Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java

Part 31

Chapter 313,842 wordsPublic domain

De tijd heeft geene eigenschappen, is geheel en al onligchamelijk en toch is hij wel degelijk iets; ja, hij is iets zoo gewigtigs, dat zonder hem geheel niets anders bestaan kan, dat zelfs de vlugtigste gedachte zonder hem niet denkbaar is.--Ons voorstellingsvermogen is bijna niet in staat, om zich eenig begrip te vormen van het eigenlijke wezen van den tijd en zulks uithoofde wij er geene eigenschappen aan kunnen waarnemen. Hij schijnt ons volkomen raadselachtig toe. Sta mij toe dat ik eene gelijkenis bezig, ontleend aan de snelheid van de beweging des lichts, om aan te toonen dat de tijd zich als het ware in de ruimte oplossen of terug gaan kan in de ruimte.

Gij weet dat het licht in eene seconde een afstand van 42000 geographische mijlen doorloopt. De zon is 20 millioen en 682440 dergelijke mijlen (of 24043 halve middellijnen der aarde) van ons verwijderd en deze ruimte doorloopt het licht in 8 1/4 minuten.--De helderste vaste ster Sirius (die men vroeger met Herschel beschouwde als de digste bij de aarde geplaatst te zijn) is 10 billioen mijlen van ons verwijderd, dat is 500 duizendmaal zooveel als de afstand der zon van de aarde bedraagt, en het licht heeft 7 2/3 jaren noodig om dezen afstand--een Siriusafstand--af te leggen. Er zijn echter sterren of sterregroepen (sterrehoopen, nevelvlekken) die 5000, 10000, ja, 30000 maal een Siriusafstand (elk van 10 billioen mijlen of 7 2/3 jaren lichtsnelheid) van ons verwijderd zijn en van waar het licht derhalve een tijdsverloop van vijf duizend, tien duizend, ja dertig duizend maal 7 2/3 jaren vereischt om tot ons te geraken.--In vergelijking van den afstand waarop deze verwijderste wereldstelsels van ons staan, die gedeeltelijk slechts W. Herschel door middel zijner reusachtige telescopen als nevelvlekken kon waarnemen, is een afstand van 763 1/2 maal eene Siriusverte niet groot, niettegenstaande het licht 5854 volle jaren noodig heeft om dezen afstand [52] te doorloopen. Van eene ster der 12de grootte (gerekend op 521 1/2 maal een Siriusafstand) zou het licht in 4000 jaren tot ons komen.

Stellen wij ons nu voor, dat op eene ster die 763 1/2 maal een Siriusafstand van ons afstaat, zich een wezen bevindt, voorzien van een buitengewoon volkomen gevormd oog, dat zelfs nog voor de zwakste lichtsindrukken vatbaar is en zoo scherp ziet, dat het alles wat op deze aarde voorvalt duidelijk kan waarnemen, dan zal dat oog heden datgene zien hetwelk voor 5854 jaren op aarde geschiedde, dewijl de lichtstralen die (als teruggekaatst zonnelicht) vóór 5854 jaren deze aarde verlieten, eerst thans aldaar zijn aangekomen. Wij zullen dit oog het "Alziend oog" noemen en verder aannemen (om onze gelijkenis te voleindigen) dat dit wezen niet op gindsche ster bepaaldelijk moet verblijven, maar dat het 't vermogen bezit om zich van daar met de snelheid der gedachte, b. v. in een uur of zelfs in eene seconde tijds op onze aarde en van hier weder terug op gindsche ster te verplaatsen. Het is waar, wij kennen tot heden geene kracht, geene beweging die grootere snelheid bezit dan het licht; maar nog vóór eenige tientallen van jaren was de snelste beweging welke wij kenden om onze brieven te bezorgen, een goede coerier die te paard ongeveer 4 geographische mijlen in twee uren tijds aflegde. Later vonden wij spoorwegen en locomotieven uit welke in plaats van 2 uren slechts 30 minuten behoeven om dezen afstand te doorloopen, en nog later ontdekten wij de electro-magnetische telegraphen die in stede van 30 minuten slechts een enkelen oogenblik daartoe noodig hebben, ja, welke onze brieven niet 4, maar 42000 mijlen ver in ééne seconde kunnen brengen;--hieruit nu volgt dat de maat van tijd nooit anders dan betrekkelijk is, dewijl wij de ware maat niet kennen. Wij meten den loop des tijds slechts af naar bewegingen of verschijnselen die wij kennen, doch weten niet hoe snel de snelste beweging loopen kan en er is volstrekt niets ongerijmds gelegen in de veronderstelling, dat het Alziende oog zich in een uur tijds van gene ster naar de aarde bewegen, derhalve 763 1/2 maal een Siriusafstand binnen dezen tijd doorloopen kan en in staat is in een uur alles te zien, dat in den loop van 5854 jaren op deze aarde is geschied. [53]

