Chapter 2
Wat evenwel deerde hem dit, sedert hij een zoon bezat, die van jongs af toegerust bleek met die ééne gaaf wier ontbreken den vader levenslang had doen worstelen met de middelmatigheid? Aan eene vaardigheid met het penseel, die aan het verwonderlijk viool- of pianospel van sommige halfkinderlijke virtuozen herinnerde, paarde de kleine Reinier eene stoutheid van konceptie en koloriet die aan het fabelachtige grensde; en sommige doeken van zijne hand, aangelegd en voltooid toen hij zijn vijftiende jaar nog moest intreden, zouden door oningewijden, en niet door geheel en al oningewijden alleen, zijn aangezien voor het werk van een volwassen meester. Vermoedelijk hechtte de vaderlijke eigenliefde aan dit alles meer waarde dan het verdiende; doch niemand kon tegenspreken, dat voor het minst de schijn in het voordeel der hoogst gespannen verwachtingen pleitte. Reinier was noch verwaand, noch een druiloor, maar een wonderkind in den vorm van een gewonen jongen. Vreemde talen en algebra, geschiedenis en natuurkunde, geografie en botanie,--van al deze dingen wist hij niet meer, maar ook niet minder dan de schranderste aankomende jongens van zijnen leeftijd. Hij sprong mede over en in de breedste sloten, was een hartstogtelijk schaatsenrijder, schoot met pijl en boog de appelen en peren van de boomen, at goed en dronk goed, zwom als een kikkert, sliep als eene roos, en zou niettemin liever een geheelen nacht wakend doorgebragt hebben, dan te gedogen dat Tiras, zijn hond, hem niet dat zeker blijk van onderdanigheid gaf, hetwelk hij, Reinier, bij zich zelven vastgesteld had, van hem te zullen ontvangen.
Indien Reinier ware blijven leven, zouden de denkbeelden zijns vaders vermoedelijk een anderen loop genomen hebben als zij bleven volgen na Reiniers dood. Hij had te allen tijde zekere algemeene wenschen gekoesterd omtrent eene herleving der vaderlandsche schilderkunst, uitgaande van een terugkeer tot onze meesters der 17de eeuw. Hij schaamde zich niet-alleen over zijn eigen werk, maar ook over het werk van diegenen onder zijne tijdgenooten en kunstbroeders, van wie hij erkende dat zij boven hem stonden, en wier oogen, meende hij, slechts behoefden open te gaan voor het ware licht om hen met rassche schreden een anderen en beteren weg te doen inslaan. Had het talent van Reinier tijd en gelegenheid gehad om zich te individualiseren, hij zou van lieverlede teruggekomen zijn van den waan dat Reinier bestemd was om de stichter van dat nieuwe nationale rijk van lijnen en kleuren te worden; vroeger of later zou hij zich hebben leeren vergenoegen met de wetenschap: "Mijn jongen munt uit in dit of dat;" en zijne voornaamste zorg, indien Reinier werkelijk een schilder van den eersten rang gebleken was, zou geweest zijn hem naar het buitenland te zenden, en hem in de eene of andere wereldstad, waar de kunsten in eere worden gehouden, een zijner waardig atelier te laten opslaan. Of is in iets uit te munten, zonder meer, niet de rijpste vrucht van alle menschelijke ontwikkeling? Verdient één vogel in de hand niet de voorkeur boven tien in de lucht? Is er iets anders wat zoo zeer het karakter vormt, zoo onkwetsbaar maakt voor allerlei verwijten, als met de oogen des geestes de wetten te aanschouwen waaraan de verschijnselen gehoorzamen en zich op die wijze van hunne grenzen bewust te worden? Doch de oude Visscher was van die soort van hooger-onderwijs verstoken gebleven. Eene kwaadaardige ziekte, opgedaan, naar het scheen, bij gelegenheid van een verren togt over het ijs, had Reinier in den winter na zijn eenentwintigsten verjaardag eensklaps weggeraapt; en toen, na eene poos, de droefheid zijns vaders dat stil karakter had aangenomen, waaraan men de lidteekenen eener groote smart pleegt te herkennen;--toen onverhoopt de nalatenschap eener bloedverwant van zijne vrouw hem vrijheid had geschonken palet en penseelen in een hoek te werpen en buiten te gaan wonen,--was hij minder dan ooit af te brengen geweest van het ééne denkbeeld, hetwelk gedurende zoo vele jaren hem geheel vervuld had. Vaster dan ooit bleef hij gelooven aan eene toekomst voor de vaderlandsche kunst; zag met leede oogen de industrie zich meester maken van het gemoed zijner jongere tijdgenooten; leefde met hart en ziel in zijne geliefkoosde 17de eeuw, en hield zich bij voortduring overtuigd dat Reinier slechts uit de dooden zou behoeven op te staan om dat verloren paradijs te doen herbloeijen.
