Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java

Part 28

Chapter 283,441 wordsPublic domain

Wij behoeven slechts een vlugtigen blik te werpen op het zamenstel van het ei uit zoo velerlei verschillende stoffen die in genen deele enkelvoudige stoffen zijn, maar die elk weder bestaan uit eene vereeniging ten minste van 2, gewoonlijk van 3, ja 4 zoogenaamde elementen, om te begrijpen met welke moeijelijkheden de natuuronderzoekers in toekomstige eeuwen zullen te kampen hebben, om de verschijnselen van het organische leven terug te brengen tot de bekende chemische en physische krachten. Eene eerste stelling onzer hedendaagsche natuurwetenschap is (gelijk u op eene voldoende wijze is bekend): dat menging, [47] kracht en vorm allen niet anders dan gelijktijdig zich veranderen en dat, wanneer verandering in de menging plaats heeft, noodzakelijkerwijze insgelijks de kracht (of eigenschap) en de vorm zich moeten veranderen. Wat het plantenrijk betreft b. v., behoeven wij slechts een blik te werpen op onze tuinen en onze tamme aardappelen en groentesoorten gade te slaan, waarin men de oorspronkelijke, in het wild groeijende stamplanten ter naauwernood kan herkennen, om deze stelling ten volle bewaarheid te zien, en wij moeten bekennen dat gelijke voeding (gelijke stofcombinatie): gelijke gestaltevorming, ongelijke voeding (ongelijke stofcombinatie): ongelijke gestaltevorming ten gevolge heeft. Daarentegen zou men aan de algemeene geldendheid van den regel dezer stelling twijfelen, wanneer men het dierenrijk gadeslaat en ziet hoe uit het eene ei eene hen, uit het andere een haan geboren wordt, niettegenstaande de scheikundige niet in staat is eenig onderscheid in de zamenstelling dezer eijeren te ontdekken. Dit kan echter zijn grond hebben in de onvolkomenheid der methode of wel hierin, dat men er tot heden niet in geslaagd is om door middel der analyse van organische ligchamen resultaten te verkrijgen, welke eene voldoende juistheid bezitten.

Want wanneer wij zien, dat indien een atoom waterstof en zuurstof meer wordt gevoegd bij rietsuiker (C12 H11 O11) deze wordt omgezet in druivensuiker (C12 H12 O12), of dat vijf atomen water, ontnomen aan den reuk- en smakeloozen, fraai gekristalliseerden zoogenaamden terpentijnkamfer (C20 H16 + 6HO), dezen veranderen in eene aangename, naar hyacinthen riekende olie (C20 H17 O),--of dat ligchamen, welke niet slechts wat betreft de mengingsgewigten hunner bestanddeelen, maar (even als de 2 verschillende zuren waarin het druivenzuur zich laat ontleden) insgelijks in alle andere eigenschappen bijna volkomen met elkander overeenstemmen, niettemin van elkander verschillen moeten in de menging of in de ligging der kleinste deelen, dewijl de gepolariseerde lichtstraal bij beiden niet dezelfde werking te weeg brengt en het polarisatievlak bij het eene zuur regts, bij het andere ter linkerzijde afwijkt,-- ja dat een geheel onschadelijk zout, als mierenzure ammoniak (H4 NO, C2 HO3) bloot door het te verhitten in een sterk werkend vergift, in blaauwzuur (HC2 N (+ 4HO) wordt veranderd, hetwelk zoodra het in aanraking komt met water en een sterk zuur, weder in ammoniak en mierenzuur overgaat,--dat derhalve uit schijnbaar zoo geringe stoffelijke veranderingen terstond geheel andere krachten worden geboren en nieuwe ligchamen met geheel andere eigenschappen dan vroeger ontstaan, [48] dan mogen wij de stellige hoop voeden, eenmaal in staat te zullen zijn niet slechts in de zaden van alle planten, maar insgelijks in de eijeren van alle dieren (waaruit zich zoo verschillende krachten en eigenschappen ontwikkelen) eveneens stoffelijk onderscheid aan te toonen, al bestond dit slechts in eenige weinige meer of minder er in aanwezige atomen phosphorus, margarine, cerebrine en dergelijken.

Wij hebben te meer grond om zulks te hopen, wanneer wij bedenken dat de verscheidenheid der scheikundige verbindingen uit niet meer dan een 39 tal enkelvoudige stoffen die veelvuldig voorkomen, schijnbaar tot in het oneindige voortgaat en dat--om slechts een voorbeeld aan te halen--alleen het aantal der ontledings- en afleidingsproducten welke van de alcoholen afstammen (de bijzondere ethersoorten, de eigenaardige aldehyden en de bepaalde zuren, welke tot elke bijzondere alcoholsoort behooren) zoo buitengewoon groot is, dat naar de berekening van den Franschen scheikundige Dumas alleen uit het tot heden bekende alcoholradicaal [49] (koolstof en waterstof) en ammoniak (stikstof en waterstof) meer dan 60000 verschillende verbindingen kunnen worden gevormd die allen verschillende eigenschappen bezitten.

Wanneer wij het als mogelijk moeten beschouwen, dat de hersenen van een orthodoxen pastoor die vóór 500 jaren over Gods moeder, Gods vader of over de hemelvaart van Gods zoon predikte, uit dezelfde stofdeelen, of althans grootendeels uit dezelfde atomen zuur-, water-, kool- en stikstof, phosphorus, natron, kali en kalk bestonden, die deels tot water, deels tot meer zaâmgestelde vet- en eiwitachtige verbindingen (als elaïne, oliezuur, oliephosphoruszuur, margarinezuur, cholesterine, cerebrinezuur, enz.) zaâmgegroepeerd waren en welke heden (juist in dergelijke verbindingen) de geheel anders denkende hersenen van den wijsgeer Feuerbach vormen, nadat zij vóór 176 jaren reeds hadden medegewerkt tot het daarstellen van den "ketterschen" kop van Spinoza,--dan moeten wij het insgelijks als mogelijk beschouwen dat het ons eenmaal zal gelukken, niettegenstaande de algemeene overeenstemming welke in de genoemde verbindingen heerscht, een onderscheid in de chemische zamenstelling der verschillende individuele hersenen te ontdekken en daaruit de onderscheidene rigtingen van gedachten der vele millioenen menschen, die gelijktijdig op aarde leven en na elkander geleefd hebben, uit de stof te verklaren. Wij durven deze hoop voeden, hoewel onder al deze millioenen welligt slechts enkele individuen worden aangetroffen die, zelfs bij schijnbaar gelijke uitwendige omstandigheden waarin zij leven, in de rigting hunner gedachten, zoomede in de trekken huns karakters en in den uitwendigen vorm des ligchaams volkomen met elkander overeenkomen. Verschil in menging, eene geringe hoeveelheid van de eene stof in deze hersenen meer, in gene minder, eene andere combinatie der enkelvoudige stoffen tot zaâmgestelde verbindingen,--geringe afwijkingen in den vorm en in de grootte der hersenen, zoomede in de verhouding van de afzonderlijke deelen der hersenen tot elkander, deze zouden dan (in verband met verschillende indrukken door de buitenwereld te weeg gebragt) moeten beschouwd worden de oorzaken der verscheidenheid in de rigting der denkbeelden en de mate van geestvermogens dier millioenen van individuen.

Het kan niet onmogelijk zijn de wijze te ontdekken, waarop deze verschillende mengings- en vormtoestanden der hersenen in verband staan tot de geestvermogens bij de verschillende individuen en de stoffelijke wetten op te sporen, waarnaar algemeen genomen alle verschijnselen in de organische natuur zich zinnelijk openbaren;--het waarom? deze wetten echter juist zoodanig en niet anders werken,--waarom aan elke verschillendsoortige stofvereeniging een bepaalden vorm in het dieren-, in het planten- en in het mineraalrijk toebehoort en waarom zij ook telken male gepaard gaat met bepaalde, eigenaardige verschijnselen of levensverrigtingen, welke wij bij geen anderen vorm, geene andere stofcombinatie ontmoeten,-- dit laatste waarom zullen wij nimmer doorgronden, maar altijd stuiten op iets dat ons onverklaarbaar is.

Noemt dit onbekende gelijk gij wilt; noemt het natuurnoodzakelijkheid, wereldziel, geest in de natuur, eeuwigen wil, eeuwig zelfbewustzijn; noemt het God!--wat toch doet de naam ter zake?--Maar dit onbekende dat op den helderen, lichten dag zich steeds openbaart op eene zoo geheimzinnige wijze, uitsluitend naar vaste wetten in, met en door deze raadselachtige atomen, welke datgene zaâmstellen hetwelk wij "stof" noemen,--het is verheven, het is wonderbaar en schoon!

(was geteekend) Avondrood. [50]

NACHT. Niettegenstaande de gematigde slotsom welke gij ten laatste uit uw stelsel van natuur en God trekt, komt het mij niettemin huiveringwekkend, ja vreesselijk voor en ik wensch hartelijk dat het nimmer opgang vinde bij het publiek, dewijl het een verderfelijken invloed op de maatschappij zou kunnen uitoefenen. Hoe zou ik God als een rein, heilig, goed wezen kunnen vereeren, indien ik op uw voetspoor moest gelooven dat Hij bloeddorstig in gindschen tijger rondsluipt om buit te zoeken, of in dezen moordenaar woedt die zijns nabuurs vrouw en kind om het leven brengt, of diens huis in brand steekt ten einde hem te berooven of zich op hem te wreken?--Hoe durf ik dan den booswicht straffen? Wat zal ik hem antwoorden, wanneer hij zich met de door u verkondigde leer verontschuldigt en zegt: "ik werd door eene onweêrstaanbare kracht gedwongen te handelen gelijk ik deed;--deze mij beheerschende kracht zult gij waarschijnlijk uitgedrukt vinden in den vorm mijns schedels, waarmede ongetwijfeld de inwendige bouw en eene bepaalde scheikundige menging mijner hersenen overeenkomen; ik heb geen vrijen wil."--Voert uwe leer niet regtstreeks naar het geestverdoovende geloof aan de voorbeschikking, aan het fatalismus, dat reeds zoo veel onheil heeft gesticht?

AVONDROOD. Waarde broeder! Indien gij u als geloovige Christen en met orthodoxe gestrengheid aan de zoogenaamde geopenbaarde godsdienst houdt, kan ik u met eene menigte bijbelplaatsen bewijzen dat gij dan evenzeer in den geest van Augustinus en Calvijn moest gelooven aan de praedestinatie. Ik wil mij echter niet beroepen op boeken of autoriteiten, maar uitsluitend op de natuur. Voor den natuuronderzoeker bestaat er evenmin een vrije wil, als een blind toeval, dewijl alles wat in de natuur geschiedt, wat de mensch verrigt en wat hij denkt, een noodzakelijk gevolg is van voorafgegane oorzaken. Ook de menschelijke wil is, zoo als ik op eene voldoende wijze vermeen te hebben bewezen, slechts een schakel in de keten van den noodzakelijken, door middel van oorzaken gevormden zamenhang der gebeurtenissen, niettegenstaande de oorzaken waarvan onze wilsuitingen het gevolg zijn, in tijdsorde menigwerf zoo verre verwijderd, of zoo verborgen zijn kunnen, of zoo zamengesteld en ingewikkeld van aard zijn, dat het ons niet altijd mogelijk is ze duidelijk te kunnen herkennen. Dit echter mag als zeker worden beschouwd dat gij, van het Christelijke dogma uitgaande, aan uwen persoonlijken, van de natuur gescheiden God althans de hoedanigheid der voorwetenschap moet toekennen en aannemen moet dat Hem alles, ook het verschrikkelijke, het booze, de misdaad welke is gepleegd, vooraf bekend was en dat hij zulks niet verhinderde, hoewel Hij "almagtig" is. Hetgeen ik reeds vroeger heb aangemerkt, behoef ik thans niet te herhalen: dat deze voorwetenschap en het niet verhinderen door den almagtigen God volkomen van gelijke beteekenis is te achten met het zelf verrigten der daad. Een menschelijk spreekwoord zegt: "de heler is zoo goed als de steler."

NACHT. Gij dwaalt, broeder, indien gij mij beschouwt als een gedachteloozen naprater van de woorden des bijbels. Veroorloof mij u te zeggen, dat ik aan het blinde geloof der orthodoxe school reeds voor lang ben ontwassen. Ik acht de rede verheven boven het geschrevene woord, waaraan ik slechts dan geloof, wanneer het met de wetten van het redelijke denken niet in strijd is. Het dualismus van God en der natuur schijnt mij echter volstrekt noodzakelijk toe. Aan de onafhankelijkheid der ziel van de stof, aan den vrijen wil des menschen moet ik gelooven, dewijl anders aan de zedeleer hare wezenlijke, d.i. zedelijke grondslag geheel en al ontnomen wordt. De empirische maatstaf toch van het goede en het kwade welke gij hebt opgegeven, kan mij niet bevredigen.

Om de vrijheid van den menschelijken wil te redden, moeten wij de voorwetenschap aan God ontzeggen.

AVONDROOD. Wat?--dan verlaagt gij uwen God tot beneden den mensch! Wij menschen weten immers veel van hetgeen over tien, over honderd, ja over honderde jaren zal geschieden, vooraf te zeggen, namelijk al datgene hetwelk zich regelt naar natuurwetten die ons volkomen bekend zijn geworden!--En zou uw God deze natuurwetten minder goed kennen dan wij?--Geven wij niet voor elk jaar, alvorens het aanvangt, een sterrekundig jaarboek of zeemansalmanak uit, waarin de stand van alle planeten ten opzigte van elkander en van de zon, der trawanten ten opzigte van de planeten, zoomede de stand dezer hemelligchamen ten opