Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java
Part 32
"Jongens, jongens, ik heb u beluisterd. Wat zijt gij onverstandig! Ik heb Faust ook gelezen en zeg u: een vent die speculeert, gelijkt een beest op het dorre veld, door eenen boozen geest steeds in het rond geleid en om dien kring ligt aan alle kanten eene schoone, groene weide.--Eene weide, ja, visschen in het meer, eenden in het riet; hoort gij ze niet snateren? Laat ons liever gaan jagen! Kom aan! Maar eerst wil ik wat eten. Hier Singkil! Abdoel! Karang! ambil makanan, boeka botol anggor, bawa champagne!" en zoo ging het nog eenigen tijd voort. Alles geraakte op de been en in een oogwenk was het gansche tooneel veranderd.
Daar wij allen wisten welk een uitmuntend mensch de heer Praktischman was, ijlden wij hem gezamenlijk te gemoet, drukten hem de hand en heetten hem hartelijk welkom.--Groot was onze verrassing, toen wij hem in deze wildernis, in het holste van den nacht zoo onverwachts in ons midden zagen.--De medegebragte kisten werden nu terstond ontpakt en haren inhoud bij den reeds aanwezigen voorraad van mondbehoeften gevoegd. Spoedig was de tafel gedekt en in eene vrolijke stemming zaten wij aan. De regent nam echter weldra afscheid van ons en vertrok ten einde zich eene legerstede op te zoeken, terwijl de lagere hoofden na hem, de een voor en de andere na, in de stilte en eerbiedig wegslopen.--Terwijl de resident zich het eten goed liet smaken, verhaalden wij die reeds voor eenigen tijd van tafel waren opgestaan, elkander nog het een en ander van 't geen ons was bejegend, sedert wij elkander niet meer hadden gezien. Tegen het einde van den maaltijd kwam het gesprek op zendeling-, bijbel- en traktaatgenootschappen.
PRAKTISCHMAN. Luistert eens, beste vrienden. Ik stem volkomen met u in dat het christelijke dogma niet de waarheid bevat en haar niet bevatten kan, en dat het derhalve niet geoorloofd is eenvoudige menschen, gelijk de Javanen zijn, iets op te willen dringen waaraan duizenden onder de Christenen zelven niet gelooven, ja, hetgeen juist de beste en verlichtste koppen in Europa voor dwaling houden. Maar buitendien beschouw ik de invoering van het Christendom op Java als hoogst onpraktisch, ondoelmatig en nadeelig, en ik hoop dat ik van hoogerhand nimmer bevel zal ontvangen om de pogingen, in het werk gesteld door deze dwaze, met blindheid geslagene menschen, zendelingen en halve huichelaars, in mijne residentie te ondersteunen.
DAG. Ik ben van oordeel dat onze regering te verstandig en tevens te wel met den zedelijken toestand der Javanen en hunne behoeften bekend is, dan dat wij voor zoo iets zouden behoeven te duchten. Het eenige ware toch dat het Christendom bevat, de kern zijner zedeleer, is immers lang onder de Javanen inheemsch.
PRAKTISCHMAN. Ja stellig; dit geloof ik ook. Maar die bijbelvereenigingen, zendelinggenootschappen en al die vrome lui, die zich veel minder laten gelegen liggen aan eene christelijke aarde dan aan den christelijken hemel, die "Gods Zoon met scharen van heilige engelen" gaarne op den top van elken palmboom zouden willen zien, deze maken het de regering somwijlen wat lastig. Ik vraag u: is het niet onzinnig, dat men de Javanen iets wil leeren hetgeen zij reeds van zelven doen, ja, wat zij beschouwen als iets dat niet behoeft geleerd te worden, dewijl iedereen dit van zelf verstaat, namelijk "elkander lief te hebben en elkander te helpen," en is het niet beschamend voor ons, wanneer wij hen dat leeren moeten, terwijl zij toch elken dag met eigen oogen kunnen zien dat de groote meerderheid onder de Christenen het volstrekt niet, of althans in veel geringere mate doet dan zij Javanen zelven?--Gesteld dat het aan de zendelingen eenmaal gelukt ware, de Javanen van de Christelijke noodzakelijkheid te overtuigen van "andere menschen even lief te hebben als zich zelven," en dat de Javanen van ons consequent verlangden dat ook wij deze leer strikt zouden opvolgen en zij alsdan eens tot ons zeiden: "komt hier, lieve Christenbroeders, helpt ons koffij planten; hebt ons lief gelijk u zelven; het is een goddelijk gebod dat Isa el Meseh, zijn eenig geboren zoon, onze verlosser ons heeft geopenbaard; helpt ons suikerriet snijden; wij gebruiken noch koffij noch suiker; wij doen dit slechts ter liefde van u;--komt hier, verrigt nu de helft van het werk ter liefde van ons!"--Wat zal er dan gebeuren? He?--Dan pakken wij uit Christelijke liefde onze zaken bijéén; de Javasche broeders brengen ons uit Christelijke liefde aan boord en wij gaan uit Christelijke liefde--naar huis. Abis perkara.
DAG. Belon abis perkara. Neen; dan komen andere Christelijke broeders uit Europa, welke de Javanen minder Christelijk zullen behandelen dan wij Nederlanders thans doen.
PRAKTISCHMAN. Juist. Engelschen, Noord-Amerikanen, enz., zouden allen gaarne hunne Christelijke liefde op Java zaaijen, om--koffij, suiker en indigo als vruchten daarvan naar huis te voeren. Luistert, beste jongens! wij zijn hier onder ons: ik voor mij geloof, dat de zendelingen beter zouden doen met het evangelie der Christelijke liefde onder de Christenen in Europa te prediken in plaats van hier op Java. Gij weet, ik ben een praktisch man; ik ben van onder op begonnen en zoo ben ik van trap tot trap opgeklommen; sedert 25 jaar ben ik in de gelegenheid geweest de zeden der Javanen te leeren kennen en ik zeg het u, zij zijn een beter soort van menschen dan de Christenen in Europa en betere menschen dan de Christenen op Java.--De algemeene invoering van het Christendom op Java kan niet anders dan verderfelijk zijn voor ons en voor hen. Dat is mijne innigste overtuiging. Indien wij hun welzijn willen betrachten uit ware, wel begrepene menschenliefde, zonder ons zelven op die wijze te benadeelen, dan behooren wij voort te gaan hen te besturen en hen werkzaam te houden, dewijl zij even als alle tropische volken tot traagheid geneigd zijn. Hun arbeid moet geschieden onder onze leiding en wij behooren hen bekend te maken met nuttige zaken en uitvindingen; wij moeten hunne positieve kennis der voorwerpen in de natuur en der natuurkrachten pogen te vermeerderen;--wij behooren hen te onderrigten in het lezen, schrijven, in handwerken, kunsten, in de eerste beginselen der natuurwetenschappen; wij moeten hen praktisch opvoeden: dan zullen zij in dezelfde mate als hunne beschaving toeneemt, steeds meer en meer leeren inzien dat de leer "alle menschen even lief te hebben als zich zelven" eene even groote onmogelijkheid is, als eene volkomen maatschappelijke gelijkheid onder de stervelingen, die ten gevolge van de ongelijke mate der geestvermogens, der vatbaarheid voor ontwikkeling, het verschil van aanleg toebedeeld aan de verschillende individuen, nimmer kan verwezenlijkt worden. Dan zullen beide, Javanen en meer verlichte Europeërs, in vrede en gelukkig nevens elkander kunnen bestaan. Maar daarentegen onheil, ontevredenheid, verwarring, oproer, omverwerping van al het bestaande,--regeringloosheid onder de Javanen en het verlies der kolonien voor ons--kunnen de gevolgen zijn van de ontijdige of plotselinge pogingen, aangewend tot zoogenaamde bekeering of beschaving der Javanen, waartoe de zich noemende vrijheidsapostelen, hervormingspredikers en evangeliedweepers de regering op eene onmatige wijze trachten aan te sporen.
MORGENROOD. Dat zijn de theoretici die de Javanen, zoo als zij werkelijk zijn, niet kennen. Een man die 25 jaren lang in hun midden heeft doorgebragt, zal hen wel degelijk kennen en de spreuk "groen is des levens gulden boom" niet logenstraffen. Ik ben het volkomen eens met mijnheer den resident. Mijn stelregel is: de natuurwetten te leeren kennen gelijk zij zijn en ons daarnaar te rigten. Alleen daardoor is het, dat wij wind en water hebben gedwongen koorn te malen en boomstammen tot planken te zagen, in plaats dat wij zulks met ons eigene handen doen; alleen daardoor dat wij elke natuurwet op hare wijze, elk in haar eigen spoor laten werken, hebben wij den waterdamp genoodzaakt onze wagens voort te trekken in plaats van daartoe paarden te bezigen; ja, de electriciteit zelve heeft zich er moeten schikken om aan onzen wil te gehoorzamen en als onze brievenpost langs ijzeren of koperen draden voort te loopen, waarheen wij willen dat zij loopen moet.
Handelen wij echter in strijd met de natuurwetten of doen wij ze, tegen hare natuur geweld aan; indien wij hennepen touwen in plaats van koperen of ijzeren draden nemen om de electriciteit er langs voort te planten; indien wij den stoomketel bovenmate verhitten, het buskruid op den gloeijenden oven droogen, indien wij tegen wind en stroom zeilen en het Christelijk evangelie prediken willen waar het niet past, of indien wij den arbeid vrijstellen en vrijheid van drukpers willen invoeren bij een volk, hetwelk nog niet tot dien trap van ontwikkeling is gestegen om zulke kost te kunnen verteeren, dan zal de overladene maag noodzakelijkerwijze moeten bersten of gebrekkige spijsvertering zal daarvan het gevolg zijn, en wij zullen geen ander resultaat verkrijgen dan stilstand, of uitbarstingen, terugwerking, verwarring.
PRAKTISCHMAN. (Lagchend.) Sidoekari! Sidoekari!--Gij beide, beste Morgen- en Avondrood, gij hebt het exemplaar van slechte spijsverteering gezien! Het is jammer, Dag en Nacht, dat gij er niet bij zijt geweest. Jongens, weet gij wat? Komt naar mijne residentie. Ik zou gaarne nog eenigen tijd onder u, natuurwormen! hier in de wildernis willen doorbrengen; maar daartoe ontbreekt mij den tijd. Overmorgen vertrek ik en ga over Gnodnab den grooten weg op terug naar mijn nest. Reist met mij naar Oost-Java! Daar zult gij een zoogenaamd Christendorp onder de Javanen zien en leeren kennen, een waar model (zoo als Morgenrood zeide) van slechte spijsvertering, van zwakheid van maag, een zendelingmiserere, eene echte Christenakeligheid!--Ik zal u daarentegen ook andere dingen laten zien, scholen die ik op last der regering heb gesticht en een menigte andere inrigtingen, alwaar de Javaan de gelegenheid vindt om nuttige dingen van verschillenden aard aan te leeren, zich te oefenen in handwerken, kunsten en dergelijke zaken, en die u zullen doen ontwaren dat die mannen van de oppositie quand même zich aan laster schuldig maken, zoo dikwerf zij beweren dat onze regering niets uitrigt, dat strekken kan om het stoffelijk welzijn en de verlichting der Javanen te bevorderen.
Broeder Nacht was buitengemeen ingenomen met den voorslag van den resident en verzocht mij dringend, de uitnoodiging aan te nemen en mede naar de residentie S.... te gaan. Hij reikhalsde van verlangen om eene Javasche Christengemeente waarover hij in eene reisbeschrijving gelezen had, met eigene oogen te zien en algemeen genomen, een meer bebouwd gedeelte des eilands, eene talrijker en meer beschaafde bevolking te leeren kennen. Naar zijn oordeel hadden wij ons lang genoeg in "oorspronkelijke wouden" opgehouden.--Ik voor mij had liever nog eenigen tijd in dit gedeelte van Java, bij mijne andere broeders verwijld; maar de gelegenheid die zich nu aanbood, om mijn broeder in den kortst mogelijken tijd ook met de hoogere klassen der maatschappij onder de Javanen bekend te maken en hem in den kring van vorsten en hoofden in te leiden, was te gunstig om haar ongebruikt te laten voorbijgaan.--Ik nam derhalve den gedanen voorslag aan en er werd nu bepaald, dat de resident en wij beide overmorgen naar de naastbij gelegene hoofdplaats (die aan den grooten weg ligt) zouden vertrekken, terwijl Avond- en Morgenrood besloten nog langer hier te blijven en hunne onderzoekingen in dit westelijk gedeelte des eilands voort te zetten.
De resident onderhield zich daarop nog met mijne broeders over Javasche bijbelvertalingen en daarmede verwante onderwerpen. Ik verontschuldigde mij echter uithoofde van vermoeidheid--het was reeds laat geworden--en wenschte het gezelschap "goeden nacht."
Alvorens ik mij in mijne hut, op de legerstede nedervleide en mij aan de armen van den God des slaaps toevertrouwde, dreef een vurig doch onbestemd verlangen mij in de vrije lucht, om vooraf nog een afscheidsblik van de natuur in haren nachtelijken tooi gedost te ontvangen en--als stof tot droomen--mede naar mijn leger te nemen. Dewijl het in eene dergelijke wildernis en in dit nachtelijk uur niet raadzaam was ongewapend uit te gaan, nam ik een mijner jagtgeweren ter hand en verliet het bivouak.
Duizende elkander doorkruisende gedachten rezen in mijn bewustzijn op, toen ik met zachte tred en onbemerkt voortstapte onder het geboomte, ten einde den oever van het meer te bereiken. De Javanen die met den resident waren aangekomen, hadden hunne Bamboesfakkelen (Obor) in de wachtvuren geworpen, welke in de nabijheid onzer hutten hier en daar nog in het woud brandden. Het heldere schijnsel echter dat zij in het rond verbreidden, werd allengs zwakker en slechts nog zelden teekenden zich de omtrekken van menschelijke gestalten af, die zich als donkere schaduwen voor de vuren ginds en herwaarts bewogen. De handen dergenen die de vuren moesten onderhouden, waren vermoeid en het meerendeel der Javanen had zich binnen de hutten begeven. De anderen sliepen nevens de meer en meer uitdoovende houtskoolhoopen, wier doffe gloed niet langer in staat was het hoogrijzende loofdak des wouds te verlichten. Bij hun roodachtige schijnsel waren nog slechts enkele der naastbij staande boomstammen zigtbaar en ook deze verloren zich bijna allen in de duisternis van den achtergrond, toen ik uit het woud te voorschijn trad en den oever van het meer bereikte.
Geen enkele wolk was meer aan den hemel zigtbaar en de volle maan, van licht omstraald en op een grooteren afstand door duizende flikkerende sterren omringd, zag uit de hoogte op mij neder en, bijna even helder, van beneden uit den diepen boezem der wateren naar mij opwaarts.
Ik zag en luisterde. Maar in het woud was alles stil. Spiegelglad was de oppervlakte van het meer en slechts zelden rimpelde zich het beeld der maan en vertrok het zich tot dwarsche lichtstrepen, wanneer de plassende eenden van den tegenoverliggenden digt begroeiden oever eene ligte golving in het meer hadden doen ontstaan. Haar gesnater 't welk volkomen geleek op dat der Europesche tamme eenden, was bijna het eenige geruisch, waardoor de nachtelijke stilte van tijd tot tijd werd afgebroken. Uit de hutten die ver achter het geboomte gelegen, geheel en al aan het oog waren onttogen, liet zich hier geen geluid meer vernemen. Hooge Kimérakboomen welfden zich ter linker- en ter regterzijde over den oever. De oppervlakte benevens de zoom hunner kroonen waren helder door de maan verlicht, maar onder dit gewelf zag men in het donkere, geheimzinnige binnenste des wouds, dat even somber door de naastbij gelegene strook van het meer werd teruggekaatst. Slechts enkele meer naastbij staande boomstammen kwamen als helder verlichte zuilen tegen dien donkeren woudzoom uit. Te midden van het meer weêrkaatste vreedzaam de gansche sterrenhemel. In mijn binnenste werd de eene gedachte door de andere verdrongen.
"Was von Menschen nicht gewusst oder nicht bedacht, Durch das Labyrinth der Brust wandelt in der Nacht."
De rhinocerossen liggen stil in hunne moerassige schuilhoeken en de wilde stieren rusten nu insgelijks; welligt grazen hier en daar nog enkelen in stilte op eene kleine grasplek, die tusschen het geboomte overblijft. Tijgers dwalen zelden af tot op deze hoogte, dewijl het niet ligt gebeurt dat hier zwijnen, herten en reeën worden gevonden; hier is niets dan woud, en gras en weidevelden worden er niet dan schaarsch aangetroffen. De Kalong's van het laagland worden op deze hoogte niet gezien; geen Kaprimulgus laat hier zijn geklap bij nachtelijke stilte rondschallen, ja ter naauwernood verneemt men hier het gegons van een insekt, het tjilpende gezang van eene cicade of ziet men hier en daar een enkelen vuurkever langs den oever rondflikkeren. De zwarte apen, Loetoeng, roeren zich niet in de loofkroonen, zij zitten stil op de takken; de eekhoorntjes hebben zich in hunne nesten of in de spleet van een ouden boomstam verscholen en alle vogels slapen. Misschien klautert nog hier of daar eene wilde kat (Felis minuta) met hare blinkende oogen voorzigtig op de bemoste takken heen, om een armen vogel in zijn nest te overvallen, of sluipt een Paradoxurus Musanga even stil en behoedzaam over den grond heen, om een wilde hen of eene patrijs te kapen; maar alle andere dieren zijn ter rust gegaan. Ook de waterhoenders en de slangenvogels (Plotussoorten) zitten stil in het hooge, rietachtige gras der oevers, of op een omgevallen boomstam die zich over den waterspiegel uitstrekt; de visschen in het meer bewegen zich niet, de kleine kreeften, de schelpen maken geen geruisch en de gansche overige schepping zwijgt.--Maar onder dit zwijgen gaat het leven voort, in het water, in de lucht en op de aarde, in millioenen geheime polsen te slaan die weldra, wanneer de geleende glans die thans van de schijf der maan afstraalt, voor het ware licht der zon zal zijn geweken, op nieuw zich bewegen en het tooneel met eene menigte van de verschillendste, door elkander wemelende gestalten zullen verlevendigen.--Natuur, gij zijt schoon, bij dag en bij nacht en gij spreekt eene taal welke slechts hij geheel verstaat, die met genen zoo dikwerf miskenden en nog menigvuldiger misbruikten man in vromen eenvoud kan vragen: "die het oor gemaakt heeft, zou die niet hooren?--Die het oog gemaakt heeft, zou die niet zien?"
Mijn broeder Morgenrood zegt: "De natuur is bewusteloos, zonder ziel, zonder God! Het bewustzijn in den mensch is slechts het afschijnsel der natuur die, even als ginds de maan in het meer, zich afspiegelt in onze hersenen en een indruk maakt, een beeld 't welk uit ons binnenste terug in de natuur verplaatst en daar als het ware buiten ons wordt aanschouwd!--Het bewustzijn is de betrekking onzer vijf zinnen tot de buitenwereld,--het is de betrekking der buitenwereld tot onze vijf zinnen, waarop gene zijne werking uitoefent en van deze zinnen plant zich de indruk door stoffelijke beweging of electrische strooming tot in de hersenen voort, alwaar de stralen zich dan als in een brandpunt vereenigen en een algemeen beeld vormen, dat wij bewustzijn noemen.--Niets dan heen- en wederbeweging van stofdeelen, die onophoudelijk van elkander worden gescheiden en telkens nieuwe verbindingen aangaan!"--Zoo spreken zij.
Wel geloof ik dat dergelijke stoffelijke bewegingen als middel dienen om het bewustzijn daar te stellen en te onderhouden, maar het gewaarwordende beginsel dat in mij zetelt, 't welk in het brandpunt dier stralen staat en de beelden opvat, dat denkt en begrijpt, hetgeen--als het ware--van het bewustzijn bewust is,--ik bedoel datgene, hetwelk aan de stof gewaarwording geeft om het bewustzijn te kunnen opvatten, dit moet toch iets anders zijn dan stof!--Dit kan niet anders zijn dan eene absolute, goddelijke eigenschap.
Tracht alle bewegingen der stof welke als middel daarbij dienen, op het grondigst te doorschouwen; leert de wijze waarop deze bewegingen plaats grijpen, op het naauwkeurigst kennen; nooit zult gij u in staat gesteld zien het feit van het bewuste gewaarworden stoffelijk te verklaren en nimmer zal het u gelukken, te kunnen bewijzen dat door de werking van chemische en physieke krachten een oog, een oor kan gevormd worden. Wat toch zon het licht zijn dat van de zon in 8 1/4 minuten tot aan de maan en van daar in ééne sekonde tot op de aarde snelt, alwaar het andermaal door den spiegel van het meer wordt teruggekaatst, indien mijn oog niet bestond waarin het zich ten derde male afspiegelt, wanneer mijn gewaarwordend binnenste niet daar was waarin het driewerf teruggekaatste beeld voor het eerst tot werkelijkheid wordt, dewijl het tot bewustzijn komt?--Daar echter het beeld in de maan, in den spiegel van het meer, op het netvlies van mijn oog nog niet bewust was, is het licht voor mijn oog en mijn oog benevens alle andere zintuigen aanwezig voor het bewustgeraken. Tot bewustzijn geraken is het eerste doel des levens. Mijn menschelijk bewustzijn echter is zeer beperkt en afhankelijk van vijf zintuigen, die slechts een klein gedeelte van het heelal kunnen omvatten.--Zou nu dit heelal geene ziel hebben waarin alle verschijnselen tot bewustzijn geraken,--zou er geen algemeen bewustzijn wezen, waarvan het mijne herkomstig is?--Dat twijfelaars twijfelen.--De gansche natuur spreekt eene taal en ik geloof aan u, eeuwig licht, alziend oog, eeuwig redelijk bewustzijn!
Zoo zat ik eenzaam, in nadenken verzonken, aan den oever van het meer welks spiegel door geen golfje, ja niet door den kleinsten rimpel werd bewogen. Geen blaadje ritselde in het woud, geen windje suisde mij den geringsten ademtogt toe; ik had kunnen wanen, dat ik mij in eene verlatene, uitgestorvene natuur bevond, indien mijn eigen hart in mijn boezem niet geklopt, indien mijn bewustzijn mij niet gezegd had dat onder mij, nevens mij, boven mij leven sluimerde, geschikt om bij den eersten lichtstraal weder te ontwaken,--ja, indien het licht der maan (hoewel slechts langs een omweg teruggekaatst, geleend licht) mij niet verkondigd had: waar licht is--in het gansche heelal--moet insgelijks warmte, beweging, leven zijn!
Een krijschend geschreeuw klonk door de doodsche stilte van den nacht. Ik vernam een akeligen, klagenden toon die uit het geboomte klonk en jammerlijk genoeg te hooren was om iemand, vreemd in de Javasche bergwouden, angstig te maken. Daar het te donker onder het loofgewelf was om eenig voorwerp duidelijk te kunnen onderkennen, scheen het geschreeuw aanvankelijk van onder, tusschen de boomstammen te voorschijn te komen, later klonk het mij van boven uit de lucht toe en het scheen nu eens hier, dan weder elders te zijn. Men had ligtelijk in den waan kunnen geraken dat een dof hulpgekerm, het zuchten van een stervende, menigwerf ook het geschrei van een jong kind werd gehoord. Ten gevolge hiervan is het dan ook menigmaal gebeurd, dat vroegere reizigers zich de avontuurlijkste denkbeelden van de oorzaak van dit geschreeuw gevormd, ja op het eiland Ceylon er een duivelsspook--een spookachtigen, duivelachtigen vogel van gemaakt hebben. [55] Mij echter was dit verschijnsel reeds bekend; ook zag ik kort daarna het voorwerp hetwelk die kreten slaakte, nadat het digter bij den onbedekten, door de maan verlichten meeroever was gekomen. Ik zag het hier--met uitgespannen vleugelhuid, strak en onbewegelijk, als een papieren draak--van den eenen boom naar den anderen door de lucht zweven; dit geschiedde echter in eene schuine rigting, zoodat het van den top eens booms afgaande, ongeveer ter halver hoogte van den stam eens anderen booms aankwam, waartegen het dan tamelijk vlug weder opklauterde. Het was eene zoogenaamde vliegende kat (Galeopithecus variegatus), een geheel onschuldig dier dat zich des nachts in zijn aanwezen verheugt en in het woud rondvliegt, om vruchten op de boomen te zoeken. Even akelig als zijn geschrei in een menschelijk oor klinkt, dewijl het herinneringen aan menschelijke ellende en ongeluk in den mensch wekt, even liefelijk en troostrijk zal zijn geroep voor de andere Galeopitheken zijn, dewijl de welbekende stem hun te kennen geeft dat zij niet alleen, maar dat ook nog anderen huns gelijken aanwezig zijn, die zij vinden zullen, indien zij de lokkende stem slechts volgen.
Dit was weldra het eenige geluid, dat ik van tijd tot tijd nog in het steeds stiller wordende woud vernam. Voor mij had het niets onheilspellends meer. Met volle teugen schepte ik genot in het aanschouwen der natuur en het scheen mij toe, als of ik de verwantschap, de sympathie gevoelde, welke alle levende wezens zaamverbindt.--De maan neigde reeds ten ondergang; ik stond op van den rotsblok waarop ik had gezeten en wenschte de maan en de sterren, het meer en de eenden, het woud met zijne millioenen bloemen, knoppen en vruchten, de Galeopitheken en alle andere dieren die, elk op zijne wijze, genieten en zich in hun aanzijn verheugen: goeden nacht!--Schoone, onuitputtelijke, door Gods adem bezielde natuur, tot morgen: goeden nacht!