Lidewyde

Chapter 25

Chapter 253,872 wordsPublic domain

De besteller van het expeditie-kantoor had zijnen pligt kwalijk betracht, of wel de chef van het bureau had aan verstrooidheid geleden. Althans, eerst in den loop van den avond, toen zij van huis was en met André eene wandeling in het Park deed, was het voor Emma bestemde pakje aan haar adres bezorgd geworden.

--"Hier is een pakje voor de jufvrouw," had Floris gezegd, toen hij de lampen was komen opsteken.

--"Van wien komt het?" had freule Bertha gevraagd.

--"Dat is er niet bij gezegd," had Floris geantwoord. "De man, die het bezorgd heeft, is dezelfde die boodschappen pleegt te doen voor het expeditie-kantoor."

--"Leg het dan maar neder op de jufvrouws plaats," had de freule bevolen. "De jufvrouw kan elk oogenblik thuis komen."

Emma kwam, en vond de freule als naar gewoonte bij haar theeblad zitten. Zij zou even naar hare kamer gaan, zeide zij, om zich van haar wandelkostuum te ontdoen; dan kon zij verder rustig beneden blijven en zou zij de freule iets voorlezen.

--"Doe dat, liefkind! Hoe meer gij mij mijne oude oogen helpt ontzien, hoe grooter dienst gij mij bewijst. Floris heeft daareven een kleinigheid voor u binnengebragt, die gij misschien zult willen medenemen naar boven. Ik heb hem gezegd, dat hij het dingje op uwe plaats zou deponeren. Ligt het daar niet?"

--"Waar?" vroeg Emma, die het pakje eerst niet opgemerkt had.

--"Voor u, op de tafel."

--"Hoe kan ik zoo onoplettend zijn! Gij bemerkt, freule, dat men jonge oogen niet te spoedig prijzen moet."

--"Nu, nu, gij zult eene aanstaande bruid niet hard vallen, omdat zij kleine distrakties heeft."

--"Staat dat in de Schrift, freule?" vroeg Emma lagchend.

--"Neen, jufvrouw ongeloof, de Schrift bezondigt zich niet aan zulke zwakheden. Dat doen alleen oude vrouwen, die een te goed hart hebben voor de jonge."

--"Mag ik dan even gaan? Binnen vijf minuten ziet gij mij weder hier."

Emma had dien avond aan André niets ongewoons bespeurd. Alleen toen hij reeds afscheid van haar genomen had was haar ingevallen, dat het hartelijker van hem geweest zou zijn, indien hij voor het minst eene poging had aangewend om de wandeling nog een weinig te rekken. Doch ook dat verzuim had haar niet bijzonder getroffen, omdat zij wist dat hij altijd vol bezorgdheid was voor hare gezondheid en hij de avondlucht bepaald schadelijk achtte voor haar gestel. Arm in arm hadden zij tusschen de oude boomen en het jonge plantsoen gedwaald,--van de kiosk, waar muziek gemaakt werd, naar den vijver, en van de hertenkamp terug naar de kiosk. Buitengemeen vertrouwelijk of teeder waren hunne gesprekken niet geweest; daartoe was het dien avond in het Park niet eenzaam genoeg, en hadden zij te vaak zorg moeten dragen, den groet van nieuwe M'sche bekenden met wedergroeten te beantwoorden. Niettemin had het onderhoud geen oogenblik gekwijnd. Zooveel de gelegenheid het toeliet en met zorgvuldig vermijden van Lidewyde's naam (bij stilzwijgende overeenkomst was tusschen hen in de laatste dagen geene spraak van Lidewyde geweest), hadden zij als van ouds gekeuveld over tijd en toekomst. Toen de duisternis begon te vallen, waren zij den stroom der huiswaarts keerende wandelaars gevolgd en voor de deur van freule Bertha's woning had André, meteen vriendelijk: "Tot morgen!", hare hand eerst zacht gedrukt en daarna gekust.

--"Wat beteekent dat?... Van waar komt dat?... Wat zal nu volgen?... Hoe zou hij het verloren,... wie zou het hem ontnomen,... aan wie zou hij het gegeven hebben?... Ach, dat ik niet zien kan!... Floris, Floris, breng licht!"

In de meening, dat het pakje afkomstig was uit een magazijn, waar zij des ochtends eenige kleine emplettes had gedaan, had zij het gedachteloos met zich medegenomen naar hare kamer; en reeds was zij op het punt weder naar beneden te gaan en het aan freule Bertha gegeven woord gestand te doen, toen zij zich herinnerde, niet eenmaal inzage genomen te hebben van hetgeen de oude dame met zooveel trouwhartigheid voor haar in ontvang genomen had. Zonder licht naar boven geloopen, had zij, half op het gevoel, het pakje nedergelegd op hare schrijftafel; doch de gaslantaarn op de straat brandde helder genoeg om het haar weldra te doen terugvinden. Zij beproefde, of welligt de hand van schrijver of schrijfster op het adres haar de herkomst van het gezondene zou kunnen doen raden; want het pakje scheen van buiten de stad te komen, of was althans anders en zorgvuldiger gesloten dan met gewone, bezendingen uit winkels het geval pleegt te zijn. Doch het schrift was te fijn, en zij onderscheidde alleen de aanvangletters van haar eigen naam en voornaam. Eerst toen zij drie of vier malen haar schaartje gebruikt, het bindgaren doorgeknipt en het eene papier voor, het andere na verwijderd had, ontwaarde zij, dat die windselen alleen hadden moeten dienen om haar zoo lang mogelijk naar een klein rond voorwerp te doen zoeken, hetwelk nogmaals in een papier gewikkeld was. Zij betastte het, en ofschoon zij nog niet wist wat het was, begon haar hart eensklaps sneller te kloppen en bekroop haar een geheime angst. Zij zou gezworen hebben, dat het voorwerp, hetwelk zij in de hand hield, haar eenmaal in eigendom had toebehoord; dat zij het honderd malen had aanschouwd; het jaren achtereen, aan een fijn zwart koord bevestigd, om haren hals gedragen had. Doch hoe kon het medaljon, hetwelk zij eenige dagen geleden aan André had geschonken, en dat hij plegtig beloofd had, levenslang te zullen bewaren als een onderpand van hare liefde, zich eensklaps in dit pakje bevinden? Moedig verbande zij elke gedachte, welke op nieuw eene schaduw zou hebben kunnen werpen op André's karakter; en zelfs toen zij met bevende vingers het laatste papier, dat dunner en buigzamer was dan een der vorige, opengevouwen had; met onbedriegelijke zekerheid haar eigen geschenk herkende; als eene gejaagde het vertrek op en neder liep, om licht roepend en in hare radeloosheid de middelen niet vindend om het zich zelve te verschaffen,--zelfs toen geloofde zij nog aan eene dier duizend gunstige mogelijkheden, wier naam zelfbedrog of misverstand is.

Eindelijk vond zij op den schoorsteenmantel, achter eene candelabre, het porseleinen doosje dat tot bergplaats voor de lucifers diende. Den vorigen avond had zij het zelve daar nedergezet, en in elke andere omstandigheid zou zij het onmiddelijk teruggevonden hebben. Doch met het licht kwam wel de waarheid, maar niet de vrede. Aan de binnenzijde toch van het glanzig blad, waarin vaardige vingeren waren aangevangen het medaljon te vouwen, stonden in het Fransch eenige woorden geschreven, die naauwlijks voor tweederlei uitlegging vatbaar schenen te zijn. Reeds voor zij er in geslaagd was eene bougie te ontsteken, had de gladheid en fijnheid van dat papier Emma's aandacht getrokken; en meer nog dan zijne schitterend witte kleur of zijne satijnachtige oppervlakte, de verveinegeur die het verspreidde. Zij bedroog zich niet. Eau-de-verveine was Lidewyde's geliefkoosde parfumerie, en het fraaije blad papier was afkomstig uit Lidewyde's buvard. Ook had Lidewyde de moeite niet genomen, haar schrift, dat zeer elegant en tegelijk zeer eigenaardig was, onkenbaar te maken. =Recueilli sur le coeur= d'=un charmant infidèle=, luidden de fransche woorden, bestemd om naar het medaljon te verwijzen; en die woorden waren geschreven met dezelfde vaste en loopende hand als het briefje, waarin Lidewyde Emma verzocht had, Belvedere voor eene wijl met Soekabrenti te verwisselen. Emma bezat dat briefje nog. Het lag in hare schrijfportefeuille; en de overeenkomst van het eene handschrift met het andere maakte elk verder onderzoek overbodig. Ten overvloede prijkte Lidewyde's voorletter, gevat in het schild van een gestempeld fantasiewapen, bovenaan links op den brief zoowel, als op het nu ontvangen biljet.

Hoe overtuigend dit alles ook was, duurde het eene poos alvorens Emma zich van het aan haar gepleegd verraad ten volle bewust werd. Welk leed had zij ooit aan Lidewyde berokkend, dat Lidewyde haar aldus naar het hart stak? Wat kon het Lidewyde schelen, hoe het André's bruid verging, mits André haar toebehoorde?... Doch bij het doen dier laatste vraag, waarin tot tweemalen toe den naam van André voorkwam, overmeesterde haar op nieuw het gevoel der doodelijke zekerheid. Lidewyde moest zelve weten hoe zij haar gedrag verantwoorden kon. Zij, Emma, was daarvoor niet aansprakelijk. Van zulke vrouwen en zulke hartstogten kon zij zich geene voorstelling vormen. Doch hoe kwam Lidewyde in het bezit van André's medaljon? Emma kon niet gelooven dat hij het haar geschonken zou hebben. Het lag niet in zijnen aard, meende zij, opzettelijk trouweloos te zijn; en daarin oordeelde zij juist. Doch wat lag dan wèl in zijnen aard? Nog den vorigen dag had hij haar verhaald, welken hoogen prijs hij stelde op het hem dien zekeren ochtend door haar geschonken verzoeningsteeken; hoe weldadig het hem had aangedaan, aldus door haar bejegend te zijn; dat zij de teederste en de edelmoedigste van alle bruiden was, en hij haar medaljon nacht en dag op zijne borst droeg. En zij, toen hij haar edelmoedig genoemd en daardoor zijdelings bekend had, dat door hem aanleiding was gegeven tot het gerezen misverstand, zij had niet voor hem willen onderdoen in openhartigheid, maar had het geheim der aan zijn oog onttrokken teekening,--met welk een ijver en welk eene droefheid zij had zitten arbeiden aan hare aquarel; hoe zij daarbij gestadig aan hem gedacht, en welke noodlottige voorstellingen hare fantasie aan de donkerroode kleur der al de andere rozen overschaduwende François Premier verbonden had,--eerlijk opgebiecht. Was er dan wel een naam te vinden voor André's gedrag? Slechts op ééne wijze was het medaljon uit zijn bezit in dat van Lidewyde kunnen overgaan, en wanneer Emma bedacht, wat daartoe noodig was geweest, verkreeg de eerste indruk weder de bovenhand en ontsnapte haar op nieuw de kreet waarmede zij Lidewyde's briefje van zich af- en op den grond geworpen had: "Afschuwelijk!"

Zij was te lang boven gebleven om geheel en al zonder verontschuldiging in de tegenwoordigheid van freule Bertha te kunnen verschijnen; doch indien zij slechts eenmaal beneden was, meende zij, zou haar wel het een of ander invallen tot verklaring van haar gedrag. Intusschen was het in den gang, dien zij volgen moest om den trap te bereiken, geheel en al duister geworden; en ten einde niet te struikelen, of zich niet aan de ouderwetsche gebeeldhouwde linnenkast te stooten, wier vooruitspringende voet schier de helft van het portaal besloeg, nam zij den kandelaar mede, bij wiens schijnsel zij Lidewyde's schrift ontcijferd had. Bij het afgaan van den trap viel, door het wankelen van haren tred, een groote droppel was op de bovenzijde van hare hand; doch zij bemerkte dit eerst, toen het heete vocht reeds gestolten en strak geworden was.

Hoe zwak freule Bertha's oogen bij avond ook waren, zij bespeurde weldra aan Emma's voorkomen, en begreep uit het onwaarschijnlijke der door haar aangevoerde redenen, dat haar iets ongewoons en onaangenaams was wedervaren. Zoo lang evenwel Emma haar daaromtrent geene opheldering gaf, meende zij den schijn te moeten aannemen, alsof zij zonder bevreemding de aangekondigde vijf minuten zich had zien verlengen tot een uur. Om te toonen hoe gevoelig zij voor die bescheidenheid was, nam Emma het boek ter hand, waaruit zij beloofd had, de freule te zullen voorlezen. De eerste bladzijde ging goed, de tweede dragelijk. Doch van lieverlede werd hare stem onvaster, en toen zij de derde bladzijde nog ten einde brengen moest, snikte zij zoo luid en zoo hartstogtelijk, dat hare hoorderes de schepen der diskretie moedig in brand stak.

--"Kom hier, lief kind," zeide freule Bertha, de armen naar haar uitbreidend, "kom hier en zeg mij wat u kwelt."

Alles kon Emma de oude dame niet mededeelen; ten minste niet op eenmaal. En dat wilde zij ook niet. Er viel, ten bate van André, een wanhopige schijn te bewaren, en aan die verpligting mogt niet te kort gedaan worden. Doch wat het ongelukkige meisje ook achterhield en de brave freule ook raden moest,--toen zij elkander "goeden nacht" kusten, geloofde geen van beiden dat die wensch in vervulling zou gaan. Wakker liggen; de trage uren tellen; zich nu het een dan het ander in het hoofd halen; het gelaat in de kussens verbergen met het stellige voornemen om te gaan slapen; geene minuut later weder overeind zitten om nogmaals en vruchteloos een nieuw antwoord op de oude vragen te zoeken; het aanbreken van den dag verbeiden, en nogtans weten, dat ook het rijzend licht niet in staat zal zijn de benaauwde schaduwen te verdrijven,--zoo zal het wezen, dacht de vrouw van leeftijd; daarop zal het nederkomen, voorspelde zich het jonge meisje. En met een hart vol zorgen,--vlijmende zorgen, waarmede hier beneden alleen de vriendschap en de liefde teisteren,--begaven beiden zich naar hare slaapkamers.

Sommige nachten zijn zoo droog als de =Noctes Haganae= van onverschillig welken rector der latijnsche scholen in het 's Gravenhage der 18de eeuw; andere zoo amusant als de =Florentinische= van dokter Ruardi's lievelingsauteur. Doch zoo min in het leven als in de litteratuur is alles òf grappig òf vervelend. In beiden doet ook de weemoed zijne regten gelden; en het is voor de bedroefden,--voor hen en voor haar die in Emma's geval verkeeren, toen zelfs de ten hemel geslagen blik van het =Ecce Home=-beeld, waarop in het fantastisch uur haar slapeloos oog zich vestigde, geen antwoord gaf op de vraag, waarom André haar bedrogen had,--voor haar en voor hen is het, dat Musset in eene zijner =Nuits= die strofe vol zuchten en tranen gedicht heeft:

Partout où j'ai voulu dormir, Partout où j'ai voulu mourir, Partout où j'ai touché la terre, Sur ma route est venu s'asseoir Un malheureux vêtu de noir Qui me regardait comme un frère.

Dat lied der eenzaamheid, Emma zou het dien nacht gezongen hebben, indien elke andere aandrift voor haar op dat oogenblik niet natuurlijker geweest dan die tot zingen. Zij dacht aan niets als aan hare laatste wandeling met André in het Park. Wie haar toen had willen diets maken dat de man, in wiens arm de hare rustte, weinige uren later door eene andere vrouw zou worden verwelkomd,--zij had hem een lasteraar genoemd. Ware de onbescheidene zelfzuchtig genoeg geweest, door het aanvoeren van bewijzen zich te willen zuiveren van die blaam,--de minste menschen kunnen het denkbeeld verdragen, voor logenaars te worden aangezien, en wanneer zij kiezen moeten tusschen hunne eigene rechtvaardiging en uwe smart vergeten zij ligt de voorschriften der edelmoedigheid,--niet-alleen zou zij uit kieschheid geweigerd hebben toe te luisteren, maar de aantijging zou bij haar zijn afgestuit op een stalen ongeloof. Hoe jammerlijk was haar vertrouwen beschaamd geworden! Hetgeen toen monsterachtig zou geluid hebben, was nu eene werkelijkheid. Zij waakte, zij schreide, zij bad, zij bracht de handen aan hare slapen om niet waanzinnig te worden van verdriet,--terwijl Lidewyde's vingeren met de lokken van haren bruidegom speelden.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

--"Vroeg dag geweest van ochtend," zeide freule Bertha's koetsier tot den ouden Floris, die nevens hem op den bok zat.

Floris antwoordde niet.

--"Vroeg dag geweest," herhaalde Hendrik, niet gewoon vóór twaalven te rijden, doch heden, ofschoon het uur van negenen nog slaan moest, reeds voor de tweede maal achter de paarden, eerst om Emma naar den spoortrein, daarna om freule Bertha-zelve naar Soekabrenti te brengen.

--"De jufvrouw zag er erg ontdaan uit," ging Hendrik voort, vast besloten Floris aan de praat te krijgen.

--"Hendrik," antwoordde Floris in het eind, niet willende dat zijn kameraad, door geheel en al onkundig te blijven, misschien achteraf nog veel onbeteugelder zou gaan babbelen, dan hij ongetwijfeld nu reeds doen zou, "er is in de familie van jufvrouw Emma eene treurige omstandigheid voorgevallen, zoodat de jufvrouw op stel en sprong naar huis moest; en de freule heeft beloofd, daarvan onmiddelijk mededeeling te zullen gaan doen aan mevrouw Dijk, met verzoek, er mijnheer André op te willen voorbereiden. Daarom zijn we van daag zoo in de vroegte. Pas gister-avond laat is de tijding ontvangen. Ik heb zelf den brief binnen gebragt."

--"Dat je den brief zelf hebt binnen gebragt," zeide Hendrik, dankbaar maar onvoldaan, "zal ik niet tegenspreken, want ik ben er niet bij geweest; maar ik vind het casueel, zoo als Jakob van den dokter om het andere woord pleegt te zeggen, dat wij om die reden op dit uur naar Soekabrenti moeten."

--"Ik heb je al meer gezegd, Hendrik," antwoordde Floris, die den aanval op het korps der vesting trachtte te ontwijken, door uit een der afgelegen buitenwerken een uitval te beproeven, "dat je verkeerd handelt door de kennis met dien Jakob aan te houden. Ik houd hem voor een gemeenen kerel."

--"Dat's tot je dienst," zeide Hendrik. "Je bent de eenige niet, die zoo over hem denkt; en als je niet te oud waart om zondagsavonds in het Fonteintje te komen dansen, zou je misschien nog wel erger over hem gaan denken."

--"Al kon ik er morgen twintig jaar mede worden," viel Floris hem driftig in de reden, "ik zou geen voet in jelui vervl--Fonteintje willen zetten. Dat je er zelf komt, laat ik daar; je bent jong gezel en de jeugd moet 'er tijd hebben, zeggen de menschen; ofschoon dat =mijn= leer =niet= is. Maar dat de vader van een huis vol kinderen zulke plaatsen bezoekt, is schande; en daar je meê verkeert, wordt je meê geëerd."

--"Dat wordt je," antwoordde Hendrik, met de oogen knippend, "en dat is de reden, zeggen ze, dat jufvrouw Emma niet langer verkeeren wil met mijnheer André. Of heb ik het mis?"

Floris zag hem verbijsterd aan. Tot zijn leedwezen bemerkte hij, dat de koetsier hem niet zoozeer uitgehoord had ten einde iets nieuws, maar alleen om van hem de bevestiging te vernemen van hetgeen hij reeds wist of op goede gronden giste. Het was nu evenwel geen tijd om Hendrik zoo ernstig onder handen te nemen als de zaak het verdiende. Daar reden zij de laan van Soekabrenti op, Floris moest bij de hand zijn om het portier te openen voor freule Bertha.

-"Zoodat gij niet voornemens zijt het bedreven kwaad op eenigerlei wijze goed te maken?" vroeg freule Bertha oprijzend, nadat zij een uur lang vruchteloos beproefd had Lidewyde òf eene bekentenis, òf eene toezegging te ontlokken.

Lidewyde was op dit of een dergelijk bezoek voorbereid geweest, en de gevoelens der oude dame waren haar te gemeenzaam bekend, dan dat zij langen tijd naar hare antwoorden zou hebben behoeven te zoeken. Bij tusschenpoozen evenwel, en ook nu weder, hield zij zich, alsof freule Bertha's vragen met de meeste naauwgezetheid door haar overwogen werden. In stede van het voorbeeld harer bezoekster te volgen en insgelijks op te rijzen, bleef zij zitten leunen in haar fauteuil, en zeide op nadenkenden toon, als iemand, die er in het minst geen belang bij heeft een aangevangen onderhoud vóór den tijd af te breken:

--"Neen, freule, ik ben inderdaad niet voornemens iets te doen van hetgeen gij bedoelt. Dat zou geene houding hebben en tot niets leiden. Doch ik herhaal wat ik daareven zeide: indien tusschen ons omtrent deze zaak eenig misverstand bestaat,--en ik erken, dat dit het geval is,--komt het alleen hieruit voort, dat dezelfde gebeurtenis door u als een kwaad wordt aangemerkt, en door mij niet zoozeer. Is het een kwaad, dat Emma eenige tranen stort? Dat hare ouders en die van André eene teleurstelling ondervinden? Ik kan het niet inzien. Spiegelen wij ons aan de natuur, die den mensch geene enkele smart bespaart, en laat ons niet wijzer willen zijn dan zij!"

--"Dat zijn drogredenen, Lidewyde, door u aangegrepen met het oogmerk om uwen misstap te vergoêlijken. Hoe kunt gij uwe handelwijze natuurlijk noemen? Is het natuurlijk, dat gij uwen man en uwe vrienden bedriegt? Dat gij droefheid brengt over het hoofd van personen, die, zooals Emma's ouders, u nooit het geringste leed berokkend hebben? Ik ken een anderen naam voor dergelijke handelingen."

--"Gij verstaat mij verkeerd, freule, en de beteekenis, die door ons aan dezelfde woorden gehecht wordt, verschilt. Men spreekt van oorlog, van pest, van hongersnood; doch neem nu eens het alle dagen zich herhalend verschijnsel van het sterven; neem de verpligting, waaronder een onnoemlijk aantal menschen liggen om te moeten werken voor hun brood. De een moet, om aan den kost te komen, veertien uren daags den vernederendsten arbeid verrigten, de ander zijne aangeboren talenten begraven, een derde zijn geweten verkrachten of zijne overtuiging verkoopen. Doch zoo is de wereld nu eenmaal zamengesteld."

--"Ik weet niet, Lidewyde, wat gij met dergelijke redeneringen bedoelt. Voorheen spraakt gij anders, en ik zou nooit gedacht hebben, dat het u in die mate aan gemoed ontbrak. Wat mij betreft, ik ben met geen ander oogmerk hier gekomen als om u te verzoeken, gebruik te maken van uwen invloed op André. Weigert gij mij die dienst, dan heb ik verder niets te zeggen."

--"Altoos hetzelfde misverstand, freule! Gij kondt even goed van mij verlangen, dat ik een einde maken zal aan de dienstbaarheid van mijn koetsier of aan de afhankelijke positie van Sarah. Ik heb dat niet in mijne magt. En al kon ik iets dergelijks uitwerken, dan nog zou ik van oordeel zijn, dat Emma's verdriet niet in de eerste plaats in aanmerking komt. Sarah is in mijne oogen veel ongelukkiger dan Emma, en het ongelukkigst van al vind ik Marcelis. Niets is onwaarschijnlijker, niet waar? dan dat Marcelis te eeniger tijd in beter doen komen zal; nogtans moet hij van den ochtend tot den avond tuigen poetsen, rijtuigen schoonmaken en op den bok zitten. Doch houd mij de aanmerking ten goede,--het behoort tot de zwakke zijde van uwe filanthropie, voor =zulke= tragediën geen oog te hebben."

--"Ik erken," zeide de freule, met een bitteren glimlach, "dat uwe filanthropie geen gevaar loopt, voor zwak te worden aangezien. Foei, Lidewyde, hoe kunt gij er behagen in scheppen, u zoo geheel anders voor te doen als gij zijt? Op uwe christelijke barmhartigheid zal ik mij niet beroepen: gij zoudt in staat zijn mij uit te lagchen. Maar ik kan niet gelooven dat gij enkel als vrouw, hoe hardvochtig de behaagzucht u moge gemaakt hebben, geene deernis gevoelen zoudt met een meisje in Emma's toestand."

--"Toch wel, freule. Ik ben niet overtuigd dat uwe barmhartigheid eene deugd is, in den zin van eene kracht. En nu gij van christelijk spreekt, grijp ik de gelegenheid aan om u ronduit te zeggen, dat ik mij hoe langer hoe minder in uwe denkwijze te huis gevoel."

--"Die mededeeling kondt gij sparen. Ik geloof niet, dat uwe antipathie mijne denkwijze tot schande strekt."

--"Meen niet, freule, dat mijn oogmerk is, u persoonlijk te grieven; mijn toeleg is veeleer u een kompliment te maken. Doch laat mij u mogen vragen, of de christelijke godsdienst niet bij uitsluiting geschikt is om over het vreugdeloos bestaan van personen zeker waas van poëzie te werpen? U houd ik voor eene voorbeeldige christin, en van Emma zal, naar ik voorzie, over dertig of veertig jaren, hetzelfde kunnen gezegd worden; doch is het christendom eigenlijk wel voor iets anders bestemd, als om--ik spreek niet van uzelve--vrouwen die in het geval verkeeren, waarin Emma dan verkeeren zal, te verzoenen met haar lot? Mijne bedoeling met die vraag is natuurlijk niet de waarde van uw geloof te verkleinen,--daarvoor is het aantal der gekontrariëerde vrouwenlevens te groot,--maar alleen u duidelijk te maken, dat voor mij geene reden bestaat, om, in strijd met mijn beter oordeel, gevolg te geven aan uw beroep."