Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java
Part 7
Eene dergelijke Gamelan nu stond, met onze pakkaadje daaromheen, als het ware voor onze oogen nedergetooverd, terwijl eenige Javanen welluidende toonen aan de verschillende muziekinstrumenten ontlokten. Zij zaten daar met de beenen kruiselings over elkander geslagen op uitgespreide matten, voor hunne instrumenten, met de speelhamers in de hand en zagen er tamelijk slaperig uit. Zij schenen slechts het oogenblik te verbeiden, dat de zon boven den horizon zou verschijnen,--het tijdstip waarop onder dezen tropischen hemel iedereen, rijk en arm, zijne legerstede gewoonlijk verlaat,--om hunne instrumenten onder zwaardere slagen te doen klinken. Ik was vóór dien tijd ontwaakt, doch gaf hen te verstaan, dat mijn oudere broeder nog sliep en te gelijk roerden zij hunne handen sneller; zij speelden de melodie van Poetjoeng kanginan, een luid allegro werd gehoord, bim, bam, bim, en--boem klonk de zware basstem van den grooten Gong als een klok boven alles uit, en ziet, mijn broeder Nacht trad aangenaam verrast naar buiten, wenschte mij goeden morgen en wreef van verwondering zijne oogen, toen hij de Gamelan en onze koffers gewaar werd.--Sluipend naderde zijn bediende Lapiah, die met een mijner jongens gisteren de Koeli's begeleid en reeds vóór het vallen van den avond hier had moeten zijn. Hij hinkte--en maakte een erbarmelijk figuur, toen hij daar schoorvoetend naderbij trad. Eindelijk vatte hij moed; hij maakte een buitengewoon feestelijk compliment en begon nu met een "Banjak tabé Toean, djangan mara Toean" een en ander tot zijne verontschuldiging in te brengen. Deze redenering kwam ongeveer hierop neder: Ja, mijn heer, de Koeli's liepen zoo snel als mogelijk was en ik spoorde hen daarenboven voortdurend aan om nog grooteren spoed te maken, ten einde vroegtijdig genoeg alhier te komen; maar aan de Tji-Roké genaderd, kroop eene slang dwars over den weg en die beet mij in mijn linkerbeen.
NACHT. Eene slang, gebeten?
LAPIAH. Ja, mijn heer, maar zij was niet vergiftig.--Mas Poetri heeft haar dood geslagen en voor de verzameling van mijn heer Dag (bij het uiten dezer woorden maakte hij eene buiging voor mij) medegebragt. Toen de Koeli's dit zagen, zeiden zij: dat is een kwaad teeken; op dezen weg durven wij niet verder voortgaan, want wij krijgen stellig een ongeluk, wij moeten een omweg maken en met een sloegen zij een zijpad in, dat langs de andere zijde van het dal loopt, zoodat wij door Desa-Paréang kwamen. En ziet, bedenk eens mijn Heer, hoe toevallig de omstandigheden kunnen zamenloopen, daar werd juist bruiloft gehouden en de Gameelan gespeeld, er waren Ronggeng's en ons werd thee en Koewé koewé aangeboden. Ziet gij wel, zeiden de Koeli's, dat wij geluk hebben op dezen weg en met een schoven zij de koffers van hunne schouders, plaatsten al de pakkaadje onder een Pendopo en wat wij ook deden, wat wij hiertegen inbragten--wij baden, wij dreigden hen, wij stompten er op--maar 't was alles te vergeefs, eenigen vlijden zich neêr, aten Koewé koewé en luisterden naar de Gamelan, anderen tandakten (d. i. dansten) met de Ronggeng's en al onze pogingen waren vruchteloos, wij konden hen niet van daar krijgen. Maar heden morgen ten 4 ure hebben wij er met den stok achter gezeten, hen eindelijk den weg op gedreven, en wetende dat wij op onzen togt voortdurend op den Gong zouden moeten slaan om de tijgers te verjagen, hebben wij gemeend, dat het beter was de gansche Gamelan maar mede te brengen. Ik weet immers, dat mijn Heer veel van muziek houdt. Mijn Heer ziet dus wel, dat het mijne schuld niet is.
NACHT. Gij slimme vos! De klappen, die gij de Koeli's hebt gegeven, zullen wel niet veel pijn hebben veroorzaakt. (Lapiah zette een strak gezigt en eenige andere Javanen keerden zich om, ten einde hun lagchen te verbergen.) Vooreerst hebt gij den ganschen nacht gezwierd en met de Ronggeng's getandakt; ons hebt gij, met verzaking van uwen pligt, hier laten zitten zonder kleederen, zonder wijn, zonder sigaren; ten anderen hebt gij die arme menschen nog bovendien gedwongen midden in den nacht de Gamelan herwaarts te brengen en nu zoudt gij mij nog wel willen wijs maken, dat dit alles geschied is om mij te believen. Maar gij zult zelf de kosten er van dragen.
LAPIAH. Baïk, Toean. Saja poenja oewang abis, kapan soeka pindjam sepoeloe roepia. (Zeer gaarne, mijn Heer. Mijne duiten zijn verteerd; heb de goedheid mij tien gulden te leenen.) Gij hebt toch geld genoeg.
NACHT. (lagchend) 't Is wel, ik zal ze betalen, maak nu slechts dat gij weg komt en breng koffij voor ons beiden.
Dit bevel was voor Lapiah het teeken van verzoening; in zijn ijver om onze koffij in eene der hutten gereed te maken, sprong hij meer dan hij liep en had in zijne vreugde het hinken geheel vergeten, hetgeen de Javanen eindelijk in lagchen deed uitbarsten. Nu kwam ook mijn jongen, Mas Poetri, te voorschijn, die intusschen stil achter de deur gestaan en geluisterd had, met eene groote Sawah-slang, die minstens vijf voet lang was; zij hing aan een stok, welken hij voor zich uitdroeg. Na eenige strijkaadjen en buigingen begon hij op gelijke manier als de andere, Tabé Toean, enz., enz., deed nu ongeveer hetzelfde verhaal, dat hij met de volgende woorden eindigde: "Ja, mijn Heer, al het gebeurde moet aan de slang hier worden geweten. Maar nu heb ik toch uwe verzameling met een fraai en zeldzaam stuk verrijkt, indien gij de slang op spiritus wilt zetten."
IK. Ga heen! Gij weet zeer goed, dat het eene gemeene soort van slang is, die voor mijne verzameling hoegenaamd geene waarde heeft. Ik wil u niet berispen, omdat gij u een onschuldig genoegen hebt verschaft, door deel te nemen aan de bruiloft; maar zoudt ge u niet beter van uwen pligt hebben gekweten, indien gij ons vooraf eene matras, onze dekens, eenige cigaren en wijn had toegezonden?
MAS POETRI. Ach, mij beste Heer! Ik dacht: wij jongens drinken nooit wijn en slapen alle dagen zonder dekens op den blooten grond; wat zal het nu voor kwaad doen, indien onze Heeren eens eenen enkelen nacht op die wijze doorbrengen?
IK. Nu, pak u voort, help de koffij zetten en draag zorg, dat die gereed is, wanneer wij terugkomen. Wij gaan den Goenoeng-Soesoe beklimmen (zoo heeten de bewoners van Gnoerag een kleinen heuvel, achter hun dorp gelegen), om van daar de zon te zien opgaan.
NACHT. Zeg eens broeder, hoe zou iemand op die menschen boos kunnen zijn?
DAG. Het is mij niet mogelijk. Hun karakter is een zonderling weefsel van goedhartigheid en zorgeloosheid, vereenigd met eene tamelijke dosis naive sluwheid. Zij hebben weinige behoeften; zij bekommeren zich niet om den dag van morgen en nog veel minder om dien van overmorgen, en een jaar na heden is iets, waarvan zij zich geen denkbeeld kunnen maken; om die reden genieten zij gaarne de vreugde van den oogenblik. Treft men hen aan, wanneer zij een onderwerp van eigen liefhebberij behandelen, bij voorbeeld, tandakken of bezig zijn een aap te vangen, en hem van boom tot boom, ja, tot in de hoogste toppen der boomen naklauteren, hoe behendig zijn zij dan! Dan laat zich geen spoor van traagheid of onverschilligheid bij hen bemerken;--welk eene kracht ontwikkelen zij dan, welk eene vaardigheid, welk eene vurige drift, welk eene volharding leggen zij aan den dag om hun doel te bereiken! Dan doen zij alles uit eigen beweging, en hebben geenerlei prikkel noodig.--Wenscht gij echter, dat zij iets zullen doen, waarbij gij alleen belang hebt, waaraan zij vooreerst geene behoefte hebben; verlangt gij, dat zij zich bezig houden met dien arbeid, welke de producten, voor de Europesche markt bestemd, levert, waarvan de bloei van onzen handel, ja, meerendeels het bestaan van ons rijk afhankelijk is, verlangt gij, dat zij dien arbeid vrijwillig verrigten, wilt gij het wat en het hoeveel zij planten zullen geheel en al aan hun eigen goeddunken overlaten, draag dan vooraf zorg, dat zij volkomen dezelfde behoeften, dezelfde belangen, een gelijken graad van beschaving hebben verkregen als wij bezitten; dan zullen zij het doen, even goed als wij. Maar wenscht ge, dat zij het vroeger doen, reeds nu doen, dan behoort gij hen te leiden en toezigt te houden over hunnen arbeid. Ik wil gaarne gelooven, dat de behoeften der Javanen, die in de nabijheid wonen van eenige groote kuststeden, waar vele suikerfabrieken in gang zijn, met het toenemen hunner beschaving zoodanig zijn vermeerderd, dat het niet noodig is toezigt over hunnen arbeid te houden. In het binnenland echter,--en hiervan zult gij weldra de overtuiging erlangen,--heeft de inboorling (op weinige uitzondering na) nog zoo weinig behoefte, dat een arbeid van twee à drie uren daags voldoende is om ze allen te bevredigen, en dat binnen den omtrek van één of een half uur afstands van zijne woning alles gevonden wordt, wat hij behoeft en waarnaar hij verlangt. De rijkelijkste belooning, de duurste betaling is aldaar niet in staat hem te bewegen om meer te verrigten. Wat zal hij aanvangen met het vele geld? Europesche waren en producten heeft hij niet noodig, en rijkdommen, enkel om den wille van het bezit er van, acht hij volstrekt niet. Maar hij bemint de eenvoudigheid en de rust in het kleine Eden, dat hem ten deel is gevallen, en hetwelk de natuur zoo wonderschoon meubileerde. Moge het nu waar zijn, dat wij van den arbeid, waartoe wij de Javanen verpligten, uit een materieel oogpunt beschouwd, het meeste voordeel trekken, het is niettemin eene onloochenbare waarheid, dat het houden van toezigt over dien arbeid ook voor hen zijne heilrijke zijde heeft. Een overtuigend bewijs daarvan leveren immers juist gindsche kuststeden en fabriekstreken des eilands, dewijl de aldaar wonende Javanen thans vrijwillig verrigten, waartoe zij vroeger moesten gedwongen worden. Door ons leeren zij al het weldadige eener regelmatige arbeidzaamheid kennen; het doelmatig verdeelen van hunnen tijd wordt hen tot gewoonte, en door hunnen omgang met de Europeërs vermeerderen hunne behoeften en worden zij van zelf beschaafder. Reeds gedurende den korten tijd van uw verblijf op Java is de beschaving der inboorlingen, zelfs in het binnenland, onmiskenbaar toegenomen.
NACHT. Maar ook hun schoolonderwijs behooren wij toch te verbeteren, op het gebied van zedelijkheid en godsdienst moeten wij hen toch iets leeren!
DAG. Ongetwijfeld; mits het slechts geene zoogenaamde heilige openbaringen, geene abstracte dogmen zijn der leer: driemaal een is een. Deel hen nuttige kennis mede der stellige wetenschappen, die zij kunnen toepassen ter verbetering hunner huisselijke inrigting en van hun handwerk, waardoor zij hun materieel welzijn verhoogen. Wanneer zij zich toeleggen op de beschouwing der natuur, die in hun land zoo majestueus groot en schoon is, waarvan eene naauwkeurige kennis--van de wederkeerige werking der krachten, naar gelang van het onderling verband der verschijnselen--voor hen in elk opzigt niet dan nuttig zijn kan, dan zal hun zedelijk gevoel tevens worden veredeld en de ware, natuurlijke godsdienst zal van zelf meer en meer bij hen ontluiken; want al dat in de natuur bestaat, ademt Gods wijzen geest.
Onder het houden van dit gesprek hadden wij den top des heuvels bereikt (benevens eenige Javanen, die achteraan waren gekomen),--toen de morgen aanving de openbaring Gods in de natuur op nieuw te verkondigen. Het opgaan der zon is overal, in alle landen, in elk jaargetijde een heerlijk verschijnsel, het stemt den mensch tot nadenken en wekt menig sluimerend gevoel in onze ziel. En een morgen op Java! hoe verheven, hoe prachtig en verkwikkend tevens lacht hij ons toe!
Nog laat zich geene stem in de schepping vernemen, de geringste ademtogt des winds wordt men niet gewaar; men bespeurt slechts eene toenemende verandering, namelijk, aan den hemel, vooral aan den oostelijken hemel, die tot hoog in het zenith allengs helderder wordt; gekleurde stralen schieten, in eene divergerende rigting even als de speeken van een wiel, opwaarts,--eenige dezer stralen, namelijk die deelen der atmospheer, welke door de zon worden beschenen, blinken in gulden gloor, anderen, namelijk die niet door de zon worden getroffen, waarop ver verwijderde oneffenheden des horizons, als boomen, bergen, hunne schaduw werpen, doen zich aan het oog voor als azuurblaauwe strepen tusschen de vorigen;--geen enkel wolkje is aan het gansche uitspansel te bespeuren; de nachtelijke koelte, die juist op dezen oogenblik, nu de verwarmende zon het langst afwezig was, haren hoogsten graad heeft bereikt, deed al den waterdamp, in de lucht aanwezig, nederploffen; hij werd herschapen in nevel en dauw, en bedekt nu allerwege bladeren en grashalmen,--alles is vochtig en het plantenrijk is verkwikt, ook zonder dat er regen is gevallen; de bronnen van alle beken hebben nieuwen toevoer van water gekregen,--daar gaat de zon op en elke dauwdruppel wordt tot een prisma, blinkt in alle kleuren des regenboogs en millioenen diamanten fonkelen aan alle grashalmen, die zich buigen aan alle boomen en struiken. Tallooze vogelen heffen nu hun gezang aan; zij kweelen en fladderen door het gebladerte een nieuw leven te gemoet;--de paauwen verlaten den tak, waarop zij in het loofgewelf van hooge boomen gedurende den nacht stil nederzaten; zij vliegen nu onder een luid geschreeuw over het dal en heerlijk golft in de lucht hun blinkende vederdos, waarop de eerste stalen der morgenzon zich spiegelen; ook de apen, die zich tot op dezen oogenblik niet verroerden, beginnen te schreeuwen: oeh äh, oeh äh, oeä, oeä, oeä; uit 20, 50, ja, somtijds uit een grooter getal kelen te gelijk heffen zij, nu eens in zwellende, dan weder in dalende akkoorden, hun koraalgezang aan, waarvan de echo door de bergen terug wordt gekaatst, om op hunne wijze den levend makenden, verwarmenden straal der zon te begroeten en--de mensch?--De Javanen zitten op den grond met de beenen over elkander geslagen; vol aandacht hebben zij het gelaat, waarop stille vreugde te lezen staat, naar het oosten gekeerd. Zij zeggen niets, maar zij hebben gevoel van hetgeen, waarvan wij een duidelijker bewustzijn omdragen,--want ik strekte mijne armen opwaarts en riep uit: O, heerlijke zon, gij zijt slechts een der werken van den Onvergankelijke, die met een enkelen slag duizend draden vlecht, maar ik begroet u als het schoonste zinnebeeld, dat voor ons aardbewoners bestaat van de eeuwiglijk zich hernieuwende openbaring Gods in de natuur. Sedert duizenden van jaren keert uw straal elken morgen getrouwelijk weder, en brengt elken dag op nieuw weder alles in beweging. Aan uwe massa is onze aarde gebonden, en zonder u kon zij niet zijn, noch haren kringloop volbrengen. Zonder u ontbeerden wij jaargetijden, den dag, den nacht. Gij zijt voor het aardsche leven alles voor allen. In minder dan één oogenblik verspreidt uw straal het licht en maakt de dingen zigtbaar. Zonder u hadden wij geene oogen, want waartoe zouden zij ons dienstbaar zijn? Als door een tooverslag schept uw licht zijne half aardsche, half hemelsche dochter: de kleurenpracht, waardoor gij schoonheid geeft aan alle dingen. Ja, met het licht verwekt gij nog een ander aardsch kind de warmte, en gij maakt het harde week en veerkrachtig. Hoe zou er beweging op aarde mogelijk zijn zonder u? Hoe zou er water, lucht aanwezig kunnen zijn, hoe zou een geluid kunnen gehoord worden, indien uwe warmte niet vooraf de ligchamen luchtvormig of vloeibaar maakte? Hoe zouden wij kunnen ademhalen zonder lucht en tot welk einde zouden wij het gehoor hebben verkregen, indien er geen geluid was? Hoe zouden planten groeijen, beken vlieten, hoe zouden wolken zweven en winden waaijen zonder uwen verwarmenden straal, o schoone zon, die hetgeen vast is doet vloeibaar worden en alle beweging in het dier- en plantenrijk mogelijk maakt, zoo mede in het luchtruim uitlokt. Ja, zelfs de electriciteit in de wolken gehoorzaamt u en gij gebiedt den donder.--Slechts éénen nacht waart gij sedert gisteren afwezig en reeds is de dampkring zoodanig bekoeld, dat al het water, 't welk gisteren, door de warmte opgelost, als een onzigtbare damp in het luchtruim zweefde, nu als dauw op de aarde is nedergeploft. Nu paarlen nog millioenen druppels aan de boomen; nog staat de luchtzee stil, niet het geringste togtje laat zich bespeuren. Maar hoe lang zal dit voortduren? Naauwelijks heeft de planeet in zijn eeuwigen kringloop dit plekje der aarde naar uw aanschijn weder toegekeerd; naauwelijks heeft uw opgaand licht zich weder uitgestort over berg en dal, of door uw schijn getroffen, begint alles te trillen en uit te dampen en, gelijk de mensch en de gansche dierlijke schepping, door uwen straal opgewekt, zich op nieuw beginnen te bewegen,--gelijk in het plantenrijk millioenen knoppen ontluiken, zoo worden insgelijks het water en de lucht in beweging gebragt. Spoedig zullen de luchtlagen verdund worden, welke het digtst nabij de aarde zich bevinden en, ligter geworden door den invloed uwer warmte, zullen zij loodregt opwaarts stijgen; de streken, welke kaal en vlak of lager gelegen zijn, zullen sterker worden verhit, dan anderen, die tot hooge bergen oprijzen, of met wouden zijn overschaduwd; de zee zal niet in die mate worden verwarmd als het land,--ten gevolge hiervan zal de lucht in de verschillende deelen des lands, zoo mede boven land en zee ongelijkmatig uitgezet en verdund worden, de digtere en koudere lucht zal naar de meer verdunde streken des dampkrings heenstroomen, de stilte, die thans nog in het luchtruim heerscht, zal daardoor weldra gestoord worden en winden zullen door de toppen der boomen waaijen;--te gelijker tijd zal de dauw worden opgelost en als waterdamp mede worden opgevoerd in de koudere luchtlagen, alwaar hij wederom wordt nedergeploft tot mist en nevel,--wolken zullen dan worden gevormd; deze zullen steeds talrijker en grooter worden en eindelijk, bij het toenemen der warmte en snellere verdikking van den waterdamp, zal de electriciteit in de wolken ontwaken, de donder zal rollen, de regen zal nederstroomen op den verkwikten bodem, stortbeken zullen in sprongen van de rotswanden vallen en Bandjer's met onweerstaanbare kracht door de bergkloven bruisen--en van dit alles, van deze herscheppingen des dauwdruppels en van alle veranderingen, welke plaats hadden op en boven de aarde, hiervan zult gij de eenige oorzaak geweest zijn, gij blinkende, zoo rustig stralende zon!--En zou uw straal, die met eenen slag duizend werkingen voortbrengt, welke wederom duizend en nogmaals duizend andere, verschillende werkingen ten gevolge hebben, die echter allen gezamenlijk door zulk een harmonischen band verbonden en zoo innig met elkander zijn verknocht, dat geen enkele schakel der keten afzonderlijk kan bestaan en de gansche keten zelf niet denkbaar is, indien slechts één enkele schakel daaraan wordt ontnomen,--zou uw straal ook niet door mijn oog kunnen binnendringen, zou hij in het binnenste mijner ziel niet eene stem kunnen doen ontwaken, die zegt: ik erken u, hoogste doelmatigheid in de natuur; geen ding, geene kracht staat op zich zelf; elk deel van het geschapene is daar om den wille van andere deelen van het geheel en alles is in onverbrekelijken zamenhang naar wijze wetten geordend;--wel weet ik niet, of mijn oog om het licht is geschapen of het licht om mijn oog, maar het eene is om het andere aanwezig, en zou de ziel, die in mij leeft, welke door middel mijner opene zintuigen in zulk een innig wederkeerig verband staat met de gansche natuur, die mij omringt, dat ik mij het gezigt en het gehoor niet denken kan zonder licht en geluid, en dat het geluid en het licht voor mij niet denkbaar zijn zonder oor en zonder oogen,--zou deze ziel ook niet om iets anders geschapen zijn, zou zij in geene betrekking tot iets anders staan?
Over alles, dat zich aan mij door de zinnen openbaart, mag ik nadenken, dit alles mag ik bepeinzen; ik ben van mijzelven bewust;--er was een tijd, dat ik niet bestond, thans ben ik;--gedurende langen tijd wist ik niet werwaarts ik kwam, van waar deze met denkvermogen, met rede begaafde ziel zijn oorsprong had; ik wist evenmin waarheen zij gaat;--uit mijzelven ontstond ik niet;--in de natuur schiep ik niet het kleinste wormpje, veel minder deze zon, die toch ook slechts een afhankelijk gedeelte van het geheel is, die met andere zonnen in verband en wederkeerige werking staat;--een draad kan het slechts zijn van waar, als uit een brandpunt, die millioenen draden der schepping uitloopen; een eeuwige, onvergankelijke ziel, een wijze, volkomene geest moet leven, die aan mij, als een uitvloeisel van zich zelven, mijne kleine, minder volkomene ziel gaf,--die de natuur schiep en onderhoudt, waarin alles de blijken draagt der grootste wijsheid, doelmatigheid en goedheid!--Ja, gij hebt u geopenbaard en openbaart u voortdurend in de gansche schepping gelijk in ieders boezem,--tot U sta ik in betrekking!--eeuwige en onvergankelijke God!
Een dergelijk "morgengebed" zal wel zijn opgeweld in den boezem van mijn broeder Nacht, en in dien van de aanwezige Javanen, want zij waren verzonken in de beschouwing van het heerlijke schouwspel en bewonderden het opgaan der zon. En terwijl de vogelen floten, de insekten gonsden en alle andere dieren der wildernis, elk naar zijn aard en zijn bijzonder instinkt, het morgen- en loflied der schepping mede instemden, waren wij menschen toch de eenigen, die van de gevolgen tot de oorzaak opklommen, en in heilige vervoering, dankend en aanbiddend, onze blikken rigtten tot den Schepper.
Onder den tropischen hemel is het zoowel gewoonte als behoefte, het ligchaam elken morgen te verfrisschen door het nemen van een verkoelend bad. Wij stonden juist gereed om den top des heuvels weder te verlaten en bergafwaarts te gaan, ten einde ons naar den Pantjòran te begeven, toen wij de bedienden gewaar werden, die onze terugkomst niet hadden willen verbeiden en ons de stoomende koffij te gemoet droegen. Zij hadden het vochtig element reeds bezocht en klommen druipend nat als Najaden bergopwaarts, terwijl hun lang hoofdhaar los en vrij om hunne schouders zwierde en hun bovenlijf bedekte. Wij dronken onze koffij met wat geitenmelk, welke zij hadden medegebragt, hetgeen de spotlust der inboorlingen gaande maakte, die ons om deze reden met jonge kinderen, ja, met jonge geiten vergeleken. Het gebruik van melk, namelijk, is hun volstrekt onbekend en in het binnenland van Java wordt die nooit gedronken.
Wij ontwierpen nu een plan voor onzen verderen togt en kwamen tot het besluit, dat het raadzaamste zou wezen om terstond verder te gaan, ten einde zoo mogelijk nog heden een der grootere dorpen te bereiken, alwaar ons verblijf aan de bewoners minder bezwarend zou zijn dan hier, in dit kleine gehucht, het geval was. Wij hadden het voornemen opgevat om dwars over het gebergte onzen togt in eene westelijke rigting voort te zetten tot aan het naastbij gelegene groote dal, van daar uit de zuidkust te bezoeken en vervolgens te trachten in het hoog gelegene binnenland door te dringen. Op een afstand van eene kleine dagreize van hier moest, aan de tegenovergestelde zijde van het gebergte, een groot dorp liggen; daarheen was het, dat wij besloten hadden onzen koers te rigten. Terwijl wij ons nu gereed maakten om zelven een bad te nemen, gaven wij aan onze jongens last intusschen de benoodigde Koeli's op te zoeken en te huren.
Toen wij, eenige dagen geleden, ons op reis zouden begeven, hadden wij tot stelregel aangenomen, dien wij vast besloten hadden na te komen: om in deze streken des eilands slechts vrijwillig hulpbetoon der inboorlingen, tegen goede betaling en welwillende behandeling, in te roepen,--ten einde eens te zien hoe ver wij op die wijze zouden komen. Wij hadden besloten alleen in zeer dringende omstandigheden onze toevlugt te nemen tot de bevelschriften der Residenten en Regenten, waarvan wij ons hadden voorzien en welke, in de Maleische en Javasche taal gesteld, aan de distriktshoofden waren gerigt. Op dringend verlangen van Nacht, aan wien ik in dit opzigt had toegegeven, was dit tot regel aangenomen.