Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java
Part 6
Een der oudste dominé's stond van zijnen zetel op en sprak deze woorden: "Katholieke broeders! Wij zijn alhier gekomen om, na het verrigten der plegtigheid, welke gij nu zult vieren, met u te beraadslagen over de wijze, waarop de gevaren zullen worden afgekeerd, die onze christelijke kerk van meer dan eene zijde bedreigen. Het kille ongeloof, welks adem een doodelijk vergift is, verbreidt zich allerwege meer en meer in het rond; de leeringen der natuuronderzoekers komen, als een verblindend weerlicht, al nader en nader tot ons, ten einde door haar bedriegelijk schijnsel het Heilige Woord der Openbaring in de schaduw te stellen. Zij durven het wagen van natuurwetten, in plaats van wonderen te spreken. Die dwazen! zij wanen zich in staat, meer te kunnen begrijpen van het geschapene in de natuur, dan hetgeen God de Heer in zijne Heilige Schrift--in den bijbel--ons daaromtrent heeft geopenbaard. Wonen wij niet in het vetste land des geloofs? en worden onze broeders wel ergens ter wereld zoo zeer door het volk geëerd als hier? Maar al onze invloed, al het aanzien, dat wij hebben verkregen door een moeitevollen arbeid, die eeuwen lang is voortgezet, moet geschokt worden, wanneer het volk niet meer aan wonderen gelooft. Dit moet worden verhoed, deze goddelooze zucht moet worden tegengegaan. Maar, mijne waarde Katholieke ambtgenooten, slechts dan wanneer wij met vereende krachten te werk gaan, kunnen wij de hoop voeden sterk genoeg te zijn om aan den stroom der verlichting paal en perk te stellen. Het is waar, ons beider kerken zijn gescheiden, ja, wat meer is, staan oogenschijnlijk vijandig tegen elkander over. Wordt de zaak echter van naderbij onderzocht, dan blijkt dat het onderscheid inderdaad niet groot is. Gij draagt een ronden, wij een driekanten hoed, maar toch gelooven wij beide aan het driemaal een is een, en bovendien wanneer het eene zaak geldt zoo hoog gewigtig als deze, dan zouden wij de punten onzer hoeden wel wat kunnen laten bijronden. Gij vereert, het is waar, de moeder Gods bijna meer dan Hem zelven en zijn Vader, maar wat is daaraan gelegen, want de scheppende kracht der natuur moet toch beide mannelijk en vrouwelijk tevens zijn geweest. En wenden wij onze blikken naar de tafereelen, die wij hier rondom ons aan de wanden aanschouwen,--zijn het niet allen zinnebeeldige voorstellingen van hetgeen gij den volke leert? Welnu, datzelfde leeren wij insgelijks.--Jezus Christus is Gods Zoon, ontvangen van den Heiligen Geest, geboren uit de onbevlekte maagd Maria; hij stond op van de dooden, nadat hij was gekruisigd geworden; hij verloste den mensch van de zonden en voer op ten hemel; dat leert gij en dat leeren wij insgelijks.--Gij acht het noodzakelijk ter bevestiging van uw aanzien, dat het volk aan wonderen gelooft; wij insgelijks.--Gij vermeent, wel is waar, in den wijn en het brood, of in de hostie het ligchamelijk vleesch en bloed van Christus te nuttigen, en wij denken slechts daarbij aan zijn gebroken vleesch en zijn vergoten bloed; maar gij beschouwt het Avondmaal als een der heiligste sacramenten, en wij insgelijks.--Gij houdt het omsluijerde beeld in de nis voor het oog der menigte verborgen; wij insgelijks.--Welk onderscheid bestaat nu tusschen uwe en onze leer? In het wezen der zaak komen beide overeen; datgene, waarin zij van elkander afwijken, betreft slechts den uiterlijken vorm, het zijn niet dan kleinigheden. Hierover moeten wij thans heenstappen, ten einde de hoofdzaak, die ons beide evenzeer aangaat, te redden. Bij de steeds dreigender wordende teekenen dezer zoogenaamde verlichte negentiende eeuw moeten wij onze krachten, die tot dusverre verdeeld zijn gebleven, vereenigen, opdat het gansche gebouw, waarop uwe zoo wel als onze magt steunt, niet instorte. Gij hebt, wel is waar, een opperhoofd der kerk, waaraan gij onvoorwaardelijk gehoorzaamt; wij hebben er geen en ieder onzer is liever zelf, elk in zijn eigen kring--een paus. Bij de gevaren echter, welke het heilige orthodoxe geloof aangrimmen, zou het niet dan verderfelijk voor ons beide zijn, indien de bestaande verdeeldheid en versnippering onzer krachten langer bleef voortduren. Door dergelijke kwalen geteisterd, gelijk tegenwoordig het geval is, waar een verstijvende adem van twijfelzucht en verlichting ons steeds heftiger toewalmt, ziet men gaarne om naar een steunpunt, naar een hechten pijler, waaraan men zich kan vastklemmen, en het is aan geen twijfel onderhevig, dat wanneer onze krachten zijn vereenigd en wij door een hoofd worden aangevoerd, wij niet tweemaal, neen, tienmaal meer kracht zullen kunnen uitoefenen, dan waartoe wij ieder afzonderlijk in staat zijn. En nu, broeder bisschop, verrigt eerst uwe dienst, opdat wij later over deze zaak kunnen beraadslagen. In den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. Amen."
De jonge zendeling trad voor en de wijbisschop sprak de volgende woorden tot hem: "Mijn zoon! Gij zijt hier gekomen om het hoofd der kerk den eed van onverbrekelijke gehoorzaamheid te zweren. Gij zijt onderwezen in onze geloofsleer en ik behoef hare grondstellingen hier niet te herhalen. Maar uwe pligten wil ik u nog eenmaal in het geheugen roepen. Onvoorwaardelijke gehoorzaamheid zijt gij aan de kerk verschuldigd, en gij moet bezield zijn met een blind geloof. Daarover na te denken is zonde, twijfel te voeden is ketterij. Ketters worden gestraft met den ligchamelijken dood en de eeuwige verdoemenis. Allen hopen wij met God, onzen Heer en Zaligmaker Jezus Christus, dat de tijd weder zal aanbreken, waarop wij magt zullen hebben alle twijfelaars en ketters te verdelgen en u, mijn zoon, hebben wij uitverkoren en waardig gekeurd om een medearbeider en ons werktuig te zijn, ten einde deze magt ons weder te hergeven. Het hoofd onzer kerk, de plaatsbekleeder Gods op aarde, heeft met de ingewijden, die hij zijn vertrouwen waardig keurt, alléén het regt de stellingen onzer heilige godsdienst te onderzoeken en te beoordeelen. Gij en alle anderen moogt niet beoordeelen, gij behoort slechts te gelooven en te gehoorzamen en dit geloof moet gij door alle mogelijke middelen uitbreiden en tegen de ketters strijd voeren. Kunt gij een ketter verdelgen, zoo moogt gij geen medelijden met hem hebben. Zij zijn door God vervloekt. Verlies nimmer uit het oog, dat gij aan datgene, wat de kerk u leert en gebiedt, dat wil zeggen: aan uwen God--meer moet gehoorzamen dan aan menschen. Wanneer gij, gedurende eene reeks van jaren, u waarlijk getrouw en werkzaam zult betoond hebben, dan wacht u de heerlijkste belooning. Gij zult met geestelijke waardigheden overladen en onder het tal van ingewijden opgenomen worden. Hef uwe oogen op naar het tafereel, dat gij ginds op den voorgrond ziet en aanschouw het voorhangsel, dat het binnenste der nis beneden de schilderij voor uw oog verbergt. Achter dit voorhangsel staat het ware beeld. Maar hoogst gevaarlijk, ja, verderfelijk zou het voor onze belangen zijn, indien wij dat beeld den volke vertoonden, want zagen zij het of konden zij het zien, dan ware het met onze heerschappij gedaan. Om die reden moet de waarheid omsluijerd en zorgvuldig geheim gehouden worden. Het volk mag niet verlicht zijn, maar moet gelooven, hetgeen wij aan hetzelve leeren en ons voor onfeilbaar houden. Dan laat het zich 't gemakkelijkst besturen; op die wijze maken wij ons aan de wereldlijke regeringen onontbeerlijk, ja, wat meer is, wij houden die zelven daardoor in bedwang en heerschen over haar. Dat het groote doel der hierarchie, de algemeene wereldlijke heerschappij over alle volken der aarde, door u, mijn zoon, derhalve nimmer uit het oog worde verloren, en vergeet niet, dat het zekerste middel om daartoe te geraken, is: het onderrigt der jeugd. Prent derhalve de grondstellingen onzer leer vooral diep in het kinderlijk gemoed; want hetgeen het kind gewoon is als heilig te vereeren--al was het louter onzin, dwaling of bedrog--de vereering daarvan zal hem eene behoefte worden, welke in latere jaren niet dan hoogst moeijelijk ontbeerd, waaraan het geloof ter naauwernood geschokt zal kunnen worden. De jeugd zij derhalve bij voorkeur het voorwerp uwer zorg, en stel u steeds levendig voor den geest, dat een van onze eerste en krachtigste middelen, om ons tot het beoogde doel te voeren, is: het schoolonderwijs te leiden en de scholen onder ons opzigt te brengen. En gij, mijn zoon! wanneer gij de proef zult hebben doorgestaan en in de uitoefening uwer pligten, met het oog op het doel onzer heilige kerk, onwankelbaar getrouw zult geweest zijn, dan zal het u vergund zijn het voorhangsel ter zijde te schuiven, dat het gindsche beeld bedekt en gij zult een onzer vertrouwden wezen. Bereid u nu om den heiligen eed te zweren. Benedicite!"
Onmiddellijk hierop lieten zich de akkoorden van het orgel hooren; zijne krachtige toonen wekten de echo's van het hooge gothische gewelf en een koor van priesters hief geestelijke liederen aan, waarvan het maatgezang plegtig en indrukwekkend zich paarde aan het orgelgeluid. Eene menigte kaarsen brandde op het altaar en in het wit gekleede knapen zwaaiden hunne wierookvaten, wier welriekende dampwolken al hooger en hooger opstegen.
De aanspraak des bisschops had mij tot in het binnenste mijner ziel geschokt; een onweêrstaanbaar verlangen maakte zich van mij meester om het beeld beneden die groote schilderij, dat hij het ware beeld had genoemd, te aanschouwen. Het was mij niet mogelijk dit verlangen te bedwingen, niettegenstaande mijn broeder Nacht mij bij den arm vasthield en mij toefluisterde: "Om Gods wil, Dag! houdt u toch stil; wij zijn hier beide ongenoodigde gasten. Dat wij ons alhier bevinden, is in hun oog reeds ongeoorloofd; woedend zouden zij worden, indien zij ons ontdekten en rukt gij nu daarenboven nog het gordijn weg, dat gindsche nis bedekt, dan zou het u 't leven kunnen kosten! Ik bid u, zie af van dat voornemen; kom, laat ons ijlings en in stilte van hier vlieden." Ik werd echter door de sterkste begeerte geprikkeld om dat beeld in de nis te ontsluijeren,--ik trad nader en rukte het gordijn weg.
Plotseling verbleekten de blinkende kleuren der schilderij, welke boven de nis hing, de stralenkrans die het hoofd van Christus omgaf, verdween, de engelen weken van zijne zijde, het orgel zweeg en het maatgeluid van het priesterkoor verstomde. De wierookwolken werden snel als door een storm weggevaagd en al de kardinalen, bisschoppen, pastoors en dominé's vloden ontsteld, verschrikt, in de grootste verwarring uit de kerk.--En wat zag ik nu?--Wat geschiedde aldaar?
De beeldtenis afgemaald op de schilderij, welke zich bevond in de nis, waarvan ik het gordijn had weggeschoven, begon zich te bewegen, zij werd levend en--voor mij stond een mensch,--een man met joodsche gelaatstrekken, zwart van baard en van hoofdhaar,--met een bleek, door lijden vermagerd gelaat; hij was gekleed in een eenvoudig, grijskleurig gewaad en weemoedig, ik mag zeggen, treurig was de blik, dien hij op mij wierp. Aan zijne handen bespeurde ik blaauwe, dik opgezwollene lidteekenen.
Stil, ontroerd stond ik daar. Ik begon berouw te gevoelen over de daad, door mij bedreven; mijn boezem werd vervuld van medelijden op het zien der gestalte, waarop ik mijne blikken had gevestigd. Zij was niet blinkend gelijk de sluijer, die haar vroeger omgaf, om haar voor het oog te verbergen; neen, ontdaan van allen uiterlijken glans, stond daar voor mij, bleek en lijdend, een arme, mishandelde mensch!--ja, mensch.--En toch boeide mij die verschijning, stond ik als vastgenageld op de plek, waar ik mij bevond, was het mij niet mogelijk eene schrede voor- of achterwaarts te doen. De blik, welken deze mensch op mij sloeg, was zoo wonderbaarlijk zacht en teeder, dat mijne oogen aan de zijnen als gekluisterd waren en de menschenliefde, die hij zoo bij uitnemendheid schoon en luide heeft gepredikt, het medegevoel, de sympathie met onze natuurgenooten, werd in mijn boezem steeds levendiger en warmer, hoe langer ik hem aanzag. Zijn verhevene, rustige blik was op mij gerigt, op mij, die met vermetele hand hem had ontdaan van den stralenkrans en kerkelijken luister, waarmede de priesters hem vroeger hadden versierd; en toch was zijn blik zoo zacht, drong hij tevens zoo diep in het hart, ja, tot op den bodem des harten door, en deze ziel volle blik, de glans der oogen, welke steeds helderder werd, hoe langer men hem aanzag, wekte zulk eene geestvervoering in mij op, dat ook mijne oogen vochtig werden;--hij bemerkte het, hij verstond mij, een zachte lach, naauwelijks merkbaar, deed zijne lippen trillen,--hij strekte de hand naar mij uit en--ik viel neder op mijne knieën om haar te kussen.
Nu sprak hij: "Laat af, mijn vriend. Ik ben, gelijk gij, eens menschen zoon. Voor God alleen zult gij de knieën buigen. Mij hebben zij eerst mishandeld en gekruisigd,--druk mijne handen niet zoo sterk, de wonden, die zij mij geslagen hebben, doen mij steeds pijn,--duizend anderen, die na mij zijn gekomen en een gedeelte beleden van hetgeen ik beleed, hebben zij mishandeld en verbrand; toen hebben zij mijne leer vervalscht, mijn beeld omsluijerd, de waarheid verduisterd. In de plaats daarvan hebben zij bijgeloof gezaaid en opgekweekt, waarop hunne magt is gebouwd en godslasterlijk hebben zij beweerd deze daden te verrigten in majorem Dei gloriam! Ja, ten einde zulks met des te meer zekerheid te doen, hebben zij mij God den eeuwige genoemd en zich zelven verklaard te zijn mijne opvolgers en plaatsbekleeders op aarde. Toen Jozef van Arimathea mij van het kruis nam en nederlei in het graf, in de rots uitgehouwen, was ik schijndood ten gevolge van bloedverlies en het lijden, dat ik had verduurd;--later moest ik mij voor mijne vijanden verbergen en verkwijnde langzamerhand aan de gevolgen der geleden mishandelingen. Mijne leerlingen en vrienden, die mij overleefden, vermeenden in hunnen blinden ijver de goede zaak te bevorderen, door mijne geschiedenis met wonderen op te sieren. Zij verspreidden het verhaal, dat ik ten hemel was gevaren, maar helaas! door niets hebben zij zoo veel nadeel toegebragt aan de menschheid als juist door deze sprookjes, die zij hebben uitgestrooid. Wij allen zijn kinderen Gods, want de Heer heeft ons boven het gedierte, dat in de wildernis leeft, begiftigd met eene redelijke ziel;--maar zij zeiden: dat ik Gods ligchamelijke zoon was! En hetgeen ik uit mijn menschelijk verstand waar en juist ten opzigte van de schepping en haren maker erkend en geleerd had, dat alles gaven zij nu uit voor "het geopenbaarde woord Gods." Niet altijd hadden zij mij begrepen, menigwerf een verkeerd denkbeeld van mijne woorden opgevat; veel hadden zij vergeten van 't geen ik hen geleerd had, en andere dingen er bij gevoegd, die ik hen niet had geleerd; maar niettegenstaande dat stelden zij dit alles later te boek gelijk zij zulks geloofden en leiden mij die woorden in den mond. En nu werd dit doode woord als "heilige schrift of bijbel," onveranderlijk van de eene eeuw op de andere voortgeplant, en in plaats van in het ware boek der openbaring te lezen, hetwelk allerwege, bij dag en bij nacht, voor hunne blikken geopend ligt, in plaats van zich te laven aan de levende bron der kennis, de schepping, en het oog in de diepte hunner eigene ziel te slaan, wisten zij van niets dan van het bepeinzen en doorbladeren van dezen bijbel; zij legden hem uit, zij verklaarden hem, zij stelden een woord nu aan de linker-, dan aan de regterzijde, plaatsten het nu eens schuin, dan weder regt; zij vonden er alles in, dat zij verlangden en loochenden datgene, hetwelk hun verkeerd toescheen. Uit deze woorden vormden zij gansche geloofstelsels en stelden den mensch het aanbidden van hunnen waan ten heiligen plagt; zij grondvestten hierarchien, rigtten brandstapels op en offerden ketters in de vlammen; zij begonnen te twijfelen, oneenigheid ontstond onder hen, zij scheidden zich van één, stichtten eene oneindige menigte sekten en op die wijze dwaalde een groot gedeelte der menschheid in de duisternis voort,--het weldadige licht der waarheid bleef verre van hen, dewijl de verstokte geloofswaan allen vooruitgang belette en dewijl zij datgene, hetwelk niet anders is dan een onvolkomen voortbrengsel van het menschelijk verstand--mijne leer, en zelfs deze niet dan vervalscht,--voor Gods woord uitgaven.--Maar laat dit u niet ontmoedigen; elk haar van uw hoofd is geteld, en de Heer, die in zijn groot scheppingswerk alles naar wijze wetten heeft geregeld, heeft insgelijks de veredeling en steeds voorwaarts strevende ontwikkeling der menschheid aan vast bepaalde wetten onderworpen. Moge onze blik te beperkt zijn om al deze wetten te doorgronden en te bevatten, het is echter niet minder zeker, dat de mensch zijne bestemming naar even onwankelbare wetten te gemoet gaat als zulks het geval is met alle andere werken Gods. Zou dan het volkomenste schepsel op deze aarde, waaraan de Eeuwige, Onvergankelijke een deel zijner kracht, het verstand, de redelijke, van zich zelf bewuste en onvergankelijke ziel schonk, zou dit buiten de algemeene ontwikkelingswet zijn gesloten? Neen, zijt verzekerd, de mensch gaat eene steeds grooter wordende volkomenheid in den toestand van het maatschappelijk leven te gemoet, beschenen door het licht van eene steeds helderder wordende kennis van het geschapene in de natuur en der Goddelijke kracht, welke er in heerscht. Te vergeefs trachten de dwazen de bron des lichts te verstoppen en de waarheid te omsluijeren; duizend andere menschen waren gereed en zullen gereed zijn om den sluijer, waarmede de waarheid is omhuld, weder weg te rukken, opdat de wet des Eeuwigen vervuld worde. Gij zijt een diergenen, en gij hebt het gordijn weggeschoven, dat mijn beeld bedekte. Ik dank u daarvoor. Ik bestreed de huichelarij der priesters, het bijgeloof en het bedrog in de godsdienst en zij kruisigden mij. De voortgang des tijds heeft u nader gebragt aan het groote doel der ontwikkeling en de magt der boozen is reeds in eene groote mate geknakt. Zij zullen u beschimpen, belasteren, zij zullen pogingen aanwenden om uwe bedoeling in een verkeerd daglicht te stellen. Maar vrees niet, want Groot is de waarheid en zij zal zegevieren. Zij echter, die de waarheid kennen en haar niet verkondigen, maar verzwijgen; zij schenden den pligt, die op hen rust. Deze zijn de helers, gene die stelen. Gene zijn het, die de onwaarheid en het bijgeloof onder het volk verbreiden; zij ontrooven den mensch de goddelijke kennis en zijn zedelijk heil. Ga voort op den weg, dien gij bewandelt en doe waartoe gij u geroepen gevoelt, maar doe zulks met zachtmoedigheid en vergeet nimmer, dat de boozen en huichelaars slechts verdwaalden en uwe broeders tevens zijn."
Hij sprak met eene zachte stem. Zijne woorden klonken als de heerlijkste muzijk in mijne ooren en met verrukking ving ik dezelven op. Zijne krachten schenen uitgeput als van iemand, die veel geleden heeft en nu langzaam ter aarde zijgt. Maar zijn gansch gelaat teekende vrede en de glans zijner oogen was niet verdoofd.--Ja, ik erken u, gij zijt het--Jezus van Nazareth! die tot mij spreekt en u vereer ik. Ook ik wil mijn penningske bijdragen en eene poging doen om de aanbidding Gods in zuiverder, warer vorm te doen stand grijpen, om het verkeerde, het bijgeloof er uit te verwijderen, opdat sluwe menschen niet langer misbruik maken van de behoefte aan godsdienst hunner medebroederen,--ik wil mij scharen aan de zijde dergenen, die pogingen aanwenden om de voorschriften der zedeleer zoodanig in te rigten, dat zij werkelijk en letterlijk kunnen worden opgevolgd, opdat de huichelarij en schijnheiligheid ophouden te bestaan.
Eensklaps hief hij beide handen opwaarts, als bespeurde hij onverwacht eenig voorwerp achter mij,--ik keerde mij om en zag twee pastoors en drie dominé's, die teruggekeerd waren,--zij hadden hunne ronde en driekante hoeden op den grond geworpen en ijlden met ontbloot hoofd, vreugdedronken en met tranen in de oogen naar het ware beeld van Jezus heen;--ik stond verlegen, getroffen, doch tevens aangenaam verrast tusschen hen beide; snel trad ik ter zijde,--daar klonk het geluid eener nabij zijnde muzijk mij in de ooren; ik hoorde zachte en welluidende toonen als van slaginstrumenten en de schoone gestalte van Jezus, het ontsluijerde beeld verdween uit mijne oogen.
Daar buiten in het dorp werd de Gamelan gespeeld, waarvan het geluid mij uit den slaap had doen ontwaken; mijn broeder Nacht lag nog verzonken in den periodieken schijndood der ziel,--hij sliep nog nevens mij, toen ik in stilte opstond en de deur der hut opende.--Het oog des daags was nog niet geheel en al ontwaakt; het gebroken zonnelicht, dat de hoogere luchtlagen, door de zon reeds beschenen, terugkaatsten, de schemering, omhulde nog de natuur, toen ik van den ladder afklom, en koel was de morgenlucht die mij haren verkwikkenden adem toeblies. Tot mijne verwondering zag ik, dat al onze pakkaadje reeds was aangekomen en op den achtergrond van het open plein voor onze woning, onder het geboomte, rondom eene Gamelan gerangschikt was.
Onder mijne Indische lezers wordt geen enkele gevonden, die niet weet wat eene Gamelan is. Dewijl het zeer mogelijk kan zijn, dat zulks niet met alle lezers in Nederland het geval is, zal het navolgende ter verduidelijking kunnen dienen. Onder eene Gamelan verstaan de Javanen eene vereeniging van groote en kleine muziekinstrumenten, voornamelijk van metaal vervaardigd, welke meerendeels den vorm hebben van een bekken en wat betreft de grootere soorten (de Gong's) deels aan fraai bewerkte houten gestellen handen, deels (de Bonang's en Kenong's) zijn geplaatst over trogvormige kisten om den klank te verzwaren en in rijen nevens elkander op strak gespannen koorden liggen. Hiertoe behooren nog eene fluit (Soeling), eene viool met twee snaren (Rébab), eene trom (Kendang of Bedoeg), vervolgens een aantal andere trog- of bootvormige kisten, waarboven verscheidene in grootte trapsgewijs afnemende platen of staven in eene rij nevens elkander zijn geplaatst. Deze zijn of van metaal en hangen aan koorden (Gendèr), of zijn door middel van houten pennetjes op den rand der kist bevestigd en deels van metaal (Saron), deels van hout (Gambang kajoe) vervaardigd. Zij worden allen met houten hamers geslagen, die met leder of garen omwonden zijn en geven, niettegenstaande de voortdurende herhaling derzelfde hoogst eenvoudige Javasche melodien, een zeer aangenamen, welluidenden klank, welke eenige overeenkomst heeft met het geluid van een klokkenspel, maar die veel zachter van toon is, vooral indien men hem in de verte hoort. Tot een volledig orchest behooren vier, vijf tot acht Javanen om de instrumenten te bespelen en eene of twee Ronggeng's, d. i. dans- of zangeressen. De Ronggeng's zijn eene navolging der Indische bajadèren, die op Java uit den voormohammedaanschen tijd--den tijd der Hindoerijken, der Brahma- en Boedhagodsdienst--zijn overgebleven; deze treden echter alleen bij plegtige gelegenheden op.