnapt_. Drommels, neen, men moet in dit land zeer voorzigtig wezen; en toch knijpen ze hier de kat in den donker. Maar wie zijn leven genieten wil--_fameux!_"--

"Die moet naar Parijs," valt Vreese, met veelbeteekenenden blik in.

"_J'ai longtemps parcouru le monde_."--neuriet de Braeuw "_Statt Reuter bin ich nur noch Pferd_, dat is waar; maar toch heb ik andere dagen beleefd, dan gij ooit bij den oude zien zult. Schnack's reiziger gaf mij eens een kijkje op zijn leven, en schoon hij maar een apenkind was, en zijn pret niet de geraffineerdste, dat moet ik van de _gesinnungen_ van den man zeggen, hij was van de ware leer: _Le jour aux affaires, le soir au plaisir_--_fameux!_ Er is overal goede wijn, en er zijn overal mooije meiden--of ben je misschien getrouwd?"

"_Excuseer!_" zegt Vreese,--een mal antwoord op zulk eene vraag.

"_Pas d'offense_; aan een huwelijk valt in onze betrekking niet te denken, en ook: _Que diable allait-il faire dans cette galère?_ Er zijn zoo weinig vrouwen, die niet wel eens--_fameux!_ Maar je ziet al weêr zuur, heb je zusters?"

"Wij hadden eene moeder, de Braeuw!"

"_C'est du sérieux, vraiment!_" maar Vreese lachte niet. "Wat ik maar zeggen wil," vaart Braeuwtje voort, "dat ik een prettig leven heb geleid; dat zit er achter den houten bak niet op. "Poot an speulen," zei Schnack, "dat ist Hollandsch!"--het was al wat hij in dertig jaren hier had geleerd; maar wien hij er toe kreeg, mij niet. Als ik er langer gebleven was, dan zou het tusschen mij en den grompot tot _daadwerkelijkheid_ zijn gekomen, _bei meiner Seele_, dat zou het--_fameux!_ Maar ik kreeg de reizigersplaats te Rotterdam in 't oog, in Verfwaren weet je;--in Creveld pakte ik de Linten beet;--nu heb ik eene heele Galanteriekraam hij me. Kom eens kijken, als je lust hebt; in de Star, No. 15, _à votre service_, mits ge mij niet alleen laat babbelen. Adieu, Vreese, _au plaisir!_"

Vreese oogt hem half verbaasd, half verontwaardigd na--en wèl mag hij het doen! Verbastering van taal en verbastering van zeden, niets degelijks, niets hollandsch meer!--"Alleen babbelen!"--, wat zou hij hem hebben toe te vertrouwen? Hoe arm aan gebeurtenissen, aan geneugten vooral, is zijn leven in die jaren geweest! Wat heugt er hem van dan ellende? tweeërlei jaloezij! De eene is hij te boven, maar de andere?

