Lidewyde

Chapter 3

Chapter 33,898 wordsPublic domain

Geen struik, geen helmplant, geen grasscheut om zich aan vast te houden; niets als mul zand dat met hem naar beneden stroomde en hem overstelpte. Het gevaar was niet ernstig, dacht hij eerst, en dat zand zou hem geen kwaad doen; doch het gewigt dat hem drukte, woog al zwaarder; zijn geweer, dat hij tot nu toe was blijven omklemmen, werd hem uit de armen gescheurd; hij kwetste zich de handen en het gelaat aan zijne weitasch, aan zijn kruidhoorn, aan de knoopen van zijn jagtbuis; de zandstroom groeide aan tot eene lawine, en toen hij ten laatste werd nedergesmakt op den effen grond, eenige schreden van het water af, verloor hij zijn bewustzijn en koelde de verbolgen Duingod zijnen toorn aan een weerlooze.

Een uur lang hadden de heer Visscher en zijn jager werk gehad om hem te bevrijden; en zelfs zou hun dit met de grootste inspanning naauwlijks gelukt zijn, had daar niet eene verlaten aak gelegen, aan de plegt met zeildoek overspannen, onder welk afdak een zorgvuldig zanddelver zijn gereedschap verborgen had. Met behulp dier werktuigen ontgroeven zij hem. Hij lag op den rug, met het hoofd naar beneden, en de armen wijd van een. Ware het grootste gedeelte van zijn ligchaam niet bedolven geweest, men zou gewaand hebben een soldaat uitgestrekt te zien liggen op een slagveld, met een kogel in de borst. Die indruk had slechts eene korte poos geduurd; want toen de anderen hem nedergezet hadden in de aak, onder het uitgespannen zeildoek, en zij de schuit een kwartier gaans hadden voortgestuwd, tot waar de vaart den naastbijgelegen rijweg sneed, was hij weder geheel bijgekomen en kon hij, zoo goed en kwaad het ging, in een wagentje stappen, door een hulpvaardigen boer te hunner beschikking gesteld. Doch hoe snel de eerste schrik voorbijgegaan mogt zijn, de vader van Reinier zag nog telkens in zijne verbeelding, ook toen André hoog en droog op Belvedere ingekwartierd was en menigeen zijn lot eer gezegend dan bejammerd zou hebben, dat marmerbleek en opgekrabd gelaat van den bezwijmenden jongeling voor zich, en die verwarde haren, uitgespreid op het zand, en die geloken oogleden, zoo onheilspellend goed voegend bij den geopenden mond en de loodkleurige lippen. Vóór dien tijd had hij André gaarne mogen lijden en hem zijne vriendschap geschonken; doch sedert het tooneel aan den voet der zanderij, was hij voor hem die soort van teederheid gaan gevoelen, waarmede wij een verloren gewaand en eensklaps teruggevonden kleinood aanschouwen.

De kastelein van het dorp had geprutteld, dat men zijn kommenzaal, toen deze een patient geworden was, hem zonder veel pligtplegingen ontvoerd had. Niets, had hij beweerd, zou hem en zijne vrouw en haar dienstmaagd beter van de hand gegaan zijn, als André te verplegen en hem van al het noodige te voorzien. Doch de oude heer had den waard zelfs niet in de gelegenheid gesteld om daarvan de proef te nemen, en André had zich te zwak gevoeld om tegenstand te bieden of een eigen wil te hebben. Als eene van zelf sprekende zaak was de logeerkamer op Belvedere voor hem in orde gebragt en had men een man van de kunst ontboden om hem van top tot teen te betasten. Uit het onderzoek was gebleken, dat hij, om van zijne kneuzingen te bekomen, alleen rust behoefde; en toen hij acht dagen zijne kamer gehouden had, zou hij zonder een zweem van onvoorzigtigheid naar zijn logement en naar zijne bezigheden hebben kunnen terugkeeren. Doch men had aangehouden dat hij nog wat blijven zou, en hij had een Trappist moeten zijn om dat verzoek af te wijzen. De week was eene maand geworden, zonder dat hij zich herinneren kon waar de tijd gebleven was.

