Chapter 8
Doch, hoe veranderd ook naar den inwendigen mensch, hij was dezelfde Stephenson; dezelfde, die na gedurende een viertal jaren den teugel te hebben gevierd aan al de driften der jeugd, plotseling aangegrepen was geworden door eene hartstogtelijke zucht naar algeheele verandering van levenswandel; dezelfde, die, een magteloos bolwerk ziende in het kerkgeloof zijner opleiding, hetwelk hem voor geene enkele zonde behoed had, van het eene uiterste in het andere overslaand, als een nieuwe Augustinus vrede gezocht en gevonden had in het roomsche dogme; die, steeds onbekwaam om iets ten halve te doen en leek te blijven, priester had willen worden en geworden was, en in de gelofte, door hem in die hoedanigheid afgelegd, het aangewezen middel had ontdekt en gezegend om tot heiligheid te geraken. Hij was evenwel geen alledaagsch egoïst geworden. Zijn gevoelig hart en zijne levendige verbeelding vervolgden hem voortdurend met de herinnering aan het verledene. Schier dagelijks stond de beeldtenis zijner makkers van weleer, met Ruardi aan de spits, hem voor den geest. Hij kende de geschiedenis van hun wedervaren, den naam van elke plaats waar zij zich hadden nedergezet, al de voornaamste bijzonderheden van hunnen levensloop. Ware zijne studie van het menschelijk hart oppervlakkiger geweest, of had hij de onmisbaarheid eener goddelijke genade, aan wier tusschenkomst hij voor zichzelven alles te danken had, minder diep beseft,--hij zou pogingen aangewend hebben om hen tot boete en bekeering te brengen. Thans gedacht hij hen alleen in zijne gebeden. Een hunner was op dertigjarigen leeftijd (nog telkens joeg die voorstelling hem eene huivering aan) bezweken aan de gevolgen zijner voortgezette uitspattingen. Van de anderen, hier en ginds in het land verspreid, waren sommigen ingetogen personen geworden, allerlei openbare of bijzondere betrekkingen bekleedend; doch hunne beterschap, meende hij, stond gelijk met eene verdorpering van het hooger-ik, en met hunne losbandigheid hadden die voortaan gezeten burgers, die vaders van opkomende huisgezinnen, tevens het natuurlijk goede afgelegd, waardoor zij zich vroeger onderscheiden en hem aangetrokken hadden. Van de anderen waren twee of drie er in geslaagd zich voor eene poos een naam te maken in de letteren of in de staatkunde, doch zonder iets voort te brengen of uit te werken dat den toets des tijds zou kunnen doorstaan, en in elk geval zonder te ontwaken tot dat beter leven, waaraan hij, Stephenson, sedert hij met hen gebroken had, zijne zaligste oogenblikken dankte. Van al die vrienden was alleen Ruardi een man van aanzien geworden. In alle opzigten was het hem medegeloopen, doch op eene wijze die bedroevender scheen dan de felste tegenspoed gedaan zou hebben. Ruardi, die in den kring van zijne kameraden steeds gegolden had voor het sterkste hoofd van allen, had zich in de armen eener wijsbegeerte geworpen, die in den grond der zaak niets anders was als eene regtvaardigende theorie van zijne eigen ondeugden. Zijn geheele leven was van lieverlede in eene leugen verkeerd. Voor het uitwendige ontzag hij de gevestigde orde der maatschappij en overtrad hij niet eene van hare wetten; doch in stilte misbruikte hij zijne talenten en ontheiligde hij zijn beroep om aan één boozen hartstogt te voldoen. De wereld groette hem voor een weldoener der lijdende menschheid, terwijl voor honderde van zijne medeschepselen (de bekeerling en de priester gruwden om het zeerst van dit raffinement van verdorvenheid) zijne aanraking noodlottiger geweest was dan eene epidemie.
