Lidewyde

Chapter 14

Chapter 143,638 wordsPublic domain

Gedienstige vereerders noemden Lefebvre een genie; en zij grondden die meening op het feit dat hij alle talen van den aardbodem verstond en de wereldgeschiedenis van buiten kende. Volgens anderen daarentegen was hij een warhoofd, misschien uitermate geschikt om bibliotheken te ordenen en voor snuffelaars den weg te banen, doch niet bestemd om immer zelf iets te leveren, hetwelk door een volgend geslacht naar zijn naam genoemd zou worden, en in elk geval bij zijn leven veroordeeld tot den omgang met lieden, die niet in zijne schaduw konden staan. Voor zoover Dijk en Ruardi betrof, was van dit laatste werkelijk iets aan; of, zoo de dokter in sommige opzigten, wanneer het niet op studie of nadenken, maar op intelligentie en aangeboren doorzigt aankwam, zijn evenknie mogt heeten, de koopman stond in elk geval ver beneden hem. Adriaan Dijk begreep geen iota van Lefebvre's transcendentale behoudsleer. Hij was konservatief, omdat zijn aard dit medebragt, en omdat de Aprilbeweging, gelijk hij in vertrouwelijke oogenblikken erkende, hem de oogen geopend had. Tien of vijftien jaren geleden--want de meeste menschen hebben overlast van zeker =trop plein= des gemoeds en wie daarvoor geene afleiding vindt bij zijne vrouw of zijne kinderen werpt zich alligt in de armen der publieke zaak,--zou hij gemeend hebben, het doel van zijne eerzucht niet anders te kunnen of te mogen bereiken als onder het opsteken eener vrijzinnige vlag. Doch sedert 1853 was daarin verandering gekomen. Van dien tijd af, zeide hij, had hij het protestantisme leeren beschouwen, niet-alleen als een voornaam, maar als het deugdelijkst element van den publieken geest in Nederland en Europa. Voortaan onderscheidde hij de volken in roomsche en protestantsche; hield het voor uitgemaakt dat aan laatstgenoemde de toekomst behoorde, en zag in de geschiedenis der jongste vijftig of zestig jaren,--niet de opkomst van den stoom en van de telegrafie,--maar de lotgevallen van het stuiptrekkend romanisme, zijne uiterste, maar nog altijd geduchte krachten verzamelend tot eenen strijd op leven en dood met een providentieel mededinger en voorbestemd overwinnaar. De nagedachtenis van Koning Willem I werd door hem in eere gehouden, omdat die Vorst in 1830 en vroeger, gelijk Adriaan het noemde, niet voor "den priester" had willen buigen; terwijl het bondgenootschap tusschen katholieken en liberalen hier te lande, in 1848 gesloten en in 1853, volgens hem, aan het licht gekomen, in zijne oogen vooral hierom bedenkelijk was, omdat daardoor aan eene kleine, maar schrandere en digt aaneengesloten roomsche minderheid in de Kamer, welke bij menige stemming naar welgevallen den doorslag geven kon, de koorden der nationale beurs in handen werden gespeeld. Zijn protestantisme, gelijk men ziet, stond niet rechtstreeks in verband, hetzij met braafheid of godsdienstigheid, hetzij met regtzinnigheid in de leer. Doch het was van eene konservative soort. Het beteekende handhaving van de gemengde school als anti-papistische instelling; van het kultuurstelsel als schepping van Koning Willem I, die de roomschen had aangedurfd; van het koninklijk gezag en van de prerogativen der Kroon als tegenwigt tegen het bondgenootschap van liberalen en katholieken. Een welligt onwijsgeerig, maar daarom niet minder welgemeend programma.

--"Mag ik binnenkomen?" vroeg iemand, die reeds een paar malen vruchteloos had aangeklopt en nu het hoofd om het hoekje der deur stak. "De heeren zijn zoo druk aan het redeneren en hunne gedachten bewegen zich in zulke verheven kringen, dat een gewoon sterveling vergeefsche pogingen aanwendt om gehoor te erlangen. Wordt er kiesvergadering gehouden? Ben ik overkompleet?"

--"In het minst niet, André," zeide Dijk, "kom gerust binnen. Ik vraag verschooning dat wij u onbehoorlijk lang antichambre hebben laten maken."

