Lidewyde

Chapter 9

Chapter 93,752 wordsPublic domain

"Doch luister nu eens, mejufvrouw, naar hetgeen ik u te vertellen heb. Het is elf ure in den ochtend, en ik zit u dezen brief te schrijven in een koketten stoel, aan een elegant bureau, in de weelderigste van alle logeerkamers. Wanneer ik het hoofd omwend, heb ik aan mijne linkerzijde twee opengeslagen vensterdeuren, en zie ik neder op een groot grasperk, in het midden waarvan een zware bruine beuk prijkt. Zaagt gij de zon door de takken en bladeren van dien boom hare vonken schieten op het gras, gij zoudt er stil van worden. Het park, dat mij omringt, is geene eigenlijk gezegde buitenplaats, maar de breed aangelegde tuin van eene villa, geen twintig minuten gaans van de stad verwijderd. Den vreemden naam van =Soekabrenti= dankt die villa aan een oost-indisch millionair, die haar eenige jaren geleden hier heeft doen bouwen en van wiens chineesche vrouw even als van hem zelven ik u bij gelegenheid kurieuze anekdoten vertellen zal. Thans is zij het eigendom van--dat zal ik u zeggen. Gij zult dan meteen weten wie mijn gastheer is, hoe mijne gastvrouw heet, waarom ik niet bij mijn oom gebleven ben, te A., en welke zaken ik te M. te verhandelen heb.

"Toen ik eergisteren-ochtend op het bepaalde uur bij mijn oom verscheen... Maar neen, op die wijze zou aan mijn verhaal geen einde komen, en het is niet belangwekkend genoeg om lang te mogen zijn. "Vertel mij eens, vriendje," vroeg mijn oom, op den hem eigen vernederenden en brusken toon, waarachter hij volgens sommige zijne warmste genegenheden verbergt, doch dien ik voor mij altijd onaangenaam gevonden heb, "weet gij wel dat uwe moeder en ik eene erfenis deelen moeten met een verren neef van ons, Adriaan Dijk geheeten? Ter wille van uwe zusters wenschte ik dat de nalatenschap vorstelijker ware, doch daaraan is nu eenmaal niets te veranderen. Ik ben verhinderd, in persoon naar M. te gaan en met Dijk, die buitendien mijn boezemvriend niet is, de noodige schikkingen te maken. De zaak moet evenwel geregeld worden, en dat is de reden dat ik u ontboden heb. Deze prokuratie is, geloof ik, zoo algemeen mogelijk, en met dat ding in den zak zult gij uit mijnen naam alles kunnen verrigten wat de wet voorschrijft." Mijn vader had mij van die erfenis het een en ander verteld, zoodat mijn oom de moeite had kunnen sparen mij in te lichten en te bejegenen als een knaap. Doch zoo is hij. Ik had in de mij toegedachte kommissie weinig lust, en liet niet onduidelijk doorschemeren, dat ik het in elk geval ruim zoo eenvoudig zou gevonden hebben, mij die prokuratie toe te zenden over de post, desnoods in een aangeteekenden brief. Niet waar? Ik zou dan regtstreeks naar M. hebben kunnen reizen, en had niet noodig gehad den omweg te maken, die thans, door eerst naar A. te trekken, onvermijdelijk geworden was. Voor die opmerking werd ik evenwel aanstonds gestraft door de vraag, of ik zoo weinig prijs stelde op een persoonlijk onderhoud met mijnen oom, dat het genot van dat voorregt mij zelfs geen halve dag reizens waard was? "Bovendien," vervolgde mijn oom, "wenschte ik u omtrent, de personen met wie gij te M. in aanraking komen zult,--Adriaan Dijk en zijne vrouw, bedoel ik,--eenige dier inlichtingen te verschaffen, welke ik niet gewoon ben toe te vertrouwen aan het papier. Wees openhartig en zeg mij, kent gij mevrouw Dijk?" Bij het doen dier vraag zag mijn oom mij doordringend aan; veel ernstiger en veel doordringender dan noodig was, want van mevrouw Dijks bestaan was mij toen nog alleen dit bekend dat zij de vrouw was van onzen neef Adriaan, met wien ik de zaak der erfenis regelen zou. Wel herinnerde ik mij, haar somtijds te hebben hooren roemen als eene schoonheid, te schoon en te geestig voor een man als den haren, van wien men beweerde dat hij het kruid niet uitgevonden had; doch daar ik òf hem òf haar zelfs niet van aangezigt kende, vond ik het niet noodig gewag te maken, van die bijzonderheid. Mijn antwoord was, en zoo sprekend zeide ik de gulle waarheid: "Ik weet te naauwernood dat er eene mevrouw Dijk in de wereld is." Wat mijn oom mij toen uitlegde, en het vele wonderlijke dat hij mij vertelde van den heer en de dame aan wie hij bezig was mij te endosseren, kan ik u niet alles woordelijk overbrengen. Ook zou het u vermoedelijk voor een groot gedeelte even weinig belang inboezemen als mij. "Dijk," zeide hij onder anderen, als ten vervolge op zijne mededeeling dat neef Adriaan zijn boezemvriend niet was, "Dijk is een ingebeelde zot. Of hij verstand van tabak heeft, weet ik niet, maar dat hij op nieuw intrigeert om lid van de Tweede Kamer te worden, is onvergefelijk. Eenige jaren geleden ben ik toevallig veroordeeld geweest hem herhaaldelijk te ontmoeten in gezelschap van derden, en bij die gelegenheden heb ik hem hooren doorslaan over politiek. Het was erbarmelijk. Omdat hij fortuin en een grooten mond heeft, verbeeldt hij zich te kunnen medepraten over belastingwetten, over diplomatieke nota's, over koloniale onderwerpen, en wat niet al; doch van mijn leven heb ik door een volwassen mensch zooveel onzin niet hooren uitkramen. Gelijk de meesten zijner stadgenooten, zeilt hij onder liberale vlag; doch had ik vóór '48 geweten, dat onze nieuwe Grondwet voor zulke werveldraaijers het hek ontsluiten zou, ik zou mijne onafhankelijke positie nooit prijs gegeven hebben." Meer zal u interesseren hetgeen mijn oom van mevrouw Dijk vertelde. "Mevrouw Dijk," zeide hij, "is de natuurlijke dochter van een mijner voormalige schoolkameraden. Haar voornaam is Lidewyde, doch zij is geene hollandsche van geboorte. Haar vader is jaren geleden nederlandsch consul geweest te Alexandrie, en heeft daar een tijdlang geleefd met eene soort van grieksche slavin. Of hij nog bestaat weet ik niet, maar ik twijfel er aan. Hij is indertijd met mevrouw Dijk, die toen een kind was, uit Egypte naar Holland gekomen en heeft haar ergens besteed op eene kostschool, waar zij de vriendin geworden is van Dijks zusters. Vervolgens is hij naar de Oost vertrokken, en schijnt voor de opvoeding van dat kind, wat het geldelijke betreft, behoorlijk zorg gedragen te hebben. In de eene of andere groote vakantie is het meisje door de oude mevrouw Dijk te logeeren gevraagd, en zoo is Adriaan aan haar gekomen. Indien zij ooit van hem gecharmeerd geweest is, is zij eene even groote zottin als hij; maar ik gis dat zij hem alleen genomen heeft om eene toonbare positie te hebben."

"Gij weet ongeveer, lieve Emma, hoe ik over mijn oom denk. Hij is mijn weldoener geweest en zonder hem zou ik geen ingenieur geworden zijn; reden genoeg voor mij om hem te achten en te ontzien. Doch liefhebben kan ik hem niet; en dat hij in weerwil van zijne ondervinding en van zijn oud-ministerstitel een man vol vooroordeelen is, daarvan heb ik sedert gisteren op nieuw de ervaring opgedaan. Hij heeft zijnen tijd gehad en kent de kaart van het land niet meer. Heb ik het hem niet als eene uitgemaakte zaak hooren voorstellen dat Adriaan Dijk liberaal was en als lid van de liberale partij lid van de Tweede Kamer wilde worden? Welnu, op mijne reis van A. naar M. heb ik kennis gemaakt met een welingelicht persoon, die mij verzekerd heeft dat mijn oom den bal volkomen missloeg. Van dien heer, die er onoogelijk uitzag, maar zeer onderhoudend praatte (hij heet Lefebvre, en moet een voornaam advokaat zijn), heb ik vernomen dat Adriaan Dijk niet-alleen bij de aanstaande verkiezing van een lid der Tweede Kamer te M. optreden zal als de kandidaat der konservativen, maar dat hijzelf (den heer Lefebvre meen ik), die insgelijk de konservative rigting toegedaan is, zich met geen ander doel naar M. begaf als om met Adriaan over diens kandidatuur te gaan spreken en bezoeken met hem te gaan afleggen bij eenige vrienden. Mij is het volmaakt onverschillig, dat begrijpt gij, of mijn neef Dijk konservatief of liberaal is; maar uit hetgeen ik u daar vertel blijkt genoeg, dat op het oordeel van mijn oom Timmermans weinig staat valt te maken.