Stephenson's kerkelijke begrippen speelden in dit oordeel over het karakter van Ruardi een veel voornamer rol dan hij zich zelven bekennen wilde, en misschien zou het hem moeite gekost hebben, betere gronden aan te voeren voor zijne vroomheid dan de ander tot bevrediging van zijne sensualiteit plagt bij te brengen. Doch Stephenson was een dier menschen, die, wanneer uitspraak gedaan moet worden over hetgeen betaamt of niet betaamt, niet in de eerste plaats naar bewijzen vragen, maar met indrukken te rade gaan. De overgeleverde en algemeen aangenomen zedewet bezat voor hem het karakter der evidentie, en zijn eerbied voor het katholicisme wortelde vooral hierin, dat het roomsch geloof hem toescheen, aan die wet de hoogste wijding te geven. Hij vroeg niet naar het waarom van hetgeen hij deugd en heiligheid noemde; de in de zamenleving geldende begrippen van goed en kwaad waren in zijn oog niet de uitdrukking van iets betrekkelijks, zooals koud en warm, ver en nabij, maar droegen een goddelijk karakter; al hetgeen daarmede streed, was uit den Booze. Doch hoe vaster het bij hem stond dat Ruardi, van wien hij meer wist en dien hij beter doorgrondde dan den ander welgevallig kon zijn, tot de orde der zedelijke monsters behoorde, des te meer had hij het van zijnen pligt gerekend hem althans eenmaal in zijn leven onder de oogen te gaan zien; terwijl aan den anderen kant, naarmate het voornemen daartoe bij hem gerijpt was, zijn zelfstrijd in hevigheid was toegenomen. Den man in wiens schuldige vermaken hij indertijd zelf gedeeld had, kon hij, dit sprak, niet bejegenen als een vreemde; bovenal, hij kon tegenover hem geen beroep op zijn priesterlijk karakter doen. Elke poging van dien aard zou hem buiten eenigen twijfel aangerekend worden als eene daad van geestelijken hoogmoed, van huichelarij misschien. Voorts zeide hem zijn instinkt, dat om hem te begrijpen en te waarderen, juist die zekere zin voor het reine en heilige gevorderd werd, waaraan het Ruardi in de eerste en voornaamste plaats ontbrak. En toch, hij moest nu gaan. Te schrijven zou eene laagheid geweest zijn; het zou een gebrek aan zedelijken moed verraden hebben, dat hem nimmer voor de voeten moest kunnen geworpen worden. Voor het eerst in al de twintig jaren, die sedert zijne bekeering verloopen waren, bood zich eene gelegenheid aan om onder vier oogen te zeggen en te toonen wie hij was. Wat baatte het, dat eene kerkgemeente, die zijne geschiedenis niet kende, hem eerbiedigde als een godsgezant? Dat de bejaarde en niet buitengewoon schrandere priester, als een van wiens onderhoorigen hij werkzaam was, hem prees om zijnen ijver? Dat lieden van allerlei stand in de plaats zijner inwoning, deftigen en schamelen, hem groetten op de straat en hem met onderscheiding toegang verleenden tot hunne woning? Die hulde, hij was er van doordrongen, werd niet aan zijn persoon, maar aan zijn ambt gebragt, en menigmaal had hij zich haar verweten als de nootlottige vrucht van een zijnerzijds volgehouden stelsel van misleiding. In Ruardi's oogen, daarentegen, zou hij zijn die hij was; niets minder, maar ook en vooral niets meer. De vernedering, dit is zoo, zou ook hierom te dieper door hem gevoeld worden, omdat, naarmate hij een ander mensch geworden was, zich uit zijne vorige driestheid eene bedeesdheid en schroomvalligheid ontwikkeld hadden, die ligt voor valsche schaamte konden aangezien worden. Doch ook dien teug uit den bitteren beker wilde hij drinken. En wat alles afdeed, hij zou niet gaan om zichzelven, of uit gemaakte belangstelling, of in de hoop op eene martelaarskroon, maar omdat hij eene zending te vervullen had. Er moest voorzien worden in de behoeften eener verlorene, de zorg daarvoor was hem opgelegd, en hij ging.
DERDE HOOFDSTUK.
