Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java
Part 8
Eindelijk kwamen onze jongens terug met het navolgende berigt: "Mijn Heer! Wij kunnen geene Koeli's vinden; de Koeli's, die te Gnoetnig te huis behooren, zijn gisteren slechts tot aan Paréang medegegaan en uwe pakkaadje hebben wij door mannen uit die plaats hierheen laten brengen. Wij vermeenden, dat zij nog hier waren, maar zij zijn weggeloopen zelfs zonder te wachten, totdat zij betaling hadden ontvangen. Zij waren ongetwijfeld beducht, dat zij nog verder zouden moeten medegaan. En hier te Gnoerag is geen mensch te vinden, uitgenomen de vrouwen en een paar knapen."
Zonderling. Gisteren avond, bij gelegenheid van de tijgerjagt, was er meer dan een dozijn wakkere mannen op de been en nu waren zij allen, op enkele knapen na, verdwenen. De vrouwen zeiden: "mijn man is op den Oema" (het drooge rijstveld), "mijn man is gaan visschen, mijn man zoekt Rotan in het woud,"--de meesten echter hielden zich in hunne hutten verborgen en lieten het voorkomen als of zij afwezig waren. Wij stelden den Loerah een half dozijn Spaansche matten (dollars) ter hand en verzochten hem met onze bedienden in de hutten te gaan, ten einde te beproeven hoe ver wij met klinkende munt en overreding konden komen. Na lang praten bragt hij het eindelijk zoo ver, dat eenige Javanen--wel is waar, schoorvoetend en langzaam--buiten hunne hutten traden. Maar zij bragten tevens ieder eene verontschuldiging mede. De een spoorde den anderen aan en zei: "Kom! gaat gij mede; de Heer kan toch zelf zijn koffers niet dragen;"--de aangesprokene moedigde weder een derde aan om mede te gaan,--de derde een vierde en ieder van hen had gaarne gezien, dat een ander zich daartoe bereid had betoond, maar om het zelf te doen, daartoe gevoelde de eerste zoo min lust als de tweede, de derde of de vierde.--Onder de Gamelanspelers was er een, die een begeerig oog sloeg op de Spaansche matten, welke de Loerah hem voorhield; hij nam er een in de hand, draaide ze om, bekeek haar nu aan dezen, dan weder aan den anderen kant;--zij beviel hem uitmuntend, gaarne had hij ze behouden, maar--daaraan zijn gemak op te offeren, zijn dolce far niente te laten varen! over het gebergte te gaan! ver van hier naar een ander dorp en nog bovendien een koffer te dragen! op het heetste van den dag!--neen, dat was te veel gevergd. Hij trok een bedenkelijk gezigt, gaf, met de blikken naar den grond gewend, den dollar aarzelend terug, zette zich neder, zweeg en--kaauwde Siri.
Eindelijk naderden eenige knapen: "ik, mijn Heer! ik wil meê!" en een derde, een ongeveer zestienjarige knaap, die de oudste van hen scheen te zijn, zeide: "indien ik de Spaansche mat krijg, ga ik meê." Maar wat zouden wij uitrigten met deze drie knapen, waarvan twee nog volslagen kinderen waren. Toen nu de Loerah uit Gnoetnig gewaar werd, dat onze zaken verkeerd liepen, verontschuldigde hij zich insgelijks zeer beleefdelijk en verzocht om onze toestemming, ten einde nu mede naar zijn dorp terug te keeren. Hoe ongaarne wij ons dezen laatsten troost zagen ontvallen, was zijn verlangen toch te billijk om van de hand gewezen te worden. Wij beloonden hem voor zijne moeite en hij vertrok. De weduwe, in welker hut wij onzen intrek hadden genomen, naderde nu en zeide: "Och, mijne Heeren! waarom maakt gij zulk een haast! Bevindt gij u hier niet naar uw wensch? Gij kunt vertoeven, zoo lang gij verkiest,--morgen of overmorgen zullen er wel Koeli's te vinden zijn;--wij blijven immers voortdurend hier!"--en stellig houd ik mij overtuigd, dat wij maanden lang aldaar hadden kunnen vertoeven, zonder dat een enkele bewoner van het dorp ons een onvriendelijk gezigt zou hebben getoond, en wel voornamelijk indien wij deel hadden genomen in hunne dagelijksche bezigheden en hunne wijze van leven hadden gevolgd. Zonder twijfel zouden wij hen dan welkom geweest zijn. Maar--een ongewoon werk te doen, Koelidiensten te verrigten, daartoe konden zij uit eigen beweging niet besluiten! Liever hielden zij hun gemak en--bleven arm, gelijk zij waren, te huis.
Wat stond ons nu te doen? Van de medegebragte bevelschriften wilden wij, zoo als vooraf was bepaald, geen gebruik maken. Zouden wij derhalve blijven? Natuurlijk; want aan het voortzetten van onzen togt kon althans heden, welligt ook morgen of overmorgen, niet worden gedacht. Wij schreven nu uit onzen eigen naam een brief aan het hoofd van het naburige distrikt, met verzoek om ons 12 Koeli's toe te zenden, en voegden daarbij alleen nog onzen pas, ten einde hem de overtuiging te doen erlangen, dat wij bevoegd waren om in de binnenlanden te reizen. Deze brief werd in folioformaat gevouwen en met een rood zegel van indrukwekkende grootte voorzien. Wij gaven nu aan de dorpsbewoners te kennen, dat de inhoud van dezen brief van 't hoogste gewigt was, dat hij noodzakelijk moest bezorgd worden en dat de Kapala tjoetak (het distriktshoofd), indien de brief niet aan hem werd ter hand gesteld, zulks zou beschouwen als eene daad van ongehoorzaamheid jegens hem zelven gepleegd. Op die wijze gelukte het ons een der Javanen te overreden om den brief, tegen betaling van 2 1/2 gulden, waarvan wij er 1 1/2 vooruit moesten geven, te brengen naar het dorp, alwaar het distriktshoofd woont (Pakamitan), hetwelk ongeveer eene kleine dagreis van hier kon liggen.--Van eene voldoende hoeveelheid Nasi (gekookte rijst) voorzien, welke in Pisangbladeren en schellen van den Pisangstam was gepakt--onze brief had hij behoorlijk in drooge bladscheeden van den Djambé-(of Penang-) palm gewikkeld, ten einde hem voor nat worden te bewaren,--stapte onze bode, met den Gòlok op zijde, zijn pakje rijst op den rug en onzen brief op zijn hoofd, alwaar hij tusschen de vouwen van zijn hoofddoek uitstak, omstreeks negen ure het dorp uit.
Wij lieten nu kippen en andere levensmiddelen aankoopen, gaven eenigen onzer bedienden den last onze hut op eene betere wijze in te rigten, en bevalen den kok--dit gewigtige ambt bekleedde een ander van hen--om voor een goeden maaltijd zorg te dragen.--Welgemoed behoort men zich te onderwerpen aan hetgeen onvermijdelijk is. Tot nader order zetteden wij derhalve alle verdriet van ons af, beraamden dadelijk een nieuw plan voor datgene, 't welk den bodem was ingeslagen en besloten om, met de helft onzer bedienden, den naastbij gelegen hoogen berg te beklimmen. Wij voorzagen ons van eene kleine hoeveelheid Nasi, Pisang, Dendeng, eene kruik water (Gindi), namen een jagtgeweer, eenige natuurkundige instrumenten en dergelijken mede en joegen de drie dorpsjongens, die zich vroeger tot het verrigten van Koelidiensten hadden aangeboden, voor ons uit, om ons nu bij onzen togt bergopwaarts te begeleiden. Want zelfs tegen ruime betaling wilden zij vrijwillig "zulk een hoogen berg" niet beklimmen. Wij hadden hen echter volstrekt noodig om de vroeger opgenoemde voorwerpen te helpen dragen, en dewijl moeten een bitter kruid is, zoo--verschaften zij ons het genoegen van hun aangenaam bijzijn. Wij waren acht man sterk en stapten vrolijk naar den Goenoeng-Amlong heen, zoo heet een verder noordwaarts gelegen en wel het hoogste gedeelte der lange bergketen, welke het Tji-Nagnéakdal aan de westzijde begrenst. Zij verheft zich in de opgenoemde rigting tot een hoog en steil bergjuk, dat met een somber, onafgebroken woud is bedekt; door dit woud wilden wij ons een weg naar den bergtop banen. Geen enkel wolkje liet zich nog in het luchtruim bespeuren.
Aanvankelijk trokken wij door vlakke streken, die heinde en verre met hoog groeijend Alang alanggras waren bedekt. Allengs echter liet zich nu en dan een zacht togtje bespeuren; het Alanggras golfde als een korenveld, dat door den adem des winds wordt bewogen. De omgebogen bladeren kaatsten, als zoo vele spiegels, de zonnestralen terug en vormden daardoor een meer zilvergrijs dan groen tapijt, waarvan de heldere glans het oog verblindde. De hitte nam meer en meer toe, terwijl wij onzen togt voortzetteden door deze graswildernis, die zich voor onze voeten opende en zich achter ons weder sloot, en waarin wij tot aan de schouderen, de Javasche knapen tot over de ooren toe verborgen waren, zoodat de stijve, scherpe bladeren hen bij het gaan het vel van het aangezigt open reten. Wilde zwijnen--de alledaagsche kost der tijgers--sprongen allerwege op en verdwenen al knorrend even spoedig uit ons oog. Hier en daar troffen wij kleine Oema-velden aan, waarop Padi (rijst), Djagong (maïs) of Kapas (kleine katoenstruiken) groeiden en die als opene, van alle onkruid gezuiverde plekjes in de graswildernis verstrooid lagen.
Langzamerhand begon de bodem te rijzen; wij hadden den voet van het gebergte bereikt en kozen een der vooruitspringende bergribben om het te beklimmen. Het gras dat hier groeide, werd allengs korter en geleek, meer dan het gindsche in golven op en neder bewogen wordende, verstikkend heete Alanggras, op dat onzer Hollandsche weidevelden. Hier groeide tusschen het gras eene menigte prachtige purperroode bloemen, Onjé of Koening, waarvan de aromatische wortelen het hoofdbestanddeel vormen der Keri, aan welke zij eene gele kleur mededeelen; op vele plaatsen verhieven zich afzonderlijk staande Bamboesgroepen, die echter ter wederzijde van de bergrib in de kloven een meer aaneengeschakeld woud vormden. De wind ruischte allengs sterker door het loofgewelf; het ritselen van het fijne, drooge gebladerte, dat zich boven onze hoofden boogsgewijs vereenigde en ter zijde in guirlandes afwaarts hing, nam hand over hand toe en het geknars der over elkander heen en weder bewogen wordende Bamboesbuizen,--de kolossale stengels dezer grassoort,--die de dikte van een mansarm bereiken, werd steeds luider, naar mate wij hooger langs de bergrib opklommen. Enkele herten (Mendjangan) huppelden er tusschen door en kleine dassen (Bioel) werden wij hier en daar gewaar, die zoo snel mogelijk zich in hunne holen aan de zijwaarts gekeerde hellingen der bergrib trachtten te verschuilen. IJlings wierpen de Javasche knapen den last, welken zij droegen, neder, liepen deze kleine, volkomen onschadelijke dieren na om ze te vangen of te dooden, niettegenstaande zij oneetbaar zijn. Niet dan met moeite kon Nacht hen daar van terug houden; hij sprak hen op de volgende wijze toe: "wij moeten nimmer eenig dier mishandelen of kwellen, en die, welke ons geen nadeel toebrengen, mogen wij - - -" paf! daar viel een schot; wij keken om en zagen Sidin, die mijn geweer had gedragen, naar een hert ijlen, dat hij geschoten had. Nacht had willen zeggen: - - - die ons geen nadeel toebrengen, mogen wij niet dooden en Sidin had deze les in dier voege voltooid: wij moeten echter de aandrift der natuur volgen en mogen dezulken onder de onschadelijke dieren wel dooden, wier vleesch wij kunnen eten, dewijl plantenvoedsel alleen voor onze behoefte niet toereikend is.
Ten einde bij onzen terugtogt de plek te kunnen wedervinden, waar het doode wild lag, plaatsten wij een boomtak midden in den weg en zetteden vervolgens onze reis bergopwaarts weder voort.--Langzamerhand verdwenen de Bamboesboschjes en in plaats daarvan verhieven zich groepen fijn gebladerde acacia's (Djoendjingboomen); hun in de breedte uitgestrekt loofdak scheen een floers, dat tusschen ons oog en den hemel was uitgespannen en eene menigte grijze apen (Monjet) sprongen al schommelend, als het ware ons ten spot en met elkander spelende, over de lang uitgestrekte takken dezer boomen in het rond.
Spoedig daarop zagen wij den benedenrand van het oorspronkelijke woud, dat zich voor onze blikken verhief als zuilenrijen met gangen tusschen de pilaren, waardoor men in het binnenste kon zien als in eene hoog gewelfde koepelkerk, terwijl elke afzonderlijke zuil met eene koepelvormig zich verheffende loofmassa als het ware met eene groene wolk was gekroond. Wij traden dit gewelf binnen en nu veranderde het gansche tooneel. Ter naauwernood waren wij 200 voet hooger in dit woud opgeklommen, of het heldere zonnelicht was reeds verdwenen, en vervangen geworden door de lommerijkste schemering. Slechts hier en daar ontwaarden wij door eene kleine opening in het loofdak, als door een geopend venster, nog een gedeelte van den blaauwen hemel; in plaats der verhitte lucht, zoo als vroeger, ademden wij nu eene koele, vochtige lucht in; in plaats van het vrije uitzigt, dat wij zoo straks naar alle zijden genoten, zagen wij hier niets dan een groen met millioenen bloemen bedekt weefsel van dooreengegroeide kleinere boomen, struiken en van woekerplanten, die zich van den bodem verhieven, aan de stammen waren vastgehecht of aan de takken afwaarts hingen, en dit kreupelhout besloeg niet alleen de gansche ruimte tusschen de boomstammen, maar reikte ter halver wege van deze zuilen, ja, nog hooger, terwijl daarenboven wilde wijngaardtakken (Aroï ki barera) en andere slingerplanten, namelijk Oë- of Rotansoorten, wier ranken menigwerf de dikte van een mansarm bereiken, tot in de toppen der boomen opklauterden, van daar weder naar den bodem afdaalden, zich op nieuw verhieven en het woud in alle rigtingen doorslingerden. Niet de geringste adem des winds bragt de minste beweging voort in het binnenste van dit woud, maar hoog boven ons in de toppen der boomen ruischte de wind en veroorzaakte een voortdurend gesuis, 't welk zoo gelijkmatig aanhield, zoo diep en dof van toon was, dat men op het denkbeeld zou hebben kunnen geraken het gebruis te vernemen eener branding, klotsend tegen een ver verwijderd strand. Het waren Poespa-, Ki terong-, Bengang-, Palaglar- en een dozijn andere boomsoorten, wier stammen zich hier allen onder elkander, in een woud, slank en hoog als kunstmatig gevormde zuilen verhieven; hunne afgevallen bloemen lagen op den bodem verstrooid in het rond. Tusschen de vorigen rees hier en daar een reusachtige gomelastiek- of Karetboom opwaarts, die als het ware uit honderd andere ineengedraaide of door elkander gevlochtene stammen is gevormd en zwarte apen (Loetoeng) sprongen door hunne takken rond, terwijl groote vogelen (jaarvogels), die zich slechts door hun luid snuiven verrieden, hoog boven het woud heenvlogen. Eindelijk--wij naderden nu den top des bergs--ontwaarden wij eiken-, laurier- en Ki mérakboomen tusschen de anderen, die allengs dunner werden en verder van elkander schenen op te groeijen. Het was nu ongeveer 12 ure. Onze togt door het woud had twee uren geduurd; een open plekje bereikt hebbende, zetteden wij ons neder om uit te rusten. Wij luisterden naar het gezang eens vogels, Manoek kaso geheeten, welks slagen verre door het woud klonken en waarvan wij in de lager gelegene streken des bergs niets hadden gehoord. Te oordeelen naar den stand des barometers, bevonden wij ons nu ter hoogte van ongeveer 4000 voet. Frambozenstruiken, viooltjes, weegbree en valeriaan groeiden hier in het rond, benevens nog andere bloemen, die zooveel overeenkomst hadden met onze Hollandsche flora, dat mijn broeder Nacht er niet weinig van verrast stond.
NACHT. Hoe wonderbaar toch!--Op onzen korten togt van het dorp tot aan deze woudgrens hebben wij bijna alles aangetroffen, hetgeen de Javaan tot voedsel, woning en deksel benoodigd heeft. Zijne hut staat in de schaduw van velerlei boomen, die hem voedzame, verkwikkende en olie opleverende vruchten verschaffen. Siri klimt tegen hunne stammen op en schenkt hem het blad tot het Betelkaauwen. Spaansche peper (Tjabé), welke hij als kruiderij of in plaats van zout met zijne rijst eet, groeit niet verre van daar in de schaduw. Alom in het rond liggen de velden, die hem zijn hoofdvoedsel, rijst en maïs, benevens katoen opleveren, waarvan hij zijne kleederen vervaardigt. Met Alang alang, dat deze velden weder omgeeft, dekt hij zijne hutten. Iets hooger bergopwaarts vindt hij de Bamboesboschjes, wier kolossale stengels (buizen) hij deels bezigt tot balken, deels gekloofd gebruikt om den vloer en de wanden zijner woningen er van op te bouwen, ja, waaruit hij alle stukken van zijn huisraad vervaardigt. Gaat hij nog eenige schreden verder, dan vindt hij gomelastiek en door de natuur geslagen bindgaren en touw (Rotan), dun en dik, zoo veel hij verkiest. Wild wordt overal in menigte aangetroffen. Mag men zich dan nog verwonderen, dat de Javaan, te midden van eene zoo rijke, zoo vruchtbare natuur levende, die hem bijna alles, wat hij behoeft, reeds kant en klaar oplevert, dat hij eenigzins zorgeloos en tot traagheid geneigd is.
DAG. Dat is volkomen waar. De verscheidenheid der producten van het plantenrijk, zoo mede der dieren, welke daarvan afhangen, is buitengewoon groot in dit land, alwaar het gansche jaar door eene gelijkmatige warmte heerscht en waarin hooge bergen worden gevonden. Elke trap van duizend voet, dien wij hooger bergopwaarts stijgen, voert ons in zeker opzigt in een geheel ander land en klimaat, waar wij andere dieren en planten aantreffen dan op den het naast er aan grenzenden of lager gelegen trap. Hier brengt ook weder, gelijk overal elders in de gansche schepping, eene enkele oorzaak--de afnemende warmte naar mate de aardoppervlakte hooger rijst--duizend andere werkingen te weeg. Eerst hebt ge, beneden in het heete land, Alang alanggras met wilde zwijnen ontmoet die zich met Alangwortelen, en tijgers welke zich hoofdzakelijk met wilde zwijnen (met in vleesch en bloed omgezette Alangwortelen) voeden; dan hebt ge streken ontwaard met korte grassoorten begroeid, waarop Bamboes en herten voorkomen die gras eten, benevens Bioel's die op wormen en insekten azen, welke in deze zone, aan de grens der wouden, tusschen vermolmde boom- en Bamboesstammen het menigvuldigst voorkomen;--later hebt ge acacia's aangetroffen, waarin grijze apen rondsprongen, die zich voeden met de peulvruchten van dit geboomte; vervolgens kwaamt ge aan het hoogstammnige oorspronkelijke woud, dat met vijgenboomen aanving en hier met Ki mérakboomen eindigt, op wier takken de Kasovogel fluit, dewijl hij zich met de bessen van deze boomen voedt.--Overal waarheen gij uwe vorschende blikken nadenkend heenwendt, in de gansche natuur zult gij bevestigd zien, dat immer het eene van het andere afhangt en hieruit weder andere gevolgen voortspruiten, en dat een schoon, van het allerhoogste vernuft getuigende, consequent gevolgde plan in het gansche scheppingswerk zigtbaar is, waarvan de grondstelling is: door de eenvoudigste middelen de grootst mogelijke verscheidenheid voort te brengen. Maar zelfs de grootste verscheidenheid in het dieren- en plantenrijk wijkt nimmer af van eene algemeene leidende type, zij brengt in tegendeel overal overeenkomstige--verwante en analoge--vormen voort, die echter, indien de bodem en het klimaat verschillen, toch niet eenerlei zijn. Bezien wij, bij voorbeeld, deze bloemen, deze frambozen, deze valeriaan, deze viooltjes. In het diepland van Java zult gij geen spoor er van aantreffen. Hier bevinden wij ons bijna 4000 voet hooger; het is hier zoo veel koeler dan daar ginds beneden ons en wij ontwaren dan ook geheel andere plantenvormen, namelijk, dergelijken die ons herinneren aan ons koeler, meer noordelijk gelegen vaderland. Onderzoekt gij ze echter meer van nabij, dan ziet ge, dat zij slechts op onze Europesche soorten gelijken, dat het echter niet dezelfde, maar verschillende soorten zijn, en inderdaad zelfs hier op deze hoogte verschilt het Javasche klimaat nog zeer aanmerkelijk van het onze in Holland.
Terwijl wij aldus spraken, hadden donkere wolken zich zaamgepakt en onze jongens spoorden ons aan om haast te maken, ten einde zoo spoedig mogelijk den bergtop te bereiken. Wij hadden tot nu toe een naauw pad gevolgd, 't welk wij hadden beschouwd als een weg, door houthakkers gebaand, maar dit pad werd steeds beter begaanbaar, hoe hooger wij bergopwaarts klommen en, toen wij ten een ure den hoogsten top bereikten, zagen wij met verwondering een Pendopo voor ons, dat is, een open gebouw met een op vier stijlen rustend dak en onder dit dak ontwaarden wij een oud, met dik bemoste steenen bedekt en omringd graf. Vóór den grafheuvel stond eene offerschaal met wierook en enkele nog niet geheel verwelkte bloemen.
Eenige helder ratelende donderslagen wekten ons met schrik uit onze overpeinzing,--wij zagen om en bemerkten, dat de spaanders van een Ki mérakboom in het rond vlogen, die, op een geringen afstand beneden den bergtop staande, door den bliksem getroffen en geheel en al van zijne schors beroofd was geworden. Wit gelijk een spook stond nu daar, aan de helling, de ontzaggelijk hooge boomzuil, die een oogenblik te voren nog beladen was geweest met donkere mosbeddingen en nu een scherp kontrast vormde met de zwarte wolken, die zich steeds digter en dreigender rondom ons zamenpakten. Slechts op een enkel plekje ontwaarden wij, door eene spleet tusschen de wolken, een klein gedeelte van het dal, dat, ver beneden ons door het zonnelicht beschenen, nog zigtbaar was, doch ook dit verdween weldra achter de steeds lager dalende en zich verder uitbreidende wolken.--Wij bevonden ons te midden van eene onweêrswolk.--Al onze begeleiders zaten stil nedergehurkt rondom het graf; zij durfden naauwelijks adem halen, terwijl de bliksemstralen uit hunne zwarte geboorteplaats voortgeschoten, blaauw van schijnsel, maar tevens even hel verlichtend, oogverblindend als het zonnelicht, in zikzak digt voorbij onze oogen de lucht doorkliefden, terwijl de donder ratelde, zoo vreesselijk luide, dat het ons gehoor verdoofde, dat wij verstomd ter aarde zonken,--terwijl tevens de regen in ontzaggelijk groote droppels begon te kletteren, van tijd tot tijd verlicht door de bliksemstralen, die ons bij 3, 4, 5 te gelijk omsingelden, nu links, dan regts, dan van alle kanten, bliksemschietend en oogverblindend, ratelend en oorverdoovend te gelijk,--terwijl de nagalm van den donder weerklonk daar boven in de wolken en beneden langs de berghellingen rolde, zoo vreesselijk diep en luid, met zulk eene basstem en zoo geweldig dreunend, dat de gansche berg onder onze voeten scheen te beven en het ons voorkwam, als of kogels zoo groot als eene kleine aardbol boven ons hoofd over het hemelgewelf her en derwaarts--en onder onze voeten langs het gebergte afwaarts gerold werden,--daar doorkliefde ratelend weder een straal de lucht,--een dof geschrei werd ter naauwernood gehoord en een Javaan, naast wien de bliksemschicht in den grond was geslagen, zonk bedwelmd neder,--wij namen hem in ons midden, wreven hem,--maar tot in het binnenste der ziel geschokt door het al verpletterend geweld der natuurkracht, zaten wij daar digt nevens elkander gehurkt in de bange verwachting hetzelfde lot met hem te deelen,--terwijl de vreesselijkste plasregen neêrstroomde, die ons van de smalle bergkruin dreigde weg te spoelen.
Reeds vernamen wij het bruisen der nieuw gevormde watervloeden en stortbeken, die in het rond van het gebergte afwaarts stroomden,--maar de onweêrswolken begonnen te dalen en zich verder uit te breiden. De eerste en heftigste uitbarsting had plaats gehad digt boven en rondom den hoogsten bergtop, waarop wij ons bevonden, waar de wolken zich het meest en het eerst hadden verdikt. Nu daalde de onweêrsbui reeds lager langs de helling en wij zagen nog slechts enkele bliksemstralen voor ons uit, terwijl de meesten reeds beneden ons uit de wolken voortschoten.--De knaap was slechts bedwelmd geweest en herkreeg weldra zijne bezinning.
NACHT. Zijt gij niet angstig, bevreesd?
DAG. Neen; maar ik ben verbaasd en opgetogen tevens. Het schouwspel is vreesselijk schoon en prachtig. Het oogenblikkelijke van het gevaar echter, waaraan ik blootsta en dat ik niet kan ontvlieden,--het plotselinge van het lot, dat mij hier elken oogenblik kan treffen, maakt dat ik mij in mijzelven verdiep. Ik zie den bliksem, ik hoor den donder en ik sta ontsteld, want ik weet niet welken weg hij zal nemen en ik kan hem niet ontgaan. Indien ik door den bliksem mogt worden getroffen, broeder, delf dan een nieuw graf voor mij hier nevens het oude. Wie kan zeggen wie degene is, die hier begraven ligt. Indien de dooden konden opstaan, dan zou ik het liefst, gelijk deze, op den top eens bergs begraven zijn.
NACHT. Gelooft gij aan de onsterfelijkheid der ziel?