Evenzeer moeten wij toestaan, dat een dergelijk, buitengewoon sterk gezigtsvermogen als dat hetwelk wij aan het bedoelde oog toeschrijven, zelfs in een strengen, natuurwetenschappelijken zin als mogelijk moet beschouwd worden. Onze veronderstelling weêrspreekt zich, naar de regelen van eene logische en redelijke redenering in geenen deele, bevat derhalve geen onzin en is ontleend aan een onloochenbaar feit: aan de voortplanting der lichtbeelden (van den vorm, der kleur en omtrekken der ligchamen) door de golfvormige beweging des ethers, welke met eene snelheid geschiedt van 42000 mijlen in ééne seconde. Het is waar, het licht verzwakt bij zijne verbreiding in eene steeds grootere ruimte in de evenredigheid van het vierkant des afstands, maar het is ons niet mogelijk te bepalen waar de grens ligt van de voortplanting des lichts, of waar het zoo zeer is verzwakt dat het zelfs op de volkomenste, allergevoeligste oogen geen indruk meer maakt, dewijl zelfs menschelijke oogen, gewapend met menschelijk grove werktuigen gelijk die van W. Herschel, op een afstand van 35000 maal een Siriusverte (van waar het licht eerst in 268333 jaren tot ons kon komen) nog sterrehoopen of nevelvlekken ontdekten, ter plaatse waar andere waarnemers met hunne minder kolossale telescopen, al waren het ook voor het overige uitmuntende werktuigen, reeds lang niets meer zagen. Slechts voor gezigtsorganen die zoo gevormd zijn als de onze, kan de voortplanting des lichts hare grenzen hebben. [54]

Gesteld nu, dat het Alziende oog heden, den 1sten Januarij 1855, juist ten 10 ure des voormiddags de ster verlaat en binnen een uur den weg tot op onze aarde aflegt, dan zal het in dit ééne uur het levendige, steeds wisselende beeld aanschouwen der gansche wereldgeschiedenis en in elke minuut zien, hetgeen op onze aarde gedurende elke 97 jaren en ongeveer 7 maanden is voorgevallen. Het ontmoet alle lichtstralen welke sedert den aanvang der menschelijke tijdrekening van de aarde zijn uitgegaan.--Eerst ontwaart het de oudste gebeurtenissen van het menschelijke geslacht hetwelk in China, in Voor-Indië en in andere deelen van Azië zich reeds tot groote staten heeft vereenigd, dat reeds naar Egypte is heengetogen;--het ziet weinige oogenblikken later koning Menes te Memphis op den troon zitten, welken hij voor 5746 jaren (of 3892 jaren vóór de christelijke tijdrekening) besteeg; daarop worden de piramiden gebouwd, in Indië verheffen zich tempels, als eerste vruchten der beschaving en vorstengeslachten vestigen haren zetel in China.

Ten 10 ure 21 minuten bespeurt het oog den volksstroom die, met Abraham aan de spits, Mesopotamië verliet om zich naar Kanaän heen te begeven, en reeds 4 minuten later blikt het op den heertogt der joden die Mozes (vóór 3374 jaren of ten jare 1520 vóór Christus) uit Egypte geleide, door de Roode Zee, waarin Pharao door den vloed werd verzwolgen.--Ras komen nu volkstammen in Griekenland en Rome tot bloei en wassen op tot magtige staten; anderen zinken weder in het niet;--de val van Troje (voor 3054), de verwoesting des tempels van Jeruzalem (voor 2440 jaren of 586 voor Ch.) door Nebukadnezar, de bloeitijd van Griekenland en Rome, de daden van Alexander den Groote en eindelijk Rome's onverdeelde heerschappij over Griekenland, met al de treffende gebeurtenissen, snellen als lichtbeelden de eene na de anderen voorbij het Alziende oog; het ziet in het joodsche land een man met 12 jongeren rond trekken, kranken genezen, lijdenden troosten en menschenliefde prediken,--totdat het ten 10 ure en 41 minuten bijna drievierde gedeelten zijns wegs heeft afgelegd. Daar ontwaart het op een berg voor Jeruzalem dienzelfden man aan een kruis genageld en gehoond tusschen twee misdadigers,--een droevig beeld dat van hier af aan nog 4000 jaren lang door het wereldrond moet wandelen om, tot schande der menschheid, aan de bewoners van gene ster zigtbaar te worden. Voor het Alziende oog echter zijn vierduizend aardjaren binnen minder dan 42 minuten verloopen.

Met de snelheid der gedachte ijlt het steeds verder voort en nadert het de aarde; ziet vroegere staten vervallen en nieuwe ontstaan; ziet hoe de leer des gekruisigden duizende menschen ontvonkt, in beweging brengt en tot een martelaarsdood wijdt; maar ook hoe zij weldra misvormd en misbruikt wordt; hoe bisschoppen te Rome zich de drievoudige kroon des gezags op het hoofd plaatsen en koningen en keizers zalven, die zich nu "christelijke en allerchristelijkste" noemen. Zij verheffen zich met hunnen schepter en hunne kroon, de eene na den anderen en verdwijnen in het niet.--Ons oog echter zet zijn vlugt onophoudelijk voort en komt ten 10 ure 52 minuten aan in de streek, waar het beeld van het slotplein van Canossa voorbijsnelt en waar (in 1077 na Ch., derhalve vóór 777 jaren) een keizer--in het hemd, barrevoets en ootmoedig--voor een paap nederknielt en boete doet. De bisschoppen van Rome toch doen het tegendeel van de leer die zij bespotten: "mijn rijk is niet van deze wereld,"--want zij heerschen nu over keizer en bedelaar en de rook van brandstapels, waarop zij menschen verbranden, zijn de duidelijke teekenen van hunne magt. Van tijd tot tijd flikkert nog het vuur van Auto da Fé's in het Alziend oog, hetwelk echter ook den Columbus bespeurt op zijn schip (in 1492 na Ch.) waarmede hij eene nieuwe wereld wil ontdekken,--den monnik die voor de Elsterpoort te Wittenberg (in 1520) de pauselijke bul in het vuur werpt, en dat den veldslag bij Lützen aanschouwt waarin (ten jare 1632) Gustaaf Adolf sneuvelde,--allen beelden welke binnen een verloop van weinige minuten op elkander volgen en van eene reactie, van een nieuwen geest getuigen, die zich openbaart; want reeds ten 10 ure 59 minuten is het Alziende oog tot op dien afstand van de aarde genaderd, van waar het de veldslagen bij Rossbach en Praag ontwaart die (in 1756 na Ch.) door Frederik den Groote werden geleverd, en het behoeft nog slechts eene minuut om van daar op aarde aan te komen en het nog overige 97 1/2 jaar lange stukje van de geschiedenis der menschheid af te zien.

Het ontwaart nu den gruwel der revolutie in Frankrijk en is 32 seconden vóór elf ure ooggetuige van een veldslag, waarin Napoleon de Mamluken verslaat bij dezelfde piramiden, die het eenige minuten na 10 ure--voor 5354 aardjaren--eerst had zien bouwen. Nog een paar seconden en de intusschen gekroonde keizer komt zegevierend terug uit vele veldslagen in Duitschland,--een vreeselijke brand verdrijft hem uit het rijk des Czars en de veldslag bij Leipzig maakt een einde aan zijne wereldheerschappij.--Ten 11 ure min 5 seconden komt ons oog aan in de streek van Sirius, derhalve op dien afstand van de aarde, welke 10 billioen mijlen bedraagt en door den lichtstraal in 7 2/3 jaren wordt doorloopen. Het ziet van daar de bewoners der aarde in hun 1846ste jaar na Christus, vredelievend kunsten en wetenschappen beoefende, die hun eene betere, meer gelukkige toekomst schijnen te belooven. De magt van het papenbedrog en bijgeloof schijnt gebroken te zijn. Maar neen; bij zijne aankomst ten 11 ure op het aardrijk is de eerste indruk welken het oog ontvangt, krijgsgewoel en toerustingen ten strijde,--het belegeren van Sebastopol.

Zoo hebben wij het Alziend oog op zijnen togt van gindsche 763 1/2 maal een Siriusafstand van ons verwijderde ster tot aan de oppervlakte der aarde gevolgd en de beelden van de geschiedenis der menschheid van af het jaar 4000 voor de Christelijke tijdrekening aanschouwd, tot aan het belegeringstooneel dat zich heden aan onze blikken vertoont.

Daar echter de bewoners dier ster op hetzelfde tijdstip, heden ten 11 ure, hoe scherp van gezigt zij ook mogen zijn, eerst datgene ontwaren hetwelk voor 5854 jaren op de aarde is voorgevallen, ligt ten gevolge daarvan ons aardsche heden voor hen nog in eene verwijderde toekomst, dewijl het licht zoo vele jaren noodig heeft om van hier aldaar aan te komen.

Met den lichtstraal gaat de tijd terugwaarts in de ruimte voort.

Reist echter het "Alziende oog," na zijne aankomst op de aarde ten 11 ure, terstond weder af en ijlt het met gelijke snelheid waarmede het naar beneden kwam, weder terug naar gindsche ster, alwaar het ten 12 ure aankomt, dan zal het weten hetgeen daar nog niemand weet, hetgeen (wat ginds betreft) nog niet gebeurd is en het zal de bewoners dier ster, met onfeilbare zekerheid, 5854 volle jaren vooraf kunnen zeggen al hetgeen sedert den bouw der piramiden op onze aarde, dag voor dag, jaar voor jaar, tot op de belegering van Sebastopol zal voorvallen.

Indien het oog, in plaats van in één uur, zich in één enkel oogenblik van de ster naar de aarde en van deze terug naar de ster begeeft, dan zal het--even als de tijd--"Alomtegenwoordig" en Alwetend genoemd kunnen worden.

Ik gevoel zeer wel, dat ik met deze beschouwingen slechts een tweede raadsel bij het eerste, onopgeloste gevoegd heb, dewijl slechts de mogelijkheid der goddelijke voorwetenschap in een betrekkelijken en zuiver physieken zin door mij is aangeduid geworden. Ik vermeet mij ook niet deze vraag der voorkennis te kunnen oplossen, neen, verre van daar; maar ik roep u met Shakespeare andermaal de woorden toe: "Er zijn vele dingen tusschen hemel en aarde, waarvan uwe schoolwijsheid zelfs niets vermoedt!"

Wij kennen toch onzen eigen aanvang niet. Wij dagteekenen onze geschiedenis van eene willekeurig vastgestelde gebeurtenis, maar zijn niet in staat te zeggen sedert wanneer wij zijn, sedert wanneer het zonnestelsel en die sterrehemel bestaat die wij in de oneindige ruimte aanschouwen, en wij weten niet of wij de eersten of de laatsten zijn in de schepping.--Zouden onze oogen de eenige in het heelal zijn die aan redelijke schepselen behooren? Zouden wij, juist wij--op deze kleine, ondergeschikte, ter naauwernood van hare geologische omkeeringen tot rust gekomene planeet--de volkomenste wezens zijn, die het aanzijn hebben ontvangen? Zouden er in het onmetelijke heelal, op al de groote en menigte zonnen die wij vaste sterren noemen (en hare planeten), niet meer volkomene oogen met sterker gezigt, ja, zou er niet een allervolkomenst, alomtegenwoordig oog bestaan, dat----

Beste broeders! in een woord: waar het weten ophoudt, vangt het geloof aan. Of God alles vooraf weten kan, weet ik niet; ja, wanneer ik geloof dat hij het weet, dan begrijp ik hem niet. Maar ik geloof aan de heilige, eeuwige zelfbewustheid der natuur, aan een alzienden, alomtegenwoordigen God, die alles weet wat voorvalt, dien ik juist daarom dewijl ik hem niet begrijpen kan, aanbidden moet.

MORGENROOD. Indien de schoonheid en verhevenheid der natuur u dwingt, een denkend, alziend wezen er in te plaatsen en dit wezen te aanbidden, wel nu--bid dan in vredesnaam. Geen goed mensch zal u daarin hinderen. Elk heeft zijne eigene behoefte. In mijn oog is de natuur schoon en verheven gelijk zij is, ook zonder dat ik mij een dergelijke God er in voorstel. Menigwerf bewonder ik haar in stilte. Maar ik bid niet; ik onderzoek en handel. Niets heeft der menschheid sedert anno: "driemaal een is één" zoo veel onheil berokkend en hare ontwikkeling dusdanige hinderpalen in den weg gelegd, als juist dat bidden.

Uwe bewijsredenen, beste broeder, zijn zeer schoon, ja zij vinden een luiden weêrklank in ons gemoed. Zij verdienen alle achting. Wat mij echter betreft, ik word er niet door overtuigd, dewijl zij in mijn oog moeten wijken voor het gewigt der talrijke, positieve feiten door mij daartegen aangevoerd.--Waartoe toch kan mij zulk een God strekken als de uwe, die de natuurwetten haren vrijen loop laat, dien ik niet zien, dien ik niet hooren kan en die mij niet hoort wanneer ik hem aanroep, mij niet antwoordt wanneer ik hem iets vraag; die mijne bede nimmer vervult, mij nimmer hulpe biedt wanneer ik daaraan behoefte heb, wanneer ik mij in nood bevind; die mij niet waarschuwt wanneer gevaren mij bedrijgen, die mij door schipbreuk doet vergaan, door een tijger verscheuren of mij verhongeren laat, wanneer ik mij zelven niet beschutten of geen voedsel verschaffen kan,--een God die mij in al deze gevallen aan mijn eigen lot, d. i. aan mij zelven, de natuur aan zich zelven overlaat en die daarenboven nimmer het geringste teeken van zijn aanwezen geeft!? Een dergelijke God kan er klaarblijkelijk niet zijn voor mij, hij moet derhalve slechts uitsluitend voor zich zelven bestaan, namelijk in uwe verbeelding.

Ik weet maar al te wel wat de "vrome" lieden, die van de ligtgeloovigheid des volks leven en met zijne domheid zich mesten, die de verlichting schuwen als de das de stralen der zon, dewijl zij duchten met de ligtgeloovigheid des volks hun vet, d. i. hunne "geestelijke" goederen: hunne pastorijen, prebenden, tienden, kloosters, vrome legaten, vicarijen, erfenissen enz., enz., te verliezen; ik weet wat deze heeren kandidaten en professoren in de theologie, kapellaans, diakenen, pastoors, dominé's, pausen, monniken, bedelmonniken, bisschoppen, aartsbisschoppen of welken naam aan al die paapjes moet gegeven worden, daarop ten antwoord zullen geven. Zij zeggen: "God liet het schip vergaan, waarbij 70 personen vol hoop en verwachting, benevens onschuldige kinderen het leven verloren, ten einde een voorbeeld te geven hoe vergankelijk al het aardsche is, ten einde ons tot ootmoed aan te sporen; naar gene stad werd door Hem in de gedaante der cholera ""de slaande engel"" gezonden, ten einde het volk over zijn steeds wassend ongeloof te bestraffen," Ik echter zeg u, het schip zou niet zijn vergaan, indien wij de natuurwetten beter gekend, indien wij den barometer zorgvuldiger gadegeslagen, de draaijingswet der winden naauwkeuriger in acht genomen en ons daarnaar gerigt hadden; de cholera zal ophouden, d. i. onmogelijk gemaakt of genezen worden, zoodra wij zoover zullen zijn gevorderd en de natuurwetten zoo diep zullen hebben doorvorscht, dat wij hare stoffelijke oorzaken hebben leeren kennen.--Is de wind nu echter juist nog ter regter tijd gedraaid en het schip daardoor aan het dreigende gevaar ontkomen, of heeft een stukje brood, door eene milde hand toegereikt, den armen bedelaar van den hongerdood gered, dan roepen de paapjes uit: "aanschouwt dit, gij ongeloovige! O! knielt neder en erkent in dien veranderden rukwind, in dit stukje brood des milden gevers, Gods wijze besturing; erkent de zorg welke de genadige vader voor zijne zondige kinderen draagt, die hij tot bevordering van hun eigen heil wel eens kastijdt, maar nimmer laat vergaan." Zeer juist! antwoord ik u: erkent de natuurwet welke de instandhouding van het geslacht ten doel heeft; ziet de natuurkrachten, de natuurnoodzakelijkheid slechts goed in het oog en verstout u om haar te leeren kennen; dan zult gij vinden dat gij deze "vreesselijke" natuurwetten kunt beheerschen. Maar gij durft het kind niet bij den regten naam te noemen.