Toen Stephenson te G., gelijk zijne standplaats heette, plaats nam in den spoortrein, ontging het hem dat in het rijtuig der eerste klasse, waaraan het zijne onmiddelijk voorafging, twee heeren gezeten waren, waarvan de een André Kortenaer was en de ander voor de lezers van dit verhaal nog een vreemdeling is. De schrijver zou het vleijend voor zijne eigenliefde vinden, indien het hun eenig belang inboezemde te vernemen, om welke reden André zich niet meer te A. bevond, waar hij zaken had af te doen met zijnen oom, en wat hem naar M. voerde, waar hij, voor zoo ver bekend was, niets te verrigten had. Doch het is hem meer waard, de leemten hunner wetenschap aan te vullen dan aanstonds hunne nieuwsgierigheid te bevredigen, en hij verstout zich te beweren dat het voor hen van hooger belang is de kennismaking met dokter Ruardi eerst nog eene poos voort te zetten, dan nu reeds te worden ingewijd in geheimen die spoedig genoeg aan het licht zullen komen.
De huisknecht Jakob was te zeer opgevoed in het ontzag zijns heeren dan dat hij voor luistervink zou hebben durven spelen, en met een groot aantal zijner natuurgenooten had hij dit gemeen, dat de gehechtheid aan zijne maatschappelijke positie, of indien men liever wil, de vrees van daaruit verdreven te zullen worden, hem afhield van sommige kwade praktijken waartoe het hem anders niet aan de vereischte neiging zou ontbroken hebben. Hij hoorde niets; en evenmin als hij iets hoorde, zag hij iets. De sleutelgaten van dokter Ruardi's vertrekken waren niet derwijze ingerigt, dat men hetgeen daar binnen voorviel steelsgewijs van buiten waarnemen kon. Al hetgeen Jakob dan ook in den namiddag van dien dag aan zijn vrouw verhaalde omtrent het ongewoon bezoek des ochtends aan den dokter gebragt,--Jakob was in zoover gehuwd dat hij de zorg voor zijne zeven kinderen overliet aan hunne moeder en zijn eigen haard enkel als een kosthuis beschouwde,--was geheel en al eene vinding van zijn aangeboren vernuft. Jakob had niets gezien en niets gehoord; had noch de wederzijdsche verlegenheid kunnen opmerken, waardoor het gesprek zich in den aanvang gekenmerkt had, noch aanteekening kunnen houden van den koude- of warmtegraad, waartoe het beurtelings gedaald en gestegen was. Dit alleen wist hij, dat, toen "mijnheer de pastoor" een uur later den trap afging, zijn gelaat en zijn houding al de kenteekenen vertoond hadden eener volkomen teleurstelling.
Ziehier in het kort hetgeen Eduard Stephenson, roomsch-katholiek priester, na de belijdenis van zijn christelijk geloof en zijn verzoek om onderstand te hebben voorgedragen, ten antwoord bekwam van Frederik Ruardi, dokter in de genees-, heel- en verloskunde:
--"Indien ik Alexander niet was, lieve vriend, zou ik Diogenes wenschen te zijn. Maak daaruit op, dat ik uwe gevoelens eerbiedig, doch tevens, dat ik daarin onmogelijk deelen kan. De theologie is nooit mijne specialiteit geweest, doch voor zoo ver ik over die zaken oordeelen kan schijnt het mij toe, dat gij van uw standpunt wèl gehandeld hebt met roomsch te worden. Ik ga verder en erken, dat zelfs de meest orthodoxe protestant, om van de liberalere niet te spreken, mij voorkomt eene anomalie te zijn. Toen de duivel vroom werd, zegt het spreekwoord, was hij een oud man, en ik voor mij ben van zins het volgen van dat voorbeeld uit te stellen tot den dag mijner begrafenis. Mogt ik evenwel vroeg of laat mijne tegenwoordige zienswijze vaarwel zeggen, dan geloof ik dat de keus tusschen Rome en Genève mij niet moeijelijk vallen, en ik in de oudste brieven al spoedig het meeste vertrouwen stellen zou.
