Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java
Part 3
NACHT. Maar gij zijt toch niet onbillijk genoeg om de misbruiken en gruwelen, die gij hebt opgesomd, aan de Christelijke leer te willen wijten; gij zult toch de schuld van al de jammeren, welke eene sluwe en gewetenlooze heb- en heerschzucht over de Christenwereld heeft uitgestort, niet op Hem willen werpen, die de zuiverste menschenliefde predikte, die om onzentwille den marteldood aan het kruishout stierf,--namelijk, op Jezus Christus van Nazareth?
DAG. Verre van daar. Hij was ontwijfelbaar een best mensch en zijn handel en wandel was overeenkomstig met de voorschriften zijner leer. Indien zijne zedeleer niet opgesierd ware geworden door zijne aanhangers, jongeren, indien zij bevrijd ware gebleven van de wijzigingen en veranderingen door de zoogenaamde Apostelen daarin gemaakt, indien zij niet besmet ware geworden met de misvormingen, met het geloof aan bovennatuurlijke verschijnselen, zoo als "regtstreeksche hemelsche oorsprong, hoedanigheid van Gods zoon, opstanding uit den doode ten derden dage, hemelvaart" en andere wonderen, door nog latere verzamelaars en afschrijvers daarbij gevoegd, wij zouden welligt nimmer getuige zijn geweest van de grove verbastering des Christendoms, van het ontstaan der hierarchie, van de aanbidding van beelden en heiligen, van de splitsing in zoo vele secten, van de vervolgingen door de inquisitie, enz. Dewijl echter de Christelijke leer het geloof aan wonderen, aan het onmogelijke en onnatuurlijke op den voorgrond stelt, ja, al dadelijk met een wonder en wel het allergrootste wonder begint, waarop het gansche gebouw steunt en rust--de "bevruchting door een heiligen geest" en de geboorte eener "Godheid uit eene sterfelijke vrouw",--zoo kan het Christendom, gelijk wij het hier voor ons zien, aan de menschheid nimmer geluk of vrede aanbrengen en wel om deze reden: dewijl reeds de eerste grondslag, waarop het steunt, valsch is. Want gelooft gij aan één wonder, dan kunt gij even gemakkelijk honderd, ja, honderd duizend wonderen als mogelijk aannemen, dan is niets meer onmogelijk. Het eene wonder brengt het andere voort. Ieder geloovige kiest uit de massa dat wonder of dogma tot zijn palladium, hetwelk hij het meest gepast acht voor zijne bijzondere behoeften, of dat het meest overeenkomt met de mate van geloof, welke hij bezit. Maar dit is eene ware bron van tweespalt, van splitsing der geloofsleer in verschillende, van elkander afwijkende meeningen en dit is de eigenlijke oorzaak van de verdeeling der Kerk in verschillende sekten. Het duurt vervolgens niet lang of sektegeest wordt in de nu uiteengerukte kerk uitgebroeid, welke allengs ontaardt in haat, nijd en vervolgingszucht.
Dewijl toch een wonder geene waarheid is en voor de juistheid van een blind gelooven geen bewijs kan worden gegeven, missen de aanhangers der godsdienstige secten (belijdenissen) die kalme, rustige gelatenheid des geestes, welke alleen kan geboren worden uit de overtuiging van de waarheid, uit een helder inzigt in de natuurwet. Bewijzen, welke mystieke godgeleerden willen ontleenen uit zoogenaamde "openbaringen en goddelijke ingevingen", welke mannen uit den Joodschen volksstam voor meer dan anderhalf duizend jaren moeten gehad hebben en in de zoogenaamde "heilige schriften" moeten geboekstaafd zijn, deze zal geen natuuronderzoeker als zoodanig aannemen, want zij zijn in lijnregte tegenspraak met alles, dat in de groote schepping Gods leeft en zich beweegt. In de natuur alleen openbaart God zich aan den mensch. Maar aangeleerde gewoonte, zonder nadenken, is in staat zelfs de grofste onzinnigheid, de bespottelijkste zotternij, tot een heiligdom te verheffen, welks vereering aan de gemoederen eindelijk tot eene behoefte wordt. Het verschil van geloof van dezen krenkt de ijdelheid van genen, die zich in hunne eigene oogen zoo gaarne als onfeilbaar beschouwen; hetgeen den eersten heilig is, komt laatstgenoemden belagchelijk voor, met wier geloof weder andere den spot drijven en dit moet als de oorzaak worden beschouwd, dat zij,--in plaats van elkander de bewijzen te toonen waarop hunne leer is gegrond, in plaats van zich te vereenigen en zich gezamenlijk te koesteren in de stralen der zon, die voor elk hunner schijnt, doch die zij uit het oog hebben verloren,--dat zij zich steeds verder van elkander verwijderen, de bitterste vijandschap tegen elkander voeden en de hand uitslaan naar de middelen om elkander te dwingen, ja, te verdelgen! De geschiedenis der laatste 1800 jaren is dáár om zulks te bewijzen, en nog op den huidigen dag kan men daarvan de treurigste ondervinding opdoen. Het geloof aan wonderen werd gezaaid, en het onkruid schoot op als eene duizendhoofdige hydra, waarvan elke afgehouwen kop telkens op nieuw door een anderen wordt vervangen. Maar zelfs dan, wanneer de Christelijke leer van al dat onkruid,--het geloof aan wonderen, aan openbaring, aan de onfeilbaarheid van de uitspraken des bijbels, en andere dergelijke zaken,--werd gezuiverd, wanneer al de nadeelige vruchten, welke dit onkruid heeft gedragen, ja, die het nog voortdurend tot rijpheid doet komen, uit de maatschappij konden verbannen, weggenomen worden, ook dan nog behoorde het goede deel der Christelijke leer, hare schoone, verhevene, hare lichtzijde,--ik heb hierbij het oog op hare zedeleer--van menige overdrijving ontdaan worden, om eene praktische godsdienst te zijn, die niet slechts in de kerken geleerd en gepredikt, maar in den waren zin des woords, in het maatschappelijk leven opgevolgd en betracht zou kunnen worden.
NACHT. Gij spreekt toch niet in ernst? O! ongeloovige Dag; zoudt gij het wagen, zelfs het verhevenste, datgene hetwelk meer dan al het overige gedeelte van de leer des Heilands zijn goddelijken oorsprong verraadt, namelijk, zijne voorschriften omtrent de menschenliefde, de liefde tot den naaste, zoudt gij ook daartegen te velde trekken of het als onverdedigbaar willen doen voorkomen?
DAG. Zoo iets komt niet, ja, kan niet in mij opkomen. De liefde tot onze natuurgenooten, het sympathetische gevoel, dat zich voor het geluk of ongeluk van anderen van ons meester maakt, het medelijden, hetwelk wij ondervinden met behoeftigen en lijdenden, de zucht die zulks bij ons doet ontwaken om te helpen en wel te doen, ik koester daarvoor de grootste vereering, ik beschouw zulks als de schoonste bloem in den tuin van ons gemoed geplant, die meer en meer aangekweekt, uitgebreid en op alle mogelijke wijze verdient te worden veredeld. Ik zal u echter bewijzen, dat de menschenliefde, gelijk Jezus die leerde [6] in zijne goedheid buiten maat en perk, waardoor hij anderen alles, zich zelven niets was, dat deze niet in praktijk kan worden gebragt, dewijl onze natuur er zich niet naar kan voegen en de persoonlijke regten, de waarde van het eigene ik, er door worden miskend.
De bijbel leert: "Hebt uwen naaste lief gelijk u zelven." Dat doet niemand en kan niemand doen, dewijl het volstrekt onmogelijk is. De aangeboren pligt van zelfbehoud, dwingt ieder om zich zelven iets meer lief te hebben dan anderen. Om die reden behoorde het voorschrift aldus vervat te zijn: indien hongersnood u en anderen aangrijnst en gij kunt u voedsel verschaffen, nuttig er dan zoo veel van als noodig is om niet van honger te sterven; blijft er dan nog iets over, geef dit aan de anderen en behoudt het niet voor u zelven; spaar het uwe niet, wanneer anderen gebrek hebben; help anderen, wanneer gij u zelven niet in gevaar stelt er door om te komen.
Er staat geschreven: "Hebt uwe vijanden lief, zegent ze, die u vervloeken, doet wel degenen, die u haten, bidt voor hen, die u geweld doen en u vervolgen." Dat klinkt alles zeer verheven, goddelijk, en is welligt ook zeer gepast voor een hemel, waar niet dan engelen wonen. Als eerlijk man kan ik echter dengene, die niet verbrand of gekruisigd wil worden, niet aanraden deze leer in de maatschappij, waarin wij leven, op te volgen.--Zij, die zich priesters "van Christus" noemen, van de Groot-inquisiteurs af tot op den Bisschop van Freiburg in 1854, hebben dan ook letterlijk het tegendeel gedaan en op eene regt meesterlijke wijze vervloekt, geradbraakt en verbrand. De hemel behoede mij daarvoor, zoo iets raad ik niemand aan; maar om niet vertrapt, niet naakt uitgeplunderd te worden, neem ik het volgende als grondregel aan: tracht uwen vijand te overtuigen, dat hij verkeerd heeft gehandeld, beproef om hem tot inkeer te brengen, hem, zoo mogelijk tot vriend te maken; gelukt dit niet, laat hem dan de tanden zien, en houd hem op een eerbiedigen afstand; gaat hij dan nog voort aanslagen tegen u te smeden, ziet gij u daardoor werkelijk in gevaar gebragt, neem dan de wapenen ter hand en verdelg hem.
Op eene andere plaats wordt gelezen: "Indien iemand u op de regterwang slaat, keer hem ook de andere toe." Neen zeg ik; indien gij niet voor een dwaas, een lafaard of een gek wilt doorgaan, geef hem dan een ferme klap terug.
De Christelijke leer vordert: het onderdrukken van zinnelijke begeerte, het bestrijden van vleeschelijke lusten, die zij zondig noemt; gij zult u losmaken van al wat aardsch is en het vleesch verloochenen, opdat "uwe onsterfelijke ziel aan God meer gelijk worde, tot den Vader in den hemel opklimme en de eeuwige zaligheid beërve."--God echter heeft den mensch, gelijk alle andere levende wezens, tot genot geschapen en alle organen en systemen des ligchaams met de bewonderenswaardigste doelmatigheid zoodanig ingerigt, dat niet slechts het nuttigen van spijs en drank, maar insgelijks elke andere verrigting, waartoe zij dienen, met een aangenaam, behagelijk gevoel gepaard gaat. Velen genieten dagelijks en duizendvoudig, zonder daarbij over de weldadige bedoelingen des Scheppers na te denken, zonder daarvan bewust te zijn; maar anatomici en physiologen wijzen ons, in de afzonderlijke deelen, de wet aan, waarnaar zulks is geregeld en plaats heeft.--De Schepper heeft aan het menschelijk ligchaam bij uitnemendheid, meer dan aan alle andere schepselen, geschonken schoonheid van vorm, welke aan het oog behaagt, het hart roert en streelt, en stellig schiep hij het ligchaam niet in die schoone gedaante, opdat het onopgemerkt zou blijven, de organen er van rigtte Hij niet in tot genot, opdat de mensch zich van alle genot zou onthouden!--Het is niet mogelijk het vleesch te verloochenen. Maar het Christendom eischt verloochening, kastijding des vleesches, onderdrukking der zinnelijke lusten, eene liefde tot zijn naaste als tot zich zelven, onbeperkte weldadigheid, mededeeling van hetgeen men bezit aan hen, die minder met aardsche goederen gezegend zijn (naar grondstellingen van het echte communismus); het schrijft voor zijne vijanden te vergeven, voor zijnen beleediger en vervolger te bidden, hen wel te doen, en wanneer men op de eene wang geslagen wordt, ook de andere toe te keeren,--al te maal leerstellingen, die men elken zondag met veel zalving van den kansel in alle kerken hoort verkondigen, maar die, daar buiten, door niemand kunnen betracht en uitgeoefend worden. Welke zijn nu de gevolgen, die uit dezen valschen toestand, uit deze onevenredigheid tusschen godsdienstleer en de physieke mogelijkheid, de betrachting er van, noodzakelijkerwijze voortspruiten?--: HUICHELARIJ, SCHIJNHEILIGHEID, welke ondeugden bij de belijders van niet één geloofstelsel in zulk eene buitengewone mate en zoo algemeen worden gevonden als bij de Christenen het geval is. Maar deze schijnheiligheid, dweeperij, huichelarij,--op zich zelf beschouwd reeds diep te verachten, gelijk alle leugen en bedrog--is een verdoovend, langzaam werkend vergift, waardoor de mensch zich in zijn eigen oogen verlaagt, zijn karakter bedorven en de grond wordt gelegd tot velerlei kwaad in de maatschappij, die daardoor ten deele geheel ontzedelijkt wordt. Al ware het slechts om den wille der huichelarij, dat noodzakelijke gevolg van het aankleven der Christelijke leer, dit alleen zou mij reeds nopen het Christendom, zoo als het thans is, te verwerpen.
Vergun mij, dat ik u een paar karakteristieke trekken der Christelijke volkszeden onder de aandacht breng, welke als het gevolg mogen worden beschouwd van den valschen toestand, waarin de belijders tegenover deze leer, wat hare betrachting aanbelangt, zijn geplaatst. In vele oorden van ons vaderland is het, zoo als ge weet, gebruikelijk in de huisgezinnen een jaar lang over een gestorvene rouw te dragen, zich een jaar lang van alle gezellige vreugde te onthouden, geen concert bij te wonen, geen schouwburg te bezoeken en gedurende dien tijd op geene openbare plaats van vermaak te komen. Gij zult mij toch wel niet tegenspreken, wanneer ik beweer, dat men zich gedurende datzelfde jaar in den huisselijken kring, tusschen de vier muren zijner woning, niet onthoudt van het genot, dat men aldaar smaken kan; wat is nu die eenjarige rouw anders dan eene gehuichelde rouw, eene ceremonieuse pralerij met de smart, die men veinst gedurende een geheel jaar te gevoelen, en al dien tijd schijnheilig in het openbaar vertoont?--Zoudt gij vermeenen, dat die Javasche vrouw, die ons hare hut heeft afgestaan en ons heden avond verhaalde, dat haar man acht dagen geleden door een tijger was opgevreten, geen smart daarover gevoelt, nu zij met haar kind alleen is overgebleven? Ongetwijfeld doet zulks haar leed, maar zij kent de Christelijke huichelarij nog niet. Ja, wat meer zegt, indien die eenjarige rouw werkelijk, d. i., in het gevoel bestond, indien het gemoed zóó lang met smart ware vervuld, ik zou mijne stem met des te meer nadruk er tegen verheffen, zulks te meer laken, dewijl een dergelijke rouw of smart zou zijn onverstandig, onnatuurlijk, en schadelijk voor het welzijn en het geluk zoo der bijzondere huisgezinnen als der geheele maatschappij.
Herinnert gij u nog, dat wij eenige jaren geleden, bij gelegenheid van onze reis in Europa, eene kermis bezochten in eene der drie academiesteden van ons land? Wij gingen aldaar in eene tent, waar behalve gymnastische voorstellingen, als zoo vele bewijzen van de buitengewone mate van ligchaamskracht en vlugheid, die de mensch door langdurige oefening in staat is te bereiken, insgelijks zoogenaamde tableaux vivants werden gegeven. De voorstellingen waren, wat betreft de groepen, meerendeels ontleend aan de godenleer der Grieken en Romeinen; wijders had men zich klassieke schilderijen ten voorbeeld genomen of bootste men antieke standbeelden na, en wij moesten bekennen dat de keuze der onderwerpen en de wijze, waarop zij werden voorgesteld, allen lof verdienden. Zoo iets hadden wij op Java nooit gezien. Alle gemoedsbewegingen, zoowel de teederste aandoeningen van het hart, als ook de wildste driften, werden door gebaren en houding op eene voortreffelijke wijze uitgedrukt; het edele, het gracieuse behaagde ons, en wij vergastten onze blikken op de schoonheid der vormen van het menschelijk ligchaam. Er kwamen echter zeer weinige bezoekers. Men zag er geen pastoor, geen dominé, geen professor in de theologie en vooral geene dames. Men zei den ondernemer, dat de (zeer Christelijke, zeer pastoors- en dominésgezinde) L...sche dames den mensch, zoo als God hem levend heeft geschapen, en zoo als de beeldhouwers van het oude Rome en Griekenland hem uit marmer beitelden, voor allerwanvoegelijkst, onfatsoenlijkst hielden en dat de kleermaker komen en hem "fatsoenlijk" moest maken.--De kleermaker kwam; de bloote tricotkleeding der levende standbeelden werd met lintjes, doeken en andere gewaden omhangen en--wat gebeurt er!--de oude goden en godinnen van Griekenland verschenen, geheel onverwacht, met hoeden, mutsen, sluijers, borstrokken, pantalons, geduchte schorten! en omslagdoeken om het lijf, tot verrassing van iedereen, te L....n op het tooneel. Maar ach, o! arme Kr....! hier kwam een gedeelte van eene naakte knie onder het schort eener Venus te voorschijn en ginds werd een vleeschkleurigen schouder onder een opgeslagen tip van den groenen sjaal der Psyche zigtbaar.--"Foei, foei!" zeiden de Christelijke dames en--gingen heen. De heeren echter, die een meer antieken smaak hadden, die de levende beelden van Kr.... vroeger met bewondering gezien hadden, bleven nu insgelijks weg; want zijden omslagdoeken, japonnen en sluijers konden zij immers in elken modewinkel, op elk bal in overvloed te zien krijgen en--de ondernemer was van beide kanten gefopt. Zie, broeder Nacht, dat is het gevolg van uwe Christelijke leer, die u voorschrijft den ouden Adam, welke in u is, te desavoueren, het zondige vleesch te verloochenen en uwe onsterfelijke ziel niet met aardsche lusten te bevlekken, neen, haar voortdurend te louteren en tot den smaak van de eeuwige zaligheid te dresseren. Deze leer heeft den goeden, aardschen smaak bedorven en de menschen tot huichelaars gemaakt, dewijl zij hen heeft geleerd de oogen af te wenden van dat beeld, hetwelk God als de schoonste bloem uit het beste gedeelte van het paradijs nam en als zijn meesterstuk op deze aarde plaatste. Want al diegenen, welke de tableaux vivants niet wilden zien, kunnen het vleesch toch niet ontberen! zij hebben toch vijf zinnen even als wij! Maar zij offeren aan deze vijf zinnen slechts in het geheim, achter de vier- of zesvoudige gordijnen hunner kamers en, komen zij in de kerk, op straat, op openbare plaatsen, o! hoe schitteren dan hunne oogen van vrome, schijnheilige zalving, hoe vloeit de strafpredicatie van hunne lippen, welke alle zinnelijke lust veroordeelt en gebiedt den zondigen Adam af te leggen (ongeveer zoo als de slangen zich van hunne huid ontdoen, die echter gedurig op nieuw weder aangroeit).
Hier doet zich eene belangrijke vraag op, die ik aan alle menschenvrienden ernstig ter beantwoording vermeen te moeten aanbevelen: welk kwaad moet in de Christen-maatschappij als de oorzaak worden beschouwd van die kindermoorden, die zich in ons vaderland op zulk eene schrikbarende wijze herhalen, dat bijna wekelijks, jaar in jaar uit, de treurigste berigten daarvan in de couranten worden medegedeeld?!--Hebt gij gedurende het verloop van meer dan een tiental jaren wel van een enkelen kindermoord! onder de Javanen (die geen Christenen zijn) hooren spreken?
NACHT. Het is inderdaad zoo als gij zegt.--Wat nu het overige betreft, uwe aantijgingen tegen het Christendom zijn zeer talrijk en in verscheidene opzigten, ik moet zulks bekennen, maar al te gegrond; anderen zal ik later, zoo ik hoop, bondig wederleggen. Voorshands zal ik mij hiertoe bepalen, tegenover uwe beschuldigingen nogmaals die groote waarheid te stellen, die ik reeds vroeger heb aangevoerd, en waarvan de kracht nog in geenen deele door u is ontzenuwd. Wij zullen niet teruggaan naar de geschiedenis van vervlogen eeuwen, maar het oog slaan op den tegenwoordigen tijd. Laat ons de mate van beschaving, welke bij de Christennatiën thans wordt opgemerkt, vergelijken met die, welke andere volken des aardbols in dat opzigt hebben verkregen. Hieruit zal ten duidelijkste blijken, dat de eerstgenoemden op een veel hoogeren trap van beschaving staan, en dat in het Christendom, niettegenstaande de dwalingen en misbruiken, die het oorspronkelijk aankleven, of die in lateren tijd er zijn ingeslopen, echter iets goeds, groots, buitengewoon verheffends moet gelegen zijn!--Het is waar, gij hebt dat vroeger tegengesproken, maar vergeten op eene voldoende wijze aan te toonen welke andere oorzaken dit verschijnsel zouden hebben te weeg gebragt, en zoo lang gij daartoe niet in staat zijt, moet ik het Christendom, in spijt van al de beschuldigingen, welke gij er op hebt geworpen, blijven beschouwen als den grondslag, als de bron, waaruit de hoogere Europesche beschaving is voortgevloeid. Gij zult toch wel toestemmen, dat het thans juist de Christelijke natiën zijn, die zich door hare beschaving het meest onderscheiden, ja, dat zij, de Christenvolken, de eenigen zijn, die door hunne intellectuele, industriële en politieke ontwikkeling boven alle andere volken uitblinken en alle anderen de wet voorschrijven?!--Dat is toch een onloochenbaar feit!
DAG. Ongetwijfeld. Maar de grondslag daarvan ligt niet in het Christendom. In tegendeel; ik heb reeds vroeger met een woord gezegd, dat het Christendom, verre van zulks te bevorderen, daaraan de hand te leenen, zulks te bespoedigen, die hoogere ontwikkeling heeft tegengehouden en vertraagd. Wat zeg ik, tegengehouden heeft? Neen, het Christendom gelijk het thans bestaat,--en hiermede bedoel ik niet uitsluitend de Pausselijke hierarchie, maar insgelijks alle andere Christelijke kerkgenootschappen en belijdenissen, die hunne duistere, geheimzinnige dogma's van het eene geslacht op het andere overplanten (hoewel deze laatsten minder nadeelig hebben gewerkt dan de eerstgenoemde),--het Christendom gaat nog op den huidigen dag voort de vrije, heldere ontwikkeling des geestes te verhinderen of te stremmen, blijft nog voortdurend de erkenning weêrstreven der eenvoudigste, maar groote waarheden in de natuur, en dit is zelfs het geval in landen, die, gelijk Engeland, voor zeer verlicht doorgaan, indien, namelijk, deze waarheden met het overgeërfde, blinde geloof of met de woorden des bijbels in strijd zijn. Het zou mij gemakkelijk vallen duizenden van voorbeelden, uit den tegenwoordigen tijd ontleend, tot staving van mijn gezegde aan te voeren; dit zal wel niet noodig zijn, dewijl zij u even goed als mij voor den geest moeten staan. De hoogere beschaving der Europesche volkstammen is uit eene gansch andere bron voortgevloeid.
Allereerst komt hier in aanmerking het verschil van ras, waartoe de volken behooren, die den aardbol bewonen. Een groot natuuronderzoeker heeft, wel is waar, gezegd, dat het niet zeer "verblijdend" mag worden genoemd te beweren, dat het eene ras, ten opzigte van zijne werktuigelijke zamenstelling, aanleg en geschiktheid tot ontwikkeling, boven anderen is bevoorregt; ik stem dit in zoo verre toe, als zij allen gelijke regten hebben op eene vrije ontwikkeling en beschouw het bewijs als verwerpelijk, dat door velen ter verdediging van den slavenhandel aangevoerd en door hen geput wordt uit de meer of minder volkomene bewerktuiging der verschillende menschentypen; maar van de andere zijde mag niet worden verzwegen, dat volgens het grondig onderzoek, gedaan door zeer bekwame en naauwgezette mannen, de vorm en de bouw van den schedel eens negers en zijne hersenen de blijken dragen van eene geringere mate van volkomenheid in vergelijking van het hersengestel dergenen, die tot het Kaukasische ras behooren--en niet ligt zal door iemand worden ontkend, dat wij Europeërs in dat opzigt minder stiefmoederlijk door de natuur zijn begiftigd geworden dan de Papoea's, de oorspronkelijke bewoners van Australië, de Amerikaansche wilden en anderen, die zonder vreemde hulp bezwaarlijk ooit tot een hoogeren trap van ontwikkeling zullen geraken dan zij thans hebben bereikt. Alle volken echter, die de leer van het Christendom belijden, enkele uitzonderingen hier en daar niet medegerekend, behooren tot het Kaukasische menschenras.