Er is veel over stokpaarden geschreven; doch welligt heeft men tot hiertoe te weinig opgemerkt, dat het zonder uitzondering mannen zijn, die zich met dat speelgoed onledig houden. De twee vrouwen althans, Lydia en Emma, in wier dagelijksch gezelschap de heer Visscher den herfst zijns levens doorbragt, kenden het alleen van aanzien of van hooren zeggen. Doch zij hadden een ander gebrek: het zeldzame van zoo sprekend op elkander te gelijken, dat men bij schemeravond in het bosch, of zelfs bij het getemperd lamplicht in de gezellige zitkamer op Belvedere, gevaar liep de moeder aan te spreken voor de dochter, en hetgeen erger was, de dochter voor de moeder. Een gebrek alzoo? Eene dier grenzen der volmaaktheid, waardoor het voorstellingsvermogen te hulp gekomen en onze eigenliefde bevredigd wordt? Helaas, hier was het zoo gesteld, dat de onvolkomenheid-zelve waaraan men gemeend zou hebben zich voor een keer het nijdig hart te kunnen ophalen, nieuwe perplexiteiten deed geboren worden! Zij waren klein van gestalte, zij waren tenger, zij waren blond, zij hadden lichtblaauwe oogen, zij hadden een frisch teint, zij hadden eene heldere stem, zij lachten met dezelfde zilverachtig klinkende intonatie, zij hadden in huis dezelfde bevallige manier van u iets aan te bieden, en op de wandeling dezelfde half gemeenzame, half ingetogen wijze van u te groeten. En men durft beweren dat nooit eene gehuwde vrouw van veertig jaren zoo zeer op een jong meisje van twintig geleek, dat de eene niet bij den eersten oogopslag te onderkennen was van de andere! Een ongeloovige zal zeggen: indien de moeder zich op dezelfde wijze kapte als hare dochter, was de moeder behaagziek; en indien de dochter zich tooide met een hoed die haar moeder niet misstaan zou hebben, was de dochter kwalijk getooid. Volkomen zuiver geredeneerd, en men herkent aan dit betoog die gepantserde soort van logica, waarop de evidentie-zelve, indien zij het waagde haar aan te tasten, haar krachtigst kruid en hare puntigste kogels verspillen zou. Doch zoo er niets valt in te brengen tegen de propositie: Eene vrouw is gekleed naar hare jaren, of zij is het niet,--er valt ook niets af te dingen op het feit, dat noch mevrouw Visscher, door haar toilet, haar meer gevorderden leeftijd, noch hare dochter Emma, door het hare, hare jeugd verzaakte. Het verstandigst wat gij doen kondt, was van Emma te zeggen, dat men de lijnen van haar beeld zich maar een weinig zwaarder behoefde te denken om op het levendigst aan hare moeder herinnerd te worden, en van hare moeder, dat enkele trekken van dier gelaat maar een weinig behoefden te worden uitgewischt, enkele van hare bewegingen maar een omzien te worden versneld, om haar voor eene tweelingzuster van Emma te doen houden. Doch wie gevoelt niet, dat zulk eene expeditive manier van konterfeiten gelijk staat met eene bekentenis van onvermogen?
Voor iemand die wist welke bittere tranen deze twee vrouwen, hoewel de jongste van haar toen nog slechts een aankomend meisje was, geschreid hadden op den dag van Reiniers begrafenis; hoe de smart die teedere gelaatstrekken verwrongen had; met welke sprakelooze wanhoop zij de armen geslagen hadden om den hals van den snikkenden vader; welke droefgeestigheid geheerscht had in de eensklaps vreugdeloos geworden woning; met welken tegenzin en welke inspanning zijnerzijds de arbeid hervat was, en hoe somber zij er altegader plagten uit te zien in hunne rouwkleederen,--was het een weldadig schouwspel hen op een zomerschen zondagvoormiddag, nu al dat leed geleden en de stad met buiten verwisseld was, gezamenlijk uit de Duinendaalsche ochtendkerk naar Belvedere te zien terugwandelen, het dorp door en den belommerden rijweg langs.
Die grijze mijnheer met snorren, wiens hoed een weinig op één oor plagt te staan en die meer op een gepensioneerd hoofd-officier dan op een Hervormd christen geleek; die mevrouw, met dat jeugdige in haar voorkomen, wier japonnen te Amsterdam of in Den Haag gemaakt werden en die een uit Parijs afkomstigen mantel droeg; dat jonge meisje, met haar neteldoeksche kleedjes, haar nette laarsjes, haar onberispelijke handschoenen, haar zachtgekleurde bloemen in den hoed,--zulke menschen, meenden de minder ontwikkelden onder de Duinendalers, bezochten de kerk alleen voor den vorm, of om een goed voorbeeld te geven aan de dienstboden, of uit tijdverdrijf en omdat de zondagen dan minder lang vielen. Ook andere misanthropen, hoewel minder ruw in het uitspraak doen dan deze dorpelingen, hebben beweerd, dat de uitdrukking van zielsrust en vriendelijkheid, waardoor het gelaat van huiswaarts keerende kerkgangers zich pleegt te onderscheiden, bedriegelijk is, en dat men zich wachten moet, vooral ten platten lande en in liefelijk gelegen oorden, te spoedig geloof te slaan aan dien vrede en die vergenoegdheid, welke zoo bedenkelijk goed harmoniëren met een tusschen lindeboomen verscholen torenspitsje, een ten gebede noodigend klokgeklep, of het naspel van een koraalgezang bij het scheiden eener godsdienstoefening.
Doch al zou de schijn, hetgeen het geval niet was, ook ditmaal misleid hebben, de illusie was volkomen. Wie den ouden heer Visscher, met twee dames-kerkboekjes in de hand, tusschen zijne vrouw en zijne dochter niet al te snel het breede voetpad langs den door buitenplaats aan buitenplaats zich kronkelenden rijweg volgen zag, achtte het eene uitgemaakte zaak dat ook het zondagsgevoel eene aandoening is, vatbaar om in beeld gebragt te worden. Had men hun oordeel gevraagd over de aangehoorde leerrede, hoogst waarschijnlijk zouden zij niet in staat geweest zijn, den bijbeltekst te noemen, dien de predikant ten grondslag gelegd had aan zijne toespraak. Zij vonden het psalmgezang der Duinendalers stellig zeer onwelluidend, doch het ontstichtte hen niet; ook dan niet, wanneer noch de denkbeelden, noch de woorden van het aangeheven lied gezegd konden worden, gegrepen te zijn uit hunne eigene ziel. Zij waren getrouwe en opregte kerkgangers, zoo los van theologie als vereenigbaar is met lief te hebben en getroost te zijn, en zoo godsdienstig als kan zamengaan met niet-ontvankelijkheid voor de indrukken van het piëtisme. Het buitenleven had hen in die gevoelens versterkt. Beter dan in de digtbevolkte stad, met hare meer dan honderdduizend inwoners, hadden zij op het stille Duinendaal leeren inzien, welk een zegen de priesterlijke invloed zijn kan; hoe de predikant en de pastoor der plaats, al hadden beiden hunne menschelijke zwakheden, elk in hunnen kring een middenpunt vormden, waarop eene menigte belangen uitliepen, gelijk bergpaden uitloopen op eene heirbaan; hoe die geheele kleine maatschappij, op weinige uitzonderingen na, ja ook wel bijeengehouden werd door sommige dogmatische begrippen, waarvan de eene helft de andere ophief en al wier deelen gelijkelijk iederen dag gelogenstraft werden door de ervaring, doch tevens en allermeest door ongehuichelde gevoelens, waarmede die begrippen zamengegroeid waren zonder ze te verstikken. Eerst in deze nieuwe omgeving was het hun duidelijk geworden, hoe naauw voor eene bepaalde klasse van menschen kerkelijkheid zamenhangt met arbeidzaamheid, met ingetogenheid, met fatsoen en een goeden toon; en hoewel zij nog niet half op de hoogte waren van de Duinendaalsche =chronique scandaleuse=, wisten zij zeer wel dat van de twintig boerenknapen, die de kerk verzuimden, zij mogten roomsch of protestant heeten, niet een bestand was tegen de verleiding van drinken of spelen; en onder de twintig boerendochters, van wie men verhaalde of wist dat zij op oneerbiedigen toon over Heeroom spraken,--indien al Duinendaal twintig boerendochters telde, van wie gezegd kon worden, dat zij vrijdenksters waren,--niet eene gevonden werd, aan wie niet een steekje los was. De huichelarij-zelve waren zij allengs minder afschuwelijk gaan vinden op het dorp dan in de stad; niet omdat zij toegeeflijker waren geworden omtrent eenigerlei ondeugd, maar omdat de ondervinding hen geleerd had dat in sommige kringen het veinzen van godsdienstigheid en deugd een minder groot maatschappelijk kwaad is, dan zeker drijven op eigen wieken, waarvan ongebondenheid en tot overlast worden in den regel het einde zijn.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Indien meer voorspoed minder idealiteit beteekent, hadden de drie personen van daareven hun besten tijd reeds eene poos achter den rug, en was het gothisch halfdonker, waarin zij nog naauwlijks gelegenheid gehad hebben zich aan den lezer te vertoonen, in de werkelijkheid reeds geweken voor een ander licht, alledaagscher omdat het feller was.
Het mogt een jaar geleden zijn dat de burgemeester van Duinendaal in den gemeenteraad verschenen was met het berigt, dat de concessie verleend, de negotiatie volgeteekend, de ingenieur aangesteld, de rigting van den weg afgebakend, het punt waar de groote draaibrug de rivier snijden zou gearresteerd,--kortom, dat geene der voorwaarden onvervuld gebleven was, waarop de Duinendalers, indien zij slechts de moeite wilden nemen van naar het stationsgebouw te kuijeren, zich eerlang zouden kunnen beroemen, verbonden te zijn aan het europesche spoorwegnet. Hoe ongelijk dat huwelijk ook schijnen mogt, de voorspelling van den burgemeester was uitgekomen; en Duinendaal verbeidde het oogenblik dat de lokomotief voor het eerst in vollen ernst zijne vlakten doorsnijden zou. De baan was gereed, de staven gelegd, al de kleinere werken voltooid, en er ontbrak nog slechts aan dat de rivierbrug, om wier spil zich de geheele onderneming bewoog, voor het verkeer opengesteld kon worden. Doch ook dit zou weldra gebeuren, en zelfs beweerde men, dat de dag reeds vaststond.
Niemand wane dat het uitvoeren van dien veelomvattenden arbeid, die voor eene geheele reeks van toekomende geslachten in deze streek beslissen moest over welvaart of achteruitgang, Duinendaal in rep en roer of zijne bewoners van hun stuk had gebragt. Het aanleggen van den weg, toevertrouwd aan van elders gekomen werkvolk, dat buiten de kom der gemeente tijdelijk in keeten woonde, bragt hun geen dadelijk voordeel aan. In alle leveranciën werd door de maatschappij, wie het werk aanging, van buiten af voorzien; en voorloopig was in hunne oogen de kastelein van het Wapen van Duinendaal, bij wien de ingenieur der maatschappij zijnen intrek genomen had en zijne kleine verteringen maakte, de eenige persoon van het dorp wien het niet onverschillig behoefde te zijn, dat men voortaan van hier in hetzelfde spoorwegrijtuig naar Parijs of Weenen zou kunnen komen.
Hij heette Kortenaer en was een afstammeling van den admiraal van dien naam; denzelfden wiens leeuwenkop vereeuwigd is door Bartholomeus van der Helst. Den Duinendalers was die bijzonderheid onbekend; zij wisten alleen van hooren zeggen dat hij een ingenieur van reputatie was. Toch moest hij zijne riddersporen nog verdienen, en daarom hechtte hij waarde aan het gelukkig voltooijen der hem toevertrouwde brug. Buiten zijne dertig jaren bezat hij geen fortuin, en een oom van moederszijde was de eenige persoon op aarde, van wien hij mettertijd iets erven zou. Doch voorshands bekommerde hij zich daar niet om. Hij verwijlde nog met den éénen voet in die ideale periode des levens, waarin de eer boven het geld gaat, en het was hem genoeg, dat hij in het Wapen van Duinendaal van de helft van zijn traktement leven kon als een prins.
