Chapter 19
--""Herhaaldelijk was ik met haar op die wijze alleen, zonder dat een woord, een wenk, of ook maar een te veel beteekenende blik, de geringste verstandhouding tusschen ons verried. Hoe pijnlijk voor mij die toestand ook was, toch gevoelde ik mij volkomen gelukkig; en nog zoo onbedorven was destijds mijn hart, dat ik van hetgeen mij kwelde mijzelven te naauwernood rekenschap geven kon. Ook haar schenen die kleine zamenkomsten niet ongevallig te zijn: ten minste, zij wist de gelegenheid er toe van pas te vermenigvuldigen. Noodeloos overleg, inderdaad, wanneer ik bedenk welk gebruik zij van die kansen maakte, en mij daarvan maken liet!... Ten einde door de zoutelooze praat van den kantoorbediende, die haar lastig was komen vallen, niet langer gekweld te worden, had zij op zekeren dag de wijk genomen naar hare kamer; en zoodra ik in het achter-magazijn, waar ik mij op dat oogenblik bevond, gereed was met mijn werk, sloop ik, den trap op, haar achterna. De deur van het vertrek stond aan, en ongemerkt trad ik binnen. Zij zat te borduren aan een der vensters tegenover de deur, met het aangezigt naar het licht gekeerd. Zij kon mij niet zien binnenkomen, en kon mij ook niet hooren, uithoofde van het geraas der zware vrachtwagens in de straat beneden. Altijd was zij met zorg gekleed; doch die dag zou ieder in hare kleeding een zweem van koketterie bespeurd hebben. Hare houding was de bevalligheid-zelve; het hoofd een weinig voorover,--zoodat ik de lijn van haar blanken hals kon volgen,--en met bloemen in het sierlijk gekapte haar. Haar geheele persoon had iets onuitsprekelijk betooverends, dat mij meer buiten mijzelven bragt, naarmate ik meer tijd had om het op te merken. Ik zonk aan den ingang van het vertrek op mijne knieën en breidde de armen naar haar uit, vast overtuigd dat zij mij niet hooren, en in den waan dat zij mij ook niet zien kon. Doch boven den schoorsteen hing een spiegel die mij verried. Welken indruk mijne hartstogtelijke handelwijze op haar maakte, weet ik niet; zij zag mij noch aan, noch sprak mij toe, maar wendde half het hoofd naar mijne zijde en wees met haren vinger, zonder meer, naar de gevlochten mat, waarop hare voeten rustten. Ik trilde, slaakte een kreet, en bevond mij in een oogwenk nevens haar, knielend op de door haar mij aangewezen plaats. Zal men gelooven, dat ik zelfs toen den moed niet had, het woord tot haar te rigten, of de oogen naar haar op te slaan, of haar aan te raken en de hand op hare knie te leggen om een steunpunt te zoeken? Sprakeloos, roerloos was ik, maar voorwaar niet weinig ontroerd. Alles verried de spanning, waarin ik verkeerde: mijne blijdschap, mijne erkentelijkheid, mijne vurige, maar onbestemde wenschen, in toom gehouden door de vrees van te zullen mishagen... Zij scheen even ontroerd en even bedeesd als ikzelf. Verlegen met mijne tegenwoordigheid aan hare zijde, zich bewust dat zijzelve mij geroepen had, verrast door de uitkomst van een wenk, welks gevolgen zij blijkbaar niet had berekend,--moedigde zij mij niet aan, maar stiet mij ook niet van zich af. Hare oogen bleven onafgebroken op haar borduurwerk gerigt, en zij deed haar best, niet te bespeuren dat ik nevens haar geknield lag. Doch ik zou blind moeten geweest zijn om niet te bemerken dat haar hart niet minder onrustig klopte dan het mijne...""