--"Volstrekt niet overkompleet, mijnheer Kortenaer," voegde Lefebvre er bij. "Verheugd u hier weêr te zien. Maar het is niet aardig van u, glossen te maken op onze luidruchtigheid. Is het wel, Ruardi? Gij vooral, die eene stem hebt als eene primadonna, moogt u dat verwijt niet laten aanleunen."

--"Toch wel," zeide Ruardi. "Wij hebben alle dingen gemeen en zijn solidair aansprakelijk voor elkanders keelgeluiden. Bovendien heeft mijnheer Kortenaer groot gelijk, wanneer hij een weinig den draak steekt met onze debatten. Mag ik u welkom heeten te M., mijnheer Kortenaer, en mij aanbevelen in uwe vriendschap?"

--"Ik bemerk," antwoordde André, "dat mijn neef niets te veel gezegd heeft, toen hij voorspelde dat dokter Ruardi mij met de meeste voorkomendheid bejegenen zou. Doch gij maakt mij verlegen, dokter. Het is aan mij, om mij aan te bevelen, ik zal zeer erkentelijk zijn, indien ik mij bij dezen en genen, gedurende mijn verblijf te M., op u beroepen mag."

--"Kom morgen of overmorgen op ditzelfde uur een praatje bij mij maken, indien gij lust hebt; dan zal ik u van de M'sche heeren en de M'sche dames, de M'sche licht- en de M'sche schaduwzijden alles vertellen wat ik er zelf van weet."

--"Neem u in acht, mijnheer Kortenaer," krijschte Lefebvre, die heden bijzonder goed gemutst was en daardoor nog luider sprak dan gewoonlijk. "Dokter Ruardi is een menschenhater en welsprekend. Hij zal u van deze goede stad en van hare inwoners een donker tafereel ophangen."

--"Indien zulke tafereelen niet dienstig zijn voor uw gemoed," antwoordde de dokter, "draag dan zorg, mijnheer Kortenaer, dat gij de woonplaats van mijn vriend Lefebvre mijdt, en sla, indien hij u verleiden wil hem daar een bezoek te komen brengen, zijne uitnoodiging wijsselijk af. Hij zou door zijne verhalen van hetgeen in het doodonschuldige T. voorvalt niet-alleen uwen eetlust bederven en uwe nachtrust verstoren, maar, wat erger is, uwe vaderlandsliefde ondermijnen."

--"Gekheid!" riep Lefebvre, door 's dokters beschuldiging op een van zijn geliefkoosde =topics= gebragt. "Luister niet, mijnheer Kortenaer, naar den boozen raad van dezen Achitofel, en houd u verzekerd dat het u niet berouwen zal, indien het toeval, wat zeg ik? indien uwe gelukster u vroeg of laat naar het eerzame T. voert. Zou ik de stad mijner inwoning lasteren? Die bakermat van het liberalisme? Eer vergete mijne regterhand zich zelve! Misschien hebt gij hooren verhalen, mijnheer, dat T. eene plaats is, waar de dienst van Amor naar evenredigheid meer volgelingen telt dan in eenige andere stad van Nederland; doch ik beroep mij op uw gezond verstand en vraag, of die beschuldiging, indien zij niet veeleer eene hulde verdient te heeten, niet de onwaarschijnlijkheid-zelve is? T. is eene stad met dertig duizend inwoners, mijnheer, en het kan niemand bevreemden, dat op eene bevolking van twee synagogen, vijf roomsche en zeven gereformeerde kerken, een half dozijn galanterie-winkels aangetroffen worden. Doch, geloof mij, aan andere galanterien wordt te T. niet gedaan. Men zal u verhalen dat het jongste kind van onzen burgemeester sprekend gelijkt op den kolonel van ons garnizoen, of dat de vrouw van den schout-bij-nacht op non-aktiviteit, dien T. de eer heeft te huisvesten, de hand heeft in de voordragten van den president onzer arrondissements-regtbank. Geloof het niet, mijnheer; of liever, kom met eigen oogen die heeren en die dames aanschouwen, kom hunne konversatie aanhooren, wees getuige van hunne gezellige bijeenkomsten, en wanneer gij de insipiditeit zult hebben zien heen en weder fladderen van de schamele borst van mevrouw X. naar den breeden schoot van mevrouw Y., wanneer gij de maagdelijke Célestine Z. met de aanminnigheid eener geit zult hebben zien glimlagchen om de dubbelzinnigheden van den luitenant A. of de naïveteiten van mijn konfrater, den advokaat B., zult gij mij zeggen of T. er al dan niet de plaats naar is om aan Clarissa's tot geboortestad of aan Lovelace's tot oord van ballingschap te verstrekken. Neen, mijnheer, wij van T. zijn een eerbaar en ordelijk volk; een volk van katoenspinners en garentwijnders, van landbouwers en veehoeders. Van de weinige hartstogten, die ons kwellen, genezen wij ons door een overvloedig gebruik van mout-extrakt, en onze eenige eerzucht is, de liberaalste stad van Nederland te zijn of daarvoor door te gaan. Wilt gij een staaltje van onze virtuositeit op dit gebied? Tot voor weinige jaren hadden wij eene speelbank, die wel niet met de banken van Spa of Homburg kon vergeleken worden, maar toch dit goede had, dat zij een subsidie van vijfentwintig duizend gulden 's jaars aan onze opera uitkeerde. Voor dat geld engageerden wij tenors en baritons, sopranen en alten, zoo veel wij noodig hadden; en in dien tijd bezat T. een theater, dat, hoe klein en nederig ook, met de beste uit het land wedijveren kon. Het was een centrum van beschaving, en twee-of driemalen in de week vonden wij er eene weldadige verpoozing van onzen arbeid. Doch naarmate wij toenamen in liberalisme, gingen allengs onze oogen open. Wij petitioneerden bij den gemeenteraad om opheffing der zedelooze speelbank die de zenuw onzer opera was, en niemand is in staat het verheven gevoel te schetsen hetwelk onze borst doorstroomde, toen het stedelijk bestuur gehoor gaf aan onzen wensch. T. scheen ons toe eensklaps een Paradijs geworden te zijn. Het gebouw der speelbank gesloten en weldra in een venduhuis herschapen; op het affiche van onzen schouwburg de woorden: =Relâche pour cause de suppression=,--wij zagen in die verschijnselen de voorboden van het naderend godsrijk; en waren sommigen onzer niet van eene twijfelachtige regtzinnigheid geweest, wij zouden het hemelsch Jeruzalem hebben wanen te zien nederdalen binnen de muren onzer stad. Want supprimeren, mijnheer, dat weet gij, is de hoogste vreugde van het liberalisme. Verleden jaar hebben wij de opera gesupprimeerd, omdat wij de speelbank goddeloos vonden; toekomend jaar zullen wij de =terrines de foies gras= supprimeren, omdat wij het treden op warme koperen platen, al geldt het slechts ganzen, voor onvereenigbaar houden met onze beginselen van filanthropie. En vraag niet wat wij voor een en ander in de plaats bekomen hebben, of hoe wij het voortaan zonder ganzenleverpasteipotjes en zonder opera stellen zullen. Het liberalisme supprimeert; doch remplaceren, daar doet het niet aan. Ons ideaal is eene eeuw, waarin niemand muziek maken en niemand truffels eten zal, het onderscheid tusschen arm en rijk, knap en dom, man en vrouw zal zijn opgeheven, de geheele maatschappij er uit zal zien als een egyptisch korenveld waarop de sprinkhanen te gast zijn gegaan, en onze kaalgeschoren aarde zich in de onmetelijke ruimte zal wentelen, dikker dan een ton en gladder dan een kampernoelje. Nog heeft men te T. dat toppunt van volkomenheid niet bereikt; nog worden daar smulpapen gevonden, die aan biefstuk met aardappelen de voorkeur geven boven andijviesla met beetwortelen; nog vindt men bij ons (doch alles kan ook niet op eens komen) onhebbelijke vrouwen, die nu en dan een welgeschapen kind ter wereld brengen. Houd u evenwel bedaard, mijnheer, en wanhoop niet aan onze toekomst. Den stroom des tijds kan niemand tegenhouden, en mits gij twaalf maanden wacht met mij een bezoek te komen brengen, maak ik mij sterk u eene bevolking te toonen, aan wier volmaaktheid alleen nog ontbreken zal dat zij niet gesupprimeerd is."

--"Mij dunkt," zeide Dijk, toen Lefebvre deze uitboezeming ten einde had gebragt, "wij moesten gezamenlijk naar de Buitensocieteit wandelen en daar een luchtje gaan scheppen onder de verandah. Hebt gij lust, André?"

--"Wat mij betreft," zeide Ruardi, "ik kan bezwaarlijk van de partij zijn; doch laat dit de heeren niet afbrengen van hun plan. Mag ik er staat op maken, mijnheer Kortenaer, dat gij mijne uitnoodiging niet versmaden zult?"

--"Zoo zeer, dokter," antwoordde André, "dat gij mij misschien reeds morgen aan den dag te uwent zult zien verschijnen."

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

"Ik wenschte dat Dijk mij dien knaap niet aanbevolen had," zeide dokter Ruardi bij zichzelven, toen hij den volgenden ochtend zijn ontbijt had gebruikt en zich gereed maakte om visites te gaan rijden. "Hij schijnt verbazend groen, en wie weet of het de moeite loont hem te helpen ontbolsteren? Het best zou zijn, dat hij eenigen tijd bij Lefebvre in de leer ging, om zijne denkbeelden te vormen; want dat er in de praktijk immer iets van hem teregt zal komen, geloof ik niet. Lidewyde heeft hem =en amitié= genomen, zegt Dijk; dat verstaat zich. Zij haalt hem aan uit tijdverdrijf, en zal beproeven zijn meisje jaloersch van haar te maken. Indien dat lieve kind haar belang kende, zou zij stil bij vader en moeder blijven en zich hier in geene wespennesten komen steken. Die goede Lefebvre! Hij is de onschadelijkheid-zelve, en men lastert hem, wanneer men hem een corrumperenden invloed toeschrijft. Toch kan ik mij voorstellen, dat onervaren jongelieden door hem zoogenaamd op het dwaalspoor gebragt worden; en misschien is het maar goed, dat vriend Kortenaer niet onder zijne leiding komt. Indien ik ooit pædagoog word, waarvoor de hemel mij beware, ben ik voornemens zulk soort van meesters op een afstand te houden. Ik kan niet gelooven, dat het dienstig is voor jongelui, hunne tegenstanders te leeren minachten. Die taktiek is alleen goed, dunkt mij, ten aanzien van de vrouwen; tegenover mannen deugt zij niet. Om die onder den duim te krijgen... Maar genadige goedheid, neef André is geen schoolknaap, en ik behoef hier in de eenzaamheid geen cursus over opvoedkunde te zitten houden. Jakob, ben je daar? Luister eens."

--"Wat is er van uwe dienst, mijnheer?" vroeg Jakob, die in een aangrenzend vertrek bezig was eenig huiswerk te verrigten.

--"Ik verwacht van middag bezoek."

--"Mijnheer kan er op rekenen, dat ik de dames behoorlijk ontvangen zal."

--"Wat praat gij van dames? Er is kwestie van een jong heer, een logé van mijnheer en mevrouw Dijk. Het kan gebeuren dat ik nog niet thuis ben tegen dat mijnheer komt: in dat geval laat gij mijnheer in de rookkamer, en verzoekt hem een oogenblik te willen wachten. Vergeet niet, het noodige gereed te zetten. Mijnheers naam is Kortenaer; verder ben ik voor niemand thuis of te spreken."

Het vertrek waarin André, in den namiddag van dien dag, door Jakob verzocht werd de thuiskomst des dokters te verbeiden, maakte geen deel uit der appartementen waarvan het middelste toegang tot den wintertuin verleende. Evenmin was het dat, waarin Ruardi des ochtends den kapelaan ontvangen en dezen op een overzigt zijner wijsbegeerte onthaald had. Het lag evenwel in dezelfde rigting als dit laatste en kommuniceerde daarmede. Zijn omvang was die van een ruim kabinet, gemeubeld met divan aan divan. Hier en ginds stond eene kleine tafel, wier japansch-verlakt blad, glanzig rood met gouden vogels, in eene ebbenhouten lijst gevat was en op een kunstig gedraaiden zwarten voet rustte. Een dier tafeltjes droeg een zilveren schenkblad met vonkelende wijnkaraffen, waarnevens een kistje veelbelovende sigaren en eene turksche pijp. Boven den schoorsteen hing een trofee van indische wapenen, terwijl de plaats onder den schoorsteenmantel, waar 's winters de haard zich uitbreidde, thans ingenomen werd door eene monsterpul van oud-blaauw. De wanden prijkten met vier medaljons in pastel, levensgroote kniestukken, de vier jaargetijden voorstellend in de gedaante van even zoo vele schoone vrouwengestalten. Echter verbraken die beelden min of meer de oostersche tint die over het vertrek uitgespreid lag, en men behoefde niet in Azie gereisd te hebben om weldra te gevoelen dat =les filles de marbre=, die tot modellen voor deze teekeningen hadden gediend, geene geboren bayadères waren. Te zeggen dat André, toen hij uit tijdverdrijf, nadat Jakob hem alleen gelaten had, van het eene medaljon naar het andere ging, de oogen nedersloeg, of zich met weerzin afwendde, zou met de geschiedenis in strijd zijn. Doch wel is het waar dat hij zich in de beschouwing dier nuditeiten niet regtstreeks verlustigde. Daartoe had verbazing te zeer den boventoon in zijnen geest; verbazing dat er vrouwen gevonden worden, die voor geld te bewegen waren om in zoodanige mate met de vooroordeelen misschien, doch in elk geval met de overleveringen der schaamte te breken; verbazing dat dokter Ruardi eene voorstelling der saizoenen nahield, waaraan het element der draperie zoo te eenemaal ontbrak. Bloemen en vruchten in overvloed; ook bekers en schalen. Doch van de onontbeerlijkste kleedingstukken nergens een spoor.

Een gulle lach uit den mond van den binnentredenden heer des huizes maakte een einde aan André's kunstbeschouwing.

--"O, o, mijnheer de puritein," schertste de dokter, "ik zie wel waaraan het hapert; gij ergert u aan mijne jaargetijden. Maar ga zitten, neem een sigaar en een glas madera, en ik zal u haarklein de geschiedenis dier medaljons vertellen."

Ruardi kon liegen of het gedrukt stond, niet-alleen, maar of een volleerd tooneelspeler zijne fabelen met studie voordroeg. De inhoud zijner verhalen wisselde naarmate van het gezelschap waarin hij zich bevond, en het geval moest zich nog voordoen dat hij in de tegenwoordigheid van een jong meisje eene anekdote aanroerde die alleen door gehuwde vrouwen gesavoureerd kon worden, of het voorhoofd van grijsaards glad zocht te strijken met geestigheden waar alleen een jong mensch met ongedwongenheid om glimlagchen kon. Hij kende André nog te weinig om een bepaald oordeel over hem te hebben; doch zooveel vaster dan de meeste jongelieden van zijnen leeftijd, meende hij, stond deze vaudeville-held, gelijk hij hem noemde, niet in zijne schoenen, dat hij aarzelen moest hem de legende der medaljons op te disschen. Het was het onderhoudend verhaal van een vaderlandsch edelman, een van Ruardi's voormalige patienten, die gedurende eene lange reeks van jaren al den tijd, hem door eene sinecure aan ons Hof gelaten, te Parijs plagt door te brengen. "Hier te lande," zeide Ruardi, "werd hij aangezien voor een groot heer, en wanneer hij bij officiële gelegenheden in gala-kostuum als ceremoniemeester fungeerde, of zoo iets, zag hij er met zijn geborduurden rok vol ridderorden zeer voornaam uit. Doch daarginds, waar het krielde van russische prinsen en hongaarsche magnaten, twintig maal rijker en aanzienlijker dan hij, maakte hij met zijne schelvischoogen en zijn onverbeterlijk hollandsch accent zulk een beklagelijk figuur, dat hem niets anders overschoot als zich in de armen van den =demi-monde= te werpen. Op zijn landgoed in Gelderland of Overijssel had hij de afgod der boeren en de trots van den burgemeester kunnen zijn; doch liever dan zich des zondags door den dominé der plaats te hooren gedenken in den gebede, liever dan uit de hand van onschuldige dorpskinderen verjaarverzen en pionierozen aan te nemen, liet hij zich plukken door uitgebloeide actrices of de les lezen door ondernemende figuranten uit de vrouwelijke helft van een corps-de-ballet. Verleden jaar, in het eind, is hij getrouwd met een schatrijk meisje uit onze bankierswereld, wier familiewapen, dat verzeker ik u, minder kwartieren telt dan er hypotheken op zijne boerderijen staan; en toen ik hem tegen het aanbreken van den grooten dag weder een weinig op zijn verhaal geholpen had, heeft hij mij dringend verzocht, hem wel te willen ontheffen van dit viertal souvenirs uit den tijd zijner losse haren. Ik heb het geschenk aanvaard, en laat de medaljons daar hangen als eene dagelijksche waarschuwing aan mijzelven om toch niet af te dwalen van het pad der deugd."

--"Durfde ik," zeide André, "ik zou beweren, dat de vermaning te wegslepend is om volkomen ernstig te kunnen zijn."

--"Dan zweemt zij naar de predikatien van onzen vriend Lefebvre, die mij insgelijks toeschijnen, meer te boeijen dan te stichten."

--"Is dat inderdaad uwe meening? Houdt gij hem niet voor een ernstig man? Op mij heeft hij een aangenamen indruk gemaakt. Wanneer hij daar voor u staat met zijn hoog en breed ligchaam, zwaaijend met het bovenlijf, zich de haren uit het gelaat strijkend, dan vergeet men, vind ik, zijne korpulentie, zijne krassende stem en zijn groezelig linnen, en wordt men onwillekeurig medegesleept door zijne denkbeelden, meer nog dan door zijne woorden. Het is of hij eene elektriseer-machine in het hoofd heeft, wier vonken hem uit de oogen schieten."

--"Ongetwijfeld geef ik u toe, dat Lefebvre een buitengewoon man is, en gij moet niet denken dat ik kwaad van hem spreek. Zonder dat hij tot mijne oudste vrienden behoort, ken ik hem toch reeds sedert geruimen tijd, en telkens als ik hem na eene korter en langer tusschenpoos weêrzie, gelijk nu dezer dagen het geval is, word ik versterkt in de meening dat hij de grootste hoogachting verdient. Maar ofschoon ik over een aantal zaken even zoo denk als hij en hij zonder eenigen twijfel een man van overtuiging is, wantrouw ik hem toch in sommige opzigten. Ik geloof inderdaad niet, dat hij zulk een anti-liberaal is als waarvoor hij zich uitgeeft."

--"Dat begrijp ik niet. Hetgeen hij zegt komt blijkbaar uit het diepst van zijne ziel, en hij zou onmogelijk met zooveel vuur kunnen spreken, indien hij niet geheel doordrongen was van de waarheid zijner denkwijze."

--"Maar dat vuur, waarde heer, dat vuur? Let wel dat ik u van uwe gunstige meening omtrent Lefebvre volstrekt niet wil afbrengen. Ook ben ik niet genoeg te huis in de denkbeelden, waarmede hij voortdurend vervuld is. Alleen schijnt het mij toe, dat hij liberaal en konservatief onophoudelijk met elkander verwart. Wat is liberaal zijn? Vergeef mij, dat ik zulke pedante vragen opwerp, maar ik, die niets ben, noch liberaal, noch konservatief,--en in dat opzigt varen wij in hetzelfde schuitje, niet waar?--ik beweer dat al wie voor iets ijvert, met iets dweept, aan iets gelooft zoo als de menschen zeggen, liberaal is. De ernstige behoudsman is positivist, dunkt mij en neemt de menschen en de dingen gelijk zij zijn. Hoe doet Lefebvre daarentegen? De vonken van het enthusiasme, gelijk gij teregt opmerkt, spatten hem uit de oogen. Hij is in zijne soort een fanaticus, en men hoort hem zijn konservatisme bepleiten met eene ingenomenheid, die den trouwhartigsten liberaal niet misstaan zou. Neem mij niet kwalijk, maar ik houd niet van zulke begripsverwarringen. Lefebvre is met al zijne paradoxen en al zijne sarkasmen een goed man, en toch geloof ik dat hij de lieden van het spoor brengt. Wie mede spreekt over de publieke zaak, moet weten wat hij wil; en dat weet Lefebvre niet. Hij dooft bij anderen juist datgene uit, waarin het aantrekkelijke van zijn eigen persoon gelegen is; en indien ik u de gulle waarheid zeggen mag,--mijn onbeduidende kamerheer-ceremoniemeester, met zijn schelvischoogen en zijne vooze konstitutie, is in mijne oogen een onschadelijker lid der zamenleving dan de geniale Lefebvre."

--"Jawel; maar men behoort in deze wereld nog iets meer dan alleen onschadelijk te zijn. Lefebvre is in elk geval eene kracht."