Lidewyde

Chapter 24

Chapter 243,950 wordsPublic domain

--"Rijmpjes? En ik onthaal u op het werk van een der grootste dichters, die Nederland ooit voortgebragt heeft! Gij leest geen kranten? Nu, zoo lang de Pruissen of de Franschen ons niet zullen ingepalmd hebben, zoolang zullen de Hollanders hunnen Schoolmeester in eere houden."

--"Zeg mij liever wat gij gebruiken zult, mijnheer Jakob. Van al die wijze praat begrijp ik niets."

--"Ik volg het Banting-systeem, heb ik u gezegd, jufvrouw Bella, en geef boven alles de voorkeur aan een morgenslokje uit het kommetje onder mijn stokje."

--"Bedoelt gij dit?" vroeg de jufvrouw, naar eene karaf jenever op schillen wijzend. "Of zijt gij weder in de war met uw schoolmeester?"

--"Gij raadt mijne geheimste gedachten, jufvrouw Bella. Werkelijk strekt mijne begeerte zich uit naar een glaasje citroen met suiker, buiten onder de verandah, als ik u verzoeken mag... Gij zijt immers niet boos op mij, jufvrouw Bella?"

--"Volstrekt niet, mijnheer Jakob. Mijne liefste gasten zijn zij, die zich eene plaats onder de verandah kiezen. Dan heb ik vrede in het buffet."

Hij trad naar buiten en zette zich neder op de groen geschilderde bank achter een der groen geschilderde tafeltjes, waarmede het voorplein der herberg gestoffeerd was. Jufvrouw Bella volgde hem, met een blaadje in de eene en een tot den rand gevuld glaasje in de andere hand.

--"Ik kan er immers op aan, dat gij niet boos op mij zijt?" vroeg hij, eene beweging makend alsof hij den arm om haar middel wilde slaan.

--"Ik zou het kunnen worden," antwoordde zij, onder het nederzetten van het kelkje. "Raak mij niet aan, wat ik u bidden mag!"

--"Ik zou u onbeleefd noemen, jufvrouw Bella, wist ik niet van nabij, dat uw hart voor zachter aandoeningen vatbaar is dan het nu openbaart. Jufvrouw Bella! jufvrouw Bella!" riep hij haar achterna.

Zij was de gelagkamer weder binnengewipt en stond hem te woord over de onderdeur.

--"Mijnheer Jakob, gij zijt een mooiprater. Is dat nu taal voor een gewoon mensch?"

--"Zoo praat men op het tooneel, jufvrouw Bella, en zoo behoort het. Wilt gij mij de eer doen voor morgen-avond een vrijkaartje van mij aan te nemen? Dan zal ik u de Schoone Helena laten zien."

--"Dank u hartelijk, mijnheer Jakob! ik moet te vroeg bij de hand zijn, om tot 's nachts twaalf uur in de komedie te zitten."

--"Reden te meer, ook voor u, jufvrouw Bella, om met de kippetjes..."

Doch toen hij weder van zijne kippetjes begon, was jufvrouw Bella eensklaps verdwenen.

--"Ik heb mij versproken, naar het schijnt," mompelde hij, legde het eene been over het andere, stak een sigaar op en savoureerde in de eenzaamheid zijn goudgeel borreltje.

Er scheelde intusschen veel aan, dat Jakob dezen ochtend werkelijk zoo vrolijk gestemd zou zijn geweest als men uit den luchthartigen toon van zijn onderhoud met het buffetmeisje mogt afleiden. Briefjes voor mevrouw Dijk waren zoo menigmaal aan zijne diskretie toevertrouwd geworden, en hij had zich te allen tijde met zoo goeden uitslag van de taak der overbrenging gekweten, dat zijn tegenwoordige gang naar Soekabrenti hem niet de geringste kwelling zou veroorzaakt hebben, indien eene soortgelijke boodschap ook ditmaal het doel van zijnen togt geweest was. Doch dit was het geval niet. Het biljet, hetwelk hij in de borstzak van zijn blaauwen rok met verzilverde knoopen bij zich droeg, was niet aan mevrouw Lidewyde, maar aan mijnheer Adriaan geadresseerd. Hij wist dat de dokter het geschreven had naar aanleiding van eene exceptioneel onstuimige konversatie, den vorigen avond te zijnen huize met Sarah gevoerd; en wanneer hij de opgevangen fragmenten van dien twist in verband bragt met hetgeen hem reeds sedert lang bekend was, kon hij met die bouwstoffen eene geschiedenis zamenstellen, geschikter dan eenige andere om den dokter te exaspereren. Misschien zou het natuurlijker of althans gewoner zijn geweest, indien hij zich in zijne kwaliteit van knecht over de déconfiture van zijnen heer in stilte verheugd had, denkend: boontje komt om zijn loontje, groote dieven worden te zelden gehangen, en het is niet meer dan billijk, dat wie zoovele anderen vernederd heeft, eindelijk ook zelf aan de deur wordt gezet. Doch niet-alleen was Jakobs inborst zoo niet, maar het streed ook met zijn belang, dat zijn meester zich brouilleerde met mevrouw Dijk. 's Dokters relatie met die dame was in den loop des tijds voor hem de bron geworden van een overvloediger _casuel_ dan waarop menig dorpspastoor in Frankrijk of Oostenrijk voor het drijven van zijne huishouding en het onthalen van zijne superieuren rekenen kan; en van lieverlede was hij die buitengewone belooning zijner schranderheid en bescheidenheid als een vast inkomen gaan beschouwen. En wat zou nu gebeuren? Wanneer het Italiaansche bloed in 's dokters aderen eenmaal aan het gisten ging, deinsde hij voor niets terug, ook niet voor handelingen, die menigeen wreedaardig en verraderlijk genoemd zou hebben. Evenmin kon men weten, wat mijnheer Dijk zou aanvangen, wanneer iemand van dokter Ruardi's talent hem inzage van de boeken gaf. Mijnheer Dijk had geheel en al het voorkomen van een goedaardig man; en dat hij zich gedurende zoo langen tijd met open oogen had laten bedriegen door zijne vrouw en den dokter, was zeker geen bewijs van opvliegendheid; "doch ook mijn eigen vader ging door voor een sukkel," dacht Jakob, "hetgeen niet wegneemt dat hij mij somtijds bont en blaauw geranseld heeft." In dat briefje zelf zou nu wel niets staan, waar dadelijk gevaar bij was, maar het kon een begin zijn van eene door den dokter beraamde wraakoefening; en wanneer dat potje eenmaal te vuur stond, zou de dokter wel zorgen, dat mijnheer Dijk er zich het hardst den mond aan brandde. "Enfin," dus luidde de konklusie van Jakobs overwegingen, "het is een miserabel geval, en ik wilde om een lief ding, dat die mijnheer Kortenaer en zijn meisje (onder ons gezegd, dat meisje kan haar plezier ook wel op!) buiten ons vaarwater gebleven waren."

De weg naar Soekabrenti was in de week en op dit uur van den dag eene eenzame heirbaan, en van de plaats waar Jakob zat uit te rusten van de wandeling die hij nog moest ondernemen, kon men, tusschen de boomstammen door, de weinige voetgangers, die zich in de rigting der stad bewogen, reeds in de verte zien aankomen. De glooijing eener hooge brug met witte leuningen, waar eene vaart op eenigen afstand den weg door midden sneed, verminderde nog de voor die waarneming gevorderde inspanning; en Jakob vermaakte zich eene poos met op te merken, hoe van de personen, die hem naderden, nadat de ronding der brug hen gedurende korten tijd onzigtbaar had gemaakt, eerst het hoofd, dan de romp, en eindelijk ook de beenen weder allengs zigtbaar werden.

--"Een saai kijkje," sprak hij echter weldra in zichzelven. En schier onmiddelijk daarna, zich vooroverbuigend, ten einde scherper te kunnen toezien: "Dat 's casueel!" riep hij uit, alsof het kijkje hem eensklaps nieuwe belangstelling inboezemde, "hij is het, al zijn leven!"

De zwarte pet van glimmend wasdoek, de korte donkergrijze jas met metalen knoopen en de om het been spannende slobkousen van chocoladebruin laken, wier verschijnen op den top der brug Jakob dien kreet van verwondering deed slaken, behoorden aan niemand anders als Isidoor, den eerzamen huisknecht op Soekabrenti; in zoo ver namelijk een livereibediende zeggen kan dat zijne kleederen hem toebehooren, en niet hij aan zijne kleederen. Het duurde niet lang, of Isidoor, die met eene boodschap van Lidewyde naar stad moest, merkte op dat van onder den luifel van het Fonteintje, met dichterlijke vrijheid door Jakob en jufvrouw Bella de verandah genoemd, telegrafische seinen tot hem gerigt werden. Toen hij evenwel, nader gekomen, Jakob herkende, was zijne vreugde slechts matig; want Jakob had onder zijne kameraden den naam, in meer dan gewone mate "bij de pinken" te zijn, en Isidoor deelde in zoo ver in het zwak dier onbedeesden wien het niet aan verstand of doorzicht hapert, dat hij ongaarne overbluft werd. Des te meer viel het hem in de hand, dat Jakob dezen ochtend in het geheel niet spotziek gestemd scheen te zijn, en volstrekt geene aanstalten maakte om hem, Isidoor, voor het lapje te houden. De ontvangst was integendeel even hartelijk als gemeenzaam, en indien Isidoor het voorregt had gehad, Jakob meer van nabij te kennen, zou hij aan diens welwillendheid bemerkt hebben, dat Jakob hem noodig had.

--"Hou je me gezelschap," vroeg Jakob, naar zijn kelkje wijzend, "of ben je van de Afschaffing? Er is in mijn eigen leven een tijd geweest, dat ik vóór twaalven nooit iets anders als water met suiker dronk."

--"Voor mij moet die tijd nog komen," zeide Isidoor, die meende te weten dat men tot de dagen van Jakob's zuigelingsschap zou moeten opklimmen, alvorens de door hem bedoelde water- en suiker-periode te bereiken. "Maar als ik regtuit spreken zal, drink ik vóór twaalven liefst bier."

--"Ieder zijn meug," antwoordde Jakob. En zich naar de openstaande deur der gelagkamer wendend: "Jufvrouw Bella," riep hij, "een glas Beijersch voor mijn vriend Isidoor! Groote maat, als ik je verzoeken mag."

--"Ik ben op weg naar jelui toe," vervolgde hij, een deel van zijne eigen geheimen verklappend, ten einde des te spoediger achter die van Isidoor te komen. "De dokter zendt me met een briefje naar Soekabrenti. En wat moet jij zoo vroeg in de stad uitvoeren? Ik dacht dat jelui nooit anders boodschappen deedt als met rijtuig?"

--"Ik moet voor mevrouw een pakje brengen naar het expeditie-kantoor."

--"Dat verandert. Spoortreinen wachten niet."

--"Dat doen ze net niet; maar in dit geval zou de trein geen eer inleggen met te wachten, want mijn pakje hoeft niet mee."

--"Hoe heb ik het met je? Breng jij pakjes naar het expeditie-kantoor om thuis gelaten te worden?"

--"Niet precies. Mijn pakje moet worden bezorgd aan een adres in de stad."

--"Wat? Zoo als de rijke lui op Sinterklaas-avond doen, om te zorgen dat de vrinden niet weten zullen uit welken hoek de wind waait? Jou mevrouw is er tijdig bij, moet ik zeggen. Ik heb juist gisteren aan mijn kleine meid verteld, dat Sinterklaas' mooije japon nog twee maanden in de Bank moet staan, voor hij hem lossen kan."

--"De kleine meid, voor wie mijn pakje bestemd is, zou blij zijn, geloof ik, indien ze twee maanden uitstel kreeg," zeide Isidoor op geheimzinnigen toon.

Een minder naauwlettend hoorder dan Jakob zou het spel bedorven hebben door te vragen: "Voor wie is het dan?" Doch Jakob begreep dat de ander op den goeden weg was, en van hemzelven nog slechts een weinig meer openhartigheid gevorderd werd, om Isidoor de zijne te doen voltooijen.

--"Luister eens," zeide hij, eensklaps de hand op Isidoor's arm leggend en insgelijks een mysterieusen toon aannemend, "het gaat mij niet aan, welke boodschappen jou worden opgedragen, en mijn vader heeft me geleerd, dat een booi, die niet hooren, zien en zwijgen kan, geen knip voor zijn neus waard is. Maar, òf ik heb het mis, òf de wagen gaat op dit oogenblik bij jou aan huis evenmin regt als bij den dokter."

--"Bij den dokter?" vroeg Isidoor verwonderd. "Daar weet ik niet van."

--"Indien je alles wist, zou ik je niets te vertellen hebben, dat spreekt. Wil ik je eens wat zeggen? Ik geloof dat die mevrouw van jou een rare dame is."

--"Ik wou," zeide Isidoor met een zucht, "dat het anders was; maar ik vrees dat je gelijk hebt."

--"Waarom zet je daar een bedrukt gezigt over? Ze is geen kind; en wanneer ze dingen doet, die niet deugen, moet ze zelf weten wat er bij staat."

--"Jawel, maar voor de rest is ze een goed mensch; veel te goed om zich te vergooijen."

--"Dat is de vraag, Isidoor. Ken je de geschiedenis van prins Potemkin?"

--"Neen, van dien snuiter heb ik nooit gehoord."

--"Nu, er is reis een keizerin van Rusland geweest, die eerst er man gemold en toen een sleep vrijers nagehouden heeft, waarvan vriend Potemkin het verder heeft gebragt dan al de anderen. Minister, admiraal, generaal, stadhouder, prins,--de hemel weet wat de kerel al niet geworden is, ofschoon hij van afkomst maar de zoon van een armen kapelaan was. Want in Rusland, moet je denken, mogen de kapelaans trouwen, als ze willen, en kinderen krijgen als ze kunnen. Maar denk je dat iemand ooit precies geweten heeft waarom keizerin Katharina zoo'n zin had in dien jongen?"

--"Misschien was het wel..."

--"Je wilt zeggen dat hij meer verstand of meer courage had dan de anderen? Mis, maat! Hij was zoo dom als een eend, al hield hij zich, wanneer het op vechten aankwam, wijsselijk buiten schot. Er kan maar één reden geweest zijn, waarom de keizerin zich aan hem verslingerd heeft."

--"En dat was?"

--"Men kan alle dingen zoo niet bij 'er naam noemen; maar ik geloof dat keizerin Katharina om dezelfde reden van prins Potemkin hield, waarom jou mevrouw een hekel heeft aan 'er man. Ja, ja, Isidoor, sommige vrouwen zijn vreemde zeeschepen, en prins Potemkin was een mooije jongen, zoo hoog en zoo breed als een tamboermajoor. Maar dat 's tot daaraan toe. Is die mijnheer Kortenaer nog bij jelui gelogeerd? Hij is een keer of wat bij den dokter komen praten, en de dokter is een keer of wat met hem uit rijden of uit wandelen geweest. Het zou mij niet verwonderen, indien het briefje, dat ik in mijn zak heb, bestemd was om daar een einde aan te maken. De dokter is op zijn gezelschap niet bijzonder gesteld, lijkt het wel."

--"En zendt mijnheer Ruardi jou om die reden naar Soekabrenti?" vroeg Isidoor, die het oogenblik gekomen achtte om op zijne beurt Jakob een weinig uit te hooren.

--"Dat zou ik je niet kunnen zeggen," antwoordde Jakob droogjes; "maar wel, dat het briefje niet voor mijnheer Kortenaer, maar voor mijnheer Dijk is. Het zou evenwel kunnen wezen, dat mijnheer Dijk alleen dienen moest als tusschenpersoon, net als jou expeditie-kantoor."

--"En voorzie je dat daar ongenoegen van komen zal?"

--"Wel zeker voorzie ik dat, en erg ongenoegen ook."

--"Het doet me pleizier dat je niet luchtig denkt over hetgeen tegenwoordig bij ons aan huis voorvalt. Ik heb medelijden met dat juffertje."

--"Nu zeg je precies hetzelfde, Isidoor, wat ik bezig was bij mijn eigen te overleggen, toen ik je daareven zag aankomen. Dat meisje, zei ik, kan 'er pleizier meer dan op."

--"En ik vrees dat haar pleizier nog verminderen zal, wanneer ze dit pakje ontvangt."

--"Heb ik het niet gedacht," riep Jakob, achter een schijn van verontwaardiging zijne zelfvoldoening over Isidoor's mededeeling verbergend. "Mevrouw Dijk doet met jufvrouw Emma even als de dokter met mijnheer André."

--"De tijd moet het leeren, Jakob; maar ik kan je zeggen dat ik van mijn mevrouw nooit zoo iets vermoed zou hebben."

--"Ik ook niet," antwoordde Jakob. "Gelukkig voor ons, dat wij onze handen in onschuld wasschen kunnen. Maar onze lieve Heer is regtvaardig, dat heb ik altijd gezeid. Wij, arme drommels, moeten het werk doen; maar de verantwoording komt voor rekening van de grooten. Zoo krijgt elk zijn deel. Nog een halfje Beijersch?"

Het aanbod was niet geheel en al opregt; doch al ware het dat geweest, Isidoor zou het in elk geval van de hand gewezen hebben. Hij was een te naauwgezette knaap om ter wille van zijne gemoedsbezwaren zijne boodschappen te verzuimen.

Jakob was ruimer van geweten, en vond het geene doodzonde vóór hij Isidoors voorbeeld volgde, nog een halfje citroen met suiker te gebruiken. In het eind evenwel nam ook hij afscheid van het Fonteintje, en ging hij zich kwijten van den hem opgedragen last.

--"Veel wijzer ben ik niet geworden," zeide hij bij zichzelven, toen hij zijne vertering betaald had en men hem den weg naar Soekabrenti zag opwandelen. "Maar toch wel een beetje. Wel, wel, moet jufvrouw Emma de vesting ruimen! Wonder is het niet, want voor Isidoors mevrouw is zij geen portuur. Met dat al spijt het mij vervl--, dat de dokter en mevrouw Lidewyde met elkander over hoop liggen. Dat zal een geduchte streep door mijne rekening zijn. Een lieve jongen, die mijnheer André!"

VIJFDE HOOFDSTUK.

Hoewel Adriaan Dijk voorwaar geen genie was, zou men hem ten onregte voor een lafaard gehouden hebben, en wie hem in de eenzaamheid had kunnen gadeslaan, toen hij, uit de stad gekomen, Ruardi's briefje vond en zich daarmede naar zijne kamer begaf, zou getroffen zijn geweest door de uitdrukking van vastberadenheid, welke zich eensklaps over zijne gelaatstrekken verspreidde. Eerst stapte hij, met de armen over de borst gekruist, eenige malen het vertrek op en neder, opende toen zijn bureau, waarvan de cylinder naar achteren week, wanneer men het blad bij den knop vatte en naar zich toe trok, en zette zich toen met het hoofd in de hand, blijkbaar zonder eenig voornemen om thans schrijf- of ander werk te verrigten, peinzend neder in zijn ronden stoel.

--"Gij zijt ijdel," zou de wereld hem hebben kunnen toevoegen, en tot staving van dat verwijt had zij zegevierend kunnen wijzen op zijn hunkeren naar een mandaat waarvoor hij niet berekend was. "Gij zijt dom," kon zij vervolgen, en onder vier oogen zou Lefebvre het haar uit den grond zijns harten hebben nagezegd. "Gij zijt veel te goed van vertrouwen," kon zij er bijvoegen, en indien Jakob of Sarah uit de school hadden willen klappen, zouden zij hem van de waarheid dier stelling op eene voor zijn gevoel uiterst pijnlijke wijze hebben kunnen overtuigen. Doch juist Ruardi was de man, die hem van elke opkomende achterdocht ten aanzien van Lidewyde telkens genezen had; zoodat zijne eenige fout, in zake van ligtgeloovigheid, hierin bestond, dat hij Ruardi's vriendschap voor eene uitgemaakte zaak hield. Zal men weigeren te erkennen dat die dwaling hem tot eer verstrekte, ook al was hij overigens die hij was? Schranderder lieden dan hij, lieden van wie elk erkent dat hunne handelingen te geener tijd door vaniteit bestuurd werden, zijn dwaas genoeg geweest om ten einde toe aan de goede trouw van sommige personen te gelooven; en het moet nog uitgemaakt worden, of het beter is, alle menschen zonder onderscheid te verdenken, dan enkelen hunner als het uitgedrukt beeld der welwillendheid aan te merken.

Er rustte op Dijks huwelijksleven een dier sluijers, welke alleen door de dienstboden van Jakobs soort plegen opgeligt te worden. Lidewyde had hem indertijd hare hand geschonken,--ja waarom? omdat zij eene natuurlijke dochter was. Op een leeftijd dat andere jonge meisjes nog naauwelijks de kinderschoenen ontwassen zijn, had het besef van dien toestand haar reeds naar een huwelijk doen verlangen. Zij wilde levenslang aan iemand toebehooren; een eigen naam dragen, gelijk alle andere menschen in haren kring; een eigen huis en eene eigen omgeving bezitten. Die wensch verdrong bij haar destijds al het overige; en toen zij op achttien- of negentienjarigen leeftijd aan Adriaan Dijk verbonden werd, was haar geduld, meende zij, reeds op de uiterste proef gesteld geworden. Wat hem betreft, hare ongemeene, uitheemsche schoonheid had hem eene wijl betooverd, en daarbij was het vragen van hare hand in zijne oogen eene daad van courtoisie, bijna eene heldendaad geweest. Zijne moeder, tegen wie hij van jongs af zeer had opgezien, wier afkeuring hij nog nooit getrotseerd had, was eerst te elfder ure tot berusten gekomen, en het had hem vrij wat moeite gekost, haar eene vondeling, gelijk zij Lidewyde noemde, als schoondochter te doen erkennen. Doch de vreugde over die zegepraal was slechts van korten duur geweest. Geene drie maanden na zijn huwelijk was tusschen Lidewyde en hem eene onoverkomelijke verwijdering ontstaan; eene dier scheidingen, welke voor het oog der wereld verborgen kunnen blijven, omdat zij haren oorsprong nemen in eene door haar zelve ten toon gedragen koelheid. Weldra zou het zes jaren worden dat Adriaan en Lidewyde voor elkander niets anders geweest waren als twee personen, die in hetzelfde hôtel, ten onregte hun huis genoemd, verschillende appartementen bewoonden.

Het was heden geenszins voor de eerste maal in dat half dozijn jaren dat Adriaan nadacht over hetgeen hij doen zou, indien Lidewyde hem te eeniger tijd openlijk ontrouw werd. In bijzonderheden, wel is waar, had hij daaromtrent nooit iets kunnen vaststellen, omdat de te nemen wraak of de te eischen voldoening zich natuurlijkerwijze zouden moeten regelen naar de omstandigheden, waaronder de beleediging zou plaats hebben. Doch indien hij met zijne wenschen te rade ging, wist hij met genoegzame zekerheid op welke soort van strafoefening, al zou de wereld daarvan dan ook schande spreken, zijne keus zich vestigen zou, en zelfs zou hij de wapenen hebben kunnen noemen en aanwijzen, waarvan hij zich bij die gelegenheid liefst zou bedienen. In het eerste jaar van zijn huwelijk had hij een gitzwarten Newfoundlander bezeten, aan wien hij om zijne vrolijkheid en hartelijkheid bijzonder gehecht was, en wiens doodvonnis (het dier was sporen van dolheid gaan vertoonen, of was althans eensklaps niet langer te vertrouwen geweest) hij met een verdeeld gemoed onderteekend had. Eerst had hij Marcelis last gegeven, den hond buiten zijne voorkennis te doen afmaken; doch naarmate het oogenblik naderde, waarop hij berekenen kon dat zijn bevel ten uitvoer zou worden gelegd, was de vrees hem gaan bekruipen, dat men het dier meer zou doen lijden dan volstrekt noodig was. Ten slotte was hij naar de stad gereden, had bij een geweermaker den moorddadigsten revolver gekocht, die in 's mans magazijn te vinden was, en had met eigen hand den armen Moor, die roerloos en met bloedroode oogen op eene binnenplaats aan zijne ketting lag, door den kop geschoten. Sedert dien tijd rustte dat wapen achter de kleine kunstig gesloten deur onder den cylinder van zijn bureau, en slechts enkele malen haalde hij het voor den dag, ten einde het te reinigen en in bruikbaren staat te houden. Naast den revolver lag de korte zweep met den langen en zwaren slag van gevlochten leder, dien hij gewoon was geweest bij zich te steken, wanneer hij met Moor eene verre wandeling ging doen. Niet dat de hond veelvuldig behoefde gekastijd te worden; maar hij was te gelijk een zwemmersbaas en een aartsvijand van wolvee, en indien men onderweg geen ongenoegen krijgen wilde met herders of boeren, was het somtijds zaak hem tot zijnen pligt te roepen. Zoo verleidelijk evenwel konden de ontstelde schapen met hunne dikke lijven en hunne korte pooten niet voor hem uitrennen; zoo breed kon de molenvliet niet zijn, die hij moest overzwemmen om zijnen meester weder in te halen, of op het eerste geluid van Adriaans zweepslag keerde Moor, druipend en hijgend, op zijne zevenmijlssprongen terug.

De vraag of er eene bijzondere predispositie noodig is om te eeniger tijd een doodslager of een beul te worden, dan wel of de aanleg daartoe, zonder onderscheid van individuen, bij alle menschen als kiem wordt aangetroffen, is welligt niet meer dan eene thesis voor de eene of andere debating-club. Predikers der godsdienst hebben herhaaldelijk in den loop der eeuwen het laatste alternatief tot het onderwerp van roerende toespraken gemaakt; het eerste is door moralisten van de physiologische school meermalen als ruim zoo waarschijnlijk voorgesteld. Doch zoo min die zede-als die godsdienstleeraars zouden in staat zijn geweest Adriaan Dijk de bekentenis te ontlokken, dat, indien een man hem zijne eer ontroofde en zijne vrouw aan dien roof medepligtig was, hij het regt niet hebben zou, Lidewyde voor dat misdrijf te tuchtigen en haren minnaar te dwingen, zich met eigen hand het leven te benemen. Op dat punt koesterde hij eene vastheid van overtuiging, waarvan men beweren kon dat zij aan zinsverbijstering grensde, doch tevens erkennen moest, dat zij de onbeduidendheid van zijn persoon tot op zekere hoogte neutraliseerde. Het eene wapen om hem te vernietigen, het andere om =haar= te vernederen: van die opvatting was hij niet af te brengen. Dat stond geschreven, meende hij. En aan de regtmatigheid van dat inzigt geloofde hij met dezelfde onverzettelijkheid als een Arabier gelooft dat God groot en Mohammed zijn profeet is.

ZESDE HOOFDSTUK.