Part 11
Dáár plagt Marie mij te gemoet te snellen, naast mij op het rijtuig te wippen, schier altijd regts, gij zult zien waarom, en, lieve wilde meid als zij was, de leidsels uit mijne hand te nemen, ja, hare vingeren om de zweep te slaan, die ik, wanneer Diane mij buiten bragt, slechts zelden uit den koker nam. "Straks, Marie!" zeide ik dan, en hare donkere kijkers tintelden van vreugde; ijlings gingen mijne groote handschoenen aan de blanke dunne vingertjes mijner lievelinge over. Even als had Diane geweten wie meesteresse was geworden, stapten wij niet langer. Maar als wij het hek der plaats in het verschiet zagen, en de heerlijke oprijlaan, die van de huizinge tot den straatweg voert, instoven, dan werd de dreumis van den tuinman of de deerne des koetsiers, die achter de traliestijlers in schaduw der oude linde speelden, moedwillig met een tikje bedreigd, dan kreeg het ros er een, en wij renden! Het vleijend woord, de belofte eener versnapering, waarmede de beminnelijke ondeugende den schrik wilde goedmaken, gingen te loor, want Diane verslond het spoor der laan; wij waren haar reeds ter vierde, wij waren haar halverwege doorgevlogen. En het gebriesch van mijn paard, of de wolk van stof, bijwijle ook Marie's luide lach, was het sein tot het openen der zonneblinden, of het ophalen eener gordijn voor menigen _logé_. Hoe het lieve kind genoot, als deze zich verbaasde, gene haar toejuichte, Diane zelve behagen scheen te scheppen in het wilde spel! Dan gierde Marie hare blijdschap uit,--hief zich van het kussen op,--stond in de tilbury,--vuurde aan met hand en voet, maar meest met de oogen. Ik moet bij een dier toertjes onwillekeurig eens een bitter bang gezigt hebben gezet; immers een beroemd schilder, gast van den huize, verraste ons een uur later met een _croquis_ van den echt van statelijken ernst met dartele schalkheid. Behoef ik te zeggen, dat ik, op het blad, den eersten vertegenwoordigde,--ik, die in pijnlijken angst den strooijen hoed van Marie onder het afvliegen trachtte te grijpen, --den strooijen hoed, welks smal, geel lint zich, als een krans van korenairen, door haar kastanjebruin haar slingerde?
Diane had de ooren gespitst, en ik had gebeid. Maar niet mijne gunstelinge, slechts een jagthond was te voorschijn gesprongen; en toen ik aan de trappen der huizinge stilhield, werden bediende noch stalknecht opgeschrikt door een ongeduldig stampend ros; ik was bedaard doorgereden.
"De familie is op het terras," verzekerde Hendrik mij. Ik wenschte dat gij hem niet voorbijzaagt, zoo als gij geneigd zijt te doen; er valt in onzen tijd meer, dikwijls iets anders uit de liverei op te maken, dan de kleuren van des heeren wapenbord. Wij leven in eene eeuw, die den eersten rijke den beste vergunt er zijne dienstboden in uit te dossen. Ik heb er niets tegen. Het spijt mij slechts, dat zij het niet met meer smaak doen. Of ergert u dat onwaarschijnlijk aantal velden, leeuwen, of wat het zijn mogen, van _keel_ niet, die door het algemeene rood der vesten worden verkondigd? Dat men het groen ten minste den jagers overliet! Ik heb opgemerkt, hoe zich, in omgekeerden zin van den cameleon, het karakter der bedienden van den nieuwelings aanzienlijke naar den bonten tooi, met welken zij pralen, wijzigt. Ook valt er nog iets uit te leeren. "Zoo heer, zoo knecht!" luidt het spreekwoord; maar als ik, in de voorportalen onzer geld-aristocratie, het gejoel der jonge, winderige, over-welgedane livereiknechts hoor, verwaand op den opschik, die hunne lompen van gisteren verving:
_Beaux parvenus, honteux de leur famille_;
baldadig door den overvloed, waarin zij zich mogen baden, na jaren lang gebrek te hebben geleden:
Als nu Jeschurum vet wert, zoo sloeg hy achter uyt;
als ik hen onbescheiden, aanmatigend, onuitstaanbaar vinde, dan zeg ik in mij zelven: "Zoo knecht, zoo heer!"
