Lidewyde

Chapter 12

Chapter 123,838 wordsPublic domain

--"Neen," zeide Lidewyde, "ik ben volstrekt niet gepresseerd, en indien wij u geen belet doen, blijf ik gaarne nog een kwartiertje."

Een oude in het zwart gekleede knecht, even oud en even zilverharig als freule Bertha zelve, bragt achtereenvolgens drie of vier lampen binnen. Hij plaatste ze zoo,--op de tafel, op een buffet, op eene étagère, op eene console,--dat het groote vertrek eensklaps ophield somber te schijnen. Ten overvloede stak hij, na de luiken aangezet en de overgordijnen over elkander geslagen te hebben, aan weerszijden van den hoogen spiegel boven den schoorsteen, een bouquet waskaarsen aan. Het salon van freule Bertha had bij avond dergelijke illuminatie zeer noodig. Het was eene voorvaderlijke, ietwat reusachtige zijkamer, opgemaakt en gemeubeld in den smaak der vorige eeuw: een geschilderd behangsel, in vakken; eene lambrizering, grijs met vergulde randen, die het geheele vertrek omsloot; deuren, kozijnen en vensterbanken, een geheel uitmakend met de boiserie beneden en de zoldering boven; een gebogen marmeren schoorsteenmantel met smallen rand; een smirnaasch tapijt, blijkbaar voor deze kamer besteld en geweven. Het grijs met goud was in zich zelf niet genoeg tot neutralisering dier zekere zwaarmoedigheid, waarmede groote landschappen met zware boomen en breede watervallen, hoe fraai ook geschilderd, een zitvertrek plegen te vervullen; doch freule Bertha kende de zwakke zijde van haar salon, en sedert jaar en dag was Floris gewoon, wanneer zijne meesteres avondbezoeken ontving, met kracht van zwavelstokken de duisternis te bestrijden. Die moeite werd beloond, en het was voor den binnentredende een aardig schouwspel, freule Bertha te zien troonen in het midden dezer ouderwetsche, maar uitnemend gekonserveerde en van piëteit getuigende heerlijkheden. Zij droeg nooit anders als zwarte of donkerbruine kleederen, eer sluik dan ruim, en wanneer zij oprees uit haren stoel, zag men eene lange gestalte zich verheffen, die behoefte scheen te gevoelen aan een steun. Meestal legde zij dan hare eene hand op den rand der tafel, en maakte met de andere eene wuivende beweging om hare bezoekers te verwelkomen. De gladde mouwen van haar kleed waren zoo lang, dat zij de vingers halverwege bedekten, en ruime manchetten van geplooid batist deden hare handen nog smaller en kleiner schijnen dan de natuur ze gemaakt had. Van geplooid batist was ook de kraag vervaardigd, die haren hals omsloot en een gedeelte van hare schouders bedekte, en evenzoo de breede half nederhangende strook om hare met geen enkel lint versierde muts. Een korte, bijna sneeuwwitte lok, die aan weerszijde op hare slapen rustte, verhoogde nog het eerwaardige in de uitdrukking van haar gelaat. Zij was eene oude vrouw, dat teekenden niet slechts die grijzen lokken, maar ook de scherpe trekken om neus en mond, de zaamgetrokken plooijen der oogleden, de horizontale groeven in het voorhoofd; doch eene afgeleefde vrouw was zij niet. Er brandde in hare verduisterde oogen een dier stille vuren, welke aan inwendig verlichte wit porseleinen vazen doen denken: een gesluijerde gloed, maar die het langer uithoudt dan sommige kunstige lampen.

--"Is freule Steinmetz familie van u?" vroeg André aan Lidewyde, toen hij weder nevens haar in het open rijtuig zat en zij door de woelige straten, waar in winkel aan winkel het vrijpostig gaslicht schitterde, naar Soekabrenti terugkeerden.

--"Van mij? In het minst niet. Ik heb geene familie in dit land. Zij is eene vriendin van mijne schoonmoeder, meer niet. Doch wij verkeeren met haar alsof zij eene nabestaande van ons was. Denkt gij dat Emma het met haar zal kunnen vinden?"

--"Ongetwijfeld zal zij dat. Dacht gij van neen?"

--"Dat is de vraag. Ik laat aan freule Bertha's goede kwaliteiten volkomen regt wedervaren, en naar hetgeen gij mij van Emma verteld hebt, houd ik het er voor, dat zij elkander uitmuntend verstaan zullen. Doch zult gij boos worden, indien ik zeg, dat Emma's smaak en de mijne vermoedelijk in één opzigt verschillen? Om u de waarheid te zeggen, mij is freule Bertha te stemmig. Ik erken dat zij van alle vrome dames in de stad de eenige is, die ik waarlijk liefheb; de eenige, bij wie ik het kan uithouden. Niettemin maakt zij mij met hare bidstonden en hare bijbeloefeningen somtijds zenuwachtig."

--"Is freule Steinmetz iemand van die kleur? Dat verwondert mij. Ik zou haar voor eene vrouw van de wereld gehouden hebben."

--"In vele opzigten is zij dat ook; maar hebt gij niet opgemerkt dat zij somtijds geheel en al in den preektoon vervalt? Mij frappeerde het ten minste, dat zij op ik weet niet welk gezegde van u aanstonds eene zedeles liet volgen."

--"Ik zou het mij ontgeven hebben; doch ja, nu gij er mij aan herinnert, er was iets preekerigs in de manier waarop zij zeide dat ik niet moest toegeven aan het gevoel van teleurgestelde verwachtingen. Houdt zij dikwijls van die kleine sermoenen? Denkt gij dat zij Emma zal willen bekeeren?"

--"Heb daar geene vrees voor. Gij hebt zelf kunnen bemerken dat de natuur bij haar boven de leer gaat. Ook moet gij aan mijn oordeel over haar niet te veel waarde hechten. Freule Bertha gaat door voor de goede genius van mijn mans familie, en het zou mij leed doen, indien gij anders over haar dacht. De schuld ligt aan mij. Ik houd niet van vrome menschen."

--"Er is vroom en vroom."

--"Jawel, gelijk er blond en blond of bruin en bruin is. Maar zoo bedoel ik het niet. Met vroom meen ik bekrompen. Freule Steinmetz is eene ongewone, eene voortreffelijke, eene allerliefste oude vrouw; maar denkt gij, indien gij of ik iets deden waarover de domme wereld het hoofd schudde, dat zij het ons vergeven of zich met onze verdediging belasten zou? Maak u daaromtrent geene hersenschimmen. Zelden heb ik eene vrouw ontmoet die zoo =à cheval= is op hetgeen zij hare eeuwige waarheden noemt. En ik bid u, wat zijn eeuwige waarheden? Laat een vooroordeel honderd jaren geduurd hebben, en gij zult menschen vinden, bereid om voor dien waan den marteldood te sterven."

--"Met uw verlof, Lidewyde..."

--"Ik weet wat gij zeggen wilt; maar ga met mij mede, en ik zal u bewijzen dat vergankelijk barège somtijds evenveel waarde heeft als de bovennatuurkunde van freule Bertha. Marcelis, stilhouden bij Madame Philidor!"

--"Om u te dienen, mevrouw," antwoordde Marcelis van den bok, even het hoofd omwendend; en met een sierlijken zwaai reed hij tot vlak voor de stoep van het hem welbekende mode-magazijn.

Zulke dames behoeven zulke koetsiers.

ELFDE HOOFDSTUK.

--"Te veel en te weinig;" zeide André bij zelven, toen hij den volgenden ochtend onder het kleeden zijne kamer op en neder stapte. "Dijk is een zot, beweerde mijn oom, en ik zal niet ontkennen dat daarvan iets aan kan zijn; doch mijn oom had zelf een slag van den molen weg, toen hij met minachting over Lidewyde sprak. Lidewyde is eene vrouw, gelijk er niet vele gevonden worden. Zij toont veel minder humeur dan ik gedacht zou hebben. Dijk schijnt mij toe, geen man voor haar te zijn. Het zal mij benieuwen, welken indruk die dokter op mij maken zal. Wie weet of mijnheer Ruardi niet nog iets anders is als Adriaans boezemvriend? Dat zou komiek zijn, maar verwonderen zou het mij niet. Lidewyde is juist eene vrouw om een minnaar te hebben. Het eene oogenblik is zij buitengewoon vrij in haar spreken, het andere oogenblik weet zij zich op zulk eene natuurlijke wijze in te houden, dat men er dupe van is. Wie zou gedacht hebben, toen zij gisteren-avond met freule Steinmetz zat te praten, dat zij geene vijf minuten daarna over diezelfde dame zulk een vrijmoedig en, naar mij voorkomt, zulk een juist oordeel vellen zou? Doch met hare schoonheid en haar smaak maakt zij alles goed. Het kleedje, dat zij voor Emma gekocht heeft, is inderdaad een model van bevalligheid, en het was een lieve inval van haar, mij met zich mede te nemen in dat magazijn en mij voor de leus te raadplegen over hetgeen zij kiezen zou. Zij heeft blijkbaar verstand van toilet maken, en alles staat haar goed. Zonder mooijer te zijn dan Emma, is zij toch ook in hare soort eene schoonheid. Zij heeft iets vorstelijks over zich. Emma doet mij denken aan een vergeet-mijnietje, Lidewyde aan eene tulp. Het zou inderdaad grappig zijn, indien tusschen haar en dien dokter de eene of andere relatie bestond. Hij schijnt een jong weduwnaar te zijn met een interessant voorkomen. Bovendien beweert Adriaan dat hij een aardige prater is. Noch het een, noch het ander maakt het minder waarschijnlijk dat Lidewyde iets met hem heeft. Wij zullen zien. Misschien vind ik dat geheim nog wel uit, en wie drommel weet of Lidewyde's gedienstige geest Sarah..."

Er werd aan de deur getikt.

--"Binnen!" riep André, die niet zoo verdiept geweest was in zijne meditatien, of hij had onder de hand zijn toilet voltooid, zoodat hij zonder schroom voor den bediende kon verschijnen, dien hij meende voor zich te zullen zien.

De deur werd behoedzaam geopend. Het was--de gedienstige geest Sarah met een brief in de hand.

--"Mijnheer Dijk heeft mij gelast u dezen brief ter hand te stellen", zeide zij, "en u tevens te verzoeken, indien het u schikt, van middag tusschen tweeën en drieën even bij hem aan het kantoor te komen."

--"Is mijnheer Dijk al naar de stad?" vroeg André, den brief aannemend en onderwijl een blik op het adres werpend, waarin hij aanstonds de hand van Emma herkende.

--"Mijnheer scheen het van ochtend buitengewoon druk te hebben", antwoordde Sarah. "De besteller heeft daareven meer dan een dozijn brieven gebragt, waaronder ook deze was, dien mijnheer in vergissing bijna opengebroken had."

--"Dat bemerk ik," zeide André lagchend, terwijl hij den aan de achterzijde half gescheurden enveloppe bezag. "Nu, de fondsen zouden er niet door gerezen of gedaald zijn, al had mijnheer Dijk bij ongeluk kennis genomen van den inhoud."

--"Mijnheer Dijk heeft mij ook nog opgedragen u te zeggen," vervolgde Sarah, zonder André's opmerking te beantwoorden, dat hij tusschen tweeën en drieën in de stad een bezoek van dokter Ruardi verwacht, en hij van die gelegenheid gebruik wenscht te maken om u aan den dokter voor te stellen."

