Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java
Part 5
De Christelijke geloofsleer kan den Javanen derhalve geene waarheid leeren, die zij niet reeds kennen, niets goeds geven, dat zij niet reeds bezitten. En nu vraag ik: waarom wilt gij het Christendom invoeren onder deze goede, nog onbedorven menschen?--Wilt gij tweedragt onder hen zaaijen, het onvermijdelijk gevolg eener godsdienst, welke met het geloof aan een wonder aanvangt en met wonderen eindigt; wilt gij sektengeest en godsdiensthaat met uwe bijbels onder hen doen opschieten? hen rondom een kruisbeeld verzamelen, om aldaar over het onbegrijpelijke te redetwisten en zich met haarkloverijen bezig te houden over dogmatische spitsvindigheden?--Wilt gij hen dan volstrekt onverdraagzaam maken? hen met geweld uit hunne vreedzame hutten, velden en plantaadjen drijven en getuige zijn, dat zij Patjol en Gòlok wegwerpen en, aangetast door een waanzinnig geloof, ijlend heenstroomen naar razende kerkvergaderingen,--opdat onder dezen zoo gelukkigen, Oost-Indischen hemel het eerste bedrijf van gindsche geschiedenis des Christendoms op nieuw worde aangevangen,--opdat hier op Java dat bloedige schouwspel van voor af aan nog eens ten tooneele worde gevoerd, waarvan het laatste reeds sedert lang voorbereide bedrijf in Europa nog niet vertoond is geworden?
Ik smeek u, geef hun om hunnentwil, om den wille van u zelven, niet dergelijk geschenk! Laat hen argeloos gelijk zij zijn, of, wilt gij hen nog gelukkiger maken, wijd dan uwe krachten ter aankweeking der natuurlijke godsdienst, waarvan de kiem, bij dezen reeds meer, bij genen minder ontwikkeld, in hun binnenste aanwezig is; leer hen God den eenigen bewonderen in zijne werken als den Schepper en onderhouder der natuur, die met onwankelbare trouw elken morgen de gulden zon over hunne hoofden doet opgaan en den verkwikkenden regen doet neêrstroomen op hunne velden; vestig hunne aandacht op de innerlijke doelmatigheid en schoonheid der voorwerpen in de natuur, maar bovenal leer hen, dat de bron van alle geluk en vrede uit hen zelven moet opwellen,--dat zij de goddelijke kiem, die in hen ligt, de liefde tot hunnen medemensen en tot de deugd, in den waren (niet Christelijk overdreven, schijnheiligen) zin aankweeken en als hun schoonste erfdeel moeten beschouwen,--maar, kwel hen niet met evangeliën en dogma's, hoe één is drie en drie is één, met de leer van gemeenschap en transsubstantiatie; verschoon hen van hostiën, wierookvaten en andere dergelijke "heilige" gereedschappen; voer de biecht, de mis, het avondmaal en het vagevuur! niet over naar Java (waar het buitendien reeds heet genoeg is);--laat toch den priesterrok weg en alles wat naar kerkelucht riekt, en plant, om Gods wil, het schrikkelijke--kruis! niet op hunne vreedzame bergen,--verspreid geene wondersproken, geene bijbels onder hen!--want dergelijk zaad zou onvermijdelijk, hetzij vroeger of later, een monster doen opwassen, dat zijne woede tegen zich zelven zou keeren en u allen zou verslinden.
Ik mag de Javanen gaarne lijden. Hetgeen mij de meeste geruststelling omtrent hun toekomstig lot inboezemt, is de overtuiging, die bij mij levendig is, dat het niet zulk eene gemakkelijke zaak zijn zal de Christelijke geloofsleer onder hen in te voeren.--Het verlossingsproces des menschen van de zonden en de verzoening met God door het zenden en opofferen "van den levenden God, zijnen zoon, dien Maria van den Heiligen geest heeft ontvangen" (!) of, gelijk anderen zeggen van den "Godmensch, der verpersoonlijkte, levende, in den heiligen geest door het geloof bewerkstelligde oplossing van het menschelijk denken, gevoelen, willen en handelen in God," (!) enz., de opstandings- en hemelvaartsgeschiedenis, de transsubstantiatie-hypothesen en dergelijke fraaijigheden meer,--dit alles hebben de meest ervaren, diepzinnigste godgeleerden in Europa nimmer kunnen begrijpen, om welke reden zij het juist gelooven (dat is, hun verstand tegen wil en dank opdringen) moesten; het eenvoudige gezond verstand der Javanen zal het nog veel minder begrijpen; op het vernemen van dergelijke leerstellingen, zullen zij elkander verwonderd aanzien en het hoofd schudden. Stel voor den oogenblik, dat het u gelukt zij den Javanen dit geloof op te dringen, wat zult gij daarmede gewonnen hebben?--Vroeger heb ik de tallooze en schrikbarende onheilen opgeteld, welke dit geloof aan Europa heeft berokkend. Het geringste van al die onheilen was, dat het de menschen tot schijnheiligen en huichelaars maakte. Maar daarbij zou het op Java niet blijven. De inlander is gehecht aan het oude, aan de Adat, en in vele deelen en residentiën van het eiland oefenen de Mohammedaansche priesters een grooten invloed uit. Gij zoudt derhalve hoogstens een gedeelte van het volk tot het Christendom kunnen bekeeren; anderen zouden Mohammedanen blijven--en daardoor zoudt gij al dadelijk en van den aanvang af op dit schoone eiland de van onheile zwangere tweedragt gezaaid en de kloof tusschen andersdenkenden gedolven hebben, die zich allengs verwijdt en met haat gevuld wordt,--daargelaten de kiem van oneenigheid, welke de Christelijke leer (gelijk elke leer, die het geloof aan wonderen voorschrijft) in zich zelve bevat.
NACHT. Mag er niet worden gezegd, dat de vrees, welke gij koestert voor de gevolgen van de invoering van het Christendom, van het geloof aan wonderen, gelijk gij het noemt, onwillekeurig aanleiding bij u geeft tot eenige overdrijving? Hoe zou het mogelijk zijn, dat onder deze zoo goede, zoo zachtmoedige menschen tweedragt zou kunnen ontstaan om den wille van geloofsbegrippen, of dat zij zelfs in staat zouden zijn daarom krijg te voeren?--Zij zijn zoo waar de lijdzaamheid en gehoorzaamheid, ja, de vredelievendheid in eigen persoon?
DAG. Och, broeder Nacht, ik zie wel, dat gij dit volk nog niet kent. Gij zult het echter leeren kennen, indien gij mij als reisgenoot wilt blijven vergezellen op mijnen togt over bergen en dalen en door de lagchende vlakten, die zij bewonen, indien gij mij wilt volgen in de eenzame hutten der berg- en woudbewoners en in de weelderige Dalam's en Kraton's hunner hoofden en vorsten. Beproef het eens om eenige van de Javanen, die in dergelijke eenzame gehuchten wonen als dat, waarin wij ons thans bevinden, waar geen reeds gevestigde invloed van Priesters u daarbij den weg kan bemoeijelijken, beproef het eens om hen in de Christelijke geloofsleer te onderwijzen en--geef acht op de uitwerking, die het zal hebben. Ik zou mij ten zeerste bedriegen, indien gij, voor wij onze reis door de binnenlanden hebben afgelegd, niet radicaal van uwe bekeeringszucht zult genezen zijn. Op gelijke wijze zal het gaan met uwe theorie van niet-gedwongen arbeid, van het volkomen vrijlaten van den arbeid bij den inlander, waar omtrent gij reeds op den huidigen dag eene niet onaardige ervaring, hoewel nog slechts zeer in het klein, hebt opgedaan!
Geloof mij, de Javanen bezitten eene uitmuntende geschiktheid tot velerlei zaken en een voortreffelijken aanleg voor alle kunsten en handwerken, maar dit alles is nog in de kiem; zij beminnen den vrede en de rust des geestes. Maar in hunne borst smeult tevens de vonk, die de hevigste hartstogten kan doen ontbranden. Hoe geringer de zedelijke en intellectuele ontwikkeling van een volk is, hoe minder het zich door beschaving boven den oorspronkelijken, eenvoudigen natuurstaat heeft verheven, des te gevaarlijker zijn zijne hartstogten, wanneer zij ontvlammen. Wacht u daarvoor--zie toe, dat gij den slapenden leeuw niet wekt. Denk aan het Amok en de woede, die zich van hen meester maakt, wanneer zij later inzien, dat zij op eene listige wijze zijn bedrogen geworden. Verschoon hen van het Christendom. Geef hun geen dergelijk gebak te eten, dat even als Koewé koewé, met Ketjoeboeng aangemaakt, aanvankelijk zoet van smaak is, maar waarvan zij later beginnen te razen, hoofdpijn krijgen en eindelijk bespeuren, dat zij vergiftigd zijn. Want geschiedt dit te eeniger tijd, dan zullen zij zich wreken, zij zullen opstaan, bij duizenden! Amok loopen en u allen verjagen. Zeer te regt zingt het Lied van de Klok:--"jedoch das Schrecklichste der Schrecken, das ist der Mensch in seinem Wahn!". [7]
NACHT. Nog nimmer heb ik hen door drift vervoerd gezien en zou......
"Toean, toean!--Lakas, lakas! Matjan, matjan!"- - - Onder het uiten dezer noodkreten ijlde een onzer jongens naar ons toe en deed ons verschrikt opspringen van de plaats, waar wij digt bij den rand der kloof op ons gemak lagen te praten. Het middernachtsuur was nabij. Achter Sidin kwamen twee andere Javanen aanstormen, die met knuppels en een brandend stuk hout woedend in het rond zwaaiden. "Een tijger, een tijger!--Holla, ho! Val aan, val aan, een tijger!"--Deze noodkreten deden de gansche bevolking van het gehucht met schrik ontwaken en in één oogenblik was alles op de been;--in de hutten hoorde men de kinderen huilen, de vrouwen hieven een luid geschreeuw aan,--de mannen stormden de deur uit en snel als de wind ijlden zij naar de plaats van het gevaar, gewapend met puntige Bamboesstokken, hakmessen, een paar lansen, rijststampers en al wat zij in de eerste ontsteltenis voor de hand hadden gevonden. Wij grepen terstond naar onze geladen geweren en vlogen met de anderen den tijger in den stormpas achterna. Hij was nog in het gezigt en sleepte eene geit, die hij had weggeroofd, aan den hals voort. Bespeurende echter, dat hij door zoo vele menschen werd vervolgd, liet hij de geit op eenigen afstand van het dorp los en pakte zich snel voort. Een van onze kogels, die hem achterna gezonden werden, trof hem zoodanig, dat hij op den grond stortte, en terwijl hij rondwentelde, weder opsprong en andermaal over den kop tuimelde, losten wij nog twee schoten op hem, zoodat een paar Javanen, die met lange lansen gewapend waren, het eindelijk durfden wagen den tijger voorzigtig te naderen en hem--door hunne pieken zoo diep in zijn lijf te steken, dat hij, als ware het aan den grond werd vastgespiest--voor goed te dooden. Deze pieken waren, behalve de hakmessen (Gòlok) en enkele dolken (Kris) de eenige wapenen in het gansche dorp.
De tijger en zijn slagtoffer, de geit, werden nu naar het dorp gesleept, waar de vrouwen en kinderen nog steeds luidkeels schreeuwden. De geit, die aanvankelijk nog leefde, doch kort daarna stierf, had ter wederzijde van den nek, vlak achter den kop, eene rij bloedende gaten, namelijk, ter plaatse waar de tijger de tanden had ingezet. Zij behoorde aan de weduwe en had haren stal gehad onder den vloer der hut, derhalve onmiddellijk onder het vertrek, waar wij ons nachtkwartier zouden opslaan. Aldaar hadden Sidin en andere Javanen liggen slapen op den vloer, welke eenvoudig bestond uit gevlochten Bamboes (Sasak). Het gedruisch echter door den tijger gemaakt bij het inbreken in den stal en de beweging van het slagtoffer, hetwelk aan de klaauwen des tijgers trachtte te ontspartelen, welk een en ander zij zoo in hunne onmiddellijke nabijheid, vlak onder zich, vernamen, had hen uit den slaap gewekt.
De maan was nog niet geheel tot aan den rand van den dalwand genaderd en schoot hare stralen, wel is waar, in eene schuine rigting, al sidderend en gebroken door het loof van het geboomte, maar haar licht scheen nog helder genoeg om het gevelde dier duidelijk te kunnen zien, dat daar op het kale plekje voor onze hut uitgestrekt lag. Het was een koningstijger van de grootste soort, stellig even lang, maar slanker dan een volwassen stier. Zijne prachtige, gele huid met de scherp en dreigend daarop uitkomende zwarte strepen, zijn vreesselijk gebit, de kracht en woestheid, welke het dier ook na zijn dood nog teekende, boezemden ons allen een zekeren huiveringwekkenden eerbied, eene schuwe vrees in, welke door de gapende wonden en bloedige vlekken, waarmede het lichter gekleurd gedeelte zijner huid was bezoedeld, niet verminderd kon worden. Vooral de vrouwen en kinderen scheen de angst zoodanig bekropen te hebben, dat zij het doode dier niet dan op een behoorlijken afstand durfden beschouwen. De weduwe alleen, voor welker hut wij het beest hadden neergeworpen, trad ijlings nader en hield vlak voor den tijger stil.--Haar lang, zwart haar had zich ontrold en hing langs hare schouders, gelijk dat der meeste vrouwen, die in het rond stonden en zoo plotseling en ter dood verschrikt van hare Ambèn (rustbank) waren opgesprongen. Haar bovenlijf was, zoo als gewoonlijk, geheel en al ontbloot tot op den Sarong, welke om de lendenen was geslagen en van daar in breede plooijen hare verdere ledematen bedekte.--De jeugdige weduwe stond daar met opgeheven armen, voorovergebogen ligchaam, voorwaarts gestrekt hoofd en staarde met fonkelenden, onafgewenden blik op den koning der wildernis, die daar voor haar lag. "Dat is de tijger, die mijn armen man heeft verscheurd en nu ook mijne geit heeft geroofd!" riep zij op snerpend luiden, huilenden toon en wierp zich met eene soort van gebrul op het doode dier. Zij wroette met beide handen in zijne wonden, verwde zich met zijn bloed, greep hem bij den kop, sloeg hem op de oogen, beet hem in zijne huid, lekte zijn reeds half geronnen bloed op, sprong tandeknarsend, met gebalde vuisten op en wierp zich andermaal onder het slaken van een wilden, doffen kreet van woede op den tijger, dien zij vaneen scheen te willen scheuren. Weldra deelde hare onstuimige drift zich mede aan de overige vrouwen, de ééne verdrong de andere, ja, zelfs de kinderen kwamen eindelijk toesnellen om den tijger te schoppen, te slaan, uiteen te rukken of althans hunne voeten in des tijgers bloed te baden. De mannen hielden zich stiller, bedaarder; maar naauwelijks ontstond er eene opening tusschen de vrouwen en kinderen, kwam er eene vrije plaats, en kregen zij de gelegenheid om het dier te naderen, dan staken zij hunne lange dolken (Kris) tot aan het hecht in zijn lijf,--herhaalden dit met onmiskenbaren wellust zoo vele honderde malen en doorsneden en doorboorden den dooden tijger zoodanig, dat hij eindelijk eene zeef geleek;--daar lag nu het Koninklijke roofdier uitgestrekt op den grond; de mannen lagen met den dolk in de hand op hunne knieën er nevens; de kinderen baadden hunne voeten in zijn bloed--en de vrouwen stonden met het naakte bovenlijf, met heur loshangend haar, gezigt, borst en handen met bloed bevlekt, dreigend en huilend daarbij--in groepen, waarop het wegstervend licht der maan nog eenige laatste stralen wierp.
Onthutst door dit tooneel, was mijn broeder Nacht eenigzins achterwaarts getreden. Nog nimmer had hij Javanen in drift ontstoken gezien en het scheen, dat hij op dezen oogenblik grooter vrees koesterde voor deze menschen dan vroeger voor den levenden tijger. En toch was deze vrees geheel en al ongegrond; wij hadden hen immers volstrekt geen leed gedaan; wij hadden hunne rust, hunnen vrede niet gestoord, hun stil geluk niet verwoest!--Langzamerhand scheen hunne wraaklust zich te bekoelen; zij hadden uitgewoed en kwamen tot bedaring. De maan ging onder en de een na den anderen verliet den kring, keerde naar zijne hut terug, waarvan de deur zorgvuldig van binnen werd toegegrendeld. Er bleef nog slechts een paar mannen over, die op hunne knieën naast den tijger lagen en zich oefenden in het gebruik van de Kris. Door woorden en gebaren gaf de weduwe ons nu te kennen, dat het haar "goed deed aan het hart, wraak te hebben kunnen nemen aan den tijger, dat wij beste heeren waren, dat zij ons ten zeerste bedankte, want wij hadden den tijger neêrgeschoten, wij hadden zegen in haar dorp aangebragt en wij konden nu voortaan hare woning als ons eigendom beschouwen en er zoo lang in blijven als wij wenschten, hetgeen haar hoogst aangenaam zou zijn."--"Banjak tabé, toean! Slamat tidor, toean!" (Van harte gegroet! Goeden nacht, mijne Heeren!)
Wij lieten nevens de hut eenige wachtvuren ontsteken, waarbij twee Javanen, met lansen gewapend, post vatteden om het vuur te onderhouden, stegen vervolgens de ladder op en traden het kleine Bamboezen paleis der weduwe binnen, waarvan het eenige vertrek aan ons en onze jongens tot nachtverblijf zou verstrekken. Wij zagen hen daar, zoo lang zij waren, horizontaal en plat op den rug zonder hoofdkussen op den vloer liggen. Zij waren reeds wederom ingeslapen en ronkten uit alle magt. Wij zetteden ons neder op de breede bank (Balé balé), die van nevens elkander gelegde strooken gespleten Bamboes vervaardigd was. De lamp, reeds voor lang met Djarakolie gevuld, was uitgebrand en slechts het schijnsel der wachtvuren, dat door de reten der gevlochten Bamboeswanden binnen drong, verlichtte eenigzins het kleine vertrek.
Gaarne hadden wij ons met wollen dekens toegedekt, want al was de temperatuur der bekoelde nachtlucht niet beneden 70° Fahrenheit gedaald, wij waren toch huiverig, dewijl wij gedurende den loop des daags aan een veel hoogeren hittegraad,--van 85 à 90° en in den zonneschijn nog veel meer,--waren blootgesteld geweest. Maar onze Koeli's waren niet aangekomen, en nu konden wij hen ook niet meer te gemoet zien, dewijl zij des nachts niet durven reizen door wildernissen, waarin het van tijgers wemelt.--Wij vouwden onze reiskleederen, die intusschen gedroogd waren, te zamen tot een hoofdkussen, wikkelden onze schouders in den Selendang, bedekten ons verder met den Sarong en vielen, door en door vermoeid zijnde, zelfs op onze harde legerstede weldra in diepen slaap.
(Vervolg hierna.)
VERHALEN EN GESPREKKEN UIT DE BINNENLANDEN VAN JAVA.
2.
Ik droomde.
Ik bevond mij in het binnenste heiligdom eener kerk, waar geen leek mogt binnentreden. Ik weet niet regt of het in Polen, in Spanje of in een ander land was. Een jonge geestelijke zou de priesterlijke wijding ontvangen en, met eene bijzondere zending belast, naar een verwijderd land vertrekken. Vele priesters in hun feestgewaad gedost waren aldaar vereenigd, ter bijwoning van de heilige plegtigheid. Verscheidene kardinalen, met de breede hoeden en prachtige purperen mantels, zaten in het gestoelte aan de eene zijde der hooggewelfde kapel, benevens eene menigte bisschoppen met hunne hooge mutsen en van goud blinkende herderstaven en kruisen, en hierop volgde eene lange rij priesters van minderen rang. Allen waren in prachtige, schitterende gewaden gedost. En--hetgeen ten hoogste mijne verwondering wekte--tegenover hen zat een gelijk aantal dominé's, die met hunne driekante hoeden en zwarte kleedij eene, wel is waar, minder schitterende, maar even lange rij vormden. Ik en mijn broeder Nacht waren de eenige oningewijden aldaar tegenwoordig. Hoedanig ik te dier plaatse was gekomen, dit wist ik niet; het bleef mij een onoplosbaar raadsel, maar ik was er en stond met mijn broeder Nacht in een der verwijderde hoeken van de kapel achter een pilaar verborgen. Hoog verhieven zich in de beide zijgevels der kapel de spits toeloopende vensters, waarvan de beschilderde glazen het invallend daglicht temperden. Een veelkleurig schijnsel verwde den vloer in het midden der kapel, waarvan de verder afgelegene hoeken en nissen in een tooverachtigen schemer waren gehuld. Tusschen de vensters ontwaarde men allerwege aan de wanden groote schilderijen in olieverw, waarop verscheidene figuren stonden; zij waren allen in lijsten gevat en stelden voor de wonderen door Jezus Christus op aarde verrigt. Op eene dier schilderijen zag men de uitstorting van den Heiligen geest op de Apostelen, en eene der grootsten stelde voor de opstanding der dooden. De allergrootste echter, welke te gelijker tijd de fraaiste schilderij was, hing op den voorgrond hoog aan den wand; slechts een kruis verhief zich daar boven. Christus was daarop afgebeeld, na zijne opstanding uit het graf, ten hemel varende. Op deze schilderij verlaat hij onze aarde, keert hij terug naar zijnen hemelschen Vader, nadat hij zijn verlossingswerk alhier heeft volbragt. Zijn gelaat is verheerlijkt, zijne houding zegevierend, goddelijk. Al wat aardsch is, heeft hij overwonnen; hij zweeft opwaarts nog ligter dan de lucht, welke hij doorklieft en de sterfelijke wezens, daar beneden op de aarde, staren hem, met opgeheven armen, in verwondering en verrukking na. Een lichtende stralenkrans omgeeft zijn hoofd en tusschen gulden wolken blinkt in de verte de geopende poort des hemels, de plaats der eeuwige gelukzaligheid, werwaarts tallooze scharen van heilige engelen hem begeleiden.
Beneden deze heerlijke schilderij bevond zich eene nis; een zwaar gordijn verborg haar binnenste voor elken bespiedenden blik. Vóór deze nis stond eene tafel met een purperen kleed bedekt; op een opengeslagen Nieuw Testament, dat zich daarop bevond, lag een groot zilveren kruis.