Op Duin en Dal--ik verlies inderdaad op mijne beurt onzen gedienstigen geest uit het oog--op Duin en Dal zou uw blik met welgevallen hebben gerust op den liverei-bediende van goeden huize. Hendrik is een der _patterns of fidelity_, die mij minder een aandoenlijk belang inboezemen, als de laatste, bleeke afschaduwing der leenknechten, welke naar knods of bijl grepen, wanneer de ridder zich harnaste
Van top tot teen,
dan als een dagelijks zeldzamer overblijfsel uit den tijd, toen de betrekking tusschen meester en dienaar door iets hartelijks, iets vertrouwelijks, iets humaans werd geadeld. Het is bij hem niet louter: "wiens brood men eet, wiens woord men spreekt;" zijne stemming is eer gemoedelijk dan wijsgeerig; hij benijdt zijnen heer niet, hij heeft hem lief. Al glinsterden er geen tranen in zijne oogen, toen de vrouw van Duin en Dal verleden winter doodelijk krank was, waar baldadige straatjongens het zand van de steenen hadden gewoeld, overstrooide Hendrik die zorgvuldig weder, voordat iemand het hem had geboden. En hoe Marie hem ter harte ging--het is eene lofspraak op den meester, als zijne dienstbare de kinderen des huizes bemint--dat getuigde zijne verzekering van haren welstand. Daar stond hij voor mij, gedienstig, oplettend, eerbiedig, een waarborg van den goeden toon, die op de hofstede heerschte, der rustige orde, waarmede er de genoegens van het leven werden aangeboden en gesmaakt; daar stond hij voor mij, in azuur en zilver, blaauw met wit, als men zegt.
Lach mij uit om de dwaasheid, zoo het u lust; maar het zijn mijne lievelingskleuren. Ik verbeeldde mij, dat hij, die deze tot wapen durfde kiezen, zeggen mogt: "Zie, hier ben ik, standvastig en onschuldig!" Zilver op azuur, leliën en starren op een hemelsblaauw veld, wat is smaakvoller, wat dichterlijker? Uwe gissing, of deze op het wapen van mijnen gastheer prijkten, vergunt ge mij gissing te laten; maar verzekeren mag ik u, dat hij waardig is die te voeren, vertegenwoordiger van een onzer oudste patricische geslachten. Wilt gij den man kennen? "Liever eerste der graven, dan laatste der hertogen," zal hij u antwoorden, zoo gij hem aanraadt, zich in den adelstand te doen verheffen. Het is een woord uit mijn hart; zulk eene verloochening onzer historie is mij een gruwel. De baronnen en de ridders, de Wassenaers en de Brederodes, de Arkels en de Egmonds behooren onzer grafelijke geschiedenis toe; in het handeldrijvend gemeenebest wiessen, als in een ander Venetië, nieuwe geslachten met den staat op, welker nakomelingen geen jonkheerstitel behoeven, om te worden geëerbiedigd, nadat hunne voorvaderen, twee eeuwen lang aan de beurs als in den raad, over het lot van werelden beslisten.
Mijne welkomst had zoo min iets opmerkelijks als mijne buiging: de vrouwe van Duin en Dal was _even lief_ als vroeger, schoon zwak en stil. Slechts vlugtig merkte ik onder hare gasten de echtgenoote van een onbekenden staatsraad en de moeder van een wakkeren zeeman op, en zag de heeren voorbij, om den wil mijner lievelinge. Daar zat zij, in schaduw van een bonten esch, mijne Marie, die anders rondhuppelde als een ree;--daar rees zij op en neeg statelijk, mijne Marie, die mij vroeger hare frissche lippen ten kus aanbood;--daar zeide zij zacht, toonloos, schroomvallig, ik wist niet wat er van mijne Marie geworden was:
"Mijnheer!"
Ik reikte haar de hand.
Was er eene klove tusschen ons?
Schichtig stak ze mij de toppen harer vingeren toe.
"Het zal u geen zeer doen," schertste de moeder van den wakkeren zeeman.
Het kind zag op, het kind zag rond, het kind zag om; ik bemerkte dat er digt bij haar een stoeltje ledig stond, 't welk hare aandacht trok.
"Mijnheer!" zeide zij nog eens.
"Wat is zij gracieus!" hoorde ik de gade van den onbekenden staatsraad zeggen.
De vrouwe van Duin en Dal knikte tevreden.
Er komen oogenblikken in het leven voor, waarin wij naar den indruk eener bij ons oprijzende gedachte handelen, eer wij de juistheid van deze hebben overwogen. De mijne deed mij Marie met een vorschenden blik aanzien. Zij was veranderd. Zij had plaats genomen in den cirkel van Mama. Waarlijk, zij maakte aanspraak op taille. Zie, de vuile ijzers van den kapper hadden haar het eerst begrip gegeven van het onderscheid tusschen de vrijheid der jeugd en den dwang der beschaving. Er viel niet aan te twijfelen, zij was jonge jufvrouw geworden. En
Zei mama
Staring vergeve mij de mishandeling zijner verzen!
Dit met de kamenier den spiegel vlijtig na?
Waarschijnlijk; want Marie bloosde bij mijn aanstaren; die blos mishaagde mij,--Marie werd links; als kind was zij het nooit.
Eensklaps sprong de jagthond die mij herkend had, vertrouwelijk tegen mij op, en raakte met de voorpooten haar kleed aan.
"_Fi donc, Amy!_" riep zij.
"Heeft het beest Fransch geleerd?" vroeg ik.
"Mijnheer!" zeide Marie voor de derde maal, en zag Mama aan.
Ik had deernis met het arme schepsel, en wendde mij tot de dames over het weder, het uitzigt, het nieuws van den dag. De vrouwe van Duin en Dal sprak niet dan juist; een recept voor eene kwijnende conversatie. De echtgenoote van den onbekenden staatsraad weêrhield door de stijve houding, waarmede zij de _gants à jour_ voor een oogenblik uittrok, om een beschuitje in een glas maderawijn te doopen, en die, na volbragte operatie, weder langzaam, voorzigtig, doods bedaard aan de vingeren te schuiven, de moeder van den wakkeren zeeman in het kouten over hem, die haar, ondanks dat hij zich op Java bevond, zoo na aan het harte lag. Een paar lieve gezigtjes waren figuranten; welk een gesprek! En Marie, die in vroegere jaren, bij iets zoo vervelends, op den rug van Amy het heuveltje zou zijn afgeschommeld,--of, door het zand ademloos opgeklouterd, ons verrast had met een paar frambozen, minder lieflijk gloeijende dan hare wangen,--Marie zag nu naauwelijks van haren arbeid op, _et ne fit que tapisserie_. Of zoo zij van tijd tot tijd een woord mede in de schaal legde, het was zoo onbeduidend, dat het den evenaar noch ter regter noch ter slinker deed overhellen. Zag ik inderdaad het meisje voor mij, dat me "gaauw, gaauw, maar heel gaauw," ter hulp plagt te roepen, om een vlinder te vangen, "mooijer" dan zij er ooit had gezien? Hoe was de kleine veranderd, die zoo driftig haar vingertje op den mond legde, om mij te gebieden, het kraken mijner laarzen te smoren, waar zij de woudduiven op het mos voederde! Waar was de tijd, waarin hare vragen, onverwachte bewijzen voor de ontwikkeling van haren geest, mij deden aarzelen, hoe die te beantwoorden? wie er in de zee woonde? waarom zij niet vliegen kon? wat de wind aan de boomen vertelde? En dan die lieve vertrouwelijkheid, waarmede zij mij in later dagen influisterde, pa of ma over te halen, om haar een rijpaard te koopen, omdat zij zoo gaarne zulk een moedig dier zoude bevelen,--of haar piano aan de boerderij te doen brengen, opdat zij Arend en Geert de horlepijp mogt leeren dansen! Al wat zij thans op mijne vragen antwoordde,--zij hield zich, als behoefde zij zulk eene aanleiding om zich in het gesprek te mengen,--miste beide: karakter en kleur;--haar geest dartelde niet langer,--hare stem had niets welluidends meer.