""Wie weet,"" besloot André zijne lektuur, ""hoe dit zwijgend tooneel geëindigd of gedurende hoe langen tijd ik in denzelfden even belagchelijken als streelenden toestand gebleven zou zijn, indien men ons niet gestoord had? Doch juist toen mijne ontroering haar toppunt had bereikt, hoorde ik in mijne nabijheid eene deur openen. "Sta op, daar is Rosina!" zeide Mad. Basile op verschrikten toon en met een schichtig gebaar. Rosina was hare dienstbode, en Rosina's vertrek grensde aan dat van hare meesteres. Ik rees ijlings overeind, greep en kuste vurig tweemalen achtereen de hand die zij mij reikte, en gevoelde hoe bij den tweeden kus die lieve hand schier onmerkbaar mijne lippen zocht. Zoeter oogenblik heb ik op aarde nooit beleefd. Doch de gunstige gelegenheid, die ik ongebruikt voorbij had laten gaan, keerde nimmer terug, en met dit eerste en eenige hoofdstuk eindigde onze roman.""
NEGENTIENDE HOOFDSTUK
André had Sarah, sedert zijn onderhoud met haar over Lidewyde's betrekking tot Ruardi, schier niet wedergezien. Opzet of toeval, van geene enkele gelegenheid om zich met hem alleen te bevinden was partij door haar getrokken.
Ware hij zich volkomen bewust geweest van hetgeen hij wilde, welligt zou die bescheidenheid hem verdroten hebben. Waarschijnlijker nog zou hij in dat geval het initiatief genomen en door de eene of andere daad van toenadering zijnerzijds mededeelingen hebben uitgelokt, die men uit eigen beweging niet voor hem ten beste scheen te hebben. Doch hij handelde niet overeenkomstig een vast plan; en zoo hij aan den eenen kant zou hebben gewenscht, vollediger door Sarah op de hoogte gehouden te worden omtrent Lidewyde's doen en laten, aan den anderen kant was het hem eene verligting, dienaangaande min of meer in het onzekere te blijven verkeeren. Hoe langer hij met een goed geweten zich zelven diets kon maken dat zijne betrekking tot Lidewyde eene zaak van geene beteekenis was en niemand anders als Emma bij voortduring de eerste plaats in zijn hart bekleedde, hoe aangenamer hij het vond. Het was dan ook geenszins een kreet van onvermengde vreugde, die hem ontsnapte, toen hij op het reeds vergevorderd avonduur van een der volgende dagen, terwijl hij, met de lamp aan zijne zijde, voor het geopend venster zijner kamer zat en de sterrebeelden aan den donkerblaauwen hemel bespiedde, eensklaps door een bezoek van Sarah verrast werd.
Met Adriaan, Lidewyde en Emma was hij in den vooravond uit rijden geweest naar Zeeburg, waar men gezamenlijk, luisterend naar de muziekale uitvoering van een militair orkest en groeten wisselend met bloedverwanten of vrienden, de zon had zien ondergaan. André was niet ongevoelig voor zulke genietingen. Hij vond Dijks landauer een voortreffelijk rijtuig, en het voorregt twee vrouwen tot =vis-à-vis= te hebben als Emma en Lidewyde vergoedde honderdvoudig in zijne schatting het ongerief van Dijks konversatie. Het Zeeburgsche badhuis was klein van omvang, dit gaf hij toe, en wanneer men het met dat van Scheveningen of Ostende vergeleek, verzonk het in het niet. Doch alle dingen zijn betrekkelijk; en niet zelden zal men aan een beperkt terras, mits men zich omgeven weet door een uitgelezen kring van bekenden, de voorkeur geven boven een veel uitgestrekter grondgebied, waarover vreemdelingen den schepter voeren. In het gezelschap van Lidewyde en haren man, gevoelde André zich opgenomen in de M'sche =beau-monde=, en al kende hij de meeste dier heeren en dames nog slechts van naam of van aangezigt, het was niettemin eene weldadige gewaarwording, zichzelven en zijn meisje tijdelijk als een onderdeel dier fiere keurbende te mogen beschouwen.
