Lidewyde

Chapter 18

Chapter 183,608 wordsPublic domain

--"Neen, Emma, wanneer het God betreft, komt het hart bij Sarah nimmer boven. Zij is goed en vriendelijk; al de huisgenooten op Soekabrenti hebben haar lief, en dat verdient zij. Somtijds zelfs zou men in verzoeking komen te beweren dat zij gelooft zonder het te willen of te weten. Maar dit is zelfmisleiding. Hoe treurig het wezen moge, er valt niets aan te veranderen: zij is zonder hoop en zonder God in de wereld. Ook redeneert zij niet over dat onderwerp op zijn filosoofs, gelijk eene =savante= doen zou. Zij betuigt alleen dat zij vruchteloos gedurende haar geheele leven naar eenig blijk van Gods tegenwoordigheid gezocht heeft; dat Zijne stem geene enkele maal weerklonken heeft in haar hart, en zij vergelijkenderwijs meer vrede vindt bij de gedachte, dat Zijn bestaan een hersenschim is, dan dat Hij haar geheel en al vergeten zou hebben. Zij keert den troost van onze gezegende godsdienst om, en beweert dat haar ongeloof haar voor morren bewaart."

--"En wat zegt Lidewyde daarvan?"

--"Ziedaar een der punten waaromtrent ik zelfverwijt gevoel. Tot mijn leedwezen toch moet ik bekennen, dat Lidewyde zich den gemoedstoestand van Sarah niet genoeg aantrekt. Beweer ik, dat Sarah's ongeloof eene besmetting is waartegen men niet genoeg op zijne hoede kan zijn, dan haalt Lidewyde de schouders op en lacht schier om hetgeen zij mijne schrikbeelden noemt. Maar komaan, lieve Emma, verdiepen wij ons niet te zeer in de gevoelens van anderen. God is almachtig, en op uw leeftijd vooral moet men van alle menschen het beste hopen."

--"Dat moet men ook, freule," zeide Emma, met eene poging tot opgeruimdheid. Doch in haar hart voegde zij er bij met eene zucht: "Indien slechts de afstand tusschen moeten en kunnen niet somtijds eene breede rivier geleek!"

Op hare kamer teruggekomen, herlas Emma haren brief, vóór het ontbijt in gereedheid gebragt, en herlas dien met tegenzin. Had het haar te huis reeds moeite gekost, met woorden eene gerustheid te veinzen, die ver was van in haar gemoed te wonen, dubbel stuitte het haar tegen de borst, dezelfde onopregtheid in geschrifte te plegen. En onwillekeurig was het bedrog zoo kunstig door haar ingekleed, dat hare moeder, die van niets wist, door het ontvangen van dezen brief noodwendig gestijfd moest worden in hare onkunde. Het was een van hartelijkheid overvloeijend reisverhaal, waarin zij vertelde, hoe zij te T. afscheid genomen had van haren vader, hoe hulpvaardig André geweest was op den verderen togt van T. naar M., hoe gul zij ontvangen was geworden eerst door freule Bertha en daarna door Lidewyde, welk een aangenamen indruk die twee dames, bij alle verschil van leeftijd, uitzigt en karakter, op haar gemaakt hadden, hoe hare slaapkamer ingerigt en hare zitkamer gemeubeld was, hoe elk zich beijverde haar allerlei kleine beleefdheden te bewijzen, hoe al haar opzien tegen het verblijf te M. reeds dadelijk geweken was voor een gevoel van welbehagen, en hoe gerust men op Belvedere zijn kon, dat zij het in hare schijnbare ballingschap niet-alleen niet kwaad, maar veeleer te goed had.

De meeste menschen van boven de veertig hebben het schrijven van dergelijke brieven reeds zoo vaak bij de hand gehad, dat zij zich zonder inspanning over dat onwaarheid spreken heenzetten. Het verbloemen van hunne eigenlijke gevoelens is voor hen geheel en al eene stijloefening geworden, en om de ware toedragt der zaken bekommeren zij zich sedert lang niet meer. Doch Emma was nog slechts even in de twintig, en voor het eerst in haar leven had zij dezen ochtend de veder der historie in de kleurstof der fabel gedoopt. Vandaar kwellingen des gewetens, die wel misschien alleen bewezen dat ook het verdichten, even als de meeste andere vormen der ondeugd, slechts eene kwestie van gewoonte of ongewoonte is, maar niettemin pijn deden en onrust aanjoegen. Zij gevoelde aan haar hart, dat zij niet straffeloos romanschrijfster worden kon, en wilde haren brief verscheuren. Bij het herschrijven zou zij, met weglating van sommige andere zaken, in bijzonderheden kunnen treden omtrent het onderhoud dat zij daareven met hare gastvrouw gehad had, en hare moeder in het breede kunnen vertellen, welk eene partikuliere soort van orthodoxe dame freule Bertha was. Op die wijze zou de brief niet minder hartelijk, niet minder vrolijk, en vooral niet minder lang worden. Doch te goeder uur bedacht zij, dat zij zuinig moest zijn op hare onderwerpen en zichzelve het gras niet voor de voeten wegsnijden mogt, zooals de maaijers in de Duinendaalsche velden deden. Indien zij nu reeds ging uitweiden over freule Bertha's regtzinnigheid, waarover zou zij dan den volgenden keer aan hare moeder schrijven? Bovendien, zij kon niet zwijgen, of niet kort zijn, omtrent de ontvangst bij Lidewyde, zonder het vermoeden te wekken, dat de receptie op Soekabrenti eene teleurstelling was geweest, en daardoor een démenti te geven aan André, die in zijne brieven uit M. allerlei wonderen aangaande de villa en hare kasteleines verhaald had. Wel is waar zou zij zich kunnen bepalen tot de mededeeling, dat hare ingenomenheid met Lidewyde voor alsnog geen gelijken tred hield met de zijne; doch welk eene houding zou het hebben het oordeel en den goeden smaak van haar aanstaanden man aldus twijfelachtig te maken? en hoe ligt zou hare moeder daardoor op het denkbeeld kunnen komen, dat zij, Emma, òf door André veronachtzaamd werd, òf dat zij aanleg had om hem de wet te willen stellen? Neen, noch hem, noch haarzelve mogt zij in de schatting van anderen benadeelen; vooral hem niet. Het moest voor eeuwig een geheim blijven tusschen hen beiden, dat zij somwijlen aan hem getwijfeld had. Zelfs hare ouders behoorden daarvan niets te weten of te vermoeden. En wel mogt zij zeggen: getwijfeld =had=; want sedert gisteren twijfelde zij niet meer. André's ongeveinsde blijdschap bij het wederzien te T.; zijne onbedriegelijke betuigingen van teederheid onder weg; de fierheid, waarmede hij haar aan freule Steinmetz had voorgesteld als zijne bruid; de oplettendheden die hij op Soekabrenti, gedurende het middagmaal en daarna, niet opgehouden had haar te bewijzen; de kus, waarmede hij gisteren avond, voor de deur van freule Bertha's woning, afscheid van haar genomen had en die nog onder het insluimeren om hare lippen had gezweefd,--indien men niet, gelijk de rampzalige Sarah, opgehouden had in God te gelooven, moest men vertrouwen stellen in zulke onmiskenbare blijken van teederheid, en was het pligt, zoo als freule Bertha zeide, het goede te denken. Alles zou teregt komen, daaraan viel niet te twijfelen: waarom dan dubbelzinnige brieven naar huis geschreven? brieven, die misschien veel kwaad, maar in geen geval nut konden stichten. Het beste was derhalve,--want de staatkunde is geenszins het eenige terrein waarop men niet doet hetgeen men wil, maar hetgeen men kan,--het beste was, den brief te verzenden gelijk hij nu eenmaal luidde.

Meent men dat de brief nogtans =niet= verzonden werd? Billijkerwijze kan niemand daaromtrent in het onzekere verkeeren. In oogenblikken van tweestrijd toch, wanneer de evenaar nu naar de eene, dan naar de andere zijde overhelt, eindigt de mensch in den regel met zich te laten bepalen door zijne eigenliefde; en er worden slechts zeer enkele personen gevonden, die ondervinding en geestkracht genoeg bezitten om voor die verzoeking niet te bezwijken. Emma nu bezat die twee kwaliteiten nog niet; en wat hare eigenliefde betrof, zij zou in het tegenwoordig stadium van haren hartstogt voor André liever het onmogelijke verduurd hebben, dan zelfs aan hare moeder te bekennen dat zij zich in hem vergist had.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

Jean-Jacques Rousseau heeft somtijds gewaagde magtspreuken verkondigd, en men kan hem niet altijd op zijn woord gelooven. Doch indien het eene ligtvaardige profetie van hem geweest is, dat geene vrouw van eer zijne =Nouvelle Héloïse= zou kunnen lezen zonder zichzelve te gronde te rigten,--zou de uitkomst hem ook gelogenstraft hebben, indien hij van zijne =Confessions= beweerd had, dat enkele hoofdstukken van dat boek volstrekt ongeschikt zijn om onder vier oogen door een jong mensch te worden voorgelezen aan de echtgenoot van zijnen gastheer?

--"Weet gij," vroeg Lidewyde, toen haar man zich des ochtends naar zijn kantoor begeven had en zij met André alleen gebleven was (het mogt eene week of daaromtrent geleden zijn dat Emma gebiljetteerd was geworden ten huize van freule Bertha), "weet gij wat ik vind?"

De waarheid was, dat zij André als een stuk speelgoed beschouwde, welks maaksel tot op zekere hoogte hare belangstelling opwekte, doch waarvan zij zich overigens alleen als een middel tot tijdverdrijf bediende.

--"Ik vind," vervolgde zij op dien lagchenden toon, waardoor zij haar beslissendst overwigt op hem uitoefende, "ik vind dat gij een zeer koel en zeer afgemeten bruidegom zijt."

André zou hebben willen vragen: "Hoe dat?" of: "Wat meent gij daarmede?" Doch hij durfde niet. Lidewyde's schertsende aanklagt was met sommige zeer ernstige verwijten, die hijzelf in de laatste dagen zich in de eenzaamheid herhaaldelijk gedaan had, te zeer in overeenstemming, dan dat hij nu reeds met een goed geweten verwondering zou hebben kunnen veinzen.

--"En weet gij wat ik vind?" antwoordde hij overluid, met eene poging om Lidewyde's jovialiteit te evenaren, "Ik vind"...

--"Gij vindt dat ik mij bemoei met zaken die mij niet aangaan," viel zij hem in de rede. "Doch daarin bedriegt gij u. Emma is mijne zuster, en ik heb regt te eischen, dat gij haar al de eer geeft, die haar toekomt. Wij vrouwen zijn naijverig op ons geslacht, en wanneer eene van ons niet met de noodige onderscheiding bejegend wordt, nemen wij het allen voor haar op. Gij zijt beleefd jegens Emma, dat erken ik, en wie het tegendeel beweerde, zou u onregt doen; maar hartelijk, innig, teeder, eerbiedig,--neen, dat zijt gij niet. Vooral niet eerbiedig."

--"Dat ben ik wèl," zeide André, wien het overdrevene-zelf van hare beschuldiging tot tegenspraak prikkelde, en die niet begreep dat haar requisitoir, hoewel ernstig gemeend, nogtans door hem als kortswijl had moeten opgenomen worden. "Emma is niet-alleen in mijne oogen het beminnelijkste van alle schepselen, maar tegelijk met de hoogste liefde boezemt zij mij een geheel vrijwillig ontzag in. Indien ik immer iets tegen haar misdreef, zou ik hare verontwaardiging misschien nog meer vreezen dan hare droefheid."

--"Des te beter; doch er is ontzag en ontzag. De eerbied, dien ik bedoel, is van eene bijzondere soort. Het is eene ridderlijke hulde, zooals de groote dichters ons die beschrijven; een mengsel van onderdanigheid en vurige begeerte; iets demoedigs, dat nogtans in het geheel niet onmanlijk is. Ik meen niet dat gij bang moet zijn voor Emma; integendeel, zij moet bang zijn voor u, gelijk het een jong meisje tegenover een jong heer, met zulk een... knevel als den uwen, betaamt. Wat ik meen, is... doch ik kan het niet onder woorden brengen. Geef mij, bid ik u," en zij wees naar eene kleine werktafel, waarop tusschen eene bloemvaas en een borduurpatroon eenige fraaigebonden boeken lagen, "geef mij dat boek, en ik zal trachten, u mijne bedoeling duidelijk te maken."

Hij stond op en zocht.

--"Bedoelt gij dit?" vroeg hij, een der boeken omhoog heffend.

--"Neen," zeide zij, "dat niet, maar het andere vlak daarnaast."

Hij overhandigde haar het boek en bleef staan. Het was een dier op glanzig papier met een vorstelijke letter gedrukte folianten in miniatuur, waarvoor onze boekhandel den naam van imperiaal-oktavo uitgevonden heeft. Houtsnede aan houtsnede diende tot illustratie van den tekst, en elk nieuw hoofdstuk ving aan met eene weelderig versierde letter. Na eene poos in het boek gebladerd te hebben, eerst voor- en toen achteruit, als iemand die niet aanstonds vinden kan hetgeen hij zoekt:

--"Ga nu rustig tegenover mij zitten," zeide zij, "en lees mij deze twee bladzijden voor." En met de eene hand gaf zij hem het boek terug, terwijl zij met den voorsten vinger der andere hem de plaats aanwees waar hij beginnen moest.

Had het in zijne keus gestaan, hij zou zich nevens haar op de sofa nedergezet, of een stoel aangeschoven hebben. Doch zij had hem gezegd, tegenover haar te gaan zitten, en haar blik had hem naar de andere zijde der tafel verwezen. Hij voegde zich naar dien wenk, ofschoon half onwillig, en begon:

--""=De tous mes châteaux en Espagne=""...

--"Neen," riep zij uit, "zoo bedoel ik het alweder niet! Vreemde talen zijn uitvluchten. Voor ons is het hollandsch de eenige spraak, waarin wij ons volkomen rekenschap kunnen geven van hetgeen wij gevoelen. Doe alsof gij nog op school waart en de meester u leerde vertalen van het blad. Of zijt gij van die oefening verschoond gebleven? Mij heeft men er vijf jaren achtereen mede vervolgd."

Hij zag op uit het boek en staarde haar in het gelaat, als om te vragen: "Hoe heb ik het met u?" Misschien hinderde het hem, dat zij zoo veeleischend was, en vond hij dat hare wijze van met hem om te gaan werkelijk eenige overeenkomst vertoonde met die van den schoolmonarch zijner kinderjaren. Doch het kwam niet tot een openlijk verzet. Met eene gedweeheid, eene betere zaak waardig (tenzij te gehoorzamen op den wenk van twee schoone oogen, in bondgenootschap met een vriendelijk lagchenden mond, het beste deel en de hoogste verdienste is), hernam hij:

--""Van al mijne luchtkasteelen was slechts één nog niet ingestort: het vinden eener bezigheid, waardoor ik in mijn onderhoud zou kunnen voorzien; en zelfs het verwezenlijken van dien bescheiden droom had zwarigheden in. Ik dacht aan mijn voormalig handwerk, doch was daarin niet bedreven genoeg om te gaan arbeiden bij een meester. Meesters waren er bovendien te Turin niet veel.""

--"Wij zijn te Turin, naar gij bemerkt," zeide Lidewyde. "Herinnert gij u wie de persoon is die zoo openhartig de geschiedenis van zijne eigen geldelijke verlegenheden biecht? Om het even. Het was een jong Geneefsch horlogemaker, die ook een weinig graveren kon. Naderhand heeft hij meer boeken dan stempels gegraveerd. Doch ga gerust voort, want het fraaiste moet nog komen; dat spreekt."

André vervolgde:

--""Hierna beter, dacht ik, en ging van winkel tot winkel mijne diensten aanbieden, verlof vragend om een wapen of een naamcijfer in tafelzilver te mogen snijden, en hopend, door aan de welwillendheid der lieden het bepalen van den prijs over te laten, hen te zullen lokken door de goedkoopte. Productief was dat hulpmiddel niet. Bijna overal werd mij de deur gewezen, en van het weinige dat men mij liet verrigten volstond de opbrengst te naauwernood voor een maaltijd of wat. Op zekeren keer evenwel""...

--"Pas nu op, mijnheer André," schertste Lidewyde, "het stuk gaat beginnen!"