O gemaaktheid!
Vermoedt gij hare oorzaak niet?
Ik weet wel, dat ik slechts eene garstige waarheid verkondig, zoo ik u zeg, dat er een leelijk Hollandsch is, 't welk wij verpligt zijn soms aan te hooren, ja, te prijzen; het Hollandsch dat ons te dikwijls wordt toegegalmd, zoo van den predikstoel als van het tooneel; het eentoonig Hollandsch onzer dreunende verhandelaars. Vergun mij echter er mijn hart lucht over te geven, eer ik het ter vergelijking bezig. Het schijnt, dat velen onzer sprekers de opmerkingsgave ontzegd is, hoe in het openbare leven, zelfs in gezelligen, beschaafden omgang, de driften heerschappij uitoefenen over de menschelijke stem. Zij eentoonig? de schaal der muzijk is bekrompen bij de hare. Verheft zij zich niet bij het geven van een bevel, als was zij zich van hare koninklijke magt bewust? Zij werpt zich, onder het voordragen eener bede, als eene slavin die genade smeekt, in het stof; zoo het vuur der gramschap ons blaakt, gelijkt zij eene verschroeiende vlam, die zich zelve verteerd; als wij in den weelderigen schoot der liefde rusten, kwijnt zij weg in zoet gefluister en verteederend gezucht. Hoe zijn wij dan toch aan bulderende troosters en galmende verliefden gekomen? Holland en de zee, het is of men van moeder en dochter spreekt ... maar het voorbeeld van den Griekschen redenaar, die de wateren beluisterde, schijnt voor de onzen te loor gegaan. Eilieve, hoe velen kent gij er, die van deze leerden hunnen toon in harmonie te brengen met het gevoel, dat de toestand eischt of het onderwerp wekt;--die, als de golven, den God des dags in melodische klanken eene hymne weten toe te zingen, of, als de zee, uit de kolken harer diepte, tegen den orkaan een grimmig antwoord durven opdonderen? Helaas! vreugde, droefheid, wanhoop, verrukking, liefde, haat, alles wordt te onzent uitgegalmd, uitgeschreeuwd, gedeclameerd, zoo als men zegt. O, het is een leelijk Hollandsch! En toch is er een nog leelijker: het is onze moedertaal in den mond van een meisje, dat eene buitenlandsche gouvernante heeft.
"_Merci, ma chère!_"
Gij ziet _mademoiselle_ bij dat woord voor u, schraal, tenger, scherp, als allen; zij plaatste zich op het stoeltje dat naast Marie ledig stond; _arrangeant les plis de sa robe_, viel haar _lorgnon_ in het zand; Marie raapte het op.
"_Bien obligé, monsieur!_" voegde zij er stijf bij, ook ik had er mij om gebogen.
En ik leunde half over het stoeltje van Marie, en was plaagziek genoeg, haar te verzoeken, om mij aan hare gouvernante voor te stellen.
"Hoe, mijnheer?"
"Foei, Marie!" antwoordde ik: "als een oud vriend, zoo gij wilt."
"_Monsieur_ ----, _un vieil ami_," zeide het kind.
"_Vous voulez dire, un de vos anciens, ma chère_," hernam mademoiselle. Ik vond dat zij mijne gunstelinge wel op liefderijker toon had kunnen te regt wijzen.
"_Je suis charmée, monsieur_," voer zij tot mij voort.
Maar ik was _à mille lieues de Paris_, ondanks de vleijende verzekering; want den woorden ontbrak het lachje, waarmede eene _française_ u betoovert.
En _mademoiselle_ zweeg als Marie; ik waagde eene opmerking over het eigenaardig schoon der duinlandschappen, dat nergens elders wedergade heeft.
"_Non, Monsieur_."
"Dus geen gevoel voor natuurschoon," dacht ik.
"_Il est vrai_," zette ik mijne proeve voort; "_il est vrai que notre paysage n'est que joli, tandis que les Alpes sont sublimes_."
"_Si, monsieur_."
"Dus ook _à sec_ voor het vaderland," zeide ik bij mij zelven.
Er kweelde een vogel in den lommer; ik zag dat Marie luisterde; ik vroeg haar, of zij de liedjes van Mad. Albert had bestudeerd.
"_Ma grand'mère_," begon ik.
"_Monsieur!_" viel _mademoiselle_ in, met al het hooge-priesterlijke eener bekrompene zedelijkheid; ik spaar u de diatribe.
Ik begreep alles; de zwakte der vrouwe van Duin en Dal, het levendig karakter harer dochter, de keuze eener stemmige, overstemmige _Suisse_, om dat te temperen, hoe logisch! Ik zou slechts voor temperen "uitdooven" willen zeggen. Eene _Suisse_, zonderling verschijnsel! De wereld is vol van den lof van Tell, de vrijheid heet te huis op de bergen, en door geheel Europa ontmoeten wij zijne nakomelingen, die een geest van knechtsche onderwerping inscherpen, met het zwaard of met de gard. Doch waartoe de armen hard gevallen? Er is geen verlicht vorst, die de Zwitsers in onze eeuw niet als eene anomalie afdankt. Gouvernantes uit alle natiën zijn beklagelijke schepselen; indien één toestand, de hare is valsch.
Vrees daarom voor geene onvoorwaardelijke lofrede op ons onderwijs. Het is waar, er waait u uit de scholen onzer dagen eene ongezonde lucht te gemoet:
Eerzucht kiest in onschulds dreven Vroeg hare arglooze offers uit!
Ik heb kennissen, die op hun drieëntwintigste jaar, in den schoot der weelde, door ziekelijke wereldbeschouwing, mij, u, zichzelven, alles moede zijn; maar toch--leve de schoolmeester, de instituteur, de _professeur de langues_, de taalkunstenaar des noods!--spreek _mij_ van de matres, niet van de gouvernante. Som alles op, wat gij tegen de school kunt inbrengen, het gevaarlijke van den omgang, het verleidelijke van het voorbeeld, het besmettelijke van den geest van wederstand; maar wat beoogt uwe opvoeding, ontwikkeling of uitdomping--heele of halve kennis? Een blik op het lot der beide meesters zal u in mijn gevoelen over de leerlingen doen deelen.
Het monarchale heeft uitgebloeid; het constitutioneele knopt, ontluikt, tiert overal. Wij hebben elken meester, tot den dorpsdionys toe, van de teekenen zijner koninklijke waardigheid, de roede en de plak, beroofd. Wij eischen hem zoozeer doordrongen van den geest zijner grondwet, dat geene drift hem meer in verzoeking mag brengen, ezelachtige domheid met een oorvijg te kastijden. Zoo de voorganger van onzen schoolvos zeggen mogt: "_l'Etat c'est moi_," uw onderwijzer is slechts de eerste dienaar des staats. Hij, de volwassene, moet omgaan met hen, die tusschen mal en vroed zijn, en zich redelijk toonen jegens onredelijken, en onwilligen leiden, en dommen beschaven, stuggen overreden door louter verstand. "De ongelukkige!" roept gij uit. Ik bid u, doe het niet te voorbarig. Er komen uren, dagen, weken in zijne jaren voor, die hij _vrije_ mag noemen; _vrije_, zeg ik, waarin hij den last der verantwoordelijkheid van zijne schouderen schudt, _vrije_, waarin hij de gulden cijfers van zijn eigendom, van tien tot honderd, tot duizendtallen aangewassen, overtelt, en in ieder van deze eenen borg te meer voor de onafhankelijkheid zijns ouderdoms ziet. Feestdagen af te kondigen en volksspelen aan te rigten, schijnt mij een der benijdenswaardigste voorregten, der kroon toegekend; maar welk autocraat geniet den vierdag, zijnen onderdanen geschonken, als de schoolmeester de uren, waarin zijn verlof het kleine volkje de wijde wereld inzendt. Dan ziet gij hem buiten--schaarsche, maar daarom te zoeter weelde--het schoon der natuur smaken. Dan treft gij hem onder de lieve kennissen zijner jeugd aan, voor de eerste maal zijns levens verlegen, hoe hij het werkwoord _beminnen_ vervoegen zal,--de meester door zijne schalke scholiere beschaamd. Dan verrast gij hem, die zijnen eerstgeborene uit de wieg neemt, en den Heere voor zijn lot zegent. "De ongelukkige!" zeidet gij.