Opdat ik niet langer in raadsels spreke, hij heeft bij Effens en Zoon een' confrater gehad, die het veel verder in de wereld zal brengen dan hij--het was ook een Oost-Fries. Als gij rondziet, hoe velen van die natie, neen, van die inboorlingen van Embden, Leer, en meer stadjes van smokkelige vermaardheid, hier wortel hebben geschoten, dan zult ge het met mij eens zijn, dat òf ons volk een predilectie voor hen heeft, òf dat zij met het genie der intrigue zijn begaafd. Gaarne vergun ik u eenigen van dit dilemma uit te zonderen; ook ik ken er heusche menschen onder, enkele zelfs reken ik onder mijne vrienden. Maar de lessenaarmakker van Vreese vertegenwoordigde al de gebreken welke de soort kenschetsen; hij wist "ieder schoenen naar de voeten te geven," dat wil zeggen, beurtelings onbeschaamd en laagzielig, was het hem om het even, of hij trapte, of dat hij getrapt werd--mits hij maar vooruit kon komen, vooruitkruipen is het ware woord. Effens en Zoon--brave kooplui in granen--waren in het eerst zeer met hem gediend;--niets natuurlijker. Zij eischten slechts het redelijke van hem, maar hij zou zich zelfs het onredelijke hebben getroost;--het was zijn belang hunne relatiën zoo spoedig mogelijk te leeren kennen,--en het scheen, dat hunne zaak hem ter harte ging, als ware ze zijne eigene geweest. Hoe verschilde het oordeel, over hem uitgebragt, naar het doel dat men hem toeschreef: Vreese sprak van afneuzen en flikflooijen, terwijl de patroons hem voorkomend en ijverig prezen. Weldra walgde de eerste van den gluiper, en werd onaardig, norsch, bar tegen hem; de Oost-Fries trachtte den steen, dien hij niet uit den weg konde schoppen, op zijde te schuiven. Hij lasterde Vreese, maar de in het duister afgeschoten pijl stiet op den schutter terug, en--hij kreeg zijn afscheid. Hoe Effens en Zoon er voor boetten, dat hun open aard hun niet had vergund, hem te verhelen, hoezeer zijn karakter hen tegen de borst stiet! Naauwelijks was hij bij een' hunner niet overkiesche concurrenten geplaatst, of deze schoten met het kruit, hun door den Oost-Fries verstrekt, onder hunne duiven. Hij had een hoog salaris bedongen--want hij kon relatiën aanbrengen van zijn vorige patroons. "Dat gaat zoo," zeide deze en gene; maar wie het zeide, Vreese niet. Trots al het geld, dat zijn voormalige confrater nu verdient, zou hij niet in zijne plaats willen zijn. Vier of vijf soorten van beroepen in zich vereenigende, en partij trekkende van elk, bij wie het hem gelukt zich in te dringen, zal het niet bij den _tilbury_ blijven, waarin hij straks Vreese voorbij reed, een leelijk gedrogtje, maar dat geld heeft, aan zijne zijde. Vreese, die zich niet weêrhouden kon haar op te nemen, beantwoordde het knikje niet, waarmee hij hem groette--zulke Oost-Friezen worden nooit kwaad, weet ge.

Welligt zou Braeuwtje, ondanks zijne wilde haren "amen!" zeggen op de voorkeur, die Vreese aan "een' goeden naam boven olie" geeft; maar zijne tweede confidentie, neen, het viel dezen niet te vergen _hem_ die te doen. Stel u voor, welke oogen de losbol op zou zetten, bij het verhaal eener hopelooze liefde!--"_Peut-on être si bête!_" zou hij uitroepen, "voor deze eene andere!"--Maar Vreese heeft Betsy al drie jaren gekend, en nog is the _awful question_ niet over zijne lippen gekomen, al is hij zeker, dat zij hem geen "neen!" zal geven. Hij zou haar vragen--als hij maar geen kantoorbediende was.

Eenige weken vóór zijn bezoek van het Park zaten zij zamen aan de piano; hij speelde, zij zong. Ik weet niet, welk teeder liedeke van Heije haar deed haperen--genoeg, schroom beving haar, zij aarzelde;--o hoe gaarne had Vreese haar door een' kus gezegd wat zij niet durfde uitbrengen! Onwillekeurig hief zijne hand zich van de toetsen op, de verzoeking was hem te sterk,--hij wilde zijnen arm om haar midden slaan.

Helaas!

Betsy begreep en verijdelde het gevaar, waarin zij verkeerde; ze zong den tekst, smeltend als hij was. "Maar een kantoorbediende!" zuchtte Vreese, op wien hare zelfoverwinning den invloed uitoefende van een koud bad. En een derde kwam binnen en de piano ging digt,--Betsy ontving hem sedert niet weêr alleen.

Ongaarne zou zij hem bedroeven, en echter een blaauwtje moest zijn lot zijn; want wat zou zij, als ze hem nam, harer kennissen, harer vriendinnen antwoorden, als zij haar vroegen: "En wat doet Mijnheer?"