Een half jaar geleden had André het slechts als een buitenkansje beschouwd, in de nabijheid van een welvarend dorp en van eene lieve streek belast te worden met een werk, dat hem gelegenheid aanbood zich te onderscheiden. Thans dacht hij daar anders en minder luchtig over. Hij had eene moeijelijke jeugd gehad; was van het eene examen voortgezweept geworden naar het andere, en had tot nog toe van de wereld weinig meer leeren kennen dan haar proza. Hem was bovendien zekere zwakheid van verbeelding eigen, die dezelfde uitwerking deed als anders de vooroordeelen van den hoogmoed doen. Het huisgezin van een kunstschilder,--hij had er nooit opzettelijk over nagedacht, wat dit al zoo wezen kon; was nooit in de gelegenheid geweest er van nabij kennis mede te maken, en zou gemeend hebben, indien men zijn gevoelen had gevraagd, dat de aard van zulk een interieur vrij wel werd uitgedrukt door eene mengeling van slordigheid en luidruchtigheid, gepaard met indolentie. En daar trof hij in de vertrekken van Belvedere eene degelijkheid en eene weelde aan, die hem de woonkamer zijner ouders kaal en ongezellig, en hunne gezelschapszaal smakeloos gemeubeld deden vinden. Er was karakter in het snijwerk van tafel en stoelen, in de kleuren van behangsel en gordijnen, in den vorm van bekers en karaffen, in de afwisseling van ouderwetsch en nieuwerwetsch. Even onzinnig en heterogeen als Belvedere er uitzag aan de buitenzijde, even veel oordeel en studie, even veel eenheid van geest verried het inwendige dier woning. In den persoon van den ouden heer Visscher gevoelde André zich staan tegenover een man die veel ondervonden had en van alles afwist; zich onafgebroken bezig hield met belangwekkende dingen; fijn gevoelde en snedig uitspraak deed, en in één woord hem zelven in allerlei opzigten aanvulde en in de meeste overtrof. Mevrouw Lydia was in zijne oogen de innemendste der gastvrouwen; ervaren in de kunst om anderen te laten praten en hen op hun gemak te zetten; altijd vervuld met eene volmaakt natuurlijke belangstelling in hetgeen zij gissen kon, hun na aan het hart te liggen; de bemoedigendste der apparitiën voor een jong mensch, die zijne intrede in de wereld nog moest doen. En wat Emma betrof, hij zou gezworen hebben, dat nergens op de geheele aarde een bevalliger jong meisje kon aangetroffen worden: zoo onafhankelijk in hare meeningen en zoo zacht van aard, zoo klein en zoo dapper, zoo stemmig en zoo vrolijk, zoo keurig op haar toilet en zoo in het geheel geen nufje.

De magt, die hem ten laatste verdreven had uit dit Paradijs, was dezelfde die hem dag en dag het meest was gaan boeijen. Noch mevrouw Visscher evenwel,--al scheen het vrijpostig van zulk eene bevallige vrouw de diensten eener moederlijke pleegzuster te blijven vergen; noch haar echtgenoot,--al moest er blijkbaar een einde komen aan het exploiteren van diens voorkomendheid,--zouden hem vermoedelijk in den eersten tijd tot de bekentenis gedwongen hebben, dat hij misbruik maakte van de gezegende gevolgen eener onbesuisde jagtpartij. Waarom zou hij heengegaan zijn, daar men hem iederen dag aanmoedigde om te blijven, en hij met zijne geheele ziel aan de opregtheid van dien aandrang geloofde? Behoefde zijn werk er onder te lijden dat hij nog eene poos vertoefde? Lag Belvedere, strikt genomen, niet even digt ja, digter bij de rivier dan het Wapen van Duinendaal? Wist hij niet dat de brug in tijds gereed zou komen, gesteld zelfs dat een felle vorst inviel, en de vaart gestremd werd, en men met het hervatten van den arbeid zou moeten wachten tot na den afloop van dooi en ijsgang?

Voor de minste jongelieden zou het dienstig zijn, op romaneske wijze door de omstandigheden-zelven aan de voeten van een aanvallig jong meisje gevoerd te worden. Doch hetzij André al dan niet eene uitzondering op den regel vertegenwoordigde, het ontwaken zijner liefde voor Emma had hem niet bedorven, maar een gunstigen invloed uitgeoefend op zijn karakter. Instede van overmoedig, had de voorspoed hem ernstig gemaakt; zoo zeer zelfs, dat het hem eenigzins verbijsterde, eensklaps in zichzelven een troetelkind der fortuin en den huisgenoot te aanschouwen van een bekoorlijk schepsel, dat nooit schooner was dan in het halve fantaisie-toilet dat zij zich in de ouderlijke woning permitteerde, en nooit opgeruimder dan wanneer zij in bondgenootschap met hare moeder het er op toelegde, haren vader in een vrolijke stemming te brengen. Die verzoeking was voor den konvalescent te sterk geweest, en ten laatste had hij ter naauwernood genoeg zelfbewustzijn overgehouden om te beseffen, dat het niet voegde het hof te maken aan een meisje, onder het dak van wier ouders hij gastvrijheid genoot.

Doch toen hij van Belvedere afscheid genomen en zijne kamers in het logement weder betrokken had, was het gevoel van eerlijk gehandeld te hebben hem toegeschenen, eene magere schadeloosstelling te zijn voor het gemis van Emma's tegenwoordigheid. Het baatte niet dat hij zijne bezoeken aan hare ouders en haar tot zeker minimum poogde te herleiden: hoe zeldzamer hij Emma zag, hoe meer tijd hij overhield om aan haar te denken; en hij meende op te merken, of maakte zichzelven diets, dat de eenige dagen dat hij in staat was, zich min of meer nuttig bezig te houden, juist die waren, waarop hij haar 's morgens ontmoet had, of er op rekenen kon, haar 's avonds te zullen zien en spreken. Het eenvoudigst zou geweest zijn, haar te vragen of zij hem liefhad en zijne vrouw wilde worden; maar ofschoon hij honderdmalen het voornemen daartoe had opgevat, was de moed hem even zoo vele malen in de schoenen gezonken. De vrees, haar te zullen moeten mijden en missen, indien hij haar onverschillig bleek te zijn, plaatste zich telkens als een spooksel tusschen hem en zijne heldhaftigste voornemens. "Wat dan?" vroeg hij, de mogelijkheid overpeinzend van een koel of zelfs weigerend antwoord. "Is onkundig te blijven niet beter voor mij, dan het ondragelijke te vernemen?" En zoo was het eene uitstel den weg van het andere gegaan. De gelegenheden, die hij gezocht had, waren hem ontsnapt; en misschien zou hij nog op dit oogenblik in het onzekere verkeerd hebben, indien niet zijn geheim-zelf op zekeren avond het aanstekelijk voorbeeld dier voortvlugtige gelegenheden gevolgd was.

In het begin van Maart was het gebeurd, dat André, =à la fortune du pot= op Belvedere genoodigd, na den maaltijd met haar en haar vader in diens kamer gezeten had... Of neen, hij zat nog telkens, in zijne verbeelding, op datzelfde uur in hetzelfde vertrek. Het was niet zoo zeer gebeurd, maar ging voort te gebeuren; en indien hij had moeten verhalen hoe alles zich toegedragen had, zou hij zich instinktmatig bediend hebben van dien onvolmaakt verleden tijd, waarin de dingen, die achter ons liggen, nog half en half deel schijnen uit te maken van het tegenwoordige.

Elken winter maakte de familie Visscher een uitstapje naar de stad harer voormalige inwoning: van welke bedevaarten, die eene of twee weken plagten te duren, de hoop op eene fraaije opera of een uitgezocht koncert het vaak met teleurstelling gestrafte voorwendsel, en de lust om in het "'s winters buiten" eene kleine afwisseling te brengen de niet altijd openlijk erkende beweegreden was. Het saizoen was ditmaal reeds bijna verstreken, en indien men nog tijdig genoeg wilde aankomen om van de europesche vermaardheid der beschadigde prima donna's of der vermoeide virtuozen in noemenswaardige mate te profiteren, moest men zich reppen. Morgen-ochtend na het ontbijt zou de togt aanvaard worden, en André was te zeer op de hoogte van hetgeen op Belvedere voorviel, om niet te weten dat die woning eene poos lang voor hem gesloten ging worden. Hij was te moede als een ter dood veroordeelde aan het nageregt van zijn laatsten maaltijd.