Mijn geloof is in overeenstemming met mijn weten. Sedert millioenen van jaren bestaat God slechts als natuur en natuurwetten, waarin hij zich heeft herschapen. Deze zijn de ware God en deze moet de mensch leeren kennen en ten nutte leeren aanwenden, leiden, opdat God zich uit hem en door hem op nieuw ontwikkele. Het menschelijk geslacht bevindt zich werkelijk nog in het allereerste begin zijner ontwikkeling. Wat toch beteekenen een paar duizend jaar in de eeuwigheid?--Wanneer gij den bewonderenswaardigen vooruitgang gadeslaat, welke in de natuurwetenschappen, vooral in de chemie en physica binnen het korte tijdsbestek der laatst verloopene 50 jaren is gemaakt, waardoor zaken ontdekt en in het licht zijn gesteld die tien jaren vroeger tot de onmogelijkheden werden gerekend, dan zult gij 't mij zekerlijk niet ten kwade duiden, wanneer ik beweer dat de menschheid de schitterendste verwachtingen voor de toekomst mag koesteren!

DAG. Beste broeders! Wij allen zijn, even als gij Morgenrood, doordrongen van den wensch om ons weten in overeenstemming te brengen met ons geloof, en gevoelen ons door eene bijna onweerstaanbare weetgierigheid aangespoord om de verschijnselen in ons en rondom ons te leeren doorgronden, om de natuur in haren zamenhang, als een geheel, als kosmos te begrijpen. Dit begrijpen echter is het toppunt van den berg der kennis, die nog door geen sterfelijk wezen is bestegen. Vele wegen geleiden tot een en hetzelfde doel. Ieder kiest dien weg, welken hij als den besten en gemakkelijksten beschouwt. Op dezen weg gaan wij lang ongehinderd voort, naar het doel van ons streven. Wij verklaren de verschijnselen welke wij aantreffen en brengen die in een harmonisch verband. Reeds wanen wij den top te zijn genaderd, maar--daar stuiten wij op hinderpalen, tegenstrijdigheden, onoplosbare problemen die ons tot den terugkeer nopen. Wij zoeken nu een anderen weg en komen langs allen ongeveer even ver vooruit; maar de een voert ons ten laatste aan den rand eens afgronds; de tweede eindigt in eene diepe kloof, aan den voet van een hoogen rotswand die een onoverkomelijk beletsel aan alle verdere pogingen tot vooruitgang in den weg stelt; de derde verdeelt zich tusschen rotsblokken in duizenden van zijpaden, waarvan men niet weet welke als de regte moet beschouwd worden, en de vierde voert den wandelaar aan den oever van een onmetelijk groot meer, waarover geen veer is, geen vaartuig wordt gevonden om zich te doen overzetten.--Wij keeren dan om en niemand van ons allen heeft den top des bergs gezien. Maar een top moet de berg toch hebben!--Dat gelooven wij allen en derhalve bouwen wij ons voorloopig een idealen top; wij maken ons een denkbeeld hoedanig de top wel zou kunnen zijn en vormen een beeld, dat evenwel bij ieder onzer verschillend is en eene verschillende kleur heeft en hebben moet, dewijl de weg dien wij naar den top insloegen, het levenspad hetwelk wij volgden, de opvoeding die wij kregen, de lotgevallen die wij ondervonden, bij allen verschillend waren.

Ik geloof niet dat er grond voor is, om ons zeer te bedroeven over het onderscheid hetwelk bestaat in onze godsdienstige beschouwingen, al ware het dat het ons ook later niet mogt gelukken om elkander wederkeerig te overtuigen, mits wij slechts in het toegepaste gedeelte onzer geloofsleer met elkander overeenstemmen, mits de wegen door ons ingeslagen bij het eerst door ons in het oog gevatte doel ineenloopen, mits wij slechts wat onze ZEDELEER betreft met elkander instemmen en menschenliefde, gepaard met het streven naar eene steeds grondiger kennis der natuur, als de eenige bron der openbaring, in de eerste plaats stellen.

Welligt gelukt het dan aan onze nakomelingen, het toppunt der kennis te bereiken. Wij spannen te vergeefs alle krachten in om den eigenlijken grondslag der verschijnselen te peilen. Vele wegen liggen voor ons open,--maar welken weg wij ook pogen te bewandelen: nimmer zullen wij verder komen dan tot aan zeker punt, alwaar wij moeten bekennen, hier houdt ons bevattingsvermogen op; hier is de grens, aan de overzijde waarvan wij niets meer begrijpen kunnen!

"Bravo, juist zoo! Ja, daar staan zij met de handen in 't haar en zijn ten einde raad!"

Deze woorden die op een lagchenden toon luide werden gesproken, klonken onverwachts door de geopende deur; getroffen en min of meer ontevreden wendden wij ons om en--zagen binnentreden, gevolgd door den regent, eenige distriktshoofden en eene menigte Javanen die brandende fakkels droegen, den--resident Praktischman.