Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java

Part 30

Chapter 303,792 wordsPublic domain

Mijn weten is mijn gelooven. Hetgeen ik niet weet of niet weten kan, dat geloof ik niet.--De grondstelling waarnaar ik mij bij al mijne onderzoekingen rigt is deze, dat elk verschijnsel zijn grond, elke werking hare oorzaak heeft. De ware natuuronderzoeker moet zich onthouden van alles wat louter bespiegeling mag heeten en in zijne gevolgtrekkingen geene schrede verder gaan, dan de gedane waarnemingen veroorloven. Hij moet de natuur door feiten, verschijnselen verklaren en ophelderen en het door hem behandelde onderwerp laten spreken. Zijne taak is: het uitvorschen van feiten, wetten. Geen verschijnsel laat zich verklaren door het afzonderlijk, op zich zelve te beschouwen, maar door datgeen wat er mede zamenhangt, goed waar te nemen en te rangschikken, komt men tot een juist inzigt in de zaak.

Even als bloote veronderstellingen schadelijk en verderfelijk zijn voor de wetenschap, zoo zijn zulks voor het menschelijke geslacht alle stelselmatig voorgeschrevene vereeringen van God. Zij doen vooroordeelen ontstaan en zijn oorzaak dat of geheel niet, of eerst later een duidelijk begrip der zaken wordt verkregen.

In absoluten, stelligen zin genomen bestaat er geene stof, gelijk reeds vroeger broeder Avondrood uitvoerig heeft aangetoond, dewijl alles wat wij stof noemen, slechts eene vereeniging is van een grooter of kleiner getal zamenwerkende eigenschappen, die zich gezamenlijk laten herleiden tot bewegingsverschijnselen (krachten). Niets rust in het heelal.--In een betrekkelijken zin beschouwd bestaat echter voor ons alles wat aanwezig is, uit stof en bestaat er niets dan stof en aan stof gebondene krachten, zonder dat hierop eene enkele uitzondering voorkomt. Kracht toch is bewogene stof. Onze gedachten zijn stof in beweging.

Hetgeen gij, broeder Dag en Nacht God noemt, is gelijk Avondrood reeds bewezen heeft, niet anders dan eene vereeniging van een zeker aantal menschelijke eigenschappen die gij in uwe gedachten zamenvoegende, aan de natuur onderschuift en welke gij, dewijl de natuur oneindig is, u voorstelt als in eene oneindige mate volkomen, weshalve het woordje Al.... er voor wordt geplaatst. Deze God bestaat uitsluitend in uwe verbeelding. Indien de geestvermogens van dier en mensch als het gevolg mogen beschouwd worden van hunne bewerktuiging, en de waarheid hiervan kunt gij niet ontkennen, waartoe moet dan eene ziel dienen?--Indien de natuurwetten de wereld regeren, tot welk einde moet dan nog een God strekken?--Ik ken geen anderen God dan de natuur en de natuurnoodzakelijkheid, dewijl alle verschijnselen die zich in haar aan ons openbaren, naar eeuwig onveranderlijke wetten plaats grijpen.

Zoo als deze natuur, deze wereld thans is, bestaat het leven slechts door middel van tegenstellingen. De tegenstelling alleen maakt dat de dingen werkelijk zijn; zij vormt de wereld. Het goede is slechts denkbaar, dewijl zijne tegenstelling bestaat: het booze.--Denkt hierover na en stemt toe, dat geene deugd mogelijk is zonder ondeugd, dat de deugd voor u geheel ondenkbaar zoude zijn, zonder de kennis van het kwade welke gij bezit. Het genot, het gevoel van behagelijkheid is zonder smart en lijden even onmogelijk, als dat het licht kan bestaan zonder schaduw, dag zonder nacht, morgen- zonder avondrood.

Broeder Avondrood, die toch den wil des menschen zeer juist heeft verklaard als te bestaan in beweging van stof, maakt zich echter aan eene groote inconsequentie schuldig, terwijl hij het verschijnsel van het zelfbewustzijn tracht op te helderen en schrijft zonderbaar genoeg! aan de gansche natuur zelfbewustheid toe, als of het eene onverklaarbare (gesteld dat het zoo ware) door een tweede dat nog veel onverklaarbaarder is, kon worden toegelicht.--Laat ons toch zulke onbewezene veronderstellingen niet maken. Is de wereld in mijn oog een wonder, dan vergenoeg ik mij met dit eene wonder en neem ter verklaring er van niet een tweede, derde en vierde wonder, d. i. geene niet-wereld, geen God en geene schepping der wereld aan.--De stof is eeuwig en beweegt zich in de wereld welke zij vormt, met hare eigenschappen (de natuurkrachten) naar noodzakelijke, van eeuwigheid er aan verbondene wetten.

De natuurverschijnselen spiegelen zich af in ons voor indrukken vatbare gemoed en brengen, even als lichtbeelden op de met jodium behandelde zilveren plaat, een indruk, een hersenbeeld te weeg. De som of het product der hersenbeelden is ons bewustzijn, hetwelk steeds des te meer volkomen en duidelijk is, naarmate de zintuigen waarmede wij in wederkeerige betrekking staan tot de omringende natuur, een hoogeren graad van volkomenheid bezitten, naarmate dit verkeer, deze oefening langer voortduurt en het aantal grooter is der beelden, waarin wij als het ware ons eigen ik, ons oog, ons oor, ons gevoel als voorwerp aanschouwen, hooren en gewaar worden. Want even als elk ding de som zijner eigenschappen is, zoo is de denkende mensch de som zijner zinnen, welke in eene bepaalde betrekking tot de dingen staan.

Maar dit verkeer met de buitenwereld heeft plaats door middel van stoffelijke beweging die, verbonden met electrische stroomen in de zenuwen, in de hersenen gewaarwordingen te weeg brengen. Hoe menigvuldiger nu deze stoffelijke bewegingen zich herhalen, b. v. hoe menigvuldiger de klank op ons oor, het licht op ons oog werkt, des te helderder kennis verkrijgen wij, des te levendiger wordt het bewustzijn, hetwelk uit dien hoofde bij het kind, gedurende de eerste maanden zijns levens zeer weinig en bij de lagere diersoorten, zoomede bij het embryo nog volstrekt niet of slechts ter naauwernood is ontwaakt. Er zijn gezonde zintuigen en menigwerf herhaalde werkingen noodig, om eene gewaarwording (den indruk der dingen in onze hersenen) als een helder bewustzijn te behouden. Oesters (die oogen, noch ooren hebben) bezitten een minder volkomen bewustzijn dan meikevers of spreeuwen,--doofstommen, blinden of menschen die in de duisternis waren opgesloten (zoo als het geval was met Caspar Hauser) minder dan menschen, die gelukkig genoeg waren om hunne vijf gezonde zinnen 30 jaren lang te oefenen.--Het bewustzijn is derhalve eene eigenschap der stof en bij dieren en menschen slechts verschillend naar de mate waarin zij het bezitten.--Hetgeen men verstand, oordeel, rede noemt, zijn geene op zich zelven staande, enkelvoudige krachten of vermogens, waarvan men de zoogenaamde geestesverrigtingen als bloote uitingen of gevolgen zoude kunnen afleiden, maar deze gewoonlijk als eenheid beschouwde vermogens zijn zelve niet anders dan het resultaat eener lange rij van schakels in eene keten, tot welker kennis de physiologen nog ter naauwernood den weg hebben gebaand.

Gij hebt gezien waarheen gij wordt gevoerd, wanneer gij van den weg der ervaring, der waarneming afwijkt, wanneer gij de grens der gevolgtrekkingen waartoe wij mogen komen op grond van stellige feiten, overschrijdt en onbewezene stellingen aanneemt. Een van u laat God zijne wereld als een tol aan de vinger rond draaijen; de andere laat hem in elken tijger, in elken moordenaar spoken; nu eens ontkent gij, met het doel om aan u zelven een vrijen wil te verzekeren, dat uw God de voorwetenschap bezit welke den mensch toch in zekere mate wel degelijk eigen is, en dan weder schrijft gij hem de kennis toe van de geringste kleinigheid, zoo als b. v. het uitvallen van een haar, en laat hem dit millioenen van jaren, zoo niet voor alle eeuwigheid vooraf bepalen!--Zijn dat geene ongerijmdheden?

Wanneer wij nagaan wat op deze aarde leeft en zich beweegt, dan zien wij dat vele dieren, ja zelfs de mensch, ten einde het leven te behouden, gedwongen zijn andere, met gevoel begaafde wezens die zich in hun aanzijn verheugen, van het leven te berooven, te vermoorden en te eten. Dit beschouw ik als een bewijs dat het zonnestelsel, of althans de planeet die wij bewonen, eene der onvolkomensten, een der minst ontwikkelden in het heelal is. Er moeten hooger ontwikkelden worden gevonden, waar alle levende, met eigen gevoel begaafde wezens vreedzaam met elkander kunnen zijn zonder elkander te verdelgen, en waar slechts de hun van natuur ingeschapene wet welke den levensduur regelt, aan het bestaan der individuen een einde maakt. Ik geloof, dat wij tot die hoogte zullen geraken en dat het in onze ontwikkelingswetten ligt, voedingsstoffen, zoo als eiwit, melk en vleeschachtige ligchamen, uit de zoogenoemde onorganische stoffen, uit aarde, rots, water en lucht te leeren bereiden.

Het doel des levens en van 's menschen aanwezen kan toch geen ander zijn dan dit: steeds grondiger, meer omvattende kennis te verkrijgen van de natuurwetten, opdat wij ze leiden en beheerschen kunnen, opdat wij ze aan ons dienstbaar kunnen maken, opdat wij steeds onafhankelijker er van worden, opdat de storm ons schip niet meer kan verbrijzelen, de koude ons niet meer hinderen, de honger ons niet kwellen, de bliksem ons huis niet meer in brand kan steken, opdat wij de teugels der natuurwetten--de draden welke oorzaak aan gevolg verbinden--in onze eigene handen nemen, ja, opdat wij eindelijk buiten den tooverkring der natuurnoodzakelijkheid treden en ons tot vrijheid, tot absolute vrijheid van wil verheffen!

Een eerste natuurwet echter beveelt ons, dat wij niet als kluizenaars, maar in eene maatschappelijke vereeniging zouden leven, dewijl slechts de vereeniging van vele menschen aan de vereischten van een volkomen en gelukkig aanzijn beantwoordt;--eene tweede natuurwet bevat den inhoud onzer zedeleer en zegt: gij kunt op den duur, te midden van zoo vele menschen levende, zelf niet gelukkig zijn, niet vrolijk, niet tevreden blijven, indien gij er niet naar streeft insgelijks de anderen gelukkig te maken. Hebt derhalve uwe naasten lief en betracht de leer, die reeds door genen voortreffelijken Hebreër van Nazareth werd verkondigd: hetgeen gij wilt dat anderen u doen, doe hen desgelijks; wijs den verdwaalden den regten weg, onderrigt de onwetenden en bedrogenen, schendt de regten van uwe broederen niet en help hen, indien zij in nood zijn.

Mijn God zijn wij zelven: de mensch. Mijn godsdienst is de anthropologie. Mijne voorzienigheid is het verstand, de wil, de liefde, welke in mijn boezem levendig zijn. Ik bekommer mij niet om de vraag naar absolute vrijheid of niet-vrijheid van den wil. Deze vragen zijn van louter bespiegelenden aard. Absoluut genomen is er niets in de natuur dat vrij is, dewijl het eene van het andere afhangt en alles gelijkelijk moet bukken voor den albeheerscher, voor den tijd. Ik ben echter vrij, dewijl ik duidelijk en met vreugde bewust ben van de natuurlijke noodzakelijkheid mijns aanwezens, der betrekkingen waarin ik sta, der eischen en vorderingen die ik maken kan, der grenzen en der uitgestrektheid van mijn werkkring.--Mijn lot ligt in mijne hand, dat ik met te meer vastheid kan besturen, naar gelang ik dieper inzigt heb in de wetten der natuur, met inbegrip van die welke het menschdom als geslacht beheerschen, welke de innerlijke vatbaarheid des menschen voor indrukken bepalen.--Mijn geluk is mijne keuze.--Mijn geloof is de ontwikkeling der menschheid tot iets schooners, door eigene, haar ingeschapene kracht. Moge deze wilskracht door beweegredenen bepaald, derhalve aan natuurwetten gebonden zijn, deze natuurwetten zijn niettemin van dien aard dat zij mijne ontwikkeling begunstigen, ik kan deze wetten toch leeren kennen, beheerschen, aan mij dienstbaar maken, mij er boven verheffen, en in dat opzigt is de kring waarin mijne vrijheid zich beweegt, groot--oneindig groot,--in dat opzigt is mijn wil vrij! en in het volste bewustzijn dezer vrijheid maak ik er van gebruik.

Dit is het doel des levens: het goede moet zich uit de natuur ontwikkelen, zich verzoenen met zijne tegenstelling;--de mensch moet de natuurwetten leeren beheerschen, hij moet zich er boven verheffen en zich veredelen tot--God op aarde!

AVONDROOD. (In vervoering geraakt, springt van zijn zetel op.) Kom in mijne armen, beste broeder! Dit denkbeeld is grootsch, schoon, heerlijk. Uw stelsel is het ware. Gij hebt de waarheid gevonden. Heerlijk, heerlijk!--Derhalve: er is een dag, een algemeene dag, een eenige dag vooraf gegaan;--daarop volgde een nacht;--maar thans is God herschapen in de natuur, hij bestaat niet, maar ontwikkelt zich weder uit deze natuur?--Heb ik u goed begrepen?--Hier, leg uwe hand in de mijne: ik kom tot uwe zijde over, ik word Morgenrood.--De mensch is derhalve uw God, in wien het goede met het kwade strijd voert?--Ja, daarin is het ware der zaak gelegen; daar verrijst in duidelijk schrift de geheele zedeleer voor mijne oogen, de tegenstrijdigheden zijn opgelost, het onzinnige geloof aan de voorbeschikking, de voorwetenschap van alle eeuwigheid heeft opgehouden te bestaan; onze voorzienigheid zijn wij zelven: het booze moeten wij bestrijden en algemeene liefde voor al onze naasten voeden,--God moeten wij worden!--Wij hebben een vrijen wil; wij ontwikkelen ons; het noodlot, de gansche wereld ligt in onze eigene handen!--Dank, broeder, dank zij u! voor dit gelukkige denkbeeld; dit geeft moed, dit geeft kracht, dit geeft onverdelgbare, voorwaarts strevende hoop!--Nogmaals, beste broeder, breng ik u mijn innigsten dank voor de mededeeling van uw voortreffelijk denkbeeld. Menschen willen wij zijn en de drie absolute magten, waardoor God zich uit den mensch tracht te ontwikkelen, verstand, wil, liefde!--deze willen wij vereeren en aankweeken.--En wat zeggen nu broeder Dag en broeder Nacht hierop?

NACHT. (In diep nadenken verzonken, langzaam.) Les extrêmes se touchent.

DAG. (De ongehuichelde verrukking van Avondrood die, het laatste overblijfsel van zijn God uit de natuur verloren hebbende, zich des te inniger aan den mensch vastklemde, deed mij heete tranen storten en ik had eenigen tijd noodig, om mijne ontroering meester te worden.) Mijn beste broeder Morgenrood en Avondrood! Is het niet vreemd, dat in u--atheisten gelijk men u noemen zal, dewijl gij aan geen God gelooft--dat deze God, deze wonderbaarlijke, redelijke geest in de natuur juist in u, die aan zijn bestaan niet gelooft, op het heerlijkst en schoonst zich openbaart?! Want zoo waarlijk gij een deel zijt der natuur, hetgeen gij niet kunt ontkennen, evenzoo behoort de geest die uit u spreekt, die u bezielt, ontvlamt, verrukt,--toch insgelijks tot de natuur; hij ligt dus er in, in de natuur.--Hoe kunt gij weten, welke schepselen op verwijderde hemelligchamen leven, op zonnen en planeten die, even als haar omvang grooter is, insgelijks veel volkomener kunnen zijn dan deze aarde, en of in die schepselen die geest zich niet nog treffender, meer volkomen openbaart? En deze menschengeest in wien het gansche heelal zich afspiegelt, zou dagelijks voor onze oogen uit het bewustelooze niets ontstaan? Het is waar, gij zegt, dat men het eene onverklaarbare niet door eene tweede dat nog onverklaarbaarder is, den geest des menschen niet door God, het individuële bewustzijn niet door een algemeen bewustzijn moet trachten te verklaren;--maar hierin zijt gij, niettegenstaande alle schijnbare consequentie, toch met u zelven in tegenspraak. Gij zegt zeer te regt dat er geene werking zonder oorzaak is en dat geene nieuwe kracht, geene nieuwe stof kan ontstaan, maar dat alles wat is, als van eeuwigheid bestaande moet aangemerkt worden. En toch beweert gij dat er geene bron des bewustzijns is, maar dat dit menschelijke bewustzijn, deze geestverschijnselen elken dag op nieuw zich zouden vormen en ontwikkelen in elken opgroeijenden mensch.--Gij tracht, wel is waar, die tegenstrijdigheid uit den weg te ruimen, door alle geestverschijnselen die men van oudsher aan eene ziel heeft toegeschreven, uit een zuiver materiëel oogpunt te verklaren en tot stoffelijke bewegingen terug te voeren.

Indien wij nu echter ook moeten bekennen, dat elke werkzaamheid des geestes, het bewustzijn, de gedachten, wilsuitingen, wat betreft de wijze waarop zij plaats hebben, in bewegingen van stof bestaan of zinnelijk daardoor worden geboren en tot stand komen,--wat bewijst dit ten slotte anders dan dat de geest, het denkbeeld, door middel van de stof tot werkelijkheid komt, zich van de stof bedient om zich zinnelijk te uiten?--De geest, de gedachte is derhalve toch aanwezig, absoluut aanwezig en openbaart zich in de natuur en in den mensch!

Indien wij niet kunnen ontkennen, dat insgelijks de menschelijke wil een natuurverschijnsel, een noodzakelijk gevolg van oorzaken is, dan zie ik niet in, waarom wij ons deswege zoo zeer zouden moeten bedroeven. Mij daartegen komt het voor, dat de wetenschap welke ons leert dat de menschelijke wil is verbonden aan vaste natuurwetten, veeleer iets troostends en bemoedigends voor ons moest hebben, dewijl zij ons de zekerheid verschaft dat ons lot als individuën en als geslacht, niet aan het blinde toeval is prijs gegeven, maar daarentegen aan wetten is onderworpen, waarin zich eene ontwikkeling tot iets schooners, meer volkomens openbaart.

In dien zin, waarin broeder Morgenrood den vrijen wil aan het slot zijner geloofsbekentenis heeft opgevat, waarmede gij, broeder Avondrood, uwe ingenomenheid op zulk eene levendige wijze hebt te kennen gegeven, in die beteekenis reik ik u met vreugde de hand. Met deze beschouwing nopens de vrijheid van den menschelijken wil, kan ik mij ten volle vereenigen.--Maar, uit het vroeger gezegde zal u tevens duidelijk zijn gebleken, dat ik voortgaan zal met te gelooven aan een levenden God in de natuur, aan een eeuwig, redelijk bewustzijn des heelals, in voege als zulks door mij vroeger in mijn evangelie der natuurlijke godsdienst en zedeleer is ontwikkeld.--Openbaart hij zich dan niet overal rondom ons, in ons, door ons? Heeft broeder Avondrood niet een al te grooten sprong gemaakt, toen hij--na alvorens het niet-bestaan der stof aangetoond en geleerd te hebben, dat alles wat wij stof noemen, slechts de som van een zeker aantal eigenschappen is,--eerst God, den geest in alles zag en eensklaps overging tot het geloofstelsel van broeder Morgenrood, die het bestaan van den geest, het bewustzijn in de natuur loochent, dewijl alles stoffelijk verklaard, d. i. tot bewegingsverschijnselen der stof kan terug gebragt worden?--Begrijpt gij beide dan niet, dat voor ons uit stof gevormde menschen die niet meer en niet minder dan vijf punten van aanraking met het heelal hebben, als het ware poorten, ingangen waardoor wij eenig en alleen in staat zijn, kennis te verkrijgen van de verschijnselen die buiten ons plaats hebben, begrijpt gij niet, dat voor ons geen ander verkeer des geestes mogelijk is dan juist dat, hetwelk door middel der stof geschiedt, terwijl wij hooren, zien, ruiken, smaken, gevoelen?--Wij toch zouden niets, volstrekt niets van de ziel in de natuur, van de geest kunnen bespeuren, indien deze zich niet in en door stofbeweging te verstaan gaf, juist dewijl alleen stofbeweging in staat is een indruk teweeg te brengen op ons oog, ons gehoor, op onze reuk-, smaak- en gevoelszenuwen en dewijl andere organen of zintuigen, waarmede andere dan stoffelijke bewegingen of verschijnselen zouden kunnen waargenomen worden, ons geheel en al ontbreken.

Broeder Avondrood noemt den mensch eene "gedachte Godes" en verklaart de individuële onsterfelijkheid der ziel op deze wijze, dat wij in de "herinnering" Gods voortleven. De onmogelijkheid echter, om zich dit algemeene, redelijke bewustzijn der natuur voor te stellen als onbekend met de natuurwetten welke "het zelf is" of "waardoor het zich openbaart," derhalve de noodzakelijkheid (als eene natuurlijke gevolgtrekking uit het voorafgaande) aan dit redelijke wezen volkomen bekendheid met de natuurwetten, dus ook voorwetenschap van alle toekomstige gebeurtenissen toe te schrijven,--dit voerde hem op den glibberigen, tusschen afgronden heenloopenden weg der predestinatie en moet waarschijnlijk als de aanleidende oorzaak worden beschouwd, dat hij zijn vorig stelsel verlaten en zich in de armen van broeder Morgenrood heeft geworpen, toen deze om de klippen van het eeuwig noodlot te ontwijken waarop troost noch raad gevonden wordt, God loochende en het bewustzijn aan de natuur ontzei.

Ik beken het, wij staan hier werkelijk aan een tweesprong. Hier verdeelt de weg zich in verscheidene nieuwe wegen; wij trachten uit te vorschen, welke de regte weg moge zijn, maar er is geen wegwijzer aanwezig die ons de ware rigting zou kunnen aanduiden.--Aan te nemen dat de natuur bewusteloos is, dat geen God bestaat, dat kan ik niet, dewijl het in lijnregten strijd is met mijn verstand, uit eene aan zich zelve onbewuste hoeveelheid stof een ding of wezen als de mensch te doen geboren worden, hetwelk zich zelf tot het voorwerp zijner beschouwing maakt en over alles wat buiten hem nog is, met bewustzijn denkt en navorscht, hetwelk derhalve in de volkomenheid zijner eigenschappen hoog boven de natuur zou staan, waaruit het niettemin zijn oorsprong nam en van welke het zoo geheel en al afhankelijk, waaraan het door middel van duizende ketenen verbonden is.--God van de natuur te scheiden en hem daaraan persoonlijk--als een tweede ik--tegenover te stellen, dit kan ik evenmin, dewijl ik daardoor (gelijk Avondrood reeds zeer juist heeft aangemerkt) de schoone, heerlijke natuur en mij zelven van God berooven, den God echter tot een levenloos, niets beduidend schaduwbeeld zou maken; neen, mijn God is de levende, alles bezielende, redelijke geest in de natuur.--Maar te gelooven, dat deze wereldgeest alles wat geschieden moet, op alle eeuwigheid vooraf weet en bepaalt, dit valt mij niet minder moeijelijk.-- --Ik verzink daarover in steeds dieper gepeins, maar in plaats van den grond te peilen, hoor ik slechts gene waarschuwende stem, welke mij de beteekenisvolle woorden toeroept: "Er zijn nog vele dingen tusschen hemel en aarde, waarvan uwe schoolwijsheid zich zelfs geen denkbeeld kan vormen."

Waarlijk, broeders, gij beide die gezegd behoord te worden den overgang van dag tot nacht en nacht tot dag daar te stellen, alwaar de uitersten elkander aanraken, waar licht en schaduw zamensmelten en de denkbeelden wekkende zone der schemering ligt,--waarlijk gij hebt al uwe krachten ingespannen om de lichtbeelden van den dag uit te wisschen, de droomen van den nacht te vernietigen en al datgene hetwelk ons menschen heilig en verheven is, waarnaar wij het vurigst haken en wenschen, weg te redeneren en te loochenen. "Natuurnoodzakelijkheid is het eenige dat regeert; het is alles stof en alle natuurverschijnselen, met inbegrip van hetgeen wij verrigtingen des geestes noemen, bewustzijn, vrije wil, enz., zijn bewegingen van stof." Zoo spreekt gij.--Maar, waarde broeders, één ding hebt gij vergeten, dat gij niet kunt weg redeneren en dat geen stof is. Stof is het totaal van zekere eigenschappen; niet waar? Maar wat is dan TIJD?--Bestaat hij uit stof?--Bezit hij eigenschappen?--Ik ken er geene.

MORGENROOD. O, gij dweeper Dag, welke hersenschimmen koestert gij!--De tijd is een maat, een maat voor den duur der dingen, voor hetgeen na elkander plaats grijpt, doch eigenlijk (op zich zelven genomen) is hij niets.

DAG. Een maat?--De afstand tusschen twee nevens elkander voorkomende dingen is een maat met betrekking tot de ruimte; maar is de ruimte, op zich zelve genomen, een maat of eigenlijk niets?--De afstand van twee na elkander voorkomende dingen is een maat met betrekking tot den tijd, maar is om die reden de tijd, op zich zelf, een maat of, gelijk gij zegt, eigenlijk niets?--En aan welke na elkander voorkomende dingen of verschijnselen ontleent gij dan deze maat? Ontleent gij haar aan de wenteling der aarde om hare as, der maan om de aarde, der aarde om de zon,--of van Mercurius om de zon, of van Neptunus om de zon, of van de zon om eene onbekende centraalzon? Hebben niet de aarde, de maan, Mercurius of Neptunus en de zon, elk dezer hemelligchamen eene andere maat? Waar moet nu echter de ware,--de normaalmaat met betrekking tot den tijd worden gezocht?