Hij ging voort:

--""Op zekeren keer, toen ik in het ochtenduur door de Contrà Nova ging, zag ik achter het venster van een magazijn eene jonge vrouw zitten, wier voorkomen zoo veel bevalligheid en zoo veel welwillendheid teekende, dat ik, in weerwil der in zulk gezelschap mij eigene bedeesdheid, het waagde binnen te treden en mijne geringe kunst te harer beschikking te stellen. Zij zeide niet neen, verzocht mij te gaan zitten, wilde weten wie ik was en van waar ik kwam, beklaagde mij, sprak mij moed in, en verzekerde dat goede medemenschen mij niet in den steek zouden laten. Zij zond naar een zilversmid, ten einde de gereedschappen te ontbieden die ik zeide noodig te hebben, verliet onderwijl het vertrek en keerde na eene poos terug met een ontbijt, dat zij eigenhandig voor mij opzette. Dit scheen mij toe, een veelbelovend begin te zijn; en de uitkomst logenstrafte die goede meening niet. Ik kon bespeuren, dat mijn werk haar aanstond en, meer nog dan mijn werk, toen ik mijne schroomvalligheid wat overwonnen had, mijn gekeuvel. Die schroom was niet onnatuurlijk, want zij was getooid met fluweel en zijde, en in weerwil van haar innemend voorkomen maakte dat schitterend toilet mij linksch. Hare vriendelijke ontvangst evenwel, haar belangstellende toon, hare stille en meewarige manieren, hergaven mij weldra mijne tegenwoordigheid van geest. Ik bemerkte dat ik slaagde; en door het zelfvertrouwen, dat die bewustheid mij schonk, slaagde ik nog meer. Maar hoewel zij eene Italiaansche en daarbij veel te schoon was om ook niet een weinig behaagziek te zijn, was zij met dat al zoo zedig, en ik zoo schuchter, dat onze kennismaking vooreerst wel niet vertrouwelijk worden kon. Nu, men liet ons daartoe dan ook den tijd niet. Doch des te levendiger herinner ik mij, hoe bekoorlijk de vlugtige uren waren, die ik in hare nabijheid heb mogen doorbrengen; en ik overdrijf niet, wanneer ik beweer, in die oogenblikken de zoetste en zuiverste genietingen der liefde gesmaakt te hebben.""

André zweeg eene poos; en in zekeren zin zou niets natuurlijker geweest zijn, dan dat hij het boek digtgeslagen en er hartelijk voor bedankt had, langer door Lidewyde gekatechiseerd te worden. Doch er is, naar het schijnt, al zouden de lichtvrienden van alle werelddeelen een genootschap oprigten uitsluitend met het doel om die stelling te bestrijden en hare onwaarheid alom voelbaar te maken, er is een katechismus, dien de meeste jonge mannen van André's leeftijd, wanneer de onderwijzeres eene zoo bekoorlijke vrouw als Lidewyde is, nimmer moede zullen worden zich te laten overhooren. Het kwam, dit was zoo klaar als het naderend middaguur, niet te pas, dat Lidewyde hem zulk een boek in handen gaf, zulk een gesprek met hem aanknoopte, zulk een houding tegenover hem aannam. Het was ongehoord, ongepermitteerd, en in de hoogste mate onbetamelijk. Doch toen zij met den vrolijksten glimlach hem vroeg, waarom hij zijne lektuur eensklaps staakte, en of hij meende, reeds aan het einde der geschiedenis te zijn, zou hij het niet minder ongehoord en vooral niet minder onbetamelijk gevonden hebben, het aangevangen werk onvoltooid te laten.

Hij vervolgde:

--""Het was eene zeer pikante brunette, uit wier gelaat met dat al zulk een goed hart sprak, dat hare levendigheid iets aandoenlijks behield. Zij heette Mad. Basile. Haar man, die veel ouder dan zij en tamelijk jaloersch was, liet haar, wanneer hij voor zijne zaken van huis moest, onder de hoede van een kantoorbediende achter; een te gemelijk persoon om gevaarlijk te kunnen heeten, en die, ofschoon hij zich te haren aanzien vrij wat aanmatigde, dit schier nooit anders blijken liet als door zuur te zien. Ik geraakte bij hem in zeer kwaden reuk, niettegenstaande ik hem somwijlen met welgevallen op de dwarsfluit hoorde spelen; een instrument, waarmede hij handig wist om te gaan. Deze nieuwerwetsche Egisthus knorde overluid, zoo vaak hij mij de kamer zijner meesteres zag binnentreden; doch zij gaf hem de minachting, waarmede hij mij bejegende, met woeker terug. Zelfs kon het schijnen dat zij, om hem te kwellen, mij in zijne tegenwoordigheid met opzet aanmoedigde. Die soort van wraakoefening was mij zeer naar den zin, en zou dat nog meer geweest zijn, indien Mad. Basile haar voortgezet had wanneer wij alleen waren. Maar dit deed zij niet, of althans niet zoo openlijk. Hetzij zij mij te jong vond, hetzij zij niet regt wist hoe het aan te leggen, hetzij bij haar een ernstig voornemen bestond om op haar hart te passen,--zoo vaak Egisthus er niet bij was wapende zij zich met eene soort van waardigheid, die wel niet afstiet, maar mij, ik wist zelf niet waarom, in de hoogste mate intimideerde. Ik was verlegen, bloosde; durfde haar niet aanzien, durfde naauwlijks ademhalen, en toch zou het mij minder moeite gekost hebben te sterven, dan voor altijd van haar te scheiden. Mijn oog verslond om strijd al hetgeen ik onopgemerkt begluren kon: de bloemen van haar zijden kleed; de spits van haar kleinen voet; haar gevulden en blanken arm, voor zoover die zigtbaar was tusschen een handschoen en eene ondermouw; haar hals, wanneer, gelijk somtijds gebeurde, haar kraagje niet bevestigd was aan den kanten doek, dien zij kruiselings over haar keurslijf droeg. De indruk van het eene voorwerp verlevendigde nog dien van het andere. Al turend op hetgeen ik zag, en durfde gissen, schoot een waas voor mijne oogen en was het of mijne borst digtgenepen werd; al mijne krachten moest ik inspannen om mijne ademhaling te regelen, die hoe langer hoe ongelijkmatiger werd; en het eenige wat ik doen kon was, hoewel de stilte om ons henen dit somtijds niet gemakkelijk maakte, mij lucht te verschaffen door het slaken van eene onderdrukte zucht. Gelukkig scheen Mad. Basile, verdiept in haar vrouwelijk handwerk, mijne ontroering niet te bespeuren. Nu en dan evenwel verbeeldde ik mij, alsof hetzelfde gevoel hare borst en de mijne doortrilde, haar keurslijf sneller te zien rijzen en dalen dan anders. Dat verleidelijk gezigt deed de maat mijner verbijstering overloopen; doch, was ik op het punt van aan mijnen hartstogt toe te geven, dan rigtte zij tot mij de eene of andere onverschillige vraag en deed mij aanstonds weder tot mijzelven komen.""

Op nieuw staakte André zijne lektuur.

--"Welnu," vroeg Lidewyde nogmaals, "waarom leest gij niet door? Ik herhaal, dat het fraaiste nog komen moet."

De verzekering was misschien niet te eenemaal geruststellend en de vraag in elk geval niet overbodig; want ofschoon André in weerwil van zichzelven werd medegesleept door hetgeen hij las, en het hem niet weinig leed deed (hetgeen een bedenkelijk verschijnsel heeten mogt) zich te moeten behelpen met eene geïmproviseerde en half gestamelde vertaling,--hij was nog niet zoo te eenemaal onder den invloed van Lidewyde gekomen, dat hij zonder hare toestemming, en zelfs zonder een uitdrukkelijk bevel uit haren mond, durfde voortgaan. De verlegenheid van den Geneefschen horlogemaker was besmettelijk, naar het scheen; en had Lidewyde met hare koele vraag niet juist van pas het voorbeeld van Mad. Basile tot rigtsnoer gekozen, en door haar onverschilligen toon de soort van verbijstering weggevaagd, waaronder ook hij van lieverlede geraakt was, hij zou welligt geen raad geweten hebben met zijn figuur. Thans evenwel, ofschoon niet bevroedend dat zijn verlevendigde moed niet uit hemzelven, maar meest van Lidewyde kwam, vermande hij zich, en las de les, die zij hem opgegeven had, in éénen adem ten einde: