Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java

Part 4

Chapter 43,677 wordsPublic domain

De hooge trap van beschaving, de bloei der wetenschappen, de uitbreiding en volmaaktheid aan alle takken van nijverheid gegeven, gelijk bij deze volken wordt waargenomen, dit alles moet als een natuurlijk gevolg worden beschouwd van deze drie oorzaken: als de eerste komt in aanmerking het gunstige, gematigde, noch te warme, noch te koude klimaat des lands, dat zij bewonen, hetwelk eene jaarlijksche afwisseling heeft van zomer en winter, van lente en herfst; eene dergelijke afwisseling oefent een zeer opwekkenden, verheffenden, bezielenden invloed uit op 's menschen geest;--ten tweede de geographische ligging van Europa, in welk opzigt het boven andere werelddeelen verre is bevoorregt, dewijl het, verdeeld in zoo vele verschillende deelen of leden, doorsneden door uitgestrekte binnenzeeën, in het bezit zijnde van talrijke, diepe golven en baaijen, eene veel gunstiger gelegenheid aanbiedt tot ontwikkeling van handel en scheepvaart als eenig ander land ter wereld, en--ten derde de betere physieke aanleg van het Kaukasische menschenras ter verkrijging van geestbeschaving in vergelijking van andere rassen, en welke aanleg hoofdzakelijk moet worden gezocht in zijne veel grootere hersenen en zijn volkomener schedelbouw, waardoor het geschikt is geworden om tot eene veel hoogere intellectuele en industriële ontwikkeling op te klimmen, dan andere minder volkomen bewerktuigde of verkwijnende menschenrassen.--Begunstigd door deze drie oorzaken, ging de hoogere ontwikkeling hand aan hand met de steeds toenemende vermeerdering der bevolking, welke laatste weldra in overbevolking ontaardde, zoodat de bewoners voortdurend naar nieuwe middelen van onderhoud moesten omzien, de bestaande meer en meer verbeteren, en zich eindelijk gedwongen zagen naar andere oorden heen te trekken, kolonien of nieuwe rijken aan gene zijde des oceaans te stichten, waar de landverhuizers de reeds verkregen beschaving overplantten. Diezelfde mate van beschaving zou echter in het moederland reeds veel vroeger zijn verkregen geworden, indien het Christendom daarop zijn nadeeligen invloed niet had uitgeoefend.

NACHT. Uwe wijze van beschouwing kan ik, in al hare deelen, niet de mijne noemen. Ik wil voor den oogenblik toegeven, dat het Christendom misvormd, miskend, en door duizenden van menschen is misbruikt geworden tot het bereiken van oogmerken, die aan het ware doel er van geheel en al vreemd zijn, waardoor slechts ellende en jammer zijn gebaard; maar aan de andere zijde moet niet uit het oog worden verloren, dat er door alle eeuwen heen duizend anderen werden gevonden, die de leer der menschenliefde in al hare zuiverheid hebben betracht. Dit moest natuurlijkerwijze een weldadigen invloed uitoefenen op den toestand der maatschappij in het algemeen. De vroegere ruwheid van zeden, de barbaarschheid moest langzamerhand plaats maken voor zachtere wetten; hierdoor moest het gemoed veredeld, de veiligheid van personen en goederen beter gewaarborgd en de snelle aanwas der bevolking begunstigd worden, welke laatste, gelijk gij vroeger reeds en te regt hebt aangemerkt, steeds gepaard gaat met de hoogere vlugt zoowel der industriële als intellectuele ontwikkeling.

DAG. Zeer zeker. Maar ook des te grooter waren de verwoestingen door het Christendom op andere tijden en in andere oorden aangerigt, terwijl er nog mag worden bijgevoegd, dat het allerwege den vooruitgang tegenhield, dewijl het den geest aan banden legt. In vergelijking van de nadeelen daardoor ontstaan, is de weldadige invloed, uitgeoefend door enkele brave en vrome mannen, uiterst gering, ja, hoogst onbeduidend te heeten.--En deze menschenliefde, deze belangstelling en hulpvaardige deelneming in het geluk en het ongeluk van anderen, mag zij inderdaad worden beschouwd als een geschenk, dat het menschdom is verschuldigd aan het Christendom? Is zij eene deugd, welke slechts Christenen bezitten? Het is waar, luid en heerlijk is zij door Jezus van Nazareth ter beoefening aangeprezen,--maar zij bestaat sedert de mensch deze aarde bewoont; bij alle volken, bij de belijders der verschillendste godsdiensten, bij Mohammedanen en bij zoogenaamde Heidenen, bij de beschaafdste en bij de wildste volken, overal zult gij dit gevoel der menschenliefde ontwaren, hier in een ruwen, ginds in een meer veredelden toestand, nu eens vlekkeloos, dan weder onzuiver, ja, zelfs door hartstogten en vooroordeelen tijdelijk geheel verstikt,--maar overal, werwaarts gij u ook mogt begeven, in alle deelen der aarde zult gij het wedervinden en gij zult bemerken, dat de beste menschen diegenen zijn, welke de menschenliefde van niemand geleerd hebben, die de deugd beoefenen, zonder haren naam te kennen. Hebt gij er niet heden avond nog het bewijs van gezien, hier onder de bewoners dezer armoedige hutten, die toch geene Christenen zijn? Het is zoo waar niet noodig, dat een profeet, een godsgezant, op aarde wordt gezonden om ons het onderscheid tusschen het goede en het kwade, de liefde tot onze natuurgenooten te leeren, want reeds bij de schepping des menschen werd de kiem van dit gevoel door den Almagtigen zelven in 's menschen borst geplant.

Wie leerde aan de bij het bouwen harer cel? Wie schonk het bewonderenswaardig instinct aan de spin, die zulk een kunstig weefsel vormt? Wie boezemde het dier de liefde in voor zijne jongen? werd hun dit, even als de liefde tot den naaste aan ons menschen, niet bij hunne schepping toebedeeld?--in wiens borst echter heeft zich het gevoel van menschenliefde, van medelijden, ooit in geringere mate geopenbaard, dan juist in de borst dier priesters des Christendoms, die de leer van Jezus predikten, maar godsdienst- en verdelgingsoorlogen aanstookten en honderd duizenden hunner medemenschen op de pijnbank folterden, naar galg en rad verwezen of levend in de vlammen van den brandstapel wierpen, dewijl--deze honderd duizenden niet blindelings wilden of konden gelooven, hetgeen heersch- en hebzucht hadden voorschreven.

NACHT. De gruwelen dier dagen zijn lang voorbij. Verlies toch het goede niet uit het oog, dat de tegenwoordige tijd ons oplevert. Moet men niet erkennen, dat de Christelijke zedeleer, zelfs dan wanneer zij niet naar de letter kan worden betracht, een weldadigen invloed uitoefent op het karakter der menschen, hen veredelt en deugdzamer maakt?--Ga eens na welk een groot aantal hospitalen en andere gestichten zijn daargesteld, alwaar onvermogenden kosteloos worden verpleegd, hoe vele genootschappen ter ondersteuning van hulpbehoevenden zijn opgerigt, als vondelingshuizen, armhuizen, weeshuizen, enz., denk toch aan onze Hollandsche hofjes,--in een woord, aan de menigte inrigtingen van weldadigheid, die tegenwoordig in alle groote en kleine steden van het Christelijk Europa worden gevonden. Zijn zij allen niet vruchten van den boom der Christelijke liefde?

DAG. Zeg dan liever menschenliefde. Ik geloof echter niet, dat loutere menschenliefde in staat zou geweest zijn, al die inrigtingen van weldadigheid en hulpbetoon tot stand te brengen, waarvan gij melding hebt gemaakt ter verheerlijking van het Christendom, ware het niet, dat de ijzeren noodzakelijkheid allengs luider aan de deur had geklopt. Zij zijn niet anders dan een gevolg der overbevolking en van het pauperismus. De regeringen, even als de vermogenden des lands, hebben den zin der vraag begrepen, die zij moeten helpen beantwoorden. Het aantal der armen en broodeloozen is thans legio in elk land van Europa. Willen de rijken zich zelven niet laten verslinden door degenen, die honger lijden, dan moeten zij hun iets anders te eten geven en hen verzorgen.--Wat nu betreft de veredeling des menschen door de Christelijke zedeleer, gij hebt toch even als ik in groote Indische steden verkeerd, onder wier inwoners bijna alle volken der aarde en de belijders van alle mogelijke godsdiensten, Joden en Mohammedanen even goed als alle soorten van Christenen en zoogenaamde Heidenen, vertegenwoordigd zijn en gij zult insgelijks hebben bespeurd, dat het geloof dier verschillende volken niet den geringsten invloed uitoefende op hun praktisch leven en handelen; wijders dat onder een gelijk aantal Christenen even vele slechte menschen werden gevonden als onder de overigen, ja, dat de zedelijk goeden onder genen, betrekkelijkerwijze gesproken, zeer dikwijls geringer in aantal waren dan bij deze, dewijl zij, in spijt van hunne Christelijke zedeleer, hunne meerdere Europesche beschaving en geestkracht op den duur slechts spitsten met het oogmerk om de anderen te benadeelen, te bedriegen en het meest mogelijke voordeel van hen te behalen.

NACHT. Hoedanig ik over uwe anti-christelijke beschouwingen oordeel, zal ik u later mededeelen; ik wensch zulks uit te stellen, totdat wij onze reis door Java afgelegd en vermogende, zoowel als behoeftige inlanders zullen bezocht hebben. Alsdan zal ik meer ervaring hebben opgedaan en beter in staat zijn om eene vergelijking te maken tusschen de inboorlingen van dit eiland en de Christenen in Europa.--Maar zeg mij eens, indien gij volstrekt niet gelooft noch aan wonderen, noch aan eene hoogere openbaring in den innerlijken mensch, dan kunt gij immers ook geene bevrediging, geen troost vinden in de beloften, vervat in den bijbel waarop, als zijnde Gods heilig woord, zoo vele millioenen menschen hunne hoop bouwen en--hoe verklaart gij dan den oorsprong der wereld en de verschijnselen in de natuur?

DAG. De bijbel bevat menig schoon verhaal, voortreffelijke zedelessen, waarvan de lezing niet slechts aangenaam, maar tevens nuttig is. Hij is echter zoodanig doorspekt met dwaalbegrippen en sprookjes, dat het hoogst gevaarlijk is den bijbel als iets anders te beschouwen, dan als een boek, geschreven door zwakke, feilbare menschen, of hem te willen doen doorgaan als het "onmiddellijk woord van God," als eene "uit den Hoogen ingegevene heilige schrift der Apostelen van Christus."--Gij weet even goed als ik, dat bij de geschied- en taalkundigen groot verschil van gevoelen bestaat omtrent den oorsprong van het Nieuwe Testament, zoomede omtrent den tijd, waarin het is te boek gesteld. Volgens sommigen zou het door de zoogenaamde Apostelen zelven (kort na den dood van Jezus) zijn vervaardigd geworden en derhalve moeten gebragt worden tot de eerste helft der eerste eeuw onzer tijdrekening. Volgens andere en meer grondig ervarene critici daarentegen kan het eerst anderhalf honderd jaar na Christus, in den vorm gelijk wij het kennen, zijn te boek gesteld door schrijvers, wier namen onbekend zijn, die verscheidene overleveringen en lessen, welke destijds in den mond des volks nog levendig waren gebleven, op die wijze trachtten te bewaren; gij weet het, de meest onbevooroordeelde, de onpartijdigste onderzoekers der schrift zijn het, die tot dit laatstgenoemde resultaat zijn gekomen. In nog lateren tijd werden de verschillende gedeelten en brieven bijeengevoegd tot dat geheel, hetwelk wij gewoon zijn het Nieuwe Testament te noemen. Het is derhalve niet eens mogelijk, om uit te maken of Jezus van Nazareth, al hetgeen in dit Nieuwe Testament staat, werkelijk geleerd en verhaald heeft en of hij het zoo, gelijk daar gelezen wordt, heeft gesproken.

Hoe onverstandig is het nu niet gehandeld, indien men, gelijk vele godgeleerden ("Christelijke schriftgeleerden en pharizeën") doen, indien men groote waarheden der natuur wil bestrijden met de woorden van dezen bijbel, die te boek is gesteld naar volksverhalen en zulks in een tijd, toen nog geen Kopernicus en Galileï, nog geen Newton en Francklin geleefd hadden, toen nog geene enkele der gewigtige sterrekundige en physiek-chemische ontdekkingen was gedaan, waaraan onze eeuw haar licht, hare hooge vlugt moet dank wijten,--in een tijd toen men de magnetische kracht, de electriciteit niet kende, niet wist wat de bliksem was; toen men nog waande, dat de aarde in het hemelruim stil stond, en men zon, maan, benevens alle sterren, nog dagelijks om dezen kleinen aardbol liet ronddraaijen!--Waren de verschillende gedeelten des bijbels naar hoogere ingeving ter neder gesteld geworden, dan zou men toch billijkerwijze mogen verwachten, dat hier of daar eene natuurkundige waarheid, eene juiste verklaring van verschijnselen in de natuur er in werd aangetroffen; zoowel in het Oude als in het Nieuwe Testament zult gij niet alleen te vergeefs er naar zoeken, maar allerwege het tegendeel vinden.

Er is slechts eene openbaring, en dat is de natuur; slechts eene waarheid, namelijk die, welke geput wordt uit de grondige studie dezer natuur, het werk des grooten Scheppers. Al hetgeen in het heelal bestaat, laat zich op eene natuurlijke wijze verklaren uit de krachten en eeuwige wetten, welke de mensch mag leeren kennen en navorschen in de wijze, waarop zij zich openbaren, en in de werkingen die zij uitoefenen. Dit geldt ten opzigte van alle boven- en ondermaansche verschijnselen, eene enkele uitgezonderd:--het innerlijke wezen, de drijfveer in de natuur, de geest, die haar bezielt, benevens de millioenen van verschillende gestalten, waaronder zij zich voordoet. Deze drijfveer te begrijpen en te verklaren is mij niet mogelijk; dat zij echter bestaat, dit gevoel ik elken oogenblik, want in alles, wat ik onderzoek, in planten, in steenen, in de verschijnselen des dampkrings, daar ginds boven mij in den sterrenhemel, gelijk hier beneden op de aarde, in den mensch gelijk in het kleinste insekt, overal neem ik waar doelmatigheid, alwijsheid en bespeur ik, dat het doeleinde, waartoe alle levende wezens zijn geschapen, is: genot en geluk. Al moge het mij nu niet gegeven zijn dit wezen der natuur, dezen geest, uit wien alles is, die alles onderhoudt, te bevatten,--ik gevoel zijn aanwezen, ik gevoel, dat hij is alwijs, algoed, en in hope, in vertrouwen, in vereering en in aanbidding noem ik hem--God.

Gelijk de belijders der leer van Mohammed zeggen: "er is geen God dan God", zoo zeg ik: er is geen wonder dan Hij. Want terwijl alles bestaat en zich beweegt naar wetten, terwijl alles uit wetten kan worden verklaard, waarvan nog nimmer, sedert duizenden van jaren, sedert de mensch die wetten navorscht, het geringste uit zijne baan is afgeweken, zoo poogt onze geest te vergeefs om Hem te begrijpen, die voor ons verstand onbegrijpelijk is, dewijl ook wij een deel uitmaken van hetgeen door hem is geschapen. Gij zult mij gereedelijk moeten toestemmen, dat gij met al uwe godgeleerde kennis niet meer er van begrijpt dan ik, en dat van den anderen kant de goede Javanen er juist even veel van weten als wij beide, maar ook niets minder; want ook zij en zelfs die, welke niet tot de Mohammedanen behooren of dit slechts in naam zijn, gelooven aan God en aan dien naam verbinden zij, even als wij, diezelfde eigenschappen van alwijsheid en algoedheid. Dit geloof behoort, even als het gevoel van liefde tot den naaste, onafscheidbaar tot den mensch; bij zijne schepping werd hem dit ingeplant, en de zoogenaamde profeten, die van tijd tot tijd dit geloof luidruchtiger dan gewoonlijk hebben verkondigd, hebben het uit geene andere bron geput. Bij de onbeschaafdste, de ruwste, in een woord, bij alle volken, bestaat het geloof aan een hoogsten geest, aan een almagtigen Schepper aller dingen.

NACHT. Maar bij de meeste wilde volken is het begrip van God zoo onduidelijk, zoo onbepaald,--de zwakke lichtstraal des geloofs aan een hoogsten geest is bij hen achter zoo vele bijgeloovigheden, vooroordeelen en geheimzinnige gebruiken verborgen, de eenig ware God wordt bij deze volken, wanneer zij hem al kennen, door zulk eene groote menigte ondergeschikte geesten, Sétan's, Dewa's, Begoe's, enz., enz., waaraan zij gelooven, op den achtergrond gesteld, als het ware verdrongen, dat er menigwerf ter naauwernood nog slechts een flaauw spoor van te ontdekken is?!

DAG. Broeder Nacht, ik zal u bewijzen, dat het met het geloof aan den eenigen waren God in vele landen van het beschaafd Europa,--te midden der allerchristelijkste staten,--niet veel beter gesteld is, dan bij de bewoners der Batta-landen en andere wilde of schijnbaar wilde volken, waarop gij zinspeelt. Verre van mij is het denkbeeld verwijderd om iemand in zijne aangeleerde vooroordeelen, die hem welligt tot gewoonte, tot behoefte zijn geworden, te willen krenken; ik gevoel daartoe even weinig roeping als tot proselietenmakerij. Maar in een land gelijk het onze, waar vrijheid van godsdienst bestaat, waar alle geloofsbelijdenissen gelijkelijk worden toegelaten en aan geene kerk eenig voorregt boven eene andere is geschonken, durf ook ik voor mijne overtuiging vrijelijk uitkomen en openlijk belijdenis van mijn geloof afleggen, zelfs indien ik de eenige aanhanger er van ware.

Ik ben noch Jesuit, noch Heiden, noch Jood, noch Mohammedaan, noch Calvijnsch, Luthersch, Gereformeerd, Grieksch-, Roomsch- of Duitsch Katholiek, Armenisch, Arminiaansch, Independent, Puriteinsch, Anglikaansch, Koptisch, Mormonisch, Mährisch, Wederdoopend, Kwakend of Afgescheiden Christen, maar behoor tot de hooggewelfde kerk, waarvan het dak met sterren is bezaaid, tot de kerk der regtzinnige natuurkundigen, die GOD aanbidden, die Hem in zijne werken en in de krachten, welke hij daarin heeft gelegd, erkennen en bewonderen.

Dezen God kan ik in uwe Christelijke kerken niet vinden, waar Hij of door anderen verdrongen of zoodanig vermomd is, dat Hij bijna onkenbaar is geworden. Bezoek eens eene dergelijke echt Roomsche kerk. Wat aanschouwt gij daar?--Op den achtergrond ziet gij een kolossaal kruis met de beeldtenis des martelaars van Nazareth; de priester, die er voor staat, offert wierook, maakt zonderlinge gebaren en mompelt onverstaanbare latijnsche woorden; ter zijde van hem liggen biddende personen voor rijk versierde Mariabeelden geknield; ginds worden met klatergoud opgeschikte beeldtenissen van heiligen aangebeden en hier, in den biechtstoel, heeft een zondige mensch zich nedergezet op den troon van God, om (tegen betaling)--bedreven zonden te vergeven! En wanneer er gepredikt wordt, wat verneemt gij dan? Herhaaldelijk en menigwerf zullen de woorden: Verlosser, Zaligmaker, Heiland, Jezus Christus, Gods zoon, Heilige geest, Heilige moeder, Maria, Heilige christelijke kerk uw oor treffen; de namen van de kerkvaderen en van eene talrijke schaar van heiligen zullen u menigmaal te gemoet klinken; er zal gesproken worden van zonden, heilige biecht, aflaat en vagevuur,--maar van God, den alwijzen, algoeden, die de heerlijke natuur heeft geschapen, waaraan hij leven gaf en geeft, van Hem zult gij daar niet veel te zien of te hooren krijgen, naauwelijks iets meer dan bij de Battaërs, Alfoerezen en Timorezen, die afgodendienaars worden genoemd, en stellig minder dan in de tempels der Mohammedanen, alwaar, gelijk in de Mesigit's op Java, den eenigen Toean-Allah wordt aangeroepen.

En deze godsdienst wilt gij invoeren op Java, onder deze goede menschen, die nog met geen geloofswaan zijn besmet?

NACHT. Reeds vroeger heb ik u gezegd, dat ik, wel is waar, insgelijks in het Katholieke geloof ben opgevoed, maar, even min als gij, mijn gemoed gesloten heb gehouden voor beter licht, in tegendeel steeds geneigd ben geweest deugdelijke, gezonde bewijsredenen aan te hooren. Daar gij het gezuiverde, door de Hervorming gelouterde Christendom reeds vroeger hebt afgekeurd, wil ik van het overige niet spreken en bovendien mijn oordeel over de vraag nopens de invoering des Christendoms onder de Javanen opschorten tot tijd en wijle dat wij onze reize door Java hebben afgelegd. Welke overtuiging ik alsdan daaromtrent ook zal mogen koesteren, dit staat bij mij vast, dat ik het nimmer zou durven wagen, dergelijke beschouwingen als de uwe, omtrent de Christelijke leer en kerk, althans niet in Europa, openlijk te verkondigen.--Zij zouden ons in den ban doen, excommuniceren!

DAG. Laten zij het doen. Gij behoeft niet in hunne kerken te gaan, waar van den waren God toch niet veel te vinden is. Van hen behoeft gij geen troost te ontvangen.--Wanneer gij het oog hemelwaarts heft, van waar de zon, de maan en duizende sterren als eene eeuwige openbaring u te gemoet schitteren, en gij met de hand op het hart zeggen kunt: God, Alwijze, Algoede, in u geloof ik, u vereer ik, u erken ik in de bewonderenswaardige werken door u voortgebragt, die allen liefde ademen, die allen de grootste doelmatigheid en eeuwige bewaring verkondigen; vol ootmoed en lijdzaamheid onderwerp ik mij aan het lot, dat gij in uwe onnaspeurlijke wijsheid voor mij hebt weggelegd; ik heb afschuw van het kwade, ik vereer en betracht de deugd; ik heb mijnen naaste lief en doe wel aan den arme en den lijdende, zooveel in mijn vermogen is,--dan bezit gij de ware godsdienst, dan hebt gij hunne kerken niet noodig, behoeft hunnen banvloek niet te duchten; dan kunt gij getroost slapen gaan en met een gerust gemoed weder opstaan van uwe legerstede, want God is met u. De waarheid, het regt, hebt gij aan uwe zijde, en het bewustzijn hiervan zal u sterk maken tegen alle wederpartijders.

NACHT. Hetgeen gij daar zegt, heb ik menigwerf gedacht en gevoeld. De vrees echter, die ik koester om mij openlijk te verklaren tegen de leerbegrippen der gevestigde kerk, kunt gij niet weg redeneren. Ik kan dit niet zoo ligt tillen als gij. Hierop zal ik welligt later nogmaals terugkomen. Maar nu wenschte ik wel van u te vernemen,--dewijl gij de invoering van het Christendom op Java zoo ten eenen male afkeurt: wat wilt gij dan de Javanen leeren? of wenscht gij, dat zij, zonder eenig onderrigt, blijven zoo als zij zijn?

DAG. Het is beter, dat zij blijven, 't geen zij zijn, dan dat er Christenen van hen worden gemaakt. Mijne bedoeling is echter niet, om hen te laten blijven, zoo als zij thans zijn. Alvorens ik u mijne denkbeelden mededeel omtrent de wijze, waarop de Javanen behooren onderwezen te worden, wil ik nogmaals met korte woorden herhalen, hetgeen vroeger door mij is aangevoerd, en hetgeen ik ten allen tijde bereid ben uitvoeriger en grondiger te bewijzen, namelijk: 1o. dat de hoogere trap van maatschappelijke ontwikkeling der Christenvolken, niet het gevolg is der geloofsleer, welke zij belijden, maar in tegendeel dat het Christendom die beschaving en verlichting gedurende eeuwen heeft tegengewerkt, gelijk het ook thans nog vijandig daar tegenover staat;--2o. dat die hoogere beschaving is uitgegaan van de beoefening der natuurlijke wetenschappen, welke langzamerhand licht en kennis in den langen nacht van het Christendom verbreidden, en dat de hoogere vlugt dezer wetenschappen zijn grondslag heeft in de oorspronkelijk grootere geschiktheid, welke de volken van het Kaukasische ras voor geestesontwikkeling bezitten, in hun meer volkomen hersengestel en in hunnen beteren physieken aanleg in het algemeen, waarbij vooral niet over het hoofd mag worden gezien de opwekkende invloed, uitgeoefend door het gematigde luchtgestel en de bij uitnemendheid gunstige geographische ligging;--3o. dat het Christendom de menschheid geen duurzaam geluk, geen vrede kan aanbrengen, dewijl het, verre van waarheid en licht te verspreiden, slechts bijgeloof, het geloof aan wonderen aankweekt;--4o. dat zelfs de lichtzijde van het Christendom, de leer der zelfverloochening, de onbegrensde liefde tot den naaste, de bestrijding der vleeschelijke lusten, de onthouding van aardsch genot--in die mate als dit wordt geleerd, niet betracht kan worden, wijl zulks in strijd is met de natuur en derhalve gemeenlijk slechts huichelarij en schijnheiligheid doet rijpen;--5o. dat het geloof aan eenen grooten, algoeden God alreeds in het gemoed der Javanen levendig is;--en 6o. dat zij menschenliefde bezitten en beoefenen, ja, beter en met zuiverder bedoelingen beoefenen dan duizenden dier Christenpriesters in Europa gedaan hebben.