--"Kom binnen, Sarah," zeide hij opstaand en het venster sluitend. "Het is reeds laat, en de avonden beginnen koel te worden."
--"Vergeef mij, mijnheer," antwoordde zij, "dat ik zulk een ongelegen uur kies om u mijnen dank te komen betuigen. Mijne vrijheid is beperkt, en het behoort tot de zeldzaamheden dat ik voor mijzelve eenige oogenblikken uitbreken kan."
--"Om uwentwil wenschte ik, dat daarin verandering kwam, Sarah. Gij zijt in uwe afhankelijke betrekking hier aan huis niet op uwe plaats, en indien ik iets bijdragen kon om u eene betere positie te verzekeren, zou ik het gaarne en met ijver doen. Doch ik bezit geene noemenswaardige relatien, en moet voorshands in de eerste plaats voor mijzelven zorgen."
--"Ik dank u voor uwe belangstelling, mijnheer André, maar het is niet over mij dat ik kom spreken. Mijne positie is geheel en al het gevolg van mijne eigen keus, en ik twijfel of gij met den besten wil daarin eenige verandering zoudt kunnen brengen. Men heeft u verhaald, naar ik bemerk, dat mijn lot eenmaal zeer verschillend is geweest van hetgeen het nu is, en evenals vele andere welwillende personen verlangt gij, dat ik mijnen rang in de zamenleving, gelijk men dat noemt, hernemen zal. Doch gij zoudt mij toch niet gelukkig willen maken tegen mijnen wensch? Geloof mij, gij kunt niets voor mij doen, en elke poging die gij zoudt aanwenden om mij uit dit huis te verwijderen, zou mij juist van datgene berooven waarop ik den hoogsten prijs stel. Voor mij gaat niets boven de vriendschap van mevrouw Dijk, en de gelukkigste oogenblikken van mijn leven zijn die, waarin ik mij beroemen mag iets gedaan of beproefd te hebben om haar leven te veraangenamen."
--"Die gevoelens strekken u zeer tot eer, Sarah," zeide André op een gewigtigen en beschermenden toon, "en met u geloof ik dat mevrouw Dijk volle aanspraak heeft op uwe erkentelijkheid. Doch, in ernst, zijt gij overtuigd dat aan haar geluk iets wezenlijks ontbreekt? Zij heeft hare vlagen van somberheid en afgetrokkenheid, nu ja; doch welke vrouw is altijd dezelfde? Mij komt het voor, dat mevrouw Dijk niets anders behoeft als nu en dan een weinig afleiding."
--"Ik begrijp zeer wel, mijnheer André, dat gij tegenover mij uwe verdiensten poogt te verkleinen; doch mijne dankbaarheid voor uwe tusschenkomst is daarom niet minder levendig. Gij hebt gedaan hetgeen ik voor onmogelijk zou gehouden hebben, en tot hiertoe is uw overleg met den besten uitslag bekroond geworden."
--"Mijn overleg, Sarah? Verkeert mevrouw Dijk in de meening dat ik met overleg gehandeld heb?"