--"Doch dit daargelaten. Uwe fout, in mijne oogen, is niet zoo zeer dat gij roomsch of priester, maar dat gij met de predikanten en de rabbi's de vertegenwoordiger zijt van eene opvatting der menschelijke natuur die mij onmenschelijk voorkomt. Gijlieden van de godgeleerde fakulteit zijt in onze zamenleving een element van gewigt, en mijn stelsel brengt mede dat ik den hoed voor u afneem. Gij vormt met u allen eene indrukwekkende politiemagt; en de juistheid dier vergelijking is mij nooit zoo duidelijk geweest als sedert ik een jaar of drie geleden eene reis gedaan heb door het vaderland van mijne grootouders. De dienders in de Staten van koning Victor Emanuel gaan namelijk in het zwart gekleed, en een Hollander zou een vergrootglas moeten gebruiken om eenig wezenlijk onderscheid te ontdekken tusschen het uitzigt dier onontbeerlijke agenten en dat van onze geestelijken hier te lande. De vorsten en hunne regeringen hebben in zekeren zin groot gelijk dat zij ulieden naar de oogen zien; want uwe hulp is even onmisbaar voor hen als die van hunne legers, hunne dagbladen en hunne spionnen. Desniettemin houd ik u en uwe leer voor den kanker der zamenleving. Ontberen is van die leer de grondtoon; genieten de grondtoon der mijne, die uit dien hoofde even gezond is als de uwe ziekelijk. Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij, is, met uw verlof, een uitnemend beginsel; en voor zoo ver ik dat beginsel in praktijk breng, ben ik uw vijand. Doch hierin ben ik het met ulieden eens, dat een mensch niet leven kan alleen van brood. Ik voor mij, ten minste, die een gastronoom ben, protesteer tegen dat régime. Herinnert gij u Karel van Mansveld? Een goede jongen, doch dien het niet medegeloopen is in de wereld. Hij werkt thans veertien uren daags op een kassierskantoor hier in de stad; zijn patroons, eene firma van drie of vier leden, behandelen hem als een kruijer; hij heet sous-chef, doch is inderdaad niets meer dan een bediende. Waarom verbreekt hij zijn juk niet? Waarom laat hij zijne superieuren zoogenaamd, die met hun allen niet het tiende deel zijner bekwaamheden bezitten, niet rondom loopen? Alleen omdat hij den moed niet heeft, zich en zijne vrouw en zijne zes kinderen van kant te maken. Ofschoon ik er de noodzakelijkheid niet van inzie, hij moet leven, zegt hij, en om dat te kunnen doen onderwerpt hij zich aan den vernederendsten arbeid. Zoo is de wereld. Gij theologen dicht aan het menschelijk bestaan, ik laat in het midden met welke bijoogmerken, een doel toe waar niemand naar streeft. In den grond der zaak toch bekommert geen sterveling zich om iets anders als om spijs en drank; tenzij men, gelijk het geval is met mijzelven, eene afleiding gevonden heeft in de liefde. De liefde en de honger, heeft Schiller gezegd, zijn de twee polen waartusschen het menschelijk leven zich beweegt; en nooit hebben uwe apostelen of uwe profeten iets zoo afdoends gezegd. Gij vraagt mij eene gift voor de jonge vrouw, die, naar gij zegt, door mijne schuld ongelukkig geworden is. Die gift zal ik u doen toekomen, doch onder protest. Ik heb dat meisje niet ongelukkig, maar betrekkelijk gelukkig gemaakt; en het eenige wat ik u kan toegeven is, dat haar voorspoed slechts kort geduurd heeft. Aan den omgang met mij is zij sommige van de genoegelijkste oogenblikken haars levens verschuldigd geweest. Ontbrak het haar hiertoe niet aan de noodige middelen, zij zou die oogenblikken kunnen vermeerderen; doch dat zij die middelen niet bezit, is mijn schuld niet. Hebt gij ooit eene fransche rozenkweekerij gezien? In velden vol gemeene soorten ziet men hier en ginds, op groote afstanden van elkander, eenige zeldzame nieuwe varieteiten zich vormen. Die varieteiten hebben waarde; de massa der rozen niet. Met de menschen is het niet anders. Het min of meer volkomen geluk van een hunner heeft de slavernij of den tegenspoed van duizend, laat ons zeggen van honderd anderen tot onvermijdelijke voorwaarde. In mijne soort en op kleine schaal ben ik eene