Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java

Part 29

Chapter 293,681 wordsPublic domain

AVONDROOD. Vergun mij dan, dat ik dit denkbeeld naauwkeuriger beschrijf.--De innerlijke opgewektheid, die wij begeerte, willen noemen, hangt af van indrukken van buiten of van inwendige aandoeningen die, gelijk het geval is met onze herinneringen, als een gevolg van uitwendige indrukken zijn overgebleven, van behoeften, gevoel, zoomede van het voorbeeld door anderen gegeven; zij kan derhalve niet vrij zijn. Ons blijft, wel is waar, de keuze over tusschen twee begeerten en de middelen ter harer bevrediging. Wij kunnen onze eigene begeerten besturen en beheerschen, en wanneer wij overleggen en eene keuze doen, daar schijnen wij ons zelven toe vrij te zijn. Maar eene andere vraag is deze: of wij de overleggingen, dan of de overleggingen ons beheerschen.--Ik geloof dat zij ons beheerschen. Want van waar toch komen de overleggingen? Wij zijn immers niets uit en door ons zelven, maar alleen datgene hetwelk natuur, opvoeding en lotgevallen ons hebben gemaakt. Reeds in het embryo ligt de kern van het karakter en den aanleg, waarmede wij ter wereld komen en waarvan de oorzaak moet gezocht worden in de verscheidenheid der oorspronkelijke stoffelijke menging;--hoe toch zou het anders mogelijk zijn, dat tweelingen van eene moeder menigwerf zoo geheel verschillend van elkander kunnen zijn van inborst en van aard? Opvoeding en doelmatige of verkeerde behandeling des ligchaams in het tijdperk van zijne ontwikkeling dragen later het hare daartoe bij, om de eigenaardigheden van het opwassende individu scherper of onduidelijker te voorschijn te doen treden. Maar noch de oorspronkelijke stoffelijke aanleg, noch de wijze van behandeling of van voeding des jeugdigen ligchaams, noch het stelsel waarnaar het kind wordt opgevoed, stonden ter keuze van het individu. Hij toch moest met blindheid zijn geslagen, die niet wilde inzien dat onze geestvermogens, onze inborst, onze denkwijze en ons karakter het product zijn der genoemde omstandigheden, welke de ontwikkeling van het individu beheerschen en waarop deze niet den geringsten invloed kan uitoefenen. Het zijn juist zulke oorzaken waarop onze keuze niet den geringsten invloed kan uitoefenen, waarnaar zich (veelal onbemerkbaar, dewijl er geen acht op geslagen wordt--) in rijperen leeftijd voortdurend onzen wil rigt. Uit dien hoofde moet, gelijk ik reeds vroeger heb aangemerkt, de maatstaf worden veranderd waarmede wij het goede en kwade meten en behoort deze zuiver menschelijk te zijn.--Herinnert gij u in de nieuwspapieren te hebben gelezen van den man die, uit eene ziekte hersteld, weder tevreden aan den arbeid zat,--tot hij eens plotseling in woede geraakte, zijne vrouw en kinderen vermoordde en zich zelven daarna op eene vreeselijke wijze om het leven bragt? Indien hij in het leven ware gebleven, zou de regter dan, op grond van zedelijke beweegredenen, hem van moord beschuldigen en als moordenaar hebben durven straffen? Was de moord aan zijne vrouw en kinderen gepleegd eene zoogenaamde daad van willekeur of eene onwillekeurige (of reflex-) beweging? Waar ligt de grens tusschen gezond van geest en krank van geest?

NACHT. Daarover behoort de geneeskundige te beslissen. Dergelijke gevallen, waarvan gij zoo even gesproken hebt, waar het moeijelijk is te beoordeelen of een individu gezond of ziek van geest is, kunnen van tijd tot tijd voorkomen. De gezonde echter--hieraan valt niet te twijfelen--heeft het volle bewustzijn van de beweegredenen zijner handelingen, of zij goed of kwaad, zedelijk of onzedelijk zijn. Niettegenstaande dat wilt gij thans ook den zedelijken wil des menschen als een noodzakelijk gevolg van oorzaken voorstellen, die niet weder kunnen beschouwd worden als zijn eigen wil, maar daarvan geheel onafhankelijk zijn!--Ik geloof daarentegen dat mijn eigen zedelijke wil, als eene eigenschap mijner ziel die mij door God werd geschonken, slechts van mijn zedelijk inzigt en niet, gelijk door u wordt beweerd, van de natuurwetten afhankelijk is. Want het zedelijke willen is geene natuurwet, maar eene taak, een ideaal, naar welks verwezenlijking de mensch moet streven. En juist, dewijl het ons mogelijk is dit ideaal meer en meer te naderen, kan de wil niet eenig en alléén het gevolg zijn van oorzaken die van buiten op ons werken, maar moet integendeel het gevolg zijn van eene innerlijke, aan wetten gebondene regelmaat van het geestelijke leven zelf.

AVONDROOD. Dat heet met andere woorden: "de oorzaak van den wil ligt in de vatbaarheid van het geestelijk leven om opgewekt te worden."--Gij geeft daarmede toch tevens te kennen dat er innerlijke drijfveeren, oorzaken van den wil bestaan en dat is zeer juist, dewijl de meest bepaalde wil steeds het duidelijkst van zijne beweegredenen bewust, derhalve afhankelijk van beweegredenen is, d. i. van oorzaken die eerst vóór korten tijd of reeds vele jaren geleden op uw voor indrukken vatbare gemoed invloed kunnen hebben uitgeoefend, waarvan de indruk niet is uitgewischt. Zoodra nu gunstige omstandigheden zich vereenigen, die opwekkend zijn voor dezen indruk, zal hij zich als een gevolg dier vroegere oorzaken noodzakelijker wijze als wil! uiten.

NACHT. Het is moeijelijk om met u te redetwisten. Maar gij zult toch toegeven dat de wil niet in dier voege aan bepaalde beweegredenen is gebonden, dat niet ook andere oorzaken invloed daarop zouden kunnen uitoefenen?

MORGENROOD. Gij lacht en gij (Nacht) fronst het voorhoofd?--Zonderling; waarom redetwist gij toch! Het komt er immers in het practische leven juist niet zoo zeer op aan of de vrijheid van wil in absoluten, positiven zin genomen (met betrekking tot God en de natuur) bestaat, maar slechts of de mensch als verschijnsel met betrekking tot andere menschen dezen vrijen wil heeft en dit geloof ik volmondig toestemmend te moeten beantwoorden. Of de mensch eene daad a als zelfstandig vrij wezen, dan of b eene onbekende magt in hem de wilsuiting te weeg brengt, dit is den regter onverschillig. Daarnaar behoeft hij niet te vragen, dewijl hij zich noodzakelijker wijze in hetzelfde geval bevindt als de mensch over wien hij zal oordeelen, of in het geval a of in het geval b. De zederegter en wetgever grondt wel degelijk zijn regt om te beloonen of te straffen op de mate van toerekenbaarheid van het individu, niet op de mate waarin hij de mogelijkheid of onmogelijkheid van het bestaan des absoluut vrijen wils in aanmerking neemt, maar slechts in zoo verre als hij, om te beloonen of te straffen, noodig heeft ten eerste een persoon aan wien de wil als een zich zelfbewuste wil kan aangerekend worden, en ten tweede het bewijs dat op dit willen de daad waarover geoordeeld wordt, als voorbedachte daad is gevolgd.--Het is waar, ook hier loopen de grenzen tusschen met bewustheid en niet met bewustheid willen en handelen wederom zoodanig in een, dat het niet immer mogelijk is deze bepaaldelijk te kunnen onderscheiden. Derhalve zal elke milde wetgeving daarheen zijn gerigt: dat niet worde gestraft, waar geene verbetering meer mogelijk is, maar dat onschadelijk worde gemaakt, hetgeen voor de zamenleving verderfelijk zou kunnen worden.

AVONDROOD. Toegegeven, broeder! Op dit punt zijn wij de zaak eens. Van ouds her werd het als eene deugd der goede en verlichte vorsten beschouwd, dat zij de misdadigers genade schonken en de doodstraf slechts in zeldzame gevallen lieten voltrekken, wanneer de toestand der maatschappij dit vorderde of de openbare meening dit offer scheen te verlangen.

NACHT. Dit is eene stelling van uw systeem welke ik zou kunnen beamen, namelijk in zoo verre het wenschelijk is te achten dat de twijfel aan de mate van toerekenbaarheid der misdadigers den wetgever tot eene zachtere behandeling van hen stemme en zulks aanleiding geve tot afschaffing van alle barbaarsche straffen. Maar vreest gij dan niet dat, indien het niet-gelooven aan den vrijen wil algemeen verbreid en de afschrik verwekkende straffen geheel en al afgeschaft waren, de misdaden alsdan op eene onrustbarende wijze zouden toenemen?

MORGENROOD. Veroorloof mij op deze vraag te antwoorden. Ik vermeen mij overtuigd te mogen houden, dat ik in dit opzigt hetzelfde gevoelen ben toegedaan als broeder Avondrood en Dag. Vooreerst verzoek ik u uwe eigene ervaring te raadplegen en neem ik de vrijheid u te herinneren aan de feiten uit de geschiedenis.--Dit afschrikkingssysteem staat in dezelfde verhouding tot de voormalige wetgevingen, als de hel en het vagevuur tot de Christelijke kerk. Ik loochen niet dat de afschuw van straf en schande bij vele, niet zeer hartstogtelijke menschen eene beweegreden kan zijn, welke invloed op hunnen wil uitoefent en hen terug houdt van het plegen van misdaden. Uit dien hoofde acht ik het ook goed, dat onze wetboeken strafbepalingen stellen op het booze d. i. op datgene wat in strijd is met de eischen der maatschappij, wat een derde schadelijk is. Ik verhef mijne stem niet tegen de straffen in het algemeen, maar alleen tegen het doel ter afschrikking hetwelk in gruwzame en onmenschelijke straffen zou gelegen moeten zijn. Dat zij dit doel niet bereiken, heeft de geschiedenis ten klaarste bewezen. Elk gepleegde misdaad staat in eene regtstreeksche verhouding tot de hartstogt, welke den misdadiger tot het bedrijven er van aanzet. Daartegen kan geene afschrikking iets doen. Zoo lang de driften woeden, wordt elke straf veracht of er wordt volstrekt niet aan gedacht.

Bezat gedurende de middeneeuwen niet elke kleine stad hare galg en haar halsgerigt, waar gehangen, gevild, Met gloeijende tangen geknepen, gevierendeeld, geradbraakt en levend verbrand werd? En zijn wel ooit meer en vreesselijker misdaden bedreven; hebben de papen,--deze geestelijke Bothriocephali der menschheid--in eenig tijdperk der geschiedenis ooit erger gewoed dan destijds, toen halsgerigten en galgen even talrijk waren als kruizen en bidkapellen; toen het geloof aan hel en vagevuur als het eerste en gewigtigste leerstuk werd beschouwd, dat wel is waar de menschen niet afschrikte van het kwaad, maar niettemin een voortreffelijk lokaas was om de kelders der kloosters met wijnvaten en de buidels der bisschoppen met geld te vullen? Welke zedeloosheid heerschte destijds in alle rangen der maatschappij, welke snoodheden werden niet bedreven!--En zou juist het dagelijksche schouwspel der barbaarsche straffen, het voorbeeld der beulsknechten die in grooten getale op hunne schavotten werkzaam waren, niet hebben medegewerkt om de zedelijkheid onder de menschen nog lager te doen dalen, het gevoel te verstompen, hen gemeenzaam te maken met tooneelen van meedoogenlooze gruwzaamheid en daardoor het plegen van nieuwe misdaden voorbereid hebben?

Tegenwoordig wordt hoogstens nog een onnoozele boer gevonden die aan de hel en het vagevuur gelooft. Slechts hier en daar wordt nog een zwakke vorst aangetroffen die zich van de naar magt en invloed hakende Jezuiten laat wijs maken, dat slechts het uitzigt op den Christelijken hemel, op de eeuwige gelukzaligheid de hongerende armoede kan bedaren,--dat slechts de vrees voor hel en duivel de zucht tot oproer bedwingen en het "gepeupel", de onwetende volksmassa in toom houden kan,--maar desniettemin (ja, ik geloof juist om die reden) zult gij vinden, dat het aantal misdaden sedert de middeneeuwen onder een gelijk aantal der bevolking in gelijke mate heeft afgenomen, als de beschaving, de verlichting zijn gestegen. Ja, ik durf als mijn innigste overtuiging hierbij voegen dat het aantal misdaden voortaan nog veel sneller zal afnemen, wanneer eenmaal eene redelijke godsdienst de tegenwoordige onzinnige geloofsleer zal hebben vervangen, wanneer eerst der papenspook, zoo als mis, biecht, enz. zal zijn afgeschaft en men zal aanvangen om de menschen, in plaats van ze schrik aan te jagen met hel en vagevuur, met menschenliefde te verheugen.

Het geloof der tegenwoordige wereld is in het algemeen slechts een schijnbaar geloof, een geloof dat niet gelooft hetgeen zij vermeent te gelooven; het is niets anders dan een besluiteloos, flaauw ongeloof,--hoe kan nu dit geloof een mensch dien driften vervoeren, van de misdaad terughouden? Het geloof aan het bestaan eener hel is toch geene overtuiging, doet steeds nieuwen twijfel ontstaan en wanneer de ure der beproeving is gekomen, wordt de misdaad gepleegd in spijt van de hel met al hare duivelen!--Ja, de ervaring heeft geleerd, dat de domste menschen die het blindste geloof schenen te hechten aan de kerkleer, die het vlijtigst ter biecht en ten avondmaal gingen, in alle tijdperken der geschiedenis juist de meeste en zwaarste misdaden hebben bedreven.

De natuurlijke reden welke den mensch terughoudt van het kwade, heeft haren oorsprong in zijne maatschappelijke behoeften en spruit voort uit de overtuiging dat hij, het individu, op den duur zelf niet gelukkig kan zijn, indien hij er niet naar streeft om zijne medemenschen in wier midden hij woont, insgelijks gelukkig te maken. Deze waarheid is zoo groot en algemeen, dat zij zich zelfs openbaart onder een handvol wilden, zoodra deze hun zwervend leven verlaten, zich onderling naauwer aanéénsluiten en eene kleine kolonie stichten. Want zelfs deze kleine maatschappelijke vereeniging van menschen die in een gehucht van 6 à 10 hutten vereenigd zijn, zou bezwaarlijk 14 dagen kunnen blijven bestaan, de verschillende leden zouden elkander noodzakelijkerwijze moeten verdelgen, indien zij zich niet onthielden van inbreuk te maken op hunne wederkeerige regten, indien zij aan de zedelijke natuurwet, menschenliefde geheeten, niet gehoorzaamden, niet wederkeerig opvolgden hetgeen hen geen messias, geen profeet heeft geleerd.

DAG. Dat is volkomen waar! Hetzelfde heb ik insgelijks bij meer dan eenen wilden volkstam in den Indischen archipel waargenomen. Wel schijnt de ware menschenliefde den Christenen zoo vreemd te zijn,--wel schijnen zij haar zoo verre van hunne natuur verwijderd te achten, dat zij den Hebreër die voor 18 1/2 eeuw het aankweeken van menschenliefde aanbeval en niets meer en niets minder dan menschenliefde aanbeval, die derhalve niets deed, niets leerde dan hetgeen de wilden onder zich doen en jegens elkander in acht nemen,--dat zij dezen man als een onbereikbaar ideaal vergoden.

NACHT. Lieve broeders! Ik herinner mij verscheidene gebeurtenissen uit het leven dier zoogenaamde wilden en geloof, dat gij ten opzigte van dit punt de zaak bij het regte einde hebt. Het smart mij te moeten bekennen dat de vooroordeelen, welke in mijn boezem zijn ontstaan door de wijze waarop onze bigotte oom R.... [51] mij heeft opgevoed, niettegenstaande zij in strijd zijn met alle regelen van het gezond verstand, zich bij zoo menige gelegenheid in mijn binnenste weder trachten te doen gelden. Het is ontegenzeggelijk dat de jeugdig geboren mensch een bepaalden aanleg en vermogens mede ter wereld heeft gebragt; de opvoeding echter en de latere lotgevallen zijn het die op het karakter den stempel drukken en den man in rijpen leeftijd maken tot hetgeen hij is. De aanleg welke de mensch bij zijne geboorte medebrengt, laat zich vergelijken bij eene locomotief welker ketel met goed verhitte stoom is gevuld; de opvoeding schrijft aan dezen aanleg de rigting, den weg voor langs welken hij zal loopen, en de lotgevallen zijn de conducteur die hem leidt. Mogten toch alle menschenvrienden hunne onafgebrokene opmerkzaamheid gevestigd houden op de opvoedingsgestichten en leerscholen der jeugd!--Wat ben ik niet in gevaar geweest om dwalingen, die men mij in mijne vroegste jeugd als heilige waarheden had ingeprent, nog verder te verbreiden en de arme Javanen in de orthodoxe geloofsleer van het zoogenaamde Christendom onderrigt te geven!

U, broeder Dag, zeg ik dank dat gij mij voor dergelijke zonde heb bewaard die ik zonder opzet, ja, met de beste bedoeling zou begaan hebben, toen mijn verstand nog beneveld was door het tot eene gewoonte gewordene, aangeleerde, diep ingewortelde en ingeprente drie-eenheids dogma.--Nu echter rust ook op u de verpligting, de leerstellingen van onzen oudsten broeder te wederleggen, die mij in een afgrond dreigen te storten van waar ik geen uitweg kan vinden.

DAG. Ik wil u gaarne mijne gevoelens daaromtrent mededeelen en ik hoop, dat ik eenige van de tegenstrijdigheden zal kunnen oplossen, die welligt slechts daarom onzinnig schijnen te zijn of in onderlinge tegenspraak te staan, dewijl de veronderstelling niet juist was, waarop de gevolgtrekkingen werden gegrond en waaruit Avondrood, naar een consequent beginsel, steeds talrijkere stellingen afleide.--Maar broeder Morgenrood heeft immers beweerd, den "eenigen" weg te kennen die rondom gindschen afgrond heen leidt en ons in de harmonische streek brengt, waar geene tegenstrijdigheden meer worden gevonden! Zouden wij hem niet verzoeken, ons vooraf eerst met zijne beschouwingen omtrent mensch, natuur en God bekend te willen maken, opdat wij weten in welke stukken hij met Avondrood verschilt of met ons overeenstemt, ten einde wij later het bijéénbehoorende ook beter in zijn verband kunnen behandelen?

MORGENROOD. Zeer gaarne, waarde broeders!--Gelijk met alle godsdiensten het geval is welke het bestaan der wereld evenmin kunnen verklaren, als zij het ontstaan (of het worden) er van kunnen begrijpen, zoo ook begint mijn geloofstelsel met eene mythe, die ik u zal voorlezen, dewijl ik haar na een droom dien ik eens gedroomd heb, op het papier heb gebragt. Dit is het eenige dat ik omtrent mijne beschouwingen ten dezen opzigte heb opgeteekend. Ik geloof bovendien dat ik in de ontwikkeling er van zeer kort zijn kan, dewijl mijne leer in het wezen der zaak met de stellingen van mijn oudsten broeder overeenkomt, met uitzondering van een enkel punt.

De komst onzer jongens stoorde ons in ons gesprek. Zij droegen ons avondeten voor zich uit. Het was reeds over 6 ure en ofschoon het reeds een geruimen tijd had opgehouden met regenen, bleef de hemel nog steeds met wolken bedekt, waardoor de overgang van het schemerlicht dat nog in onze hutten viel, in eene volslagene duisternis werd bespoedigd. De lezer weet hoe snel dag en nacht tusschen de keerkringen op elkander volgen. Binnen weinige oogenblikken waren de lampen aangestoken; spoedig hadden wij onzen eetlust bevredigd en waren de bedienden met de overblijfselen van het maal weder verdwenen,--toen broeder Morgenrood zich gereed maakte om aan zijne belofte te voldoen.

GELOOFSBEKENTENIS VAN BROEDER MORGENROOD.

Mythe. In den beginne was een almagtig geest of God, wiens wezen slechts bestond uit tijd en ledige ruimte en die, dewijl hij geheel alleen was, zich zeer verveelde. Hij schiep zich derhalve eene tegenstelling, deelde zich in twee gelijke deelen en stiet de eene helft van zich af, waaruit een tweede, even almagtige geest ontstond die zich duivel noemde. Deze beide (uit tijd en ruimte gevormde) tegenstellingen draaiden zich nu, even als eene dubbele ster, in een kring rondom een gemeenschappelijk middenpunt en vermaakten zich op die wijze gedurende drie millioen jaren tamelijk wel. Geest duivel verzuimde niet geest God bij elke gelegenheid tegen te spreken en geest God scherpte aan de tegenspraak zijn verstand. Maar gelijk het beste middel tot tijdverdrijf eindelijk door zijne eentoonigheid vermoeijend wordt, begon het eeuwigdurend tegenspreken ook God ten laatste te vervelen; hij verweet dien ten gevolge zijn neven- of tegengeest, dat hij een onbescheidene en ondankbare duivel was die zich tegen hem verhief, niettegenstaande hij zijn gansche aanwezen slechts aan zijne goedheid verschuldigd was, dewijl hij, God, hem eerst voor drie millioen jaren uit de tweede helft van zijn eigen ik had gemaakt. Hierop gaf de duivel hem met spottend gelach ten antwoord, dat God hem dankbaar moest zijn voor het aangename tijdverdrijf, hetwelk hij hem nu reeds gedurende zoo langen tijd had verschaft en dat hij daarentegen van den aanvang af, ja nog veel vroeger dan God had bestaan, aan wien hij verklaarde geen dank hoegenaamd schuldig te zijn. Dit snoode antwoord verbitterde den eerstgeboren geest; maar hij kon den duivel niet meer verbannen, die reeds van den oogenblik der verdeeling af, even almagtig was geworden als hij en nu met zijnen toorn spottede.--Op die wijze waren de beide oorspronkelijke geesten met elkander in twist geraakt; zij konden zich echter niet van elkander losmaken, dewijl de bestaande band van verwantschap hen bleef verbinden en tot het draaijen om een middenpunt dwong.

Eindelijk werd ook de duivel het eeuwige twisten en omdraaijen moede en beide, God en de duivel besloten op leven en dood met elkander te strijden. Zij kwamen nu overeen, om zich in een oneindig aantal oneindig kleine atomen te herscheppen en, elkander vastomstrengelend, zich in deze atomen te verbergen en te verschuilen. Zij kwamen verder overeen, dat ieder van hen beiden in elk atoom juist een millioen oorspronkelijke, verschillende eigenschappen zou bezitten, welke in aanraking komende met andere atomen zich als krachten zouden uiten en door hare verbinding met andere wederom nieuwe, afgeleide eigenschappen zouden verkrijgen, wier aantal voor elke verbinding werd vastgesteld op een millioen maal een millioen. Zij bepaalden deze eigenschappen, verdeelden ze naar gelang van haren aard onder hen beiden en regelden de wetten, waarnaar de groote strijd zou gestreden worden.

Hierop omarmden zij elkander en van dien zelfden oogenblik af hielden God en duivel op te bestaan,--er ontstond eene oneindige menigte atomen, zij vlogen snorrend uiteen en de wereld in nevelvorm, atomenvorm was ontstaan.

Gedurende drie duizend millioen jaren hebben deze atomen (in elk waarvan God en de duivel verborgen schuilt) nu reeds met elkander gestreden; zonnen, planeten en manen zijn ontstaan,--eenige van gindsche eigenschappen (die wij menschen zwaartekracht, licht, electriciteit en dergelijken noemen) hebben betrekkelijkerwijze gesproken eene groote heerschappij verkregen; andere (zoo als b. v. die welke kalium, natrium heeten) zijn op het punt geweest om verwonnen te worden; eene menigte atomen hebben zich op de planeet aarde tot planten en dieren vereenigd; in een dezer dieren, in den mensch, is de oorspronkelijke eigenschap van den eersten geest, de zielskracht, reeds in eene veel hoogere mate te voorschijn getreden, dan in de anderen,--maar nog steeds is het twijfelachtig, wie van de beide geesten, God of de duivel, op deze planeet de zege zal behalen.

Zoo zullen de atomen strijden, zich verbinden, zich scheiden, zich op nieuw vereenigen en in steeds afwisselende vormen worden herschapen, totdat de eigenschappen van een der oorspronkelijke geesten (die er in verborgen ligt) die des anderen zullen, verwonnen hebben; mogt de eerstgeborene geest als verwinnaar uit den strijd treden, dan moeten uit den vorm des menschen op deze aarde meer volkomen vormen ontstaan, begaafd met meer volkomene eigenschappen,--deze moeten steeds meer veredeld worden, de zielskrachten moeten steeds helderder, uitgebreider, meer omvattend, goddelijker worden, totdat eindelijk de duivel verwonnen en de wereldziel in zijne reine oorspronkelijke hoedanigheid weder te voorschijn gekomen,--totdat de mensch God is geworden.--Of zouden beide oorspronkelijke geesten weder even magtig uit den strijd terugkeeren?--Of zoude de duivel verwinnen?

Dit is de mythe van de herschepping en vleeschwording Gods. Thans is hij nog verborgen in de natuur en de magt der tegenstelling is groot. Maar hij ontwikkelt zich en de duur van het ontwikkelingstijdperk der schepping omvat vele millioenen maal millioenen van jaren.

Einde der mythe.