--"Mevrouw Dijk is geheel en al onkundig, mijnheer, van het verzoek dat ik mij verstout heb tot u te rigten. Zij vermoedt in de verte niet, dat gij kennis draagt van de zorgen, die haar kwellen, en waarvan de oorzaak bij dokter Ruardi ligt. Niet-alleen heeft zij mij niet opgedragen u eenigerlei mededeeling te doen omtrent hetgeen zij voor u gevoelt, maar tot hiertoe is uw naam te naauwernood door haar genoemd geworden. Ik kan u alleen zeggen, dat zij in de hoogste mate ingenomen is met jufvrouw Visscher, en daareven nog heb ik haar in den lof van uw meisje hooren uitweiden. Zij verhaalde mij dat jufvrouw Emma ook weder dezen avond aan het Badhuis het voorwerp van allerlei oplettendheden geweest is, en dat de geheele wereld haar u benijdt. Zoo is het ook, mijnheer, daar ben ik zeker van; en juist om die reden doet het mij zulk een groot genoegen, dat in weerwil van hetgeen gij aan jufvrouw Visscher verschuldigd zijt, gij middel hebt weten te vinden om dokter Ruardi op een afstand te houden. Sedert uwe komst, en vooral sedert de komst van jufvrouw Emma, gevoelt mevrouw Dijk zich veel krachtiger tegenover hem; en ik heb reden om te hopen, dat zij binnen kort voor goed van hem ontslagen zal zijn."
--"Ik bespeur, Sarah, dat men voor u geene geheimen behoeft te hebben; doch laat mij nu alleen, bid ik u, en spreek niet meer met mij over deze zaak. Het is volkomen waar, dat ik door u op het denkbeeld gebragt ben om mevrouw Dijk eene dienst te bewijzen, die zij van niemand anders scheen te kunnen verwachten. Ik verneem van u, dat ik daarin geslaagd ben, of kans heb van te zullen slagen. Des te beter. En nu gij alles weet, behoort ook dit u niet onbekend te zijn, dat ik gehandeld heb met voorkennis van jufvrouw Visscher en onder het zegel van hare goedkeuring. Met dokter Ruardi, die vooral in de eerste dagen van mijn verblijf alhier zeer vriendelijk voor mij geweest is, wensch ik voor het uitwendige op een goeden voet te blijven. Mijnheer Dijk, gelijk van zelf spreekt, weet van niets, en zal, dat beloof ik u, nimmer van iets weten. Ook mevrouw Lidewyde behoort onkundig gelaten te worden van hetgeen tusschen ons verhandeld is, en in geen geval zou ik meer voor haar kunnen doen dan hetgeen zij tot hiertoe door mij verkregen heeft. In een woord, het zal mij bijzonder aangenaam zijn, indien aan de scheve positie, waarnaar ik mij uit vriendschap voor mevrouw Dijk eene poos gevoegd heb, zoodra mogelijk een einde komt."
Nog nooit had André in éénen adem zoo vele onwaarheden op elkander gestapeld als in dit antwoord van hem aan Sarah. Dat Sarah hem op den inval had gebragt om voor de leus aan Lidewyde het hof te maken; dat hij daarover met Emma gesproken en Emma's toestemming op dat gedrochtelijk plan verworven had; dat hij in zijne verhouding tot Ruardi geene verandering wenschte te zien komen; dat hij hoe eer hoe liever ontslagen wilde worden van zijne geheime verstandhouding met Lidewyde: dit waren even zoo vele leugens; en Sarah kon, hij gevoelde het aan zijn hart, van al die verzinselen geen woord gelooven. Een uur geleden zou hij zichzelven onbekwaam geacht hebben om in die mate zijn eigen beter-ik geweld aan te doen, en nog daareven, toen Sarah de kamer binnentrad, had hij er op durven zweren dat geene magt op aarde hem immer tot zoo iets zou kunnen bewegen. Toch was de valschheid, waaraan hij thans eensklaps in zijne eigen oogen schuldig stond, slechts eene bevestiging der misdaad waarvoor Emma, gehoor gevend aan een schrander instinkt, hem van den dag zijner komst op Soekabrenti af gewaarschuwd had.
Vanwaar dat men somtijds in weerwil van zichzelven er toe gebragt wordt, de dingen voor te stellen onder een licht, waarvan men zich bewust is dat het daaraan een met de werkelijkheid onvereenigbaren schijn leent?... André zou dan-alleen in staat geweest zijn een bevredigend antwoord op die vraag te geven, indien hij tevens en in de eerste plaats had kunnen verklaren, hoe het kwam dat Emma's beeld in zijne ziel door dat van Lidewyde overschaduwd en verduisterd werd. Helaas, hij wist het niet; en daar hij de oorzaak van het kwaad niet kende, kon hij ook zijne gevolgen niet wegnemen. Waarom werd Theseus ontrouw aan Ariadne? Waarom deed Herakles op den tweesprong eene loffelijke keus? Omdat Herakles Herakles, en Theseus Theseus was.
Doch het zou er met de menschelijke wetenschap treurig uitzien, indien zij, om belangrijk te zijn, onvoorwaardelijk moest kunnen doordringen tot den diepsten grond der dingen. Ook tweede gronden kunnen somtijds belangstelling wekken; en zelfs dan nog bijwijlen bestaat er uitzigt op een wetenswaardig resultaat, wanneer de kennis der oorzaken u te eenemaal ontzegd is en gij u met de ontleding van feiten en overleggingen te vreden moet stellen.
Na eene korte poos--te kort, voor een held--geworsteld te hebben tegen het licht, hetwelk Sarah's dankbetuiging in zijnen geest deed opgaan, was André voor het eerst tot een besluit gekomen. Hij overzag nu den toestand, waarin hij zichzelven gebragt had, en meende wijs, of althans manlijk te handelen, door dien te aanvaarden. Waren zijne eerste antwoorden aan Sarah half ontwijkend geweest, het laatste had de kenmerken van een gevestigd voornemen vertoond. Of de schaduwzijden dier vastberadenheid niet welligt talrijker waren dan hare voordeden; of de strik, waarin hij verward was geraakt, instede van losser te worden, niet van nu af dagelijks meer zou gaan klemmen; of zijn geloof aan Lidewyde's genegenheid voor hem niet de vermetelheid-zelve was; of toe te geven aan dien mogelijken waan niet in den grond der zaak gelijk stond met het opofferen van zijne eerste liefde ter wille van eene andere en mindere,--daaraan dacht hij niet en vroeg zich dat niet af. Hetgeen hem aan zijn onderhoud met Sarah plotseling een einde had doen maken en hem op gemelijken toon den wensch had doen te kennen geven, alleen gelaten te worden, was de volgende redenering geweest:
"Er is tegenspraak tusschen Sarah's beweren, dat Lidewyde mijnen naam niet noemt, en het feit, dat zij zich aanvankelijk krachtiger gevoelt;
"Zoo Lidewyde mij al niet regtstreeks lief heeft, is het nogtans duidelijk dat zij aan mij de voorkeur geeft boven Ruardi;
"Ik wil voortaan niets meer met Sarah te maken hebben;
"Het beste middel om mij van haar te ontslaan, is haar te doen gelooven, dat ik haar plan geheel en al tot het mijne gemaakt en in alles met Emma's voorkennis gehandeld heb.
"Op die wijze zal de eenige persoon, welke thans nog tusschen mij en Lidewyde staat, uit den weg geruimd zijn, en zal het moeten blijken, of ik werkelijk in Lidewyde's oogen niets anders ben als een bruikbare afleider."