"Wilt gij een ander staaltje van zijne kortzigtigheid? Toen ik gisteren-avond bij Dijk mijne opwachting ging maken (want hij ontvangt alleen 's avonds, en indien ik dat van te voren geweten had, zou ik minder vroeg uit A. vertrokken zijn), verbeeldde ik mij, afgaande op de beschrijving van mijn oom, een winderig persoon te zullen aanschouwen, die mij half en half brutaliseren of althans overbluffen zou, en tegen wien ik op mijne hoede zou moeten zijn. Doch toen de vigelante, waarmede ik mij naar Soekabrenti had laten brengen, stilhield voor dat paleis (Dijks woning is inderdaad een vorstelijk gebouw), werd ik ontvangen door een gul en wellevend man, de voorkomendheid in persoon, die naauwelijks mijn naam en het doel van mijne komst vernomen had, of hij gaf mij de hand en bood mij zijn huis aan. Dijk is iemand van vijfenveertig jaren, naar ik gis. Hij heeft een hoog voorhoofd en is bijna kaal; maar ofschoon zijn digte blonde baard hier en daar grijze plekken begint te vertoonen, ziet hij er volstrekt niet uit als een versleten man. Hij is klein van gestalte, heeft kleine handen en kleine voeten en is naar den laatsten smaak gekleed. Het eenige wat ik op hem zou weten aan te merken, is dat hij iets deftigs over zich heeft, dat niet geheel en al natuurlijk is; maar dat misstaat hem niet, omdat men gevoelt dat hij anders misschien te levendig en te toeschietend zou zijn.

"Wat mijne nicht Lidewyde betreft, deze heeft, naar ik u verklaren kan, niet den minsten indruk op mij gemaakt, en ik begrijp ter wereld niet hoe mijn oom (of had ik u dat nog niet verteld?) mij haar heeft kunnen afschilderen als eene kokette vrouw. Misschien, ja, indien zij wilde, zou zij er interessant kunnen uitzien; doch gelijk ik haar gisteren-avond aangetroffen heb, thee schenkend onder de verandah aan de achterzijde van het huis en zich te mijner eer te naauwernood opheffend uit haar gemakkelijken stoel, vond ik haar niet-alleen niet mooi, maar bijna onbevallig. Haar oog zegt niets; haar mond (in afgemeten en karige woorden heette zij mij welkom) weinig meer, en op haar voorhoofd troont eene wolk, die aan wrevel en meer nog aan onverschilligheid denken doet. Men kon het haar aanzien, dat zij afkomstig is uit het Oosten, of althans uit het Zuiden, en die indruk is zelfs zoo sterk, dat men verwonderd is, haar Hollandsch te hooren spreken zonder accent. Doch dat vreemde uitzigt is dan ook het eenige in haar wat frappeert. Zij is jonger dan haar man, en zal ongeveer van mijn eigen leeftijd zijn.

"En ziedaar, lieve Emma, hoe ik beland ben op Soekabrenti en waarom ik aldaar mijn anker heb laten vallen. Naar de berekening van mijn oom, zullen met het opmaken der noodige akten, en zoo voorts, hoogstens acht dagen gemoeid zijn. Dijk heeft dat niet tegengesproken, en daarom heb ik dan ook van zijn aanbod, om bij hem mijnen intrek te nemen, zonder schroom gebruikt gemaakt. Hij wilde volstrekt niet hebben, dat ik meer dan één nacht in een logement slapen zou, en om u de waarheid te zeggen was zijne propositie mij zeer naar den smaak. Te Duinendaal heb ik zoovele maanden achtereen als een zwaluw onder de dakgoot gewoond, dat die levenswijze voor mij al hare bekoorlijkheid verloren heeft. Daarbij komt dat het weelderigst hôtel niet confortabler ingerigt kan zijn dan Soekabrenti. Voor menschen zonder kinderen is het huis eigenlijk veel te groot; men verdwaalt er in, en indien ik u den weg naar mijne kamer moest wijzen, zou ik misschien verlegen staan. De persoon die het heeft laten bouwen, maar er spoedig genoeg van had en nu de hemel weet waar op een landgoed woont,--in Boheme, hoor ik,--had een talrijk gezin, en zijne jongelui, met inbegrip van goeverneurs en goevernantes, moesten elk eene afzonderlijke kamer kunnen hebben. Doch met uitzondering van dit doolhofachtige is het de fraaiste villa die men zich denken kan, en ik weet wel wie er schik in hebben zou, het eenmaal in de wereld zoo ver te brengen, dat hij zulk een huis bewonen kon. Meermalen had ik hooren vertellen, dat Dijk fortuin had; doch om zoo te kunnen leven als hij doet, met een kantoor in de stad, eigen rijtuig, eigen paarden, een eigen tuinman en een huis vol bedienden, moet hij schatrijk zijn.

"Gisteren-ochtend met mijn ledigen tijd geen raad wetend, heb ik eene ontdekkingsreis door de straten van M. gedaan en ben ik een kijkje gaan nemen van het Park. Alles heeft hier in de laatste jaren een veel levendiger aanzien bekomen dan te voren; er heerscht eene ongeloofelijke drukte, en even als men van de meeste kerkorgels in ons land verhaalt dat zij na het Haarlemsche de grootste zijn, zal men over niet langen tijd, doch met meer grond, van M. kunnen zeggen, dat het na Amsterdam of Rotterdam onze voornaamste koopstad is. Behalve naar het Park, waar tweemalen in de week muziek gemaakt wordt, gaan de menschen hier veel naar Zeeburg, waar verleden jaar een badhuis geopend is. Wel tienmalen daags is er gelegenheid om met omnibussen of diligences daarheen te rijden, en wie niet rijden wil kan desnoods wandelen, want van hier naar genoemd dorp is weinig meer dan een uur gaans.

"Gij bemerkt, melieve, dat het oord mijner ballingschap in het geheel geene woestijn is. Ook zou ik het er wel kunnen uithouden, indien gij slechts bij mij waart. Doch uwe afwezigheid vervolgt mij overal; en pas sedert ik u ben gaan schrijven, heb ik mij weder minder verlaten gevoeld. Met evenveel droefheid als zelfvoldoening zie ik de volgekrabde blaadjes nevens mij nog aangroeijen; want hoewel de gedachte mij goeddoet, eerlijk gebiecht en u haarklein al mijne wederwaardigheden verteld te hebben, besef ik met smart dat ook aan de genoegelijkste dingen een einde moet komen, en het niet aangaan zou, een nog langeren brief naar Duinendaal te zenden dan deze onwillekeurig reeds geworden is. Groet uwe ouders van mij, en al degenen die naar mij vragen zullen. Gedenk mijne eenzaamheid en troost mij spoedig, bid ik u, met een lettertje van uwe hand. Het zal de eerste brief zijn, dien ik van u ontvang; maar indien van u gescheiden te zijn de prijs is waarvoor ik het genot moet koopen de teekenen van uwe lieve hand te aanschouwen, zou ik bijna wenschen dat het tevens de laatste was. Ik kan niet buiten u, Emma, en hij zal een toovernaar zijn die mij hier langer aan de praat houdt dan volstrekt noodzakelijk is. Mijn hart is op Belvedere. Bij u behoor ik, voor u leef ik, u omhels ik."

VIJFDE HOOFDSTUK.

Noem het onopregtheid, noem het zwakheid, noem het onnoozelheid; doe van die gebreken zooveel af als noodig is om er niet geheel en al vrij van te zijn en nogtans in een roman een dragelijk figuur te kunnen blijven maken,--André's oordeel over zijn oom was in elk geval onjuist. Kort na 1848, toen het liberaal-zijn in de politiek nog iets veel deftigers en veel gekleeders was dan tegenwoordig, was die oom en oude vrijer, als lid van een liberaal Kabinet, een tijd lang minister van Buitenlandsche Zaken geweest, en nog in zijne A'sche rust omgaf hem de naglans dier Haagsche grootheid. Opgeleid voor den handel, was hij door schrandere spekulatien reeds vroeg een man van vermogen geworden, had veel en goed gereisd, kende al de hoofdsteden van Europa op zijn duimpje, en kon, wat zijne bevoegdheid tot het vervullen eener diplomatieke betrekking aangaat, de vergelijking met de meeste diplomaten zeer wel doorstaan. Met eene minstens vijftigjarige weduwe, die zijne huishouding waarnam en doodelijk bang voor hem was, woonde hij in een der fraaiste huizen eener voorname straat, hield rijtuig, zag menschen, verkeerde in aanzienlijke kringen, en zou door menigen neef in den lande, als het model der erfooms, in hooge eer gehouden zijn. Doch omdat hij Kortenaer heette en adelbrieven bezat, was André van lieverlede weinig bewondering gaan koesteren voor een bloedverwant die alleen den burgerlijken naam van Timmermans voerde (den naam zijner eigen moeder intusschen); minister geworden was in een halven revolutietijd, en nooit in de gelegenheid was geweest het klatergoud van zijn ambt te doen vergeten door het bewijzen van degelijke diensten aan den lande. Hij erkende met den mond dat hij aan zijnen oom groote verpligtingen had; doch in den grond zijns harten (want sommige jongelieden zijn minder onbedorven dan zij er uitzien) griefden hem die verpligtingen. Het was bitter, meende hij, dat zijn vader, een geboren edelman, het nooit verder had kunnen brengen in de wereld dan tot direkteur van een postkantoor in eene provinciestad, en de zorg voor een groot gezin hem nog bij voortduring noodzaakte gunsten aan te nemen van een boven zijnen stand voorspoedig zwager.

En bij die oude grieven was sedert eenige maanden eene nieuwe gekomen: André had reden om zijnen oom voor een tegenstander van zijn engagement met Emma te houden. Hij had hem van zijne verloving schriftelijk kennis gegeven, en ooms antwoord was geweest: "Ik dweep niet met dat huwelijk." Hij had opheldering gevraagd van die ongemotiveerde afkeuring en tot bescheid ontvangen: "Mij dunkt, gij zoudt later eene betere partij hebben kunnen doen." Wat beduidde dat? Nu ja, Emma was geene gravin; doch bij een huwelijk kwam het bloed van de mannen, en in elk geval waren de Visschers ligt van zoo goeden huize als de Timmermansen. De oude heer Visscher was geen millionair; ook dit was waar. Doch Emma was een eenig kind, en het was duidelijk dat iemand zonder fortuin vergelijkenderwijs een goed huwelijk aan haar deed. Waarom dan die tegenkanting? Moest genoten ondersteuning dit gevolg hebben, dat men zich levenslang te schikken had naar de luim van hen of haar wier goedheid men ondervonden heeft, men zou eindigen met alle gulle tantes en alle vrijgevige ooms naar de Mokerheide te wenschen. =Que diable=, men telt geene dertig jaren en bouwt geene spoorwegbruggen, om ten eeuwige dage naar de pijpen te dansen van een oom, die minister van Buitenlandsche Zaken--geweest is!

Zoo dacht André, wanneer hij zich niet in het gezelschap van zijnen oom bevond. Doch had het toeval ons tot getuigen gemaakt van zijn onderhoud met den oud-minister, wij zouden van het onafhankelijke dier gevoelens weinig bij hem bespeurd hebben. De oud-minister mogt vooroordeelen hebben en niet volkomen meer op de hoogte van alle nieuwtjes zijn, hij was een man wiens tegenwoordigheid imponeerde. Zijn voorkomen teekende in het geheel niet hetgeen men eene burgerlijke afkomst noemt, en op twee kleine gouden ringetjes na, die hij sedert jaar en dag in de ooren droeg, zou men hem voor eene geboren Excellentie hebben aangezien. Zijn kamerjapon was geenzins met ridderorden uitgemonsterd, en men zou langvergeten jaargangen der =Staats-Courant= hebben moeten naslaan om te weten te komen, tot het "aannemen en dragen" van hoevele versierselen van dien aard hij 's Konings vergunning bekomen had. Zijn gelaat, dat aan de snede van dat van Voltaire herinnerde, was ver van schoon; doch de groote neus paste in zijne soort volkomen bij het tusschen grijze lokken schuilgaand voorhoofd, en men behoefde slechts eenmaal in zijn leven een goed portret van Sterne gezien te hebben, om zich ook in dit geval verzoend te gevoelen met een mond, die wijder gaapte dan, volgens Poot, de hoofsche staatsjufvrouwen doen. Zonder dat hij dandineerde, was in zijn gang iets elastieks, dat bij mollige tapijten voegde, en in weerwil van zijnen leeftijd had hij iets zoo bevalligs in zijne bewegingen en was hij zoo vlug ter been, dat geen verstandig jong meisje geweigerd zou hebben, zich door hem ten dans te laten noodigen. Komplimenteus in zijne gesprekken met vrouwen, dogmatisch in zijn onderhoud met mannen, niet naijverig op het voeren van het hoogste woord en nogtans een aangenaam prater, was er geene enkele reden om dezen celibatair gering te schatten en had een jong mensch gelijk André er honderd voor eene om hem met onderscheiding te bejegenen.

André sprak waarheid toen hij aan Emma schreef, dat zijn oom hem gebruskeerd had. Zonder overdreven volledig te worden had hij er evenwel kunnen bijvoegen dat die soort van aan koelheid, om niet te zeggen onbeleefdheid grenzende =sans-gêne= tot de bekende eigenaardigheden van zijnen oom behoorde en het tegendeel was van een bewijs van onhartelijkheid. Het gold veeleer bij André's familie voor eene uitgemaakte zaak, dat neven of nichten nooit meer kans hadden iets van oom Timmermans gedaan te krijgen dan wanneer hij hen op een na brutaliseerde, terwijl zij zich van te voren verzekerd hielden, nul op het rekest te zullen ontvangen, zoo vaak en zoodra hij den oud-minister uithing en minzaam was.

Onvolledig: dit was André's brief nog in een ander opzigt. Zijn oom toch had hem niet-alleen gezegd dat mevrouw Dijk doorging voor behaagziek, maar had hem voor Lidewyde bepaald gewaarschuwd. "Jong mensch," had hij gezegd, "ik meende dat gij niet naar M. moest gaan, zonder te weten wie gij daar ontmoeten zoudt. Sommige getrouwde vrouwen kunnen voor een man in uw positie gevaarlijk worden. Daarom, pas op uw tellen." Waarom maakte André voor zijn meisje een geheim van die reisles, hem door zijnen oom medegegeven? Op die vraag kan, helaas, slechts met eene wedervraag geantwoord worden: Waarom is de mensch een kortzigtig schepsel? Had André kunnen voorzien dat mevrouw Dijk, die hij thans nog naauwelijks van aangezigt kende, binnen den tijd van weinige weken eene heerschappij over hem uitoefenen zou die Emma's invloed op zijn gemoed eerst verzwakken, dan neutraliseren en eindelijk vernietigen zou,--hij zou de eerste zijn geweest om zich tegen die vrouw te wapenen. Doch hij was jong en onervaren, en de voorspoed had hem overmoedig gemaakt. Voor dien eerbiedigen en zoeten schroom, waarmede hij nog kort geleden tegen Emma had opgezien, was al spoedig zekere fatuiteit in de plaats gekomen, en indien hij voor een kundig oog zijne ware gevoelens blootgelegd had, zou het gebleken zijn dat zijne eerste liefde hare eerste pleisterplaats reeds genaderd was. In stede van Lidewyde in gedachte te verafschuwen of voor het minst te wantrouwen, interesseerde hij zich voor haar. Het benieuwde hem, welken indruk zij op hem maken zou, en zonder nog in de verte den wensch te koesteren dat die nieuwgsgierigheid wederkeerig zijn en mevrouw Dijk ook in hem eenig belang stellen mogt, prikkelde hem het vooruitzigt, in kennis te geraken met eene vrouw, tegen wie hij, naar men hem zeide, op zijne hoede moest zijn.