varieteit; een konkest zeggen de bloemisten. Had het van mijnen wil afgehangen, ik zou bedongen hebben, dat een kleiner aantal van hetgeen gij mijne slagtoffers noemt volstaan moest om mij te doen beantwoorden aan mijne bestemming. Doch ik heb daar niets aan kunnen veranderen. Ook was het voor mij, even als voor alle menschen, u zelve niet uitgezonderd, er op of er onder. De wet van het zelfbehoud is eene tirannieke meesteres, en wie niet heerscht wordt gebruikt; daar is geen bidden voor. Ons leven bestaat in een eindeloos streven naar herstel van evenwigt op allerlei gebied. Gijlieden van de sombere fakulteit predikt aan de menschen dat zij behagen moeten leeren vinden in het doen van hunnen pligt. Voor mij en volgens mij is dat een omweg. Mijn lust is mijn leven, en eerst wanneer ik dien geboet heb, vind ik rust. Er is een tijd geweest dat ik wilde trouwen, en ik ben getrouwd. Doch hetgeen toen goed was, omdat ik het wenschte, zou thans, indien de omstandigheden mij niet van dat juk bevrijd hadden, mijn grootste kwelling zijn. Thans gevoel ik, dat het celibaat mijne roeping is; eene instelling, welke zoo zeer in de natuur der voortreffelijkste menschen ligt, dat men gehuwde kunstenaars van uitnemenden aanleg, worstelend ondergegaan in de zorg voor vrouw en kind, den dag heeft hooren verwenschen waarop zij huisvaders geworden waren; eene instelling, mijnheer de kapelaan, waarop uw eigen kerkgenootschap, en teregt, den hoogsten prijs stelt. Het groot, maar dan ook eenig verschil tusschen uw celibaat en het mijne is dat gij met den naam van heiligheid bestempelt hetgeen ik ontaarding noem. Niet gij zijt de ware priester, maar ik; ik die de menschelijkste aller aandoeningen tot wet van mijn leven verhef en mij tot bedienaar zalf van een evangelie, dat ouder is en langer duren zal dan het uwe."
VIERDE HOOFDSTUK.
Sedert vierentwintig uren van zijnen zendelingstocht naar M. teruggekomen, zat Eduard Stephenson in de boven-achterkamer, die hem tegelijk tot studeer- en tot slaapvertrek diende en uitzag in den tuin achter de niet verwaarloosde, maar nogtans uitermate burgerlijke woning van zijn pastoor, in de =Bekentenissen= van Augustinus te lezen.
G. is geene groote plaats, gelijk men weet, maar eene dier provinciesteden van den tweeden rang, welke nog slechts met sommige van hare buitenwijken naar den spoorweg beginnen te kruipen en de hand naar een aandeel in de voorregten der algemeene beschaving uitstrekken. De huizen met trapgevels zijn er menigvuldiger dan elders, en het ontbreekt er niet aan bovenverdiepingen waar de muren der vertrekken nog met voorvaderlijke kalk bestreken zijn, het onverholen getimmerte der zolderingen nog in de donkergroene grondverf staat, en de vloeren iets ruws en onbehagelijks over zich hebben, dat onvereenigbaar is met het comfort van een tapijt.
Zulk een ouderwetsch huis was het huis van den pastoor, en zulk eene onherbergzame kamer die van Stephenson. Voor eene boekenkast van gladgeschaafde planken hing een dundoek van geruit katoen, wit en blaauw; om het eikenhouten ledikant, bruin van ouderdom, was een behang geslagen van eeuwenheugend en verkleurd damast, dezelfde vale en sombere tint vertoonend als de gordijnen dier bedsteden in het klooster van den Grooten Saint-Bernard, welke er zoo spelonkachtig uitzien wanneer de kloosterbroeder, met de kaars in de hand, ze u voor uw nachtverblijf aanwijst, en waarin men nogtans, na een vermoeijenden rid te paard of eene wandeling van veertien uren, overheerlijk slapen kan. Stephenson had =niet= overheerlijk geslapen, en dezelfde reden waarom hij in den afgeloopen nacht naauwlijks de oogen had kunnen luiken,--nabetrachtingen over zijn gesprek met Ruardi en onafzienbare bespiegelingen over het waarom der menschelijke verdorvenheid,--was ook oorzaak dat hij dezen ochtend minder aandacht schonk dan ooit aan het kloosterachtige zijner omgeving. Hij was niet in eene stemming om op te merken hoe hard de zitting was van zijn matten stoel, of hoe spoedig