Ware dit laatste denkbeeld minder ondragelijk geweest, misschien zou André niet met zulk eene snelle vaart zijn voortgehold op den weg zijns verderfs. Doch tegen eene zoo sterke slingering tusschen hoop en vrees was zijn karakter niet bestand. Stelde hij zich voor, dat de verdorven Ruardi zich eene plaats in Lidewyde's hart had weten te veroveren, dan maakte een onuitsprekelijk gevoel van haat zich van hem meester, en hij zou, indien de dokter zich in zijne nabijheid bevonden had, hem een slag in het aangezigt hebben willen geven. Dacht hij daarbij aan Ruardi's gaven, dan klom, door het gevoel van zijne eigen minderheid, de haat tot woede. Te beseffen dat Lidewyde regt had Ruardi te verwijderen, en tevens te moeten bekennen dat hij zelf in het oog der wereld niet in Ruardi's schaduw kon staan, was in de hoogste mate smartelijk. Oneindig pijnlijker nog evenwel was de mogelijkheid, dat Lidewyde van zijne dagelijks aangroeijende liefde voor haar, die zij ongetwijfeld opgemerkt had, alleen gebruik maakte om daarmede haar voordeel te doen, en zij hem met geen ander oogmerk aanmoedigde,--of indien de gesprekken, die zij met hem voerde, indien de bladzijden, die zij hem liet voorlezen, geene aanmoediging waren, wat zou dan immer zoo heeten?--als om zich des te gemakkelijker te kunnen ontslaan van zijnen medeminnaar. Die vrees maakte hem waanzinnig. Zij gaf overmagt op zijn gemoed aan eenen invloed waaraan hij nog nooit onderworpen was geweest; en misschien lag in die demonische verbijstering,--tenzij men liever elke verklaring mist, dan zich op te houden bij eene zoo willekeurige,--de sleutel tot den nieuwen hartstogt, die hem aan Lidewyde ketende. Daarentegen geraakte hij buiten zichzelven van verrukking, wanneer hij zich de andere mogelijkheid voorstelde. Het was een gevoel, duizendmaal verhevener dan het oogenblik, toen hij, een half jaar geleden, voor het eerst van hart tot hart met Emma sprak. Aan Emma's zijde zou hij een bezoek aan de Elyzeesche velden hebben willen brengen; en zonder blozen zou hij, door haar begeleid, getuige zijn geweest van de reine blijdschap der gelukzaligen in het Paradijs. Doch wat zeide zulk eene hemelvaart, al moest dezelfde togt, met Lidewyde ondernomen, in eene hellevaart eindigen? Sommige genietingen, meende hij, waren voor geene vergelijking vatbaar; en indien men hem te dezer ure aan zijn woord gehouden had, zou hij de eeuwige straf geen te duren prijs gevonden hebben voor één kus van Lidewyde's lippen.
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Noordduitsche liberalen van vóór den slag van Königgrätz, uit den tijd toen men aan gene zijde van den Rijn nog aan het staatsomwentelend vermogen van politieke maaltijden geloofde, zouden het heden door den heer Dijk in de groote zaal van Soekabrenti aangerigt diner een =Zweck-Essen= genoemd hebben. Werkelijk bestond het gezelschap, voor zoo ver de heeren betrof, zoo niet uitsluitend dan toch grootendeels uit personen, wier ondersteuning de gastheer voor zijne parlementaire kandidatuur behoefde. Doch in koopsteden heeft de staatkundige wereld een zeer weinig afschrikwekkend diplomatisch voorkomen, en men weet in die kringen de regeling van 's lands zaken gepaard te doen gaan met een ongedwongen behartiging van al de belangen der gezelligheid. Het waren welopgevoede mannen, niet uitermate schrander of geleerd, geene feniksen in het staatsregt, maar doorkneed in hunne mercantile, of industriële of financiële specialiteit; mannen, die, onder den nederigen naam van commissionairs, russische leeningen sloten of americaansche spoorwegen hielpen aanleggen; makelaars in suiker, die niet opstonden voor een paar ton; eigenaars van scheepstimmerwerven, die met het grootste genoegen van de wereld den aanbouw van een volledig gepantserd eskader voor hunne rekening zouden genomen hebben. Huisvrienden van Adriaan Dijk waren zij niet; evenmin als hunne vrouwen of dochters tot Lidewyde's gewone omgeving behoorden. Doch zij vertegenwoordigden dezelfde maatschappelijke belangen als hij, en waren hem genegen omdat zij hem als den regten man beschouwden om in de Tweede Kamer (zoodat zijzelven te huis konden blijven) als orgaan van die belangen plaats te nemen. Die sympathie, niet overmaat van intimiteit, ontboeide wederzijds de tongen. En waarom ontveinsd, dat eene al te gemeenzame bekendheid het middel niet is om talrijke gezelschappen in eene aangename stemming te brengen? Vaak zal men een opgeruimder geest en levendiger gesprekken waarnemen bij lieden, die heden zamenkomen om morgen weder elk huns weegs te gaan, dan onder hen die sedert lang op de hoogte zijn van elkanders wedervaren en de een voor den ander geene geheimen meer hebben. "Men moet twintig jaren uitlandig geweest zijn," heeft iemand gezegd, "om het in een salon vol boezemvrienden twintig minuten te kunnen uithouden."