Het bestier eener gouvernante zweemt naar eene alleenheersching; dienst der vreeze geldt bij hare kweekelingen: te hooren is te gehoorzamen. Zie, zij komt, en het kind zit regt; zie, zij wenkt, en het kind buigt; zie, zij lacht, en het kind waagt het te glimlagchen. Geene oosterse hulde is zoo vleijend en slaafsch, als die, welke haar wordt toegebragt; zoo gij hare schaduw tegen den wand onderscheidt, is die harer dienaresse haar op de hielen, en ijlt en zwenkt en wijlt met haar, als was het hare eigene. Bittere spot! Hebt gij nooit van de onbeduidende _Durchlauchten_ der kleine duitsche staten gehoord? Zoodra zij hun gebied van slechts drie of zes of twaalf vierkante mijlen overschrijden, worden zij pijnlijk gegriefd; ze zijn slechts vorsten voor hunne onderdanen; de beleefdste postillon ter wereld lacht hen uit, zoodra hij de fooi van den onbekenden Wij over zijne eeltige hand heeft voelen glijden. Helaas, de arme gouvernante doet geen tien schreden, zonder dat zij de landpalen van haar rijk achter zich laat, en ruw, wreed, onbarmhartig uit den droom harer heerschappij wordt opgewekt! Ik bedoel
den Ilias van plagen
niet, die ingenomen ouders en ongezeggelijk kroost haar drie maal van de vier berokkenen. Laat zij vertrouwen winnen zoo als zij verdient, wanneer zij met hare leerlinge de bovenkamer verlaat, waar een armstoel haar ten troon strekt; als zij zonder gedruisch--zij gevoelt hoe weinig zij geldt--de eetzaal inglijdt, dan vindt zij, ja, eene plaats aan den disch, maar beneden het zout, en de dienstboden verwonderen zich, dat zij haar moeten bedienen, haar, die eerst na de mannelijke gasten wordt bediend. Ei, wie is zij toch, dat men haar dus ongestraft honen durft? Wat misdeed zij, dat de vrouw des huizes, die in haar de sekse, waartoe zij behoort, moest doen eerbiedigen, dien gruwel ziet en duldt? Welke uitzigten werden haar geopend, om wier wille zij zich getroost eene zoo twijfelachtige betrekking te bekleeden? Zij is arm, buiten hare schuld. Zij bood hare diensten, ter opvoeding aan, dewijl ze slechts te kiezen had tusschen deze taak en de schande. Zij ontvangt een loon, een-, twee-, driehonderd gulden 's jaars, boven de gastvrijheid van den huize, indien hare bete, haar dronk, haar leger dien naam verdienen;--de vossen die de koets trekken, kostten meer dan twaalf honderd gulden, en hoe worden zij verpleegd! Te loor gesteld in al hare verwachtingen, telt zij hare dagen bij hare krenkingen, is een verlaten ouderdom haar verschiet.... Arme misdeelden! niet u wijt ik den wrevel, die u kenschetst,--den nijd, die u verteert,--den menschenhaat, waarvan gij blaakt; de roos der min geurt u niet: wie durft eíschen, dat gij lief, vrolijk, goedhartig zoudt zijn?