De kamer van den ouden heer Visscher geleek des avonds, wanneer de lampen ontstoken waren, in niets op een atelier. In de stad zou men haar eene bovenvoorkamer met eene suite genoemd hebben, tevens gescheiden en aaneen verbonden door eene tot aan den zolder reikende portière. De suite lag op het westen en ontving haar licht van de noordzijde, zoodat de schilder in ruste, wanneer over dag de lust hem bekroop om zijn voormalig bedrijf weder ter hand te nemen, slechts de deur eener kast behoefde te openen en naar zijne gereedschappen behoefde te grijpen om aanstonds aan het werk te kunnen tijgen. De voorkamer zag op het oosten uit, en het was uit die vensters allermeest dat men in zomersche dagen dat vergezigt genoot, waaraan Belvedere zijnen naam verschuldigd was. De meubelen in beide vertrekken bestonden voornamelijk in langs den wand geschaarde boekenkasten van vreemdsoortig hout, sommige met glazen deuren van boven tot beneden, andere in den vorm van opstaande buffetten, van onderen met schuifladen voor platen en teekeningen, of met een vooruitspringend bureau dat tevens voor schrijftafel diende. Al de kasten waren van boven en op zijde met snijwerk versierd, dat bij de eenen scheen af te hangen in festoenen van bloemen en vruchten en vogels, bij de anderen een geheel van consoles vormde, waarop bronzen ornamenten rustten, of kleine beelden van wit marmer, of busten van beroemde kunstenaars, en staatslieden, en veldheeren. Terwijl in de voorkamer, in den vorm van een vooruitspringenden modernen haard, tol betaald werd aan de ijdelheden van den nieuwen tijd, glinsterden in dit allerheilige, onder een ouderwetschen schoorsteenmantel van donkerkleurig marmer, blankgeschuurde haardijzers, waarachter in voor-en najaar voorvaderlijke turfvuren werden aangelegd, die bij feller koude voor beukenhouten blokken moesten wijken. Doch dit was ook het eenig onderscheid tusschen de twee helften van het vertrek. In de eene zoo min als in de andere afdeeling bevond zich ergens aan den wand een open vak, waarin niet hier een spiegel, ginds eene gravure, ginds een bas-relief in hout of klei of koper hing. De gravuren hadden de overhand: proefdrukken van den =Schuttersmaaltijd=, van de =Anatomische les=, van den =Nachtwacht=, van beroemde portretten uit den oud-vaderlandschen tijd; maar ook van de =Schaakspelers= van Meissonier, of van Scheffers =Francesca=, en =Gretchen=, en =Mignon=. Het geheel maakte den indruk eener gezellige bibliotheek, niet dien van eene schilderswerkplaats, en evenmin dien van een muzeum in miniatuur. Men bevond er zich in eene zitkamer, voorzien van al de gemakken waarvan het denkbeeld zich aan dien naam verbindt; en het was genoeg den blik te laten glijden langs zoo vele rustige boeken om bij zichzelven dat zeker gevoel van eenheid en zamenhang te ontwaren, waarvan het gemis, ook bij het vertoeven in de uitgelezenste kunstgalerijen, somtijds onaangenaam aandoet.

Eenige jaren geleden is ons vaderland afgereisd door een Engelschman, wiens konversatie zich oploste in de telkens herhaalde en in een enkel woord zaamgedrongen vraag: "=Emblems?=" Hij was een archeoloog in het vak der graveerkunst en had zijne specialiteit gemaakt van de oude geïllustreerde zededichters in alle landen van Europa. Waar hij kwam, in welke openbare bibliotheek, bij welken geleerden boekhandelaar of privatiserenden liefhebber, overal vroeg hij naar hetgeen betrekking had op de geschiedenis van zijn onderwerp en naar niets anders.

Hoewel niet zulk een zonderling, had ook de oude heer Visscher eene aan hartstogt grenzende liefde voor =Emblems=, en het kostte hem moeite eene volkomen hoogachting te koesteren voor lieden, die koel bleven bij het aanschouwen zijner minnebeelden en zinnepoppen. Uitwendig vormden zij het minst aanzienlijk gedeelte van zijnen boekenschat; doch om die ééne kleine kollektie te mogen behouden zou hij desnoods afstand hebben willen doen van zijne geheele kunstverzameling. "Allen eerbied," zeide hij, "voor Kaulbach en Doré, doch voor het fraaiste hunner werken wil ik mijn exemplaar van Cats niet missen."

Nog herinnerde André zich de stomme verbazing waarmede hij weleer het verhaal had aangehoord van een zijner voormalige kameraden aan de D--sche akademie, die er geen geheim van maakte dat het =Houwelijck= van Jacob Cats het eenige boek geweest was, dat hij op zijn huwelijksreisje met zich medegenomen en aan zijne jonge vrouw voorgelezen had. Gelijk de meeste nederlandsche kinderen had hij in zijne jeugd de werken van Cats leeren beschouwen als een prentenboek; en toen hij ouder geworden was en zich de berijmde vertellingen poogde te binnenbrengen, waarmede men in het ouderlijk huis, op regenachtige zondagen, hem den tijd had laten korten, was het hem toegeschenen dat zeker ruw =sobriquet=, indertijd door Vondel uitgedacht, ongeveer de geschiktste van alle bijnamen voor den eeuwigdurig amoureuzen raadpensionaris was. Toch was het de hernieuwde kennismaking met een langvergeten gedichtje van Cats, die hem Emma op dien avond zijne liefde deed verklaren.

Wees billijk en erken dat het niet meer dan achtregelig versje van de twee Gepaarde Schelpen een grooter meesterstukje is dan sommige heldendichten. Die oudste panden, die tevens de beste zijn; die eerste trouw, waar niets bovengaat,--er is in die eenvoudige woorden een oneindige rijkdom van gevoel. Welk eene tragedie in het breken of verloren gaan van die ééne schelp! Welk een wanhopig zoeken en kiezen, of het gelukken mogt een plaatsvervanger te vinden! Op den bodem van dat versje sluimert een gesmoorde zielekreet, en naar mate men zich of in den eenen of in den anderen toestand verplaatst, ziet men, bij het passen dier nimmer effen randen, nu eene jonge bruid zich op de knieën werpen bij het lijk van haar verloofde, dan een man van jaren, die, onder het storten van stille tranen, de gezellin van een half menschenleven vol lief en leed met loomen tred naar hare laatste rustplaats vergezelt.

Had de oude Visscher op dat oogenblik in André's gemoed kunnen lezen, hij zou gejuicht hebben. "Heb ik het u niet gezegd, jong mensch van den tegenwoordigen tijd? Hij was een dichter! En die dat medaljon geteekend heeft, niet minder. Konventioneel, niet waar? die twee handen, te voorschijn komend uit manchetten van tabaksrook, zou men meenen. Mythologisch, fantastisch, hybridisch, al wat gij wilt. Doch zie mij die vingers eens aan! Zijn zij niet bewonderenswaardig fraai? Passen ze niet, zoo als gij zelf zoudt passen en meten, indien gij twee schelpen bij elkander moest zoeken? Ziet gij dat leven in die toppen? Voelt gij het bloed door die fijne aderen stroomen? Ik geef u toe dat gij het land zoudt kunnen rondreizen zonder een zuiverder afdruk te vinden dan dezen. Het exemplaar is misschien eenig in zijne soort. Doch ziedaar, denk u eene gefatigeerde proef, eene gebrekkige kopij misschien; denk zelfs de kleine prent geheel en al weg,--de indruk zal niet vernietigd zijn, al is zij zwakker geworden."

De reden dat de oude heer Visscher dien avond niet in de gelegenheid gesteld werd den vrijen loop te laten aan zijne bewondering, was dat hij geene kennis kon dragen van hetgeen in zijne afwezigheid voorviel. Op het oogenblik-zelf dat hij zich gereed maakte eene geliefkoosde lektuur te hervatten (André stond in het andere vertrek, bij den haard, niet ver van Emma), ontving hij een verzoek van zijne vrouw, haar behulpzaam te willen zijn bij het maken van eenige toebereidselen voor den dag van morgen. Hij rees weder op uit zijn gemakkelijken stoel, tusschen de lamp en het vuur, en liep naar boven. En zoo geschiedde het dat Vader Cats ongeopend op de tafel bleef liggen.

Het vooruitzigt, veertien eindelooze dagen achtereen in dit barre jaargetijde de zonnestralen van Emma's tegenwoordigheid te zullen moeten missen, maakte André zenuwachtig, en toen hij met haar alleen in het vertrek gebleven was, overviel hem een gevoel van verlegenheid, sterker dan hij in haar bijzijn nog ooit bij zichzelven had waargenomen. Wat zou hij niet gegeven hebben om te weten hoe zij over hem dacht! Het scheen onnatuurlijk dat zij in het geheel niet zou hebben opgemerkt hoe zij hem aantrok. Sedert lang meende hij, moest zij tot het bewustzijn, of althans op het vermoeden zijn gekomen dat hij haar liefhad en zij naar welgevallen met hem handelen kon. En toch, hoewel zij geene drie schreden van hem af op de kleine sofa zat en hij de minste harer bewegingen kon gadeslaan; hoewel geen lach om haar lippen spelen, geen wolkje over haar voorhoofd drijven kon zonder dat hij het gewaar werd; hoewel hij de steken zou hebben kunnen tellen van het borduurwerk in hare hand,--de gevoelens, die haar vervulden, schenen hem eene ondoordringbare verborgenheid. Was het haar om het even dat hij alleen achterblijven zou? Gaf zij niet om hem? Zou zij hem glad vergeten zijn, wanneer de muziek in den schouwburg om haar henen zou ruischen, of haar vader haar met zich medenemen zou naar het muzeum, of zij met hem en met hare moeder in het besneeuwde park zou gaan wandelen om de sledevaart te zien voorbijsnellen? Zoo volkomen onkundig te zijn van hetgeen hem de hoogste belangstelling inboezemde; aan haar gelaat zoo min als in hare houding iets te kunnen bespeuren dat al ware het slechts eene schemering in deze hopelooze duisternis geleek,--maakte hem te gelijk schroomvallig en ongeduldig. Hij beproefde iets tot haar te zeggen; maar de periode der banaliteiten was voor hem voorbij. Hij moest òf zwijgen; òf datgene zeggen wat hij niet uitbrengen kon zonder zijn geheele leven op ééne kaart te zetten.

Tot dit laatste ontbrak hem de moed, en om het eerste iets minder onnatuurlijk en gedwongen te doen schijnen, nam hij de toevlugt tot iets onnoozels: hij ging de =Anatomische les= staan opnemen; daarna den =Schuttersmaaltijd=; daarna de =Schaakspelers=. Doch die afleiding baatte niet, en hij had een gevoel alsof hij geblinddoekt langs den wand liep te tasten. Toen hij aan de portière genaderd was, die de plaats eener porte-brisée verving, zou hij hebben willen omkeeren en zich weder naar de kanapétafel hebben willen begeven. Nuttelooze poging! Emma zat steeds op dezelfde plaats, in dezelfde houding, en bekommerde zich blijkbaar meer om haar borduurwerk dan om zijne hartsgeheimen. Nog ééne schrede, en hij bevond zich in de kamer van haren vader. Zou hij belangstelling veinzen in den bronzen Shakespeare op de pendule? In den buste van Bilderdijk, met den vermaarden tulband om de slapen, die op den hoogsten top der middelste boekenkast rustte? In het medaljon met gouden rand, achter welks glas eene roos van het graf van Washington bewaard werd? In het andere medaljon, met het profiel van Dante in bas-relief van zilver, waarboven een kleine ivoren arend de vleugelen uitsloeg? Het beste was, dat hij zich op den grootst mogelijken afstand van Emma nederzette in haar vaders fauteuil, of op een stoel daarnevens, en eene soort van =contenance= borgde door zich voor de leus in Cats te verdiepen.

Eerst bezag hij het boek aan de buitenzijde: het was een exemplaar der oorspronkelijke kwarto-uitgaaf, beroemd om de schoonheid en zuiverheid der platen. De band zag donkerbruin, gelijk een band van meer dan twee honderd jaren betaamde, doch was overigens volkomen gaaf en op het plat versierd met een verguld wapen in een vergulden rand. Het exemplaar scheen oorspronkelijk het eigendom geweest te zijn van een stedelijk bestuur uit de dagen der Republiek; althans, André herkende het wapen, en toen hij het schutblad opsloeg, trof hij eene door Cats zelven geschreven en eigenhandig door hem onderteekende opdragt aan, waarin melding gemaakt werd van aan den dichter bewezen diensten en van eene voor hem daaruit voortgevloeide verpligting tot erkentelijkheid. Des noods zou hij Emma zijne belangstelling in deze bijzonderheid hebben kunnen mededeelen en op die wijze een gesprek met haar hebben kunnen aanknoopen; doch hij begreep juist van pas, dat zij de bedoelde inscriptie ongetwijfeld van buiten kende en haar vader haar de lotgevallen van dit boek stellig meermalen haarklein verhaald had. Hij bleef dus zwijgen en bezag de titelprent en, daartegenover, het portret van den dichter. De uitdrukking van het gelaat beviel hem niet, doch hij wist niet regt om welke reden, en vreesde Emma te zullen kwetsen indien hij iets zeide ten nadeele van een van haar vaders huisgoden, of zich zelven in hare schatting te zullen benadeelen, indien hij zich aan eene ongegronde en welligt onbekookte aanmerking waagde.