Toen de maaltijd afgeloopen was, en de dames, met Lidewyde aan de spits en Emma in de achterhoede, zich verwijderd hadden, vroeg Lefebvre het woord en stelde hij, in den vorm eener eindelooze redevoering, welke al de gasten van het sterker geslacht, en André niet het minst, met hooge bewondering voor hem vervulde, den volgende feestdronk in:
"Om te weten, mijne heeren, wie onze vrienden zijn, behooren wij ons eene juiste voorstelling te vormen van onze vijanden. Misprijst het niet, bid ik u, dat ik thans deze kwestie aanroer. Zij raakt ons zamenzijn van nabij.
"De rigting, die wij bestrijden, is geen alledaagsch kwaad, maar een voortwoekerende kanker. Triomfeerde zij, wij zouden niet-alleen in Staat en Kerk en School, in onzen handel en in onze nijverheid den treurigsten achteruitgang waarnemen;--neen, ook ons gezellig verkeer zou gestoord zijn, en eene bijeenkomst als de onze op dit oogenblik, zoo genoegelijk en vriendschappelijk, zou weldra tot de onmogelijkheden behooren.
"Onze tegenstanders hebben een woord gekozen en vastgesteld, waarmede zij deze voorspelling zoeken te brandmerken. Doch mij intimideert hunne aanklagt wegens intimidatie niet. De vrees, beweren zij, is de meest nuttelooze van alle hartstogten; en aan die spraak herkent men hun bestaan. Alleen het nuttige toch heeft waarde in hunne oogen; en vrijpostigheid is hun levenselement. Zouden zij niet anders denken en anders spreken, indien hetgeen zij nuttig noemen in het algemeen, schadelijk bleek te zijn voor henzelven? Zoo ja, ik zou er hen niet minder om achten. De vrees, die zij bespotten, is een trek der menschelijke natuur. Zij is het begin der wijsheid. De mensch is geschapen om te vreezen, even als hij geschapen is om lief te hebben en na te denken.
"Of is het zelfzucht en eigenbaat, indien wij in naam van dit ons zamenzijn waarschuwend den vinger opheffen? Ik loochen het. Wie de gezelligheid verwoest, is een vijand der maatschappij; en het is geen egoïsme, het is ware menschenmin, die ons de maatschappij doet liefhebben. De omwenteling en het despotisme hebben ook dit met elkander gemeen, dat zij in hun gevolg slemppartijen medevoeren. De ingehouden overvloed daarentegen, de gekuischte weelde, zijn een vast kenmerk van een toestand van orde en van eerbied voor de wet. Deze feestelijke tafel, mijne heeren, is meer dan zij schijnt. Zij is het symbool der konservative beginselen. Zij vertegenwoordigt de nationale welvaart, gegrondvest op nationale tucht.
"Zeide ik tucht? In het woordenboek der vrijzinnigheid zult gij die uitdrukking misschien niet vruchteloos zoeken; doch zij is een klank geworden, eene letter zonder geest, eene formule waarvan men zich bedient om zichzelven en anderen te misleiden. Die soort van bedrog is eene specialiteit van de mannen der vrijzinnige rigting. Hun dagelijksch handwerk is, te ploegen met den os van hunne tegenpartij.