Toen André Kortenaer aldus redeneerde, moest het gelukkig toeval nog plaats hebben dat hem ja bijna het leven had gekost, doch uitgeloopen was op een verblijf van vier volle weken in Emma Visschers dagelijksche nabijheid. Toch was hij niet begonnen met zich het meest te hechten aan haar, maar aan hare ouders, aan haren vader bovenal; en de groote aantrekkingskracht van Belvedere had in den eersten tijd voor hem allermeest bestaan in de blijken van opregte genegenheid die hij van den ouden heer ontving. Het lag voor de hand om te meenen dat de herinnering aan Reinier hierbij in het spel was, en André den ouden Visscher met welgevallen denken deed aan hetgeen zijn eigen zoon, indien hij ware blijven leven, op dit oogenblik geweest zou zijn en gedaan zou hebben. Doch twee jongelieden van denzelfden leeftijd konden niet minder op elkander gelijken, geen twee karakters verder uiteenloopen. Reinier was een opvliegende knaap geweest, en zou ongetwijfeld een kort aangebonden man geworden zijn. Zijne donkere oogen konden somwijlen vlammen schieten, en wanneer hij voor de leus zijne korte gitzwarte haren opstreek,--er viel bijna niet aan op te strijken, zoo kort waren ze,--sprak uit zijn geheele wezen eene aan vermetelheid grenzende stoutmoedigheid. André daarentegen had iets langzaams in zijne bewegingen, iets geposeerds, dat hem wel in geenen deele misstond, maar meer van nadenken dan van inspiratie getuigde, meer van lijdzaamheid dan van ondernemingsgeest. Alleen zijne benijders konden voorwenden dat de bevallige scheiding, die zijne blonde haren, lang en fijn, ter weerszijden over zijne slapen hielp golven, het eenige teeken van distinktie was, dat aan hem te bespeuren viel. Doch het was niettemin waar, dat zijn beroemde voorvader, de wapenbroeder der Van Galens en der Evertsens, moeite zou gehad hebben om in hem zijnen wettigen naneef te herkennen. Ook de admiraal was blond geweest, maar blond als een roodbonte stier van Paulus Potter, breed van schoft, zwaar van spieren en gebindte. De lichtblaauwe oogen, een andere familietrek, schenen evenzeer in den loop des tijds aan de wet der natuurkeus gehoorzaamd te hebben. Wat zij aan glans hadden gewonnen, hadden zij verloren aan uitdrukking, en voor het voorregt van te zijn overgegaan tot eene uitgelezener soort, hadden zij afstand moeten doen van een deel der voorvaderlijke eigenaardigheid. Ook van dien kant dus had de oude heer Visscher zich tot zijn nieuwen jongen vriend niet bij uitzondering aangetrokken kunnen gevoelen. Voor iemand die al de praalgraven van nederlandsche admiralen en al de portretten van Van der Helst van buiten kende, was er zelfs iets komieks in de gedachte, dat dit nu de achterkleinzoon was van dien breedgepenseelden zeeheld, voor wiens beeldtenis hij zoo menigmaal vol bewondering verwijld had. Het kontrast was te sterk tusschen dat fijnbesneden gelaat der 19de eeuw, die handen als van eene vrouw, dien eleganten knevel, en den realistischen Herkules van het Trippenhuis, met armen als boomstammen en eene vuist die geschapen scheen om den Oceaan met bezemen te keeren. Doch hij kende de jongelieden, meende hij; zijn blik op hunnen aard bedroog hem zelden, en het ware met zijn geloof in eigen doorzigt gedaan geweest, indien hij geene huizen had gebouwd op André's onschuld. Zelf onbedorven van hart, schonk hij onwillekeurig zijn vertrouwen aan de onbedorvenen. Het materiële streven van den tegenwoordigen tijd vertoonde zich aan hem, in André's persoon, onder een gunstig licht; de kennismaking met den jongen ingenieur had een van zijne vooroordeelen aan het wankelen gebragt, en in stede van André te verachten omdat hij tenger van uitzigt was, wekte het zijne belangstelling dat een zoo jong mensch, met een zoo weinig athletisch voorkomen, het als eene van zelf sprekende zaak beschouwde, de oevers eener breede snelvlietende rivier te overspannen met een boog, die zonder doorbuigen duizenden centenaars vrachten torschen kon.
