Liedekens van Bontekoe en vijf novellen Blaauw bes, blauw bes!—'T is maar een pennelikker!—Marie—De ezelinnen—Hanna

Part 5

Chapter 53,812 wordsPublic domain

Te regt zou men er zich over beklagen, dat de geestige Breêro, welke ons in deze weinige regelen de stoffaadje van een koopmanskantoor zijner dagen heeft geschilderd, er geene tekening van de klerken zijns tijds bijvoegde, als het minder waarschijnlijk was, dat men het beroep, waarvoor thans een patent van kantoorbediende wordt vereischt, toen naauwelijks kende. Immers, het valt ligt zich een' zeehandelaar der zeventiende eeuw voor te stellen, die slechts een factotum voor het loopende werk nahield, en misschien een' boekhouder bezoldigde welke wekelijks eenige uren de zaken kwam bijschrijven,--tenzij de zucht voor geheimhouding, onzen handel eigen, den man aanspoorde, geen derde toe te vertrouwen, wat niemand behoefde te weten, dan hij en zijne vrouw. Er zou harmonie zijn geweest tusschen dat vele zelfdoen en de overlevering, die ons vertelt, dat Jan de Witt maar één' dienaar had.--Ik tart u echter uit, u de paruik van den kleinzoon diens koopmans voor den geest te brengen, zonder dat zich, in uwe verbeelding, rondom dat hoofdtooisel met eene krulbatterij, een aantal jeugdige oude mannetjes groepeert, op het kantoor te voorschijn geroepen door eene driedubbele behoefte: de zeden waren weeldiger geworden--de gemeenschap had allerwegen toegenomen,--de mededinging was bij de naburen ontwaakt. Men kwam er niet, tenzij men alle zeilen bijzette. Weder valt mij eene historische bijzonderheid in, welke deze wijze van zien staaft. In de dagen van Willem IV plagt de handel op ieder slempmaal gedacht te worden, onder den toast van: "De zieke Bruid!"--Voeg nu bij de eigenaardige verschijnselen der negentiende eeuw: het verdwijnen van allen afstand, dat wij aan den stoom te water en te land hebben dank te weten, en de liefhebberij onzes tijds voor bespiegelingen en voorspellingen, op statistische tafelen gegrond; voeg bij deze den uit beide geboren' wedijver, wie den vreemde het eerst, het uitvoerigst, het drokst berigten zal geven; en gij verbaast u er niet langer over dat de meeste kantoren van drie tot zes, ja tot tien en twaalf klerken hebben. Alleen de veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij veroorzaken iedereen Duitschen Commissionair grooter uitgaven aan papier, drukloon en porto, dan een zeehandelaar weleer in een geheel jaar betaalde, en eischen handen in evenredigheid.

Waarom wordt men klerk? Gij hebt zeker wel eens eene school zien uitgaan,--eene burgerschool, meen ik, eene armenschool zelfs, en u vermeid in het weergaloos schouwspel, dat die jeugd aanbood? Welk eene gelijkheid, en welk eene verscheidenheid tevens! Eene wereld in het klein! Houd er oogen op, als gij kunt. Soldaatjespelen,--de eerste stok de beste is een generaalsstaf, voor dien flinken borst;--paardenmennen, --wie denkt gij dat het spoedigst moê zal zijn, de koetsier of de rossen! --scheepje zeilen,--de klomp gaat te water, als zij maar een touwtje vinden om hem aan te vieren,--wij hebben het naauwelijks opgemerkt of de woeligsten zijn al uit ons gezigt: er schuilen matrozen, voerlieden, krijgsluî in. Dáár plaagt een krullebol een aardig meisje,--maar dat zullen zij eens allen doen, dat is het algemeen menschelijke,--ik wilde u tot den bijzonderen aard, blijkbaar uit de keuze van het een of ander beroep, bepalen.--Welnu, we zien arbeids-en handwerkslieden in menigte: --toekomstige metselaars, die naar dat half voltooide gebouw kijken, of zij de evenredigheid der zwaarte tusschen balken en muren berekenden; --toekomstige hoveniers, die gadeslaan of de lentezon de knoppen van het geboomte sedert gisteren verder heeft doen uitbotten;--toekomstige kastenmakers, die een voorbijgedragen meubel begluren, of het open moest springen voor hun nieuwsgierigen blik;--maar, er zou geen einde aan zijn, zoo wij alles wilden bespieden, wat hier in den dop te zien valt.--En echter, het is aardig naar het gindsche groepje te kijken: een der jongens heeft een stuk krijt gevonden, en zie eens, hoe hij teekent, hoe hij karikatureert! Hij hinkt aan het zelfde euvel, waaraan wij allen lijden: hij overdrijft! Die neus van den meester steekt den draak met alle proportie. Doch, geen nood, er zijn critici om hem heen, recensenten voor ieder, die zijn werk der beschouwing van het algemeen prijs geeft; wat is billijker?--Indien gij uw' aanstaanden timmerman vindt in de drie voet hooge wijsheid, die dáár een stroowisch tot passer bezigt, vergun mij op te hebben met den vluggert, welke een' weinig verder een vlinder naloopt: hij zal blaken van lust om te ondernemen; hij zal koopman worden; hij zal wagen en winnen. Winkeliers-geest, die te huis blijft zitten en verbeidt, ik zie hem te over, bij dien knikkerenden hoop. "Valsch doen!" hoor ik roepen. Arme jongen! die u zoo boos maakt over het gepleegde onregt; die den kleinen bedrogene de hand boven het hoofd houdt; die, nu gij hem hebt gewroken, zoo ernstig naar den blaauwen hemel opziet, toekomstige dichter! wat deed ge bij het spel? Hij geeft geen antwoord, verloren als hij is in de beschouwing eener bloem, die aan den weg groeit; liefde voor het schoone bij zin voor het edele, ik mag dien jongen.--Toch verlies ik hem uit het oog, om den wil van den gindschen manke; gebrekkige jeugd is zulk een deerniswaardig schouwspel!--Maar ge hebt gelijk, hij kan kleêrenmaker of schoeneflik worden, en als hij geld en geest heeft, zoo goed een' graad in eene der drie faculteiten verwerven, als een van deze rechtsgeleerden, geneesheeren of leeraars _in spe_.--Doch, zeg mij, hebt gij in die bonte wemeling van standen, in die wereld in het klein, ergens een' toekomstigen kantoorbediende gezien?

Helaas, neen! Er ligt te weinig poëzij in dien toestand, dan dat hij den onbevangen blik der jeugd zou kunnen aanlokken. Stel u de jonkheid vóór, zoo als ge wilt, onder den invloed van begrippen, aan den natuurstaat verwant, of alreeds beheerscht door den zin, die onze beschaving kenschetst. Het werktuigelijk beroep belooft zoo min geluk als genot; het waarborgt even weinig vrijheid, als de schadeloosstellingen voor deze: weelde, gezag, roem. Denk niet, dat ik der volksjeugd zoo groote wijsbegeerte toeschrijft, dat zij zich van die oorzaak bewust is, dat zij er zich reden van geeft. Verre van daar. Maar des ondanks moet gij als ik dikwijls hebben opgemerkt, dat zij slechts sympathie over heeft voor alles, waarin kracht schuilt, dat de populairste beelden tevens de onafhankelijkste zijn. Het is of in den boezem des volks het bewustzijn der oorspronkelijke bestemming van het mannelijk karakter wordt omgedragen: ontwikkeling aller krachten, aller gaven.--Knecht--klerk --hofmeester--hoveling--hebt gij ooit een jongen ontmoet, die u zeide, dat hij één dier vier dingen worden wilde? Allen leeren spoedig genoeg --in de laagste kringen het spoedigst,--dat er iets, dat er veel van de vrijheid moet worden opgeofferd, om den wille van het geld--maar er geheel afstand van te doen, maar zich zelfverloochening ter taak te stellen, en dat wel een gansch leven lang, dit is eerst in lateren leeftijd het gevolg òf van nooddwang, òf van dweeperij, òf, in exceptioneele toestanden, van deugd.

Als de school echter voor ons niet te vergeefs zal zijn uitgegaan, dan moet ge mij vergunnen, nog eens naar de jongens terug te keeren: er waren toekomstige klerken in den hoop, tweeërlei soort zelfs, al was er niets in hun uiterlijk dat het aanduidde, al wisten zij het zelve nog niet. De tros des heers, de bedaarde naslenteraars, de bezadigde jongelui, zullen die waarschijnlijk opleveren. Het zijn òf kinderen van gemeene lieden, die zich de nering hunner ouders zullen schamen, en, ten gevolge van het verbeterd onderwijs, ééne sport hooger zullen klimmen op de ladder des maatschappelijken levens, die klerken zullen worden in plaats van bazen;--òf het zijn zonen eener weduwe, van goeden, maar armen huize, telgen, die voor de misslagen hunner ouderen boeten: een onberaden huwelijk, de oorzaak van achteruitgang en armoede. Ik vrees, dat het te fijn gesponnen zou zijn, de eersten op school te willen herkennen aan hun uitmuntend gedrag, dat hen soms tot den twijfelachtigen rang van kweekelingen verheft; maar ik ben er zeker van, dat zij de bollen van de bent zijn, in fraai schrijven en vlug rekenen. En wat de laatsten betreft, wij hebben geene verontschuldiging in te brengen, dan dat er zóóveel te zien was; maar anders, wij hadden hunne bestemming moeten gissen uit armen en beenen, die zegevierend door mouwen en pijpen van hun oud, maar fijn pak staken; uit aangezigten, die niets beloofden; waarop geene wolk van sluimerend talent rustte, waaruit geenerlei zielskracht blonk. Het beginsel, dat de ouders van beiden dit beroep voor hen zal doen kiezen, is hetzelfde: dolende eerzucht, die er krampachtig naar streeft heer te blijven; dolende eerzucht, die er krampachtig op uit is, heer te worden. Al het onderscheid tusschen dit groene koren des kantoors bestaat dáárin, dat de eene soort het voor een' meelmolen houdt, waarin het heel veel eer is fijn te worden gemalen, terwijl de andere het niet hooger schat dan een' pelmolen, waarin zij slechts van den bolster zal worden ontdaan. Eene verschillende wijze van zien, welke niet belet, dat Piet, die, na een jaar twee, drie sloovens, zijne eigen zaken dacht te beginnen, zijn leven lang achter den lessenaar van zijn' patroon blijft zitten, terwijl Claes, die al overtevreden zou zijn geweest, zoo het hem vergund ware geworden voort te blijven kruipen, vliegt, vliegt, wat benje me! Geen wonder--de geblinddoekte fortuin drijft in alle standen hetzelfde spel, met voornemens en wenschen.

Er is een tijd geweest, waarin men geloofde, dat er, ter voorbereiding om op een koopmanskantoor te worden geplaatst, niets geschikter was, dan eenige jaren op dat van een' practizijn door te brengen, des noods bij een' Advocaat, maar liefst bij een' Notaris. Soms verdwijnen kleine eigenaardigheden van het volksleven slechts ten gevolge van groote omwentelingen. Welligt zoude men, als het de moeite van het onderzoek beloonde, doorgaans tot dezelfde uitkomst komen, waartoe de navorsching dezer bijzonderheid leidt, namelijk: dat elk begrip, iedere gewoonte eene schakel is in de groote keten, en dat de schijnbaar onbeduidendste niet wijken, niet te verwrikken zijn, dan door een volslagen omsmeding, die het verroeste herblaakt, en louterende vernieuwt. "Bij een' practizijn leert men stellen," heette het, O genius van ons Proza! waartoe was het met u gekomen? De protocollen van Jan Borliut, de school voor de eenvoudigste uitdrukking der wereld, de school ter afsluiting eener rekening, de school voor koopmans-briefstijl;--Hollandsche Taal! wie het kernige en korte scheen aangeboren, hoe hieldt gij het uit? Hooft had ons proza de toga der Romeinen omgehangen, en statig en sierlijk bewoog het zich in de breede plooijen; maar als hij had kunnen voorzien, dat men, het spoor bijster geworden in de bewondering van het Latijn, alle eigenaardigheid zou doen verstikken in het stof van processtukken en inventarissen, hoe zou hij den ongebonden stijl van de schoolsche banden hebben bevrijd! Had hij het proza niet vergund langs straat te slenteren, even als hij zijner schalker muze in het Gooi bij wijle vrij spel liet? Helaas! zijn aandringen op de ontwikkeling aller inheemsche gaven en krachten was _vergeefsch_ geweest,--hij voorzag slechts te juist, dat er een tijdperk van weelde, van traagheid, van stilzitten, op het woelige, krachtvolle, roemrijke, dat hij beleefde, volgen zou. Al waarschuwde hij er tegen, wat baatte het? Maar een verslapping, die onze gedachten, onze letterkunde, onze volksbeschaving prijs gaf aan het voortdommelen in de éénige slavernij, uit welke onze vaderen zich niet wisten vrij te maken, de kwalijk begrepen navolging der ouden;--maar eene verslapping, die eerst alles wat naar het Latijnsche zweemde, fraai vond, en, weldra in aperij ontaardende, aan iedere windvlaag, die ons uit den vreemde bastaardklanken overwoei, het oor leende,--wie zou deze hebben durven voorspellen? Het was of de woorden allengs hun gehalte verloren. Vervalschte, vermengde munt, werden er drie geldstukken vereischt, waar weleer één had kunnen volstaan,--en woog het bekende: "_puur_ zuiver en _innocent_", nog het goed oud-Hollandsche _onschuldig_ niet op! Wat wonder, dat van Effen, die den Genius van ons proza als portier van Jan Borliut aantrof, hem onhandelbaar en onhebbelijk vond; stroef van toon als hij heusch van geest wilde zijn, verlamd van tong en vereelt van oor, hem, die geschapen scheen, om voor alles wat kloek en groot, wat lief en schoon is, uitdrukkingen te smeden, louter nabootsenden klank, louter beeld! Slechts één schuilhoek was den stakker overgebleven, waarin hij de armen vrij mogt hebben; slechts één publiek, waartoe het hem vergund was te spreken, in den schilderijen tongval onzer oude kluchtspelen: zoo "de Spectator" nog leeft, hij wijt het dank aan het beluisteren van de lippen des volks. Het volk, het gemeene volk, dat zijne taal niet met Latijnsche en Fransche bastaardklanken had doorspekt, dat Hollandsch was blijven praten, kernig als het merg van zijn gebeente,--ruig als zijn breede borst,--waar als zijn aard. Lees de _Angenietjes_, en verbaas er u met mij over, dat men de burgervrijaadje zoo lang las en prees, zonder te beproeven, in schrift en stijl der natuur meer op zijde te streven. Of werd er een minder geweldige schok dan die der Fransche omwenteling vereischt, om onze geleerden uit de overpeinzing hunner Ciceroniaansche phrases wakker te schudden? te schrikken ware juister woord geweest. Immers, het was deze, welke hen dwong het oor te leenen aan raauwe kreten, ja, maar die ondanks hun volslagen gebrek aan _numerus_ en _cadans_ ter harte gingen, die hen verpligtte dragelijk Hollandsch te leeren schrijven, als zij tot Hollanders het woord wilden rigten! Dragelijk Hollandsch? Eere twee vrouwen, eere Agatha Deken en Elisabeth Bekker, die de behoeften des tijds begrepen en bevredigden, toen hooggeleerden nog een poespas zamenflansten, welks spelling huiveren doet. Eere den kansel, wiens leeraars eindelijk oor hadden voor den eisch der beschaving, die invloed zochten door het éénige middel, dat dien op den duur en eervol verzekert, een' natuurlijken, een levendigen stijl, welke het ware verzusterd acht met het schoone. Eere aan van der Palm, die bij ons proza iederen zin, maar vooral dien voor het eenvoudige, ontwikkelde.

Als er ketterij in deze onwillekeurige uitwijding steekt, zoo wijt haar aan het boeksken van professor Geel, over: "_Het proza_" en vlei u met mij, dat hij de gedachten, er in aangegeven, uitvoeriger ontwikkelen zal. Ik loop, tot dien prijs, gaarne de kans zijner heusche teregtwijzing.