Ge zult als ik met Vreese ophebben, wanneer ik u verzeker, dat het hem nog nooit was ingevallen te wenschen:--"dat Betsy rijk ware!"--dat de gedachte aan een' _mariage de raison_ hem nog een gruwel was. Het is waar, hij telde naauwelijks zeven en twintig jaren, maar: "liever naar de Oost, dan door eene rijke vrouw de man te worden!" Hoe zich de zeden afspiegelen in de onderscheidene beteekenis in verschillende eeuwen aan de woorden gehecht! "De man": dat was weleer in hoogen en lagen kring, de verpersoonlijking van moed en van kracht; dat was hij, bij uitnemendheid, die de lans het rapste velde, die de bijl het zwaarste neer deed vallen,--dat is in onze dagen hij vooral, neen, hij alleen, die het hoogste woord mag voeren, dewijl hij geld heeft. En echter, gij zult als ik Vreese beklagen, wanneer ik er bijvoeg, dat hij--er zijn jaren verloopen sedert het oogenblik, 't welk ik schetste,--na vaak, maar altijd vergeefs naar eene betere betrekking te hebben gestaan, zich thans te oud acht om naar Nederland's Indië te vertrekken, en die meening voedsel geeft door de theorie te onzent aan de orde van den dag; "Eén vogel in de hand is beter dan drie in de lucht!" Van den bedompten kantoor-dampkring schier geheel doortrokken, is hij allengs meer der onderdanigheid gewoon geworden, verbaast hij er zich zelfs niet langer over, dat hij dag aan dag mede aan de beurs figureert: de nul, die de eenheid vertienvoudt, maar op zich zelve slechts een nul is. Conservatief _quand-même_ gruwt hij van alle nieuwigheid-zoekers in alle vakken; zoo de veranderingen, welke die "afbrekers" wenschen, tot stand kwamen, ze konden hem zijne betrekking kosten; zijne betrekking die zijn alles is,--sedert Betsy huwde!--Hij leeft immers nu _tevreden_--behalve wanneer hij haar ontmoet, een jongske van een jaar drie vier, aan de hand?--

Het deert mij, dat mijn onderwerp er me toe verpligt zoo veel geloof van u te eischen, en toch zult gij weder op mijn woord moeten aannemen, dat het nergens moeijelijker valt met een klein fonds zaken te beginnen, dan in eene der koopsteden van ons vaderland,--dat men aan geen beurs, om een' technieken term te bezigen, "meer op de tand wordt gevoeld," dan aan de Amsterdamsche. Ware dit zoo niet, welligt had ik nooit uw geduld door dit opstel op de proef gesteld; welligt kende onze taal den smadelijken uitroep niet, aan het hoofd dezer bladen geplaatst. "'t Is maar een pennelikker!" geldt minder dan veertien-, vijftienjarigen borst die zich te goed doet op de zaken van zijn patroon, dan den kantoorbediende van dertig of vijf en dertig jaren, die, trots zijn' rooden hoed en kalen jas, aanspraak maakt door de heffe des volks "mijnheer" te worden genoemd. "Foei, van den ziekelijken trots!" wilt ge uitroepen; of ik u bewegen kon te zeggen: "De arme afhankelijke!" Vergun mij den toestand andermaal in beelden te brengen, het zal de scherpste toets van de billijkheid mijns verlangens zijn. Mogt die schets mijner voorstelling tevens vrijwaren voor al te eenzijdige opvatting! Vreese en de Braeuw kunnen misduid worden tot een beweren, dat kantoorbedienden zelden trouwen, dat reizen in den vreemde onze jongeluî bederft. Behoef ik te verzekeren, dat ik noch het eene, noch het andere bedoelde? dat ik slechts wilde afschaduwen, hoe de verloochening van zelfgevoel, waarvan wij in Rivers eene proeve zagen, maar de eerste stap is tot nog zwaarder ontberingen--Vreese--tenzij de natuur zich door uitspattingen wreke, als in den verbasterden de Braeuw.