zijne voeten een gat geboord zouden hebben in het halfversleten karpet onder zijne tafel. Hij zag op uit zijn boek en staarde in den tuin. Daar drentelde de pastoor op en neder, met eene lange goudsche pijp in den mond en een zwartfluweelen kalot op het hoofd. In den aanblik van dien man was niets verheffends of bemoedigends. Hij droeg in huis eene soutane af, door langdurig gebruik geheel glimmend geworden, en wanneer hij 's morgens in den tuin wandelde, plagt hij tegen het opslaan van den vochtigen grond, over zijne muilen heen, een paar klompen aan te schieten. Niet het minst wanneer hij zijne pijp dwars tusschen de tanden nam en zich voorover bukte over zijne hortikultuur, in het voorjaar rupsen zoekend tusschen de knoppen zijner rozenstruiken, in den nazomer de gele bladeren uit zijne geraniums verwijderend, zou in het oog van een denker de oude pastoor op holsblokken een belangwekkend beeld geweest zijn van het proza des christendoms. Een schilder zou partij hebben weten te trekken van dit eenvoudig, maar zuiver menschelijk tooneel; zou hier met een toets en ginds met eene lijn het alledaagsche daarin ongemeen gemaakt of aan het platte relief gegeven hebben. Doch Stephenson, die geen schilder was, was ook geen denker. Hem troostte, wanneer hij verdriet had, noch de kunst, noch de wijsbegeerte, en alleen de mystiek was in staat hem te verzoenen met eene wereld, van welke hij zoo diep als iemand gevoelde dat zij in den Booze lag. Hij ergerde zich niet aan zijn pastoor; nog veel minder verachtte hij hem; de grijsaard was in zijne oogen een Israëliet zonder bedrog. Doch er zijn zielen die ook in de trivialiteit van Nathanaël, hoe onschadelijk zij overigens wezen moge, eene openbaring zien van de magt der zonde. In vergelijking van Ruardi was de pastoor een engel, ongetwijfeld; doch Ruardi's bestaan, meende Stephenson, werd door het bestaan van zulke kortgewiekte goede geniussen niet opgewogen of geneutraliseerd.
--"=O felix culpa!=" prevelde hij voor niemand weet de hoeveelste maal in zijn priesterlijk leven. Want dit moet van hem gezegd worden, dat hoewel het gevoel der menschelijke schuld hem diep ter neder drukte, hij die schuld-zelve niet uitgewischt zou hebben willen zien, indien hij voor zoo hoog een prijs zijnen Verlosser had moeten missen.
Op hetzelfde oogenblik dat Stephenson zich aldus in de verborgenheden der christelijke geloofsleer verdiepte, zat André Kortenaer, insgelijks op eene boven-achterkamer met het uitzigt op den tuin, den volgenden brief aan zijn meisje te schrijven:
Soekabrenti, bij M,... Augustus 186--
"Lieve Emma,
"Ik wenschte niet dat gij raden kondt waar ik mij op dit oogenblik bevind of hoe ik hier gekomen ben. Het zou veel, maar te veel voor uwe schranderheid bewijzen. De dames hebben het regt, ondoorgrondelijk te zijn; doch bezaten zij bovendien de gaaf van alles te doorgronden,... dan zou voor de heeren (hoor ik u zeggen) in het geheel geen kans meer overschieten om haar te bedriegen. Hoe komt gij toch aan die ongunstige meening omtrent ons, en waaraan heb ik het te danken dat gij om mijnentwil eene uitzondering op den regel toelaat? Geloof mij, ik ben geene uitzondering, en aan de meesten onzer is een weinig blind vertrouwen zeer wel besteed.
"Dit herinnert mij aan ons laatste gesprek in het Duinendaalsche bosch, en ik kan mij bijna niet voorstellen, dat het nog slechts drie dagen geleden is dat wij afscheid genomen hebben van elkander. Hoe snel ging de tijd voorbij toen wij bijeen waren, en hoe traag kruipen thans de uren om! Waarom glimlagchen de menschen en noemen zij het kinderachtig, wanneer twee aanstaande echtgenooten niet buiten elkander kunnen? Voor mij is niets zoo belangrijk in dit leven als uwe liefde, en ik heb oneindig meer op met u dan met alle spoorwegbruggen en alle volkspaleizen die ik misschien nog bouwen zal. In vergelijking van ons huwelijk vind ik zelfs de vereenigde doorgraving der landengten van Suez en van Panama eene zaak van niet meer dan betrekkelijk gewigt.