Jan Borliut--het wordt tijd tot ons onderwerp terug te keeren--Jan Borliut houdt geene kweekschool van kantoorbedienden meer; hij heeft, in den geest des tijds, een' knecht om de deur open te doen, of een' jongen, die aspireert tot eene klerksplaats. De knecht, het spreekt van zelf, blijft knecht--en de aspirant-klerk ziet met blijdschap den Nieuwjaarsdag te gemoet, waarop een weêr jonger knaap hem zal vervangen, en hij bevrijd zijn van het verdrietelijk baantje, kagchelstokken, boodschappen doen, uitlaten, enz. Hij beklimt op zijne beurt eindelijk de lang gewenschte kruk, hij schrijft concepten uit het klad in het net, en dat duurt zóó eenige jaren, in welker loop hij van kruk tot kruk, van die het digtst bij de deur tot die het digtst bij het venster wordt bevorderd. "Het is een schrale climax," zegt gij; een oogenblik geduld, bid ik u! Hij heeft intusschen allengs grooter aandeel in de fooitjes, alias _cadeaux_ gekregen, die soms aanzienlijk zijn, wanneer de fraai geschreven acte de opmerkzaamheid van den een' of anderen cliënt tot zich trekt,--als het onverwachte eener testamentaire dispositie de mildheid van verraste erfgenamen uitlokt, om de arme drommels te bedenken,--als het kantoor weken lang geheim heeft gehouden, dat er een nieuwe naamlooze vennootschap zou worden opgerigt,--die kostbare liefhebberij onzer dagen.--Waar zijn intusschen de klerken gebleven, welke vóór hem op die krukjes zaten, en die niet allen jonge heeren waren, rijk genoeg aan geld en geduld, om eene benoeming tot notaris te huis af te wachten,--nadat zij ongeveer alles van de praktijk hadden geleerd, uitgezonderd de beste praktijk, van alle, die--om met menschen om te gaan. Waar ze gebleven zijn? Jan Borliut heeft voor hen gezorgd. Hij onderscheidt weldra, wie hunner het lot eersten bediende, wie tot notaris op een dorp het al dan niet brengen kan,--en wat zou hij er tegen hebben, dat de stakkers, welke dit niet kunnen, dat zij vrijen en trouwen, mits men hem maar niet met de zorg voor hun onderhoud en dat hunner kinderen belaste? Door zijne velerlei relatiën valt er ligt een baantje op te sporen; niet heel voordeelig, niet weêrgaloos vet, maar toch mooi genoeg voor een' jongen, die al heel blij was, dat hij op eene kruk zat. Hoe dan ook, hij plaatst ze. En, schoone evenredigheid tusschen middel en doel! de burgerknaap, die aan hem verpligt is, dat hij zijn Maartje of zijn Grietje heeft kunnen huwen, dat hij een klein ambtje, een' post bij den gouverneur of op het stadhuis heeft gekregen, hij is hem zijn leven lang dankbaar en vereert hem niet zelden als een' vader. We kennen een' notaris, die niet weet hoe dikwijls hij gezegend wordt, door menig' "sukkel van een vent," dien zijn invloed aan de Nederlandsche Bank of aan het Grootboek der Nationale Schuld heeft geholpen. Hij is schalk genoeg, om "wanneer er weer een geborgen is," zoo dikwijls hij een' der directeuren of ambtenaren dier inrigtingen ontmoet, deze te plagen met de klagt; "dat zij hem ook al zijne ezels afnemen!" Waarom zouden wij hem die scherts niet gunnen, gepaard als zij gaat met waarachtige humaniteit des harten, die bovendien voorkomt, dat uit zijne school de bent der zaakwaarnemers gerecruteerd wordt? Stil,--we zijn reeds te uitvoerig geweest over eene wereld zoo wèl afgerond als deze, en welke ons onderwerp eigenlijk vreemd is, sedert het proza ontslagen is van den boei van Jan Borliut.

Tot onze eigenlijke kantoorbedienden, als gij wilt. Ziet ge dat paar in de binnenkamer, van den tweedehands koopman? Staaf, de jongste, is een burgermanskind, in de hedendaagsche beteekenis van het woord, nu fruitvrouwen en schoorsteenvegers ook al burgerluî zijn, och ja! Rivers--de tweede--is een ordentelijke jongen, wiens ouders "aangeziene menschen" zouden zijn,--hoe waar is die uitdrukking!--wanneer het niet zoo moeijelijk viel, zijn fatsoen op te houden met eene schrale beurs. Rivers is eenige jaren ouder dan Staaf, die pas van het Nut van 't Algemeen komt, en _siegenbeekt_ dat het een' aard heeft, als Rivers zich aan twijfelaarsgeslachten bezondigt, of _kassa_ met eene c schrijft, of de tweede lettergreep van _ontvangst_ met eene f begint. En Rivers zou der menschelijke natuur niet deelachtig moeten zijn, als hij den jongen voor "al die malligheden" niet strafte, zoo dikwijls het in zijne magt staat. Of hij het kan!--"Overschrijven,"--"overrekenen,"--heet het om een haverklap. Zie ik zou de partij van Staaf kiezen, daar mij geen spel zóó ergert, als dat van dwingelandje, indien Rivers niet beklagelijker ware dan Staafje,--hij is op zijn beurt het slagtoffer van de luimen zijns patroons. Een tweedehands-koopman,--geloof het op mijn woord! want er zou geen einde aan mijne schets zijn, als ik u al de waaroms moest verklaren--een tweedehands koopman is, bij de rigting, die de handel in onze dagen neemt, in meer dan de helft aller vakken, een schipper, die tegen wind en stroom roeit.--"Als het getij verloopen is, moeten de bakens worden verzet,"--En zoo dikwijls deze overtuiging zich den man zijns ondanks opdringt, wordt hij boos, en het eerste voorwerp het beste, dat hem in het oog valt, moet het ontgelden. Het is doorgaans de arme Rivers, die tegen mijn' koffijkooper overzit. Heden waait de storm uit dat onnoozel stukje papier, waarop gij een binnenlandsch postmerk onderscheidt.

"Die verduivelde makelaars-knoeierijen! Eene kwart ceel,--en dat koopt ook al in de veiling!--Rivers, het is toch alleronpleizierigst, dat--"

Hetzelfde wat, de jongen heeft den graauw beet. Het is hard, want kan hij het helpen, dat de tijdgeest er naar streeft, alles zoo spoedig mogelijk van den producent tot den consument te voeren?--Het is hard, voor drie honderd gulden 's jaars--met het uitzigt het tot vier, vijf, en mogelijk zes, na nog eenige jaren verduwens, te zullen brengen. Toch zwijgt Rivers, toch verkropt hij den onbillijken uitval, te onbarmhartiger, dewijl hij weêrloos is,--maar o, hoe hij Staafje benijdt, die met wissels wordt uitgezonden, en er een vrij half uur van nemen zal! Neen, hoe hij den jongen duivel haat, die hem in zijn vuistje uitlacht!

--Eene verdrietige pauze.

"Manlief!" breekt eensklaps eene vrouwenstem de stilte af, "manlief!" eene ochtendmuts gluurt even om de deur, "als er nu een handje kon worden geholpen?" En de aarzeling waarmede de patroon,--nadat hij, op het verzoek zijner beminnelijke wederhelft, "ja!! ja!" heeft geantwoord --de twee overgebleven kantoorbedienden aanziet, verraadt--verpligt mij, eer ik verder ga, te bekennen, dat ik tot nog toe verzuimd heb, den vierden persoon, op te voeren. Waarom? Hij is _volontair_,--in rang, op het kantoor altoos, tusschen Staafje en Rivers in. Hij zal hoogstens nog een paar jaren "bij den baas" blijven, om er de kennis dier artikelen op te doen, in welke hij later handel denkt te drijven. En nu tot den patroon terug, wiens schroom verried, hoe zeer hij met de zaak verlegen was, en die toch eindelijk een besluit neemt, dat weinig tweedehands kooplieden zouden genomen hebben zoo als hij.

"Hm!--hm!--" zegt hij, "och van den Bergh ge moest eens even een handje helpen."

En van den Bergh--ik gebruik dien naam, dewijl ik geen' tijd heb, om in van Leeuwen's "Batavia Illustrata" een uitgestorven familie op te zoeken,--van den Bergh staat op, of hij oorlog voerde, met zijn stoeltje, dat bonkt tegen de snipperbak, maar slaat de deur van het kantoor niet ruw achter zich digt. "Dat doen de dienstbaren," zou hij zeggen.

Ik bid u, gis nu, waaraan hij verzocht werd een handje te helpen. Wat kan Mevrouw te doen hebben, waartoe zijn bijstand wordt vereischt? Welke dienst--maar ge zoudt u vruchteloos het hoofd breken. Het kantoor is aan eene binnenplaats, heb ik gezegd. Naar Amsterdamsche huisverdeeling hebt ge dus tegenover het raam, waardoor de kamer haar lieflijk muurlicht ontvangt, twee vensters, die van de onontbeerlijke zaal, daar boven eene opkamer, dáár weêr boven een' zolder, en beneden, diep in de diepte, de keuken; en nu, zie, of liever luister toe.

Roetsch!--daar vliegt een mand met turf het zolderraam uit, opkamer en zaal langs, snel als een pijl omlaag.

Piep--piep--piep--en de leêge mand is weêr boven; maar zou van den Bergh--zou hij waarachtig--turf aflaten?...

Kling, kling, er is geen twijfel aan, kling, kling, kling, de tweede mand, blijkbaar opzettelijk heen en weer geschommeld, levert den ruiten van de zaal slag, die achteruit deinzen als hazen, terwijl de turven de bres instormen, of het de verovering eener belegerde stad gold.

"Mijn God!" roept de patroon, "die rakker van een' jongen!"

En Rivers?

Ach, houdt het hem ten goede, dat het hem, spijt de gebroken glazen, spijt de drift van mijnheer, spijt den angst van mevrouw, spijt de Babylonische verwarring in het gansche huishouden, te weeg gebragt door eenige schreeuwende kinders en de meid, die, bleek als een doek, de trap opvliegt, dat hij, spijt dit alles, zich niet weêrhouden kan te denken:

"Jongens! die zich kon doen gelden als van den Bergh, die mony had als hij!"

De wraak is hem al op de hielen.