Zes maanden nadat André te Duinendaal zijne tent had opgeslagen, in de laatste dagen van December, had de oude heer Visscher hem met zich medegenomen op de jagt. Hunne kennismaking dagteekende toen nog slechts van eenige weken, en in gewone omstandigheden zou die uitgang hen niet veel nader tot elkander gebragt hebben. Doch op dienzelfden togt was iets voorgevallen, waardoor André, zonder het te weten, groote vorderingen gemaakt had in het hart van Emma's vader. Het jagtveld van den ouden heer liep gedeeltelijk over de duinen en omvatte een kort en smal kanaal, gedolven in het zand. Regtstreeks gevaarlijk was het in de nabijheid dier doorgraving op kleine schaal in geenen deele; doch indien men door de duinen dwaalde en niet behoorlijk acht gaf op de golvingen van het terrein, kon het gebeuren dat men zich eensklaps aan den rand eener steilte bevond, beneden aan wier voet, dertig of veertig vademen in de diepte, het stilstaand water een ondoordringbaren muur ontmoette. Op kleine houten borden, aan jagtpalen op de hoogste punten van het duin bevestigd, stonden vermaningen tot voorzigtigheid te lezen: doch van die palen was de eene helft zoo ver van het punt in kwestie geplant, dat een vreemdeling den zin der waarschuwing naauwlijks vatte, terwijl de andere helft van zoo nabij aan den gevaarlijken rand grensde, dat men kans had ze eerst op te merken wanneer het te laat was.
Het was een dier schoone heldere winterochtenden, gelijk alleen een klimaat als het onze bedeeld zijn: slechts zoo veel zon als kon worden gedoogd om de sporen der nachtvorst ongerept te doen blijven, en niet zoo veel vorst dat men geen genot kon hebben van de doorbrekende zonnestralen. André en zijn gastheer waren goede wandelaars, met een geopend oog voor de bekoorlijkheden van het landschap, en goede schutters, gevoelig voor de poëzie van hun bedrijf. =Wild= is een woord van slechts één syllabe, maar dat in eene maatschappij, zoo tam als de onze, veel zegt. Niets evenaarde het geduld, waarmede de oude heer Visscher zijne prooi vervolgde, behalve alleen de stille geestdrift, waarin hij ontstak, wanneer hij haar de zijne noemen mogt. Hij was dien ochtend buitengewoon voorspoedig geweest; zijn hond had wonderen van schranderheid en van gehoorzaamheid verrigt; de jager, die hem plagt te vergezellen, scheen zich zelven te overtreffen. Zonder André geheel en al uit het oog te verliezen, liet hij hem zijn eigen weg gaan, en bespeurde met welgevallen dat zij elkander volkomen goed begrepen. Arme hazen en patrijzen! Beurtelings in het naauw of in de ruimte gedreven, nu omsingeld, dan opgejaagd, vloden zij te vergeefs. De velden door, de bosschen in, de duinen op, voort ging het, de vlugtelingen achterna, met hartstogtelijke volharding en doodelijk overleg. Doch eensklaps verkeerden de kansen en waren de vervolgers aan de beurt om kennis te maken met ontsteltenis en verlegenheid. André, die niet opgemerkt had dat zij zich in de rigting der zanderij bewogen, wilde op nieuw, door een kleinen omweg te maken, de lijn herstellen, die hun dien morgen reeds menige goede dienst bewezen had. Hadden de anderen acht op hem gegeven, zij zouden, op vijftig schreden afstand, hem hebben zien voortsluipen langs een dier kreupelboschjes, als in de kommen der duinen keer op keer worden aangetroffen, en straks, met de beide handen aan het geweer en met opgeheven gelaat, hem vooruit hebben zien snellen om de uit het lage hout snorrend opstijgende hoenders binnen schot te krijgen. Doch zij waren te zeer met hunne eigene gedachten vervuld; en toen zij zijn schot hoorden vallen en omzagen, was hij reeds verdwenen in den gapenden kuil. Op het oogenblik-zelf dat hij den vinger aan den trekker had gebragt, was de grond onder zijne voeten bezweken, en eer hij wist wat hem overkwam, buitelde hij de steilte af naar omlaag, een groot stuk duinkorst met zich medeslepend in zijnen val.