--"Zeg mij eens, Sarah," zeide André, eensklaps van toon veranderend, "dokter Ruardi is immers dezelfde persoon, met wien ik u een dezer dagen in den tuin heb zien wandelen?"

Sarah, die tot hiertoe zonder gemaaktheid onafgebroken naar den grond gestaard had, sloeg thans de oogen langzaam op en vestigde op André een blik, dien hij wel belangwekkend vond, maar die hem nogtans niet zeer aangenaam aandeed. Evenwel verdween die ongunstige indruk, toen zich over Sarah's gelaat een glimlach verspreidde; de statige, wellevende glimlach der matrone van goeden huize, zou men gezegd hebben, die zich in stilte vermaakt met een onschuldigen inval.

--"Ik wenschte wel, mijnheer," zeide zij, "dat gij die vraag niet enkel uit nieuwsgierigheid gedaan hadt."

--"Waarom, Sarah? Mag ik niet nieuwsgierig zijn te weten, of dokter Ruardi en zeker iemand elkander van nabij bestaan?"

--"Van mogen of niet mogen is geene spraak, mijnheer; maar indien ik aan uw verlangen voldeed, zou het u aanstonds spijten, door mij ingelicht te zijn. Het is immers waar, dat uwe aanstaande hier zal komen logeren?"

--"Mij dunkt, Sarah," zeide André, eenigszins geraakt over die vrijpostige wedervraag, "dat gij en ik, waar het op nieuwsgierigheid aankomt, elkander niets te verwijten hebben. Nu ja, er is spraak van, dat jufvrouw Visscher eenige dagen ten huize van freule Steinmetz zal komen doorbrengen; maar wat zou dat?"

--"Vergeef mij, mijnheer, ik wilde zeggen, dat uw engagement met jufvrouw Visscher het voor u eene onverschillige zaak doet zijn, te weten of niet te weten, wie dokter Ruardi is."

--"Ik bid u, Sarah, laat ons over iets anders spreken. Dokter Ruardi heeft met mijn engagement niets te maken."

Sarah deed alsof zij wilde vertrekken; André alsof hij gaarne alleen wilde zijn. Doch de een wist nog niet hetgeen hij verlangde te weten, en de ander moest nog zeggen hetgeen zij op het hart had.

--"Ik erken, mijnheer," zeide zij, "dat mijn toon u ongepast moet voorkomen; doch indien gij wist hoe hartelijk ik aan mevrouw Dijk gehecht ben, zoudt gij mij ongetwijfeld mijne onbescheidenheid ten goede houden."

--"Is mevrouw Dijk dan ook al in de zaak betrokken? Gij wordt hoe langer hoe duisterder, Sarah."

--"Mevrouw Dijk is de hoofdpersoon, mijnheer; doch indien zij kennis droeg van hetgeen ik u thans mededeel, zou ik voor altijd hare genegenheid verbeuren. En hare genegenheid is voor mij alles waard.".

--"Hetgeen gij mij thans mededeelt? Gij deelt mij integendeel niets ter wereld mede, en ik vraag mij nog altijd af wat gij eigenlijk zeggen wilt."

--"Belooft gij mij op uw woord van eer, mijnheer Kortenaer, dat hetgeen ik u zeggen zal een diep geheim zal blijven? Dat mevrouw Dijk daarvan nimmer iets bemerken zal?"

--"Dat spreekt, Sarah. Maar indien hetgeen ik van u vernemen zal niet duidelijker is dan hetgeen ik tot hiertoe te weten kwam, zal ik voor mevrouw Dijk niet veel te verbergen hebben."

--"Nu dan, dokter Ruardi,... doch ik kan er staat op maken, niet waar, dat gij mij niet verklappen zult?" fluisterde Sarah.

--"Wilt gij zeggen dat dokter Ruardi mevrouw Dijk het hof maakt?"

--"Wat erger is, mijnheer, hij vervolgt haar met zijne beleefdheden tot in haar eigen huis."

--"Mij dunkt, tegen dat ongerief is kruid gewassen. Aan lastige minnaars wijst men de deur."

--"Doch indien die minnaar de vriend des huizes is? Indien de heer des huizes geen kwaad van hem kan hooren spreken? Indien men geen afkeer, zelfs geene onverschilligheid kan laten blijken, zonder vijandschap te stichten en opspraak te verwekken? Neen, mijnheer Kortenaer, er is maar één middel om mevrouw Dijk van de vervolgingen van dokter Ruardi te verlossen, zonder in de plaats van het eene kwaad een ander en grooter te brouwen."

--"En waarin zou dat middel bestaan?"

--"Dat weet ik niet, mijnheer. Of liever, het zou niet baten het u te noemen; en daarom spijt het mij dat gij naar dokter Ruardi gevraagd hebt. Dingen, die niet gebeuren kunnen, al zou men het nog zoo gaarne willen, moet men zich uit het hoofd zetten."

--"Hoor eens, Sarah, mijn eerbied voor mevrouw Dijk is zoo groot, dat ik er mij in verheugen zal, haar op de eene of andere wijze van dienst te kunnen zijn. Zeg mij uw plan, en ik zal zien."

--"Mijn denkbeeld is onuitvoerbaar, mijnheer, en dat grieft mij het meest. Ik zou willen, dat iemand zich ongemerkt tusschen mevrouw Dijk en dokter Ruardi plaatste; dat mevrouw Dijk in de gelegenheid werd gesteld, hare genegenheid in schijn op iemand anders te vestigen, en zoo te vestigen, dat dokter Ruardi van alle verdere pogingen om haar te behagen voor goed afzag. Doch ik vraag u, wat baat het, u met deze wenschen bekend te maken? Binnen weinige dagen zal jufvrouw Visscher uwe geheele aandacht in beslag nemen; ieder weet hier daarenboven, of zal weldra weten, dat gij geëngageerd zijt; dokter Ruardi zal geen oogenblik dupe zijn van de beleefdheden die mevrouw Dijk voor u zou kunnen hebben, en zoodra gij ons zult hebben verlaten, zal die goede mevrouw haar kruis weder moeten opnemen."

--"Gij hebt gelijk, Sarah: ik kan de dienst, waarvan gij spreekt, onmogelijk bewijzen."

--"Niet waar, mijnheer? Mijn plan is eene hersenschim. Hoe zoudt gij onder de oogen van jufvrouw Visscher, van wie gij doodelijk zijt, den schijn kunnen aannemen alsof tusschen mevrouw Dijk en u iets bestond? Niemand kan zulk eene rol spelen. Het zou eene onnatuurlijke, eene scheve, eene in alle opzigten valsche verhouding zijn."

--"Dat zou het, Sarah. Eene in alle opzigten valsche verhouding."

--"En waartoe zou het dienen? Al de belanghebbenden zouden u onmiddelijk in de kaart zien."

--"Onmiddelijk."

--"Het zou een komedie zijn zonder knoop, een vervelende roman zonder intrige."

--"Een vervelende roman."

--"Tenzij misschien jufvrouw Visscher er in toestemde, mede te spelen? In dat geval zou de knoop niet onaardig kunnen worden."

--"Jufvrouw Visscher zal zich daartoe nimmer leenen. Zij is een veel te gevoelig en veel te ernstig meisje voor zulk soort van aardigheden."

--"Dat dacht ik wel, mijnheer; en zonder u een kompliment te willen maken, voeg ik er bij: indien zij anders was, zoudt gij haar niet voor uwe aanstaande vrouw gekozen hebben."

--"Zoodat Sarah?"

--"Zoodat ik u verschooning vraag voor mijne dwaze praatjes, mijnheer. Hoe gaarne ik mevrouw Dijk ook van haren vervolger zou willen bevrijden, ik kan het denkbeeld niet verdragen, dat, buiten dokter Ruardi, iemand daardoor eenig leed ondervinden zou."

--"Dat is braaf van u. En mag ik nu eens even zien wat deze brief inhoudt?"

Sarah liet zich gedwee de konversatie opzeggen. Haar doel was bereikt. Met de enquête, die zij zich had voorgenomen in te stellen, behoefde zij niet op eenmaal gereed te komen. Zij wist nu voorshands genoeg van André.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Voor derden moest de toon van Emma's brieven iets te kinderlijks hebben. Het flinke in haar karakter kwam in haar korrespondentie niet tot zijn regt, en zij scheen alleen woorden te kunnen vinden voor eene zachtheid, die aan zoetheid grensde. Doch André genoot te zeer van het bezit van haren brief en van hetgeen daarin streelends was voor zijne fatuiteit, om door die eenzijdigheid getroffen te worden. Zich aangebeden te weten, was voor hem, zonder dat hij zich daarvan rekenschap gaf, de streelendste der gewaarwordingen; en een ingewijde zou het hem kunnen aanzien, dat hij op dit oogenblik meer dan louter een gevoel van welbehagen ondervond. De zelfvoldoening waarmede hij, alvorens zijne lektuur aan te vangen, een laatsten blik in zijn toiletspiegel wierp,--Emma zou, indien zij tegenwoordig had kunnen zijn bij die pantomime, tevreden zijn geweest over haar triomf.

Zij schreef:

"Maandag-ochtend.

"Ik neem dit blaadje uit mijne portefeuille, zonder te weten wanneer ik het opvouwen en verzenden zal. Dat zal afhangen van uwe eigen vlugheid in het schrijven. Zoo lang ik geen brief van u heb, volg ik het voorbeeld dier lieve ouders, wier kinderen zich in de Oost bevinden, en die iederen dag eenige regels voegen bij den brief, bestemd om met de eerstvolgende mail hun toegezonden te worden. Zoo lang zal het nu wel niet duren eer ik dezen op de post doe, maar wachten is wachten, en wanneer gij niet bij mij zijt, is het zoo goed alsof gij in de Oost waart.

"Ik zal eerlijk zijn en bekennen dat ik den geheelen nacht van u gedroomd heb. Waarom zijt gij ook zoo lief? Toen wij gisteren-avond aan het venster stonden, zou ik met u hebben willen wegvliegen naar die schitterende ster, boven de maan. Van ochtend vroeg zou ik gewild hebben, dat gij met mij in den tuin had kunnen wandelen, en op dit oogenblik wenschte ik dat gij tegenover mij zat, terwijl ik aan het schrijven ben. Helaas, mijnheer, men is uwe slavin of men is het niet!

"Daareven ben ik, snuffelend in vaders woordenboeken, achter den franschen naam gekomen van het vogeltje, welks hollandsche de eer niet heeft u te behagen. =Oiseau grenadier= heet het, en nu behoef ik mij de fraaije snorren van mijn baardmannetje niet langer te schamen. "Ik acht een schoonen naam, die waardig wordt gedragen," en hij draagt den zijnen met even veel digniteit als zijne knevels. Doch gij, mijnheer, indien uw wijfje stierf, zoudt gij even als mijn baardmannetje en zijne stamgenooten wegkwijnen van verdriet? Neem mij niet kwalijk dat ik op dat punt overdreven nieuwsgierig en een weinig ongeloovig ben. Och, André, indien gij mij half zoo lief hadt als ik u, gij zoudt... Doch ik behoef u niet bepaald dwaasheden te zeggen.

"De tuinman is ons van ochtend eene nieuwe stamroos komen brengen, eene =François premier=. Zij is donkerrood met een vol hart en ruikt overheerlijk. Ik vrees alleen dat ik haar niet zal kunnen aanzien zonder dikwijls aan de arme vrouwen te denken, die koning Frans ongelukkig gemaakt heeft. De bloem is prachtig en herinnert aan de warme kleuren van Titiaans portret, op het Trippenhuis te Amsterdam. Maar voor eene nieuwe roos vind ik den naam ongelukkig gekozen. Waarom niet =Romeo=? Waarom niet =Abélard=? Bijna schreef ik,--doch ik heb mij nu eenmaal voorgenomen geene dwaasheden te zeggen,--waarom niet =André=?

"Omtrent de ontvangst bij uw oom zult gij mij wel het noodige schrijven, ook al vraag ik daar niet naar. Droom ik voor een keer dat gij mij niet liefhebt, of dat men mij van u scheiden wil (doch gelukkig gebeurt dat bijna nooit), dan is altijd uw oom de persoon, die zich tusschen u en mij komt plaatsen. Ik heb hem maar eenmaal in mijn leven gezien en zou geene dragelijke reden kunnen aanvoeren voor de vrees die hij mij inboezemt. Doch ik ben bang voor hem; en (ach, wanneer zult ook gij aan voorgevoelens gelooven!) eene geheime stem zegt mij dat ik hem geen onregt doe.

"Een nieuwtje. Van avond komt Miss Sampson, de vrouwelijke Numa Pompilius van mijne jeugd, thee bij ons drinken. Tot mijne spijt wil moeder haar voor eene week te logeren vragen, wanneer de familie op Jagtlust, waar zij op dit oogenblik geherbergd is, genoeg van haar hebben zal. Ook met haar ben ik maar half op mijn gemak. Zij is met den tijd geheel en al eene schooljufvrouw geworden en behandelt alle menschen als kostmeisjes. Toen zij nog maar de secondante was, vond ik haar veel liever. Vrees niet, wanneer wij getrouwd zullen zijn, dat =ik= haar te logeren vragen zal. Oude vrijsters voegen niet in jonge huishoudens, en wanneer ik kiezen moet, zie ik liever tien van uwe vrienden komen dan één Miss.

"Van die vrienden van u hoop ik nog eenmaal partij te trekken, dat weet gij. Het minst dat gij koel tegen mij zijt, word ik koket en maak ik u jaloersch. Dat zal eene voortreffelijke uitwerking doen. Of kunt gij niet jaloersch worden? In antwoord op die vraag zie ik u fijntjes glimlagchen; doch ik stoor mij niet aan dien spot, en zal mij te mijner tijd weten te wreken. Dit voorspel ik u, dat indien gij immer ophoudt mij het hof te maken, en gij een dier akelige getrouwde mannen wordt gelijk ik er sommige ken, gij weinig genoegen aan mij beleven zult.

"Waarom heb ik u lief? Waarom heb ik mijn hart geschonken aan een man die mij uitlacht, mij drilt, mij tiranniseert, mij op alle mogelijke wijzen doet gevoelen dat de vrouwen zwijgen moeten in de vergadering? Helaas, al werd ik honderd jaren oud, dat raadsel, vrees ik, zou onopgelost blijven. En toch zeggen de wijze menschen dat alles eene reden heeft! Lieve hemel, heeft dit geschrijf dan eene reden? Ik vrees integendeel dat het de zinneloosheid-zelve is."

"Dinsdag-ochtend.

"Nadat ik u geschreven had, is de tijd gisteren mij minder lang gevallen dan ik had durven hopen... Ondankbare die ik ben! Men zou de liefde gaan haten, wanneer men bemerkt hoe zelfzuchtig zij maakt. De twee wezens, van wie ik na u op deze wereld het meest houd, hebben mij den genoegelijksten dag bezorgd dien men bedenken kan; en ik spreek alsof de trage uren langzaam omgekropen waren en ik de minuten had zitten tellen in eene gevangenis, even als weleer op de hangklok in de schoolkamer van Miss Sampson!