Part 10
Het ging mij door de ziel--want de chef liet een paar minuten verloopen, eer hij er bijvoegde:
"Je salaris blijf je trekken."
O die oogenblikken, eer dat woord het afscheid verzoette, wie schetst ze? De oude voelt niet vlug meer; het trage bloed sluipt slechts door de aderen; de verdroogde, gerimpelde huid schijnt aan te kondigen, dat het tijdvak der gewaarwordingen met dat der driften voorbij is;--maar wegzinking van oogen en waggeling van knieën, maar beving der handen en trilling der lippen; vergete haar wie het kan, mij heugt de ergernis of ze mij heden eerst tegen de borst stiet. De ergernis, zeide ik, het ergerlijkste volgde eerst. Naauwelijks was de toezegging gegeven, of de stumper drukte de handen van den patroon, die zich dezer gemeenzaamheid schaamde. Het was een tooneel, om aan de woorden van Pius VII te denken, toen ligtzinnige jeugd de handenoplegging weigerde van den naar Parijs gevoerden vorst der kerke, toen smaad en spot hem ballingschap en kerker verzwaarde. "Jonkman!" zeide de paus, dat oogenblik grooter dan zijne voorgangers het mij schijnen, toen keizers hunne muilen kusten, "jonkman, de zegen eens grijsaards heeft nog niemand geschaad!"
Loman niet aldus; hij bemerkte ter nood den gruwel, hij ging heen, schreijende heen van het kantoor, waarop hij jeugd, middelbaren leeftijd, bedaagde jaren en ouderdom ten offer had gebragt voor weinig loons en veel ondanks.
Welk een leven!
Welligt zal ik, die u in deze schets den ruwen omtrek van het laatste bedrijf des treurspels leverde, de beschuldiging niet ontgaan, dat ik eene satyre op den handel heb geschreven, dat ik de klerken idealiseerde, ten koste der kooplui. Het eene was zoo verre van mijn doel als het andere,--ik haast mij dien verkeerden indruk vóór te komen.
Ik zou mij kunnen beroepen op de voorgaande bladen; ik heb het regt te vragen, of ik éénigen patroon met eene zwarte kool heb geteekend, dan dien van Aagje's echtgenoot. Liever breng ik uit mijne weinige ondervinding eenige voorbeelden bij, hoe onbillijk de voorstelling zou zijn, _allen_ in zulk een donker daglicht te stellen. Ik ken huizen--het zijn meest oud-hollandsche--waarin alles nog iets burgerlijks ademt; waaruit de vroomheid der vaderen--eene praktikale--nog niet geweken is;--in welke een band van vertrouwelijkheid den meester en de leerlingen omsluit. Er wordt den laatsten in deze nog deel gegund aan een huiselijk feest des patroons. De verjaring van een' der chefs blijft er geen geheim, dat zij slechts uit den toestel voor een' maaltijd--uit den geur der spijzen in den hoogen en langen gang--uit de komst der gasten, gissen. En hetzij gij al of niet gelooft, dat een glas water, aan een dorstige gereikt, de prijs van het eeuwige leven kan zijn, ik ben er zeker van, dat ge u als ik zoudt verlustigen, wanneer ge bij dezen of genen eene verrassende versnapering op het bord van het twaalfuurtje zaagt, wanneer gij de koffij ietwat sterker rookt dan gewoonlijk! Het zijn kleine teekenen van groote deugden. Die aanvullingen slechten de maatschappelijke klove niet, het is waar; doch wie eischt dit? er heersche onderscheid, afstand, zoo ge wilt, mits men elkander, mits vooral de mindere den meerdere kunne beroepen, als hij in nood is! Welnu, die onbeduidendheden waren schier overal zoo vele waarborgen eener echt menschelijke betrekking. Het was of het hoofd des huizes, dat zóó zijn' feestdag vierde, de jongeluî van het kantoor tot zijn gezin betrok, niet alleen als zijne hand de beker der vreugde ophief, maar ook en vooral wanneer zij den kelk der smarte ledigden. Er waren onder deze, die toezagen, die voorkwamen, die bijstonden, als de jongheid van het pad afdwaalde, als de middelbare leeftijd onder onverwachte slagen schier bezweek, als de ouderdom den last des gezins verdubbelde. Wie het mij euvel duiden, dat ik er goedrond voor uitkwam, dat het niet algemeen zoo is, dat te dikwijls louter de band des belangs partijen verbindt, dat geen inmengsel van heuschheid het straffe der bevelen tempert,--zeker doen zij het niet. Alleen op hun oordeel stel ik prijs.
Het verwijt, dat ik af wilde keeren, was tweeledig. "Idealisatie der klerken!" hoorde ik mij van verre toeroepen. Eilieve, welke dan de natuurlijkste en meest alledaagsche wenschen heb ik hun toegekend,--eene niet al te drukkende afhankelijkheid--een huiselijk geluk, zoo matig in zijne eischen, dat het ten prijs van de eerste behoeften des levens te smaken valt--een' ouden dag, door geen schrikbeeld van hofje of gebrek bedreigd? Wat wilt ge redelijkers? Wie is er onder de zes of zeven klerken, welke ik opvoerde, die geblaakt werd door een' overgrooten zin voor eenige wetenschap of kunst? Heb ik één hunner een zweem van aanleg bedeeld, waardoor hun toestand--de bekrompene, de gesmade, de vergetene --dubbel pijnlijk werd? Schetste ik eene liefde voor natuurschoon, sterk genoeg om iemand achter den lessenaar en _vis à vis_ brievendekkers en loketkasjes te verteren, iets gelijkende naar de foltering van een' landschapschilder in den dop, achter de toonbank of bij de ijzeren kist? Zaagt gij een' der zeven ter prooi aan kennisdorst, die, door geene studie beurtelings te leur gesteld en geprikkeld, in den blinde om zich grijpt naar boeken, en slechts te feller martelt, hoe duidelijker het den arme wordt, dat al zijne lectuur tijdverlies is, tijdverlies, dewijl hem opleiding ontbreekt? Ten derde en ten laatste: schilderde ik u een' Tollens, verzen schrijvende in het hatelijke boek, dwars door de dwarrelende cijfers heen--een' Vondel eindelijk in de bank van leening? Het zou onedelmoedig ten opzigte der koopluî, het zou onwaar jegens de maatschappij zijn geweest. Genie komt aan het licht--òf schitterende als de zon,--òf kwijnende als de maan,--òf schemerende als eene ster,--òf --wanneer lot, leven, omstandigheden, gebeurtenissen, wanneer alles zich vereenigt om het te omhullen, te verbergen, te verstikken,--onverwacht en bij vlagen als de bliksem uit de zwangere wolk. Dat het in den laatsten toestand even voorbijgaande, even vlugtig is als deze, behoort thans niet tot mijn onderwerp,--genoeg,--het was er, en het blonk. Zie, ik ben slechts bij gewone menschen gebleven, wier bete te vaak bitter, wier dronk te dikwijls wrang is--of behoeft men tot de milder bedeelden te behooren, om als knaap uitdooving, om als man vernedering, om als grijze gebrek hard te vinden, om een leven ondragelijk te achten, doorgebragt onder de dubbele bedreiging van donkere wolken, een: "ik kan niet helpen dat je op straat staat!" bij de bankbreuk van het huis;--een: "ga henen en wordt warm!" als de patroon er zijne zaken aan geeft.
Gij zoudt ondanks deze verdediging regt hebben, u te verbazen, dat ik u zoolang bij den heloot der handelswereld liet stilstaan, als ik ten slotte niet anders had te doen, dan voor hem een weinig menschelijkheid in te roepen. Al geef ik me er door bloot aan den schijn, als twijfelde ik aan den indruk, dien mijne schetsen en groepen op u hebben gemaakt, ik doe het en van harte (waarom het verheeld?) voor hen, die zich in deze betrekking gelukkig zouden achten, als zij allengs een weinig wierden opgebeurd in de schatting des publieks. Daar zijn menschen, door de natuur tot bedienden bestemd, bekrompen hoofden, koele harten, "medeklinkers, niet allen kunnen vokalen zijn," beweert een mijner goede vrienden. Het zij zoo!--men gebruike er zoovele men behoeft, "slechts neme men liever de italiaansche dan de russische spelling tot voorbeeld," is mijn antwoord. En waar ik vooral op zou willen aandringen,--men sluite toch niet onbarmhartig in eene kooi, wie in staat zou zijn eigen wieken te kleppen. Ik moet oppassen of de eene leenspreuk volgt de andere op, zooals Isaäc Abraham en Jacob Isaäc; en mijn onderwerp eischt alles behalve oostersche weelderigheid; het geldt eene handelskwestie, eene geldzaak. "Voedsel en deksel--huis en hof--vrouw en kroost--genoegen en geneugten voor allen--" zou ik Jan willen toeroepen, "maar voor wie in staat zouden zijn, zich zelven meer te verschaffen, wanneer allerlei kleingeestige belemmeringen hen niet verpligtten t'huis te blijven en stil te zitten, voor hen gelegenheid ter ontwikkeling van wat er goeds en groots in hen schuilt!--Immers ons volk is er niet te beter aan toe, dewijl we er thans onder ons zoo velen hebben, die geduldig den schimp: "'t Is maar een pennelikker!" verduwen--die zich hun leven lang bekrimpen, omdat men geen: "oude sloffen mag weggooijen eer men nieuwe schoenen heeft,"--uithoofde dat een groot gedeelte onzer vermogende lieden zweert bij het woord: "Ver van je goed, digt bij je schade!" --louter dewijl wij, eer wij ooit den neus buiten de deur staken, al leerden napraten: "oost west, t'huis best!"
Eén voorbeeld schildert treffender dan tien vertoogen. We hebben op met den vermogenden handelaar, die voor een vijftiental jaren al zijne bedienden met de tijding verraste: "Ik schei er uit met mijne zaken; maar jullie, jonge luî, blijft je jaarwedde behouden tot je dood."
Een _rara avis_ in onze streken;--het zij in het voorbijgaan opgemerkt --waar een jaar vooruit opzeggens, gepaard aan de waarschuwing: iets anders te zoeken, in zulk een geval al eene zeldzaamheid is--de man leeft nog! Welligt heeft hij van al zijne schatten--al zijne weelde--al zijnen glans, nooit weêr zóó groote voldoening gesmaakt, als op dat oogenblik, in den zoeten waan, dat hij gelukkigen maakte.
Ik vermeet mij niet te beslissen, of wij regt hebben er ons zóó onvoorwaardelijk op te goed te doen, dat afkeer van zaken, uit overdreven mededinging geboren, te onzent meer aan de orde van den dag is dan halsbrekerij ten gevolge van gewaagde ondernemingen--het is eene keuze tusschen tweeërlei kwaad, welke eene prijsvraag onzer geleerde of geletterde maatschappijën verdient uit te lokken: "wat is beter, _lusteloosheid_ of _overmoed?_"--Maar het acht-of tiental klerken, dat zich, volgens de overlevering, boog, en verblijdde en heenging, zonder een' patroon, die zoo groote welwillendheid aan den dag legde, te verzoeken, hun de behulpzame hand te bieden tot het beginnen van een eerlijk beroep, liever dan hen door dit genadeblijk te verpligten, die jongeluî zijn verre van mij levendige sympathie in te boezemen. Waarschijnlijk waren er eenige bedaagden onder;--maar zij, wier schouders zich nog niet kromden, wier knieën nog niet knikten, maar de overigen, die zulk eene gelegenheid niet aangrepen om zich zelve onafhankelijk te maken, hoe duidelijk bewezen zij het verval van den volksgeest, die Jan weleer van zijne naburen onderscheidde!
Wij zijn met eene plaats uit een' der dichters van de gulden eeuw onzer letterkunde begonnen: eene vraag, die ons reeds bij den aanvang van dit opstel voor den geest zweefde, besluite dit opstel. Onze voorouders schiepen hunnen handel onder veel ongunstiger omstandigheden, dan die, waarin wij verkeeren; waarom blijven wij met onze meerdere middelen zoo verre onder hen? Terwijl het krijgsvuur binnenslands nog niet had uitgeblaakt, terwijl men den vijand met moeite van de grenzen des jongen staats keerde, ontwierpen de broeders en de zonen der verdedigers van het vaderland het plan voor togten door de noordelijke zeeën; in spijt der natuur, bereidden zij de verovering van een ander werelddeel voor en voerden die uit. Niemand heeft minder lust dan ik, de gruwelen te verdedigen, ter oprigting eener factory,--ter aanlegging eener stad, --ter verwerving van een gebied, onder de mildst bedeelde hemelstreken, door onze voorzaten gepleegd. Maar wien het voegt, uit dien hoofde den staf over hen te breken, ons, hunne erfgenamen, wel het minst van allen; gezwegen, wat er ter verschooning dier onmenschelijkheid zou zijn in te brengen, de begrippen der eeuw, de gewoonten hunner mededingers in aanmerking genomen. Wij willen het niet; wij gewagen er slechts van, ten einde, na dit blijk, dat wij niet blind zijn voor de schaduwzijde van het tafereel, ons in het licht, dat er ons van toestraalt, te verlustigen, meent ge, te schamen, zeggen wij.
Wat is er geworden van de zucht tot reizen, die weleer een eigenaardig hollandsche karaktertrek plagt te zijn? Lust ter koopvaardij te varen, bij den minderen stand,--lust, ontdekkingstochten te ondernemen, bij onze rijke kooplieden,--lust, het land der zon te bezoeken, bij de zonen der kunst,--lust, eenigen tijd aan de beroemdste hoogescholen in den vreemde te verwijlen, bij onze geleerden,--lust, tusschen de bouwvallen van oud-Rome rond te dolen, bij onze patriciërs--lust in één woord, andere landen te zien, andere volken te leeren kennen, anderen tongval te hooren, andere zeden gade te slaan,--lust den kring zijner denkbeelden te verruimen, de som zijner kennis te vermeerderen, het gevoel te verfijnen, den smaak te vormen,--lust, door wrijving te streven naar licht, hoe is die uitgedoofd en verflaauwd! Roem zoo hoog gij wilt, de versnelde gemeenschap tusschen, de vlug verbreide berigten van de afgelegenste deelen der aarde;--"met eigen oogen zien," zeiden onze vaderen, "gaat voor alles,"--en beweerden het te regt. Wat hebben wij bij het stilzitten van lateren tijd gewonnen, dan eenzijdige lofspraken op ons volk, onze instellingen, onze deugden,--zonderling afstekende bij de onpartijdigheid, waarmede men in de zeventiende eeuw in Nederland de verdiensten van vreemdelingen erkende en huldigde. Beweer, dat de algemeene studie van talen, dat de onvermoeibare drukpers, alles, wat wetenschap of kunst, bij de afgelegenste volken merkwaardigs opleveren, tot u brengt, zoodra het in het oosten of westen het licht ziet: "Vreemde oogen maken menschen," zeiden onze vaderen, en de uitslag bewees, hoe juist zij hadden gezien. Het is of men schroomt, onze jongelieden den toets te doen doorstaan, waarop het verkeer met verre vreemden hunne zeden stellen zoude. Waarlijk, de moed van het voorgeslacht, de jeugd aan die vuur- en waterproef te onderwerpen, pleit voor de beginselen, welke zij deze inscherpte.
Eene uitweiding over de levensbeschouwing die het vroede en het kloeke in haar karakter zoo vroeg had ontwikkeld, dat men geene teleurstellingen duchtte, het gevolg van eigenliefde of zelfbewondering--eene uitweiding van dien aard zoude hier misplaatst zijn--tot den handel terug, als ge wilt. Wie er voor vreeze, ik ducht geen oogenblik, dat onze jeugd ontaard zoude blijken, als haar de middelen ter ontwikkelling niet faalden, zonder hare schuld en tegen haren wensch. Waardoor ontbreken deze? Welligt zal eene wedervraag het kortst tot beantwoording leiden: Wat geeft Engelands handel het overwigt op dien van alle overige volken?--Koloniën?--we hebben even rijke, zoo niet in evenredigheid nog rijkere dan _Albion_.--Industrie?--de gevaarlijke boom droeg te onzent reeds meer vruchten dan wij behoeven.--Landbouw, veeteelt?--wie weigert hollandsch zuivel den wel verdienden lof?--Vermogen?--we zijn houders van schuldbrieven van schier alle natiën, en van die der onze niet het minst.--Hoofden en handen?--we zouden niet klagen, als wij er geene te over hadden.--Een kreet gaat op tegen de Nederlandsche Handelmaatschappij, dewijl zij schier de éénige groote zeehandelaar mag heeten onzer beide koopsteden; doch bedenk, eer gij er mede instemt, wat er van Java zou geworden zijn, bij de slaperigheid van vóór het jaar 1830, als koning Willem I den interest der actiën bij de oprichting niet had gegarandeerd, en jaren lang voorgeschoten. Ik huiver te beslissen, maar ge zult mij vergunnen de vreeze te opperen, dat het effectenspel den goederenhandel verstikt, even als de schuldenlast der nieuwere staten het krijgszwaard der koningen onzer dagen in de scheede houdt: zoo gaan goed en kwaad in deze wereld hand aan hand. Sir Robert Peel's _Income-Tax_ bedreigt, treft alreeds de bezittingen en portefeuille;--de hooggeroemde papieren, welke rente geven, al sluimerende en al nederliggende, die uitvinding van den nieuweren tijd, welke staatsschuld synoniem acht met volksrijkdom, --Sir Robert Peel's _Income-Tax_ zal navolging vinden op het vaste land, en wij zullen zien--doch ik mag niet weêr afdwalen, ik herhaal liever mijne vraag: wat geeft Engelands handel het overwigt op dien aller volken, wat heeft hij zigtbaar boven den onzen vooruit?--Wijs mij eene koopstad in de vijf werelddeelen, zou ik u willen antwoorden, waarin geene Engelsche huizen gevestigd zijn, jonger zonen, die den vreemde bestudeerden en doorsnuffelden, en zich de dubbele kennis ten nutte maken!
Er is nog iets.
Engelands handel heeft een tooverwoord, dat al zijne betrekkingen regelt. _Fair_ heet het. Vertaal het met "billijk" of met "gepast", met "eerlijk" of met "teregt", het drukt al die gedachten uit; het is eene lofspraak, het is eene wet. Waar men haar toepast, waar men haar nakomt, waar zij beginsel is geworden, dáár heerscht verband tusschen het werk, dat men doet, en het loon, dat men geniet, bij inkoop en verkoop, in commissie en courtage, in handel en wandel; tusschen de kennis, welke men zich verwierf en de onderscheiding, waarop zij aanspraak geeft, het vertrouwen, dat men bewijst waardig te zijn, en de aangelegenheden, wier behartiging men ons opdraagt. Ik wil Jan niet in de school brengen bij John Bull; maar hij heeft eenige reminicentiën van de dagen, toen hij monopolist was,--factors aan de graanmarkt, overdreven makelaars-loon in aantal van artikelen, refactiemeesters in de tabak b.v.--die hij wèl zou doen te vergeten; want als men een' mededinger heeft gekregen, is het wijsheid toe te zien eer het te laat is.
Zonen van goeden huize, vermogende jongeluî, die klaagt over gebrek aan zaken te onzent, leert den vreemde kennen, vergelijkt, spoort op, wat belet u? Lokken oude en nieuwe wereld niet om strijd uwe blikken aan? --het uitstapje, de togt zal u goed doen. Er ligt nog zoo menig veld braak, er schuilt nog zoo menige mijn onder den grond, er vloeit nog zoo menige bron vergeefs. Ontdekt ze, en honderdvoudige rente zullen uw loon zijn. Ge wilt u niet alleen in den vreemde vestigen? welaan, uws gelijken in aanleg, maar niet in vermogen, vloeijen over in het moederland, verstikken en kwijnen weg in de bedompte kantoorlucht; waarom zoudt gij hun aan uwe zijde het spoor niet ontsluiten? Hoeveel edeler zou het zijn, zoo ge, dus strevende voor Holland nieuwe betrekkingen aan te knoopen, den overvloed van levensgeesten, der jeugd eigen, ten nutte van u zelve en anderen besteeddet, dan die te wijden aan dubbelzinnig genot, aan spel en aan min,--hoeveel edeler dus een flink burger te worden, dan een vroeg-oude couponnenknipper! Of beschamen Hamburg en Bremen ons niet reeds in het uitbreiden harer betrekkingen met veel geringer middelen? --Hoe ons volkskarakter winnen zoude bij dergelijke pogingen, alle sluimerende krachten op te wekken, vroegere degelijkheid te doen herleven, nieuwe bronnen van welvaart en glorie te openen voor tijdgenoot en voor nageslacht! Hoort gij de stemme niet, die er u toe aanmaant, zoo dikwijls gij u, op de hofsteden uwer ouderen, in het schoon der natuur hebt verlustigd, en, de duinen opgestegen, de zee vóór u ziet, de zee, waaraan ons voorgeslacht alles verschuldigd was, zijne vrijheid, zijn' voorspoed, zijne vroomheid misschien,--want niet te onregt zegt een oud spreekwoord: Wie wil leeren bidden, die vare ter zee!
Het is in den handel als in alle standen, wie zich de kunst te bevelen eigen wil maken, die oefene zich eerst in het gehoorzamen! Zoo rampzalig als het is, altijd op de laagste trap te blijven staan, zoo goed is het van de eerste sport op te klimmen. Het vormt--het prikkelt--het brengt alle gaven aan het licht.--Maar de leerjaren moeten eens een einde nemen; hij moet het vooruitzigt hebben meester te kunnen worden, die zich deze ten nutte zal maken. Altijd de oude knecht te blijven is een ondragelijke vloek.--Aldus begrepen het onze vaderen, die hunne jonge lieden uitzonden in oost en west en in noord en zuid, maar hun na volbragten togt ook de behulpzame hand boden om zich te vestigen, ten einde van de verkregen kennis partij te trekken. Aldus begrijpen het nog de degelijksten onder ons. Waarom mag ik hier geen loffelijk voorbeeld aanhalen, dat allen, die in de hoofdstad beurs en raad kennen, voor den geest komt; waarom den man niet noemen, die op zee voor zijn beroep gevormd, thans een hooger roer heeft aanvaard?
Laat Hooft uitdrukken hoe ik wenschte, dat al onze aanzienlijken ons vóórgingen, zoo als hij:--de dichter ziet zijne vaderstad ten top van voorspoed gestegen, ter prooi aan de duizeling, der weelde eigen, en waarschuwt haar: ach! dat zijne poëzij geene profetie ware geweest:
Want nergens is zoo veil De niet verwachte val, als op de toppen steil: Zoo slibbrigh staan, als op de kruin; zoo te bedinken Het gypen, als voor wind, en zoo gereed het zinken. Gelijk ik zie, uit wenst tot weelde, te gemoet Al wat verbastering der oude zeeden goedt; En, om het snood gewin, in last de goede wetten. Doch zullen daar de best' hun voorgang tegens zetten. Uitblinkendt als in goudt het heldere gesteent.
1842.
* * * * *
MARIE
"Marie is alleraardigst," plagt ik uit te roepen, zoo dikwijls ik in den verleden zomer op den huize Duin en Dal gast was geweest; maar gister bewaarde ze mij wel voor de verzoeking het nog eens te doen. En echter ben ik, in den jongsten winter, zoo min een fat als een pruik geworden; een der beide herscheppingen zou genoeg geweest zijn, om het der lieve te doen vergeven, zoo ze mij geschuwd had als de pest. _Ik_ bleef dezelfde;--een jaar meer in de gulden twintig ontwikkelt slechts te ruimer ieder zin voor genoegen,--maar hoe was _zij_ veranderd! Uit haar vijftiende trad zij in haar zestiende. Laat mij u waarschuwen voor de onheilsstar, die
_En des jours ténébreux a changé ces beaux jours_.
Ik vermoedde geenszins de teleurstelling die mij beidde, toen ik, de hofstede genaderd, mijn paard liet stappen, en, zoo als ik gewoon was, ten lommerrijken heuvel opzag, naar de plek, van waar ze mij zoo vaak begroette. Het was ditmaal echter vergeefs; geen witte doek wuifde mij er tegen. Traag reed ik onder haar prieel van bloeijende meidoornen langs, en staarde weder op; doch de slanke leest van het meisje boog zich niet over hunne twijgen. Ik zag eindelijk nog eens naar omhoog, half ongerust over haren welstand; neen, geen lief handje repte zich door het gebladert. Maar de wielen van mijne tilbury rolden stroever over het zand van eenen bijweg, en Diane stak de ooren op, als hoorde zij den bekenden vogelvluggen tred over het grasperk, dat er het spoor omzoomt.
En ik verbeidde.