Liedekens van Bontekoe en vijf novellen Blaauw bes, blauw bes!—'T is maar een pennelikker!—Marie—De ezelinnen—Hanna

Part 13

Chapter 133,891 wordsPublic domain

Een kind!--is er iets ter wereld, waarin meer poëzy schuilt dan in het van allerlei zorg afhankelijke schepseltje in den wieg,--dat welligt bestemd is de luister van ons geslacht te worden? Het weet naauwelijks zijne handjes te gebruiken,--handen, die later misschien het zwaard des krijgs of de veder des vredes zullen zwaaijen of stieren, met tijdgenoot en nakomeling verbazende kracht.--Het invallend zonnelicht doet zijne oogjes zeer;--oogen, die ontwikkeld den afgrond zullen peilen of den sterrenhemel meten; oogen, die de duisternis noch de schittering van de wonderen der natuur zal verbijsteren of verblinden. Het eenvoudigst begrip schijnt te hoog voor die trage hersenen, het instinkt des diers leidt sneller en wisser dan de zoo hoog geroemde rede; maar wacht, en de wetenschap zal haren stralenkrans werpen en de kunst haren lauwer vlechten om dien nu nog naakten, schier nog weeken schedel. Een kind!--het begin van een leven, door vreugde en smarte bont geschakeerd,--dat beurtelings zoo groot en zoo klein schijnt,--dat der laagste togten en der edelste driften om strijd ter prooi zal wezen,--maar dat niet eindigt in het graf, waaraan de onsterfelijkheid is gewaarborgd, liever nog het eeuwige leven; opdat onze zwakheid door de negatieve uitdrukking niet heen schemere waar het onze zoetste hope geldt. Een kind!--laat ons dalen, of rijzen misschien, want de moeder buigt zich over het wiegje heen, en er is niets verheveners in de gedachten, welke ons de toekomst van den jeugdigen mensch straks inboezemde, dan wat wij in deze groep aanschouwen: liefde, liefde, het uitgedrukte beeld Gods! Zie, er was zelfzucht in de bekommering, waarmede Louise dat schrale aangezigtje gadesloeg, de kleine handjes drukte, haar trager dan vroeger te gemoet gestoken;--de lipjes kuste, bleeker dan weleer;--zij gevoelde, dat met dien band,--als hij scheuren moest--de éénige, die haar innig aan Pieter hechtte, zou los springen. Zij had hem nooit bemind, zoo als dat vleesch van haar vleesch, zoo als dat leven van haar leven. Maar--wordt die opmerking voor eene mijner lezeressen wel vereischt?--hoe die zelfzucht vergoed werd en opgewogen door de toewijding van den dag en den nacht, van de vreugde der openbare vermaken en der gezellige geneugten; door de volslagen ontzegging van rust zelfs na weken lange oppassing! Hoe verloochende zij die zelfzucht geheel door de verzuchting, eindelijk aan haren boezem ontglipt:

"Heere, neem mijn leven in plaats van het zijne!"

Op eenen schoonen herfstmiddag--het heugt mij nog of ik 't straks had gezien--was het gordijntje ter zijde geschoven--de kleine lijder zat in zijn' stoel vóór het raam. Daar kwamen de graauwtjes--hoe hij gierde en sprong, of hij hen te gemoet wou! Eene der ezelinnen, die er met hare bleekzilverige huid en fijne ooren,--zij stak die op,--waarlijk niet uitzag of wij regt hadden den naam der dierensoort tot een schimpwoord te verlagen,--eene der ezelinnen werd een zonnig plekje op de straat gewaar, wierp er zich neder, rolde er zich om en nog eens om,--het plaveisel was pas gemaakt, en het zand nog droog. Het jongsken zag van achter de spiegelruit de speelsche groep, want een veulen had zich bij het moederdier gevoegd; de kleine werd rusteloos; naar buiten reikten zijne armpjes, en Louise gaf dien wensch gehoor. Op de stoep verschenen, daalde zij met haar kind de weinige trappen af, en liet hem zijn' wil in het streelen der vaalbruine haren van het beest, dat voor hem gemolken werd, en plaatste hem voor een oogenblik op den rug des diers. O, dat ik de weelde schilderen kon, waarmede zij hem aan haar harte sloot, toen hij, een omzien aan zich zelve overgelaten, weder in de beschermende armen wipte, die boven en beneden hem hadden gewaakt; de weelde, zeide ik, de huivering had ik moeten zeggen, die haar rank lijf trillen deed! Of waren hare oogen niet afgedwaald naar de schalke vreugde van ezelinne en veulen, die zich nog altijd omkantelden in het warme zand; die, aan hunne weide, aan hun distelveld ontrukt, dien zweem van natuur smaakten in de steedsche ballingschap, gezond als zij waren?

De moeder benijdde, in den schoot der weelde, het graauwtje, dat eene wolk van stof deed opgaan. Toen deze was weggewaaid, zag ik vergeefs naar de overzijde: Louise en haar kind waren verdwenen. Zij was met hare smarte haar prachtig huis weder ingetreden.

De ezelinnen kwamen den volgenden, kwamen nog menigen avond terug; maar eer de winter inviel, hadden de plagerijen tusschen den drijver en het dienstmeisje uit,--want de gordijnen der zijkamer waren opgehaald, de luiken gesloten. Pieter en Louise beweenden hun éénig kind.

Verg mij niet, dat ik schetse, hoe het paar me bij het rouwbeklag ontving--Louise, die luttel maanden het leven des harten had gekend, scheen versteend; slechts van tijd tot tijd gaf zij teeken van bewustzijn--door op te zien!

En Pieter? Het geviel dit voorjaar, dat hij mij van eene reize naar Zwitserland sprak; de toestand zijner gade, verzekerde hij mij, eischte die.

"Ook ik zelf, jongen," zeide hij, "ben niet gelukkig--de hemel heeft mij gestraft in mijn kind!"

Ik zou hier uitweiden in alles, wat zich tot zulk een' verslagene zeggen laat,--hoe het mij heugde uit den mond eener waardige oude vrouw te hebben gehoord: "Toen ik mijn' man nam, had ik hem niet lief, maar dat kwam later door zijn gedrag,"--met andere woorden, dat Pieter de liefde van Louise, welke hij had leeren achten, die hij thans schier beminde, nog verdienen kon;--ik zou er bijvoegen, dat het voor niemand te laat is zijn levensgeluk te zoeken en te vinden in de betrachting van zijnen pligt; dat ieder, die wil, een degelijk mensch kan worden, degelijk als de vaderen het waren in onzen roemrijksten tijd,--ik zou dit alles doen, als mij plotseling geene vreeze bekroop, welke mij letterlijk doet aarzelen voort te gaan.

Welke?

Dat gij mij een' onheusch vriend zult noemen, die vroegere innige betrekking,--later aangehouden kennis,--eindelijk weder toegehaalde banden prijs geeft, die.... Vaar niet voort met uwe beschuldiging, bid ik. Ge zoudt gelijk hebben, ware het zoo. Doch als ik u gul uit bekenne, dat ezelinnen, Pieter, Louise, het kind, nergens zóó bestonden als ik die schetste, dat ik zelfs geene overburen heb: o, beweer dan toch op uw beurt niet, dat de gebreken in onzen maatschappelijken en huiselijken toestand door mij gegispt, dat de verspreide trekken, welke ik zocht te vereenigen, dat deze niets anders zijn dan _boosheden in de lucht_, waarvan niemand te onzent hinder heeft!

1842.

* * * * *

HANNA

(EEN STUDIE-BEELD UIT HET VOLKSLEVEN)

Het was zaterdagavond vóór Kersttijd, en in eene kleine woning op Katten-, Oosten- of Wittenburg, te Amsterdam, lag, in een spaarzaam verlicht slaapvertrek; het woord Gods opgeslagen op de tafel. Eene jonge vrouw, die er in hare eenzaamheid opbeuring, troost, licht in zocht, staakte onwillekeurig de lezing, toen haar blik op de woorden rustte:

"Als sy nu de sterre sagen, verheugden sy haar met seer groote vreugde."

Waarom schemerde het der peinzende?

Zie, het was niet, dewijl eene door smaak noch studie bestierde verbeelding wieken aanschoot, en zich de Oostersche Monarchen voorstelde, in al de pracht, waarmede de Italiaansche schilderschool hen heeft uitgedost, verbaasd, dat het schitterend luchtverschijnsel stille bleef staan boven eene nederige woning. En echter, verre, zeer verre van haar, èn de zin voor het gemoedelijke, waarmede Bendemann ons met de Wijzen uit het Oosten in vast vertrouwen voort doet trekken, én de zin voor het verhevene, waarmede Vondel deze, in zijn bekend meesterstuk, het goddelijk Kind laat aanbidden. We zijn noodeloos hoog gesteigerd. Het was iets eenvoudigers, iets vrouwelijks, iets kinderlijks schier, dat haar schreijen deed; iets, dat u en mij,--laat ons het bekennen--ook is weêrvaren, wanneer wij, in verslagenheid des harten, der Heilige Schrift het oor leenden, en een zweem van gelijkenis, eene flaauwe analogie tusschen beide toestanden, de voorstelling vergeten deed, dewijl indruk of schok ons onwillekeurig in het tegenwoordige overbragt. We zagen op, of wij zuchtten,--een oogenblikkelijk gevoel, dat vele woorden zou hebben vereischt, indien wij het aan een' derde hadden willen verklaren,--een wensch, dien God verhoorde of vergaf. Om tot onze lezeres terug te keeren, de verrassing der vreugde, in de aangehaalde woorden zoo aandoenlijk uitgedrukt, trof haar diep: eensklaps werd zij te moede, als zag zij, tegen de graauwe winterlucht van den oostelijken hemel des IJstrooms, een wit zeil opdoemen, en eene diepe ademhaling vertolkte de bede:

"O, hoe blijde zou ik zijn!"

Moge mijn aanhef u niet allen lust tot verdere kennismaking hebben benomen! Immers, ik voorzie, dat ik zoo voorhoofdfronsing als schouderophaling te tarten heb, wanneer ik u die jonge vrouw, wanneer ik u Hanna vóór twaalf of vijftien jaren voorstelle, Aalmoezeniersweeze als zij was,--vondelinge, die in haar kleed het bewijs omdroeg, dat hare moeder haar van zich had gestooten, zoodra zij het licht zag; dat haar vader er zich welligt nooit over had bekreund, of zij bestond. Waarom zou ik het uwer kieschheid euvel duiden, dat zij zich aan de figuur ergert, schoon mij de proefneming aanlacht, u te overtuigen, hoe weinig wat gij het gemeenste leven heet, het goede, het schoone zelfs buiten sluit? Slechts nog één trek, welke der afzigtelijke wereld toebehoort, die mij niet minder walgt dan u; slechts nog één trek, en ik zal uwer verfijnde zenuwen geen geweld meer aandoen: Hanna was in het Huis gelukkig, schier bij uitzondering gelukkig te prijzen, daar de onnoozele ten minste in geen ziekelijk ligchaam de onverdiende straffe droeg der uitspattingen, der losbandigheid van hen, wier lust, niet wier liefde, haar in het leven riep. Schoonheid was haar deel. Stellig hebt gij in dichterlijke droomen dikwijls van de onwederstaanbare heerschappij gelezen, welke deze uitoefent, maar er in de werkelijke wereld schaars treffender blijk van gezien, dan dat, waardoor hare lieve heldere kijkers, haar goêlijk-mooi gezigtje soms voorbijgangers of toeschouwers verraste. Dáár stoven zij aan, op gracht of plein, de knapen uit het Diaconie-huis, de knapen, onwillekeurig nog vermetel op hunne betrekking tot de weleer heerschende kerk;--dáár ontmoetten zij haar, de burgerweezen, de jongens, die zich thans op hunne broederschap met van Speyk te goed doen, en wèl mogen zij het;--dáár omringden beiden haar, de eersten in hunne geestelijke, de laatsten in hunne stedelijke liverei, en deze als gene, verwaten op dien dos, zoo als alle onderscheidende kleederdragt het maakt--dáár zagen de wilden de gesmade Aalmoezeniersweeze vóór zich. Een gejoel ging op, het schimpwoord kwam op de lippen--maar wat was het? _Hoerenkind! hoerenkind!_--waarom bestierf het, eer het werd geuit? Geene bedenking, hoe leelijk het hun zou staan, vader- en moederloozen als zij waren, eene nog ongelukkiger, verlatener weeze dan zij, te smalen, geene bedenking van dien aard, welke hen weêrhield. Wat zich ook in onze weeshuizen ontwikkelt, de kweekelingen uit dezen blijven meestal vreemd aan die teederheid des harten, den kinderen in de nieuwjaarsversjes onzer poëten toegedicht --ook valt zij naauwelijks te vergen, waar het lot in de prilste jeugd zelfstandigheid tot voorwaarde van bestaan maakt. Het was dat echt- hollandsch-mooije, die blanke wangen, waaraan de roos hare schoonste tinten schijnt te hebben geleend, die liefelijke oogjes, wier blaauwe helderheid vrede en vreugde verkondigt, het was de schoonheid, die overwon.

"Eene knappe meid!" zei de oudste.

"Het arme kind!" zei de jongste.

En zij gingen verder,--want ge treft naauwelijks één' schalk aan onder tien schreeuwers.

En echter, niet minder dan of zij haar wreed hadden uitgescholden en ruw hadden bejegend, niet minder betrok bij zulke tooneelen dat gezigtje, 't welk slechts behoefde te zijn gezien om te worden gespaard: die kinders hadden hunne ouders gekend,--zij wisten ten minste wie zij geweest waren,--zij konden hunner in liefde gedenken. Zij, daarentegen!... En waarom ook zij niet?--Voortreffelijke Hanna!--eer de jaren der huwbaarheid aanbraken, waren de geheimen der kunnen haar ontsluijerd; maar niet door overprikkelde nieuwsgierigheid, niet door dartelen lust, niet door wulpschen zin. Smartende distels en weedoende doorns hadden haar die kennis ingescherpt. Onder de schepselen welke onze beschaving, onze zedelijkheid, ons christendom op de hoeken onzer straten en stegen duldt, onder die schepselen kon hare moeder schuilen,--en wie weet, welk voorbijganger haar vader was?--Voortreffelijke Hanna! herhaal ik. Vraag mij niet, hoe zij tot die waarlijk menschelijke, tot die echt kinderlijke, tot die vrome beschouwing van haren toestand en dien harer moeder gekomen was; maar in het Huis werd de bijbel gelezen, en het woord van Hem, wiens uitspraken licht en liefje zijn. Het woord: "Wie van u zonder zonde is, werpe den eersten steen op haar!" was balsem geweest voor haar gekrenkt gemoed; het bragt verzoening te weeg. En, zonderlinge zegen in strafheid, in miskenning, in onregtvaardigheid bedeeld!--de verwijten, bij welke zij de onschuld harer gedachten had ingeboet, maar door wie zij tevens in de kennis met wapenen was toegerust--zij behielden haar in de ure der verzoeking, toen zij dienstbare geworden was in eene aanzienlijke woning, en de verleiding haar aanlokte, niet slechts in den glans van goud, maar ook in den bloei der jeugd. Hare moeder stond haar voor den geest;--hare moeder, die eens onbevlekt was geweest als zij;--hare moeder, die misschien viel, dewijl ze niet gewaarschuwd was;--hare moeder, die mogelijk op dat oogenblik een leven van zonde op een leger van smarte boette. Herinnerde deze zich harer, wenschte zij haar bij zich? O, de tranen, welke er langs Hanna's wangen vloten, dewijl ze haar in dien jammer niet bij konde staan, dewijl zij het kussen van de stervende niet zacht mogt schudden, dewijl ze haar niet zeggen mogt, hoe van harte zij vergaf, dat wieg en kreb, en bete en dronk, haar zoo hard, haar zoo karig gegund, haar zoo bitter waren geweest, dewijl ze haar niet goeden nacht mogt kussen en vergeving afsmeeken van Hem, wiens vergeving wij allen behoeven--die tranen, dat haar vader ze hadde gezien! Handwerksman--winkelier--ambtenaar--beursganger --weledelgeborene--of wat hij zij of was--God slechts kent hem--God slechts weet het--hij had zich voor zijne onechte dochter geschaamd, en hare knieën aangegrepen, zoo als de schuldige het die des monarchs doet, wiens woord genade verleent. Ook ik zou wenschen, dat er voor den onmensch geen leven nà dit leven ware!

Ziedaar, wat er soms onder een kornetje schuilt.

Willen wij Hanna voort laten mijmeren, voort laten lezen? Harer is een smarte, welke het toch niet in onze magt staat te verzachten. Ook heb ik haar u als jonge vrouw voorgesteld; ook ben ik u nog de vertelling harer vrijerij schuldig.

Welaan dan!

Dikwijls ben ik er getuige van geweest, dat menschen van hoogeren stand er zich over verbaasden, hoe geringe lieden zoo spoedig kennis maken, en in eenige oogenblikken onder elkander niet slechts gemeenzaam, maar zelfs vertrouwelijk worden. Eilieve, wat vreemds steekt er in? Verre van mij ditmaal uit te varen tegen het weinig toeschietelijke der zeden van onzen fatsoenlijken kring. Het is de schaduwzijde onzer huiselijkheid, wier zachte glans minder zou uitkomen zonder deze, al gaat het ons soms bij haar als bij Rembrandt's schilderijen: jammer, dat die groep niet even mooi zou zijn, zonder dat donker. Stil, geene heiligschennis! En ten einde wij niet afdwalen, wat wagen dienstbaren met hunne openhartigheid? armoede is aller lot. Verblijdt er u over, zoo dikwijls u een trek uit het volksleven verrast, met een blijk, dat wederzijdsche, belangelooze welwillendheid, onder onze mindere standen, ondanks hunne behoeften, groot, zeer groot is,--zoo dikwijls hunne onderlinge hulpvaardigheid mij en u beschaamt--ik heb er de Hollandsche, de Amsterdamsche gemeente te liever om.

Geen half jaar had Hanna nog op een der grachten van de hoofdstad gediend, of niet alleen haar groet werd beantwoord, maar hare toespraak uitgelokt; maar hare geschiedenis, droevig en kort als die was, meêlijdend aangehoord door eene oudere dienstmaagd, wier portret gij zelve teekenen moogt.

"Kind," zeî Machteld, "als ge wilt, ik zal de hand aan je houden, of ik je moeder was."

Dat was een hartelijk woord in haren toestand; Hanna sprongen de tranen in de oogen. Zoo was er dan iemand, die haar lief had, haar, de verlatene! Want al was zij de sombere vlagen te boven, in welke zij al haar godsdienst behoefde, om het lot, haar door den Hemelschen Vader beschikt, niet hard te vinden, er kwamen oogenblikken, waarin zij slechts al te zeer gevoelde, wat zij er in miste, "niet van eerlijk volk" te zijn. Geene jeugd, geen vrouwelijk gemoed, geene edele ziel, of zij voorgevoelt het geluk bemind te worden, de weelde lief te hebben!

"Als er geene smet op die meid rustte," zeî Jan, de koetsier, "dan zou zij al lang een' flinken vrijer hebben gehad."

"Ik zal krijgen wat mij opgelegd is," antwoordde Hanna, die de opmerking hoorde. Maar de predestinatie was kranke troost.

Het is waar, oude Machteld beweerde; "Hanna, ik ben nooit gehijlikt geweest, en ik heb er nooit over gekniesd; met Mei zal ik op het Hofje een kippetjes leven leiden, kind! wie wèl doet, wèl ontmoet," maar onze kennis, zij weêrlegde, noch zij beaamde die woorden. Zij beloofde slechts hare moederlijke vriendin trouw te zullen bezoeken, als deze op hare muiltjes zoude gaan.

En woord hield zij, toen de tijd gekomen was, woord, iederen uitgaansdag. Het was lief te zien, hoe langzaam zij met de vrouw, die krukte, toen zij uit de drukte was, de binnenplaats van het gesticht om, en nog eens omwandelde, en stoel en stoof buiten in het zonnetje zette, den rug naar het licht, en het kussen haalde, en de steken in het breiwerk opnam, en de luimen vierde, welke de best zoo goed had, als wij allen die met hare jaren en kwalen hebben zouden.--Hoe wist Hanna zich, uren lang, in de stille wereld te voegen, die wereld te onzent voor den ouden dag geschapen: eene lieve, zindelijke woning, een bleekveld en een tuintje,--geenerlei onbevredigde behoeften, en het genot dier weldaden verhoogd door storelooze rust--of zoo deze wordt afgewisseld, dan slechts door die soort van gezelligheid, welke den grijze het liefste is, een praatje over het verledene, een praatje met een dankbare betuiging besloten.

Het was avond in den vóórwinter, acht of negen jaren geleden; de kat bakerde zich bij den kleinen haard, en het bestje mogt zoo zeggen, Hanna was bij haar:

"Kom, kind, lees mij eens wat goeds voor. Of het aan de letters, of aan mijn' bril, of aan mijne oogen schort, ik weet het niet, maar als ik het zelve doe, het gaat niet meer."

En Hanna knikte de zilveren krappen open, en las ...

Maar wie trok daar zoo hevig de klink van de voordeur des gestichts op?--maar wie stapte daar zoo driftig over de gele klinkers van den binnenhof?--maar wie ... ja, hij moest aan het huisje van oude Machteld zijn, zij zelve hoorde het duidelijk, 't was als kende zij die stem!

"Moeije! Moeije!" riep de borst, die al binnen was, eer Machteld haar vermoeden aan Hanna had medegedeeld, en de armen van zijn kabaaitje om de smalle schouders der oude sloeg. Poes, die verschrikt onder de bedstede vlugtte, Poes, die hij zwaaijende langs was gestoven, Poes werd vergeten: er schoten waterlanders van onder Machteld's grijze wimpers, bij de tehuiskomst van den zoon eener veel jongere, vroeg verscheidene zuster. Het bestje--ik zeide het reeds vroeger--het bestje was nooit getrouwd geweest; zij had, zoo als zij Hanna diets wou maken, zelfs nooit gevrijd; maar des ondanks had Machteld, zoo als Beets fraai heeft gezegd, "de melk toch in het bloed," en haar gevoel had hare groene jeugd overleefd.

"Dag, mooije meid!" voer de pikbroek voort, want dat was hij, en hield Hanna om haar middel gevat, en gaf haar een' kus, die klonk als eene klok, eer zij het hoofdje kon alwenden. De Hollandsche jongen had zoo lang zwarte nikkertjes gezien, dat hij gaarne ieder blank meisje zou hebben gekust.

"Bart! Bart!" riep Machteld. Het werd eene predicatie, als had zij geen' zeerob maar een' wever tot neef gehad, Janmaat zou er zich geene zier om hebben bekreund, was Hanna niet zoo spoedig opgestapt, had Hanna maar van tehuisbrengen willen hooren!

"Toch niet," zei ze, vrij streng; en toen hij alevel opsprong, oef! toen had dat mooije gezigtje eene waardigheid--die Bart overtuigde, dat de gelegenheid voor dolle grappen met de zwarte nikkers vervlogen was.

En echter, lief meisje, dat zulke manieren onbeschaamd vindt, al ergert gij er u aan tot kleurens toe, echter ging Bart--geen ligt matroos, maar iemand, die na nog eene reize uitkijk had derde stuurman te worden--echter ging Bart niet weder naar het zeeregt ter monstering, of, zonder dat Hanna er een woord van gerept had tegen oude Machteld, werd zij op een' Zondag avond te huis gebragt door iemand, wiens gang verkondigde, dat het dek zijn vloer was geweest, wiens hoed op één haartje stond, wiens halsdoek fladderde.

"Schel nog niet aan!" bad hij; maar het handje was aan den knop, en de schreeuwleelijkert ging over.

"God zij met je!" snikte Hanna.

Daar deed de kameraad haar open.

"Wel, meid, wat is je muts verfomfaaid en wat zien je oogen rood--waait het zoo?" vroeg de schalke deern, als had zij niemand gehoord, niemand gezien, als wendde Hanna niet nog eens het hoofd naar die donkere gestalte aan de waterzij, als knikte zij niet.

En toch, lief meisje, dat mij leest, toch zoudt gij Hanna ik zeg niet de zwakheid jegens Bart, maar de onopregtheid tegenover Machteld hebben vergeven, als ge veertien dagen later haar door de oude de les hadt hooren lezen over hare geheimhouding. "Waar het hart vol van is, loopt de mond van over, kind!" zei Machteld; "het was Bart niet mogelijk te zwijgen, dat je beloofd hebt je vóór zijne terugkomst niet te zullen verzeggen." En misschien hadt gij Machteld lief gekregen, toen zij Hanna dochter noemde, bij de verontschuldiging van deze:

"Wist ik dan of gij er niets tegen zoudt hebben? Machteld,--moederlief! Bart, zeidet gij altoos, Bart had geen matroos behoeven te worden, als een mensch zijn zin niet een mensch zijn leven was; en ik ben maar--"

Inderdaad, ik had mijn opstel wel _het lezende vrouwtje_ mogen betitelen, zoo weinig gang is er in--nog altijd brandt de lamp, nog altijd staart zij voort--maar wees gerust, wij naderen het sombere heden toch. Een woord slechts over den jongsten Sint Nicolaas, en we zijn er.

O mijne broeders van den gilde, die, op den avond van dat feest, welligt naar iets piquants, iets nieuws, iets schoons hoop ik gezocht hebt, hetzij in het gewoel van de Kalverstraat, waar het weder, veroorlooft mij de uitdrukking, _à pure perte_ een grijnend gezigt zette,--hetzij in de woning eens vriends, wiens aanvallige kinderen door Ter Haar verdienden te worden geschetst,--gij die luisterdet en toezaagt, maar geen treffend onderwerp vondt, neen, alle toestanden behandeld, versleten, afgezaagd scholdt,--het is mij dikwijls als u gegaan. Dat gij Hanna hadt ontmoet, dat gij in hare ziel hadt kunnen lezen! Welligt zijt gij haar roer langs het lijf gesneld, welligt merktet gij haar niet eens op,--bovendien, wien onzer is de gave bedeeld, onder zoo armelijke plunje den schat van waarachtig gevoel te zien, welken zij dikwijls verheelt? Het vrouwtje--gij vermoedt reeds dat zij met Bart trouwde, _cela va sans dire_,--het vrouwtje zocht haren weg door den mist, terwijl hare verbeelding de weergalooze helderheid van eenen keerkringsnacht om zich zag.

De tegenstelling luidt sterk; maar, wat mooijer is, zij is waar ook.

Hoe had Bart haar den luister dier gezegende luchtstreek beschreven, toen hij, van een' derden togt naar Indië teruggekeerd, haar verraste, een kind, een knaap aan de borst!