"_Sad melancholy mark'd you for her own!_"
Ik sloeg Marie eene kleine wandeling voor.
"_Si mademoiselle veut me permettre?_"
"_Oui, ma chère_."
Terwijl het lieve kind mantille en hoed en parasol haalde, maakte de gade van den onbekenden Staatsraad _mademoiselle_ een compliment over hare opvoeding: "_elle avait si bien apprivoisée Marie_ ..."
Ik heb een lastig zwak voor een Hollander onzer dagen: onverdiend toegezwaaide lof maakt mij kregel.
"_Jusqu'à lui faire briser les ailes dans sa cage_," viel ik in, en voegde er, berouw gevoelende over mijne scherpheid, bij: "_la faute en est au système et non à vous, mademoiselle!_"
De moeder van den wakkeren zeeman knikte mij goedkeurend toe; haar wilde jongen was een knap officier geworden.
_Mademoiselle_ had zich zeker met de verdediging van het stelsel belast, een stelsel, waardoor onze jonge meisjes worden opgevoed, als moesten zij alle onnoozele nonnekens blijven; maar Marie verscheen. Zij zag er allerliefst uit; ik bood haar mijnen arm.
"Dadelijk mijnheer!" zeide zij, en wipte naar hare mama, en kuste de bleeke. Het was hare eerste onwillekeurige beweging, sedert ik haar weêrzag. "Welk een aanleg gaat hier te loor," dacht ik.
En haar handje gleed over mijnen arm; het rustte naauwelijks.
"Diane heeft u verwacht, Marie," begon ik, toen wij eenige schreden waren voortgewandeld.
"_Mademoiselle_ vond, dat het niet voegde, mijnheer."
"Lieve Marie, mijnheer me zoo niet!"
Eene pauze.
"Gij hadt vrolijker gouvernante kunnen treffen."
"O, zij is zeer goed!"
"Maar dat is geen Hollandsch, beste meid! O, _elle est très bonne_. Doch gij spreekt dagelijks Fransch met haar; wat leest gij?"
"Wij lezen veel Engelsch, mijnhe ..."
"Wat, mejufvr ..."
"_Miss_ Hannah More."
"Oef!" dacht ik, en zuchtte; want bij het verderfelijke beginsel der britsche opvoeding: "_what would people say?_" het gekwezel eener oude vrijster, de lectuur van een meisje van zestien,--hoe hield het kind het uit?
"En als gij in de stad zijt, gaat gij zeker bij _the Reverend_ ... ter kerk?"
"Altijd, mijnheer."
Zie, het past mij niet een vonnis te vellen over het ritueel der episcopale eeredienst; Walter Scott heeft, met den tact die hem onderscheid, er al het schoone van doen uitkomen, in de huiselijke avondbede van _sir_ Henry Lee en zijne beminnelijke dochter; maar woon eens zeven zondagen achter elkander de voorlezing van dezelfde litaniën bij, een leer hoe veel uw gevoel aan innigheid verliest, hoe zinledig vormen zijn!
Er volgde weder eene pauze.
"Welk een oord!" borst ik uit.
Ik waag mij niet aan eene beschrijving; het landschap duldt er geene, schoon, de stoffaadje niets zeldzaams heeft. Er zijn menschen, die u zeggen, dat er slechts een vloed door eene weide kronkelt, terwijl er aan uw eene zijde duinen oprijzen, en aan de andere twee oude boomen staan. Maar Marie schetste de plek vóór jaren, met een woord.
Mijn rijdpaard was schichtig geworden; het steigerde, en wilde het pad, dat derwaarts voert, inslaan.
"Niet regts!" riep ze mij van het hare toe: "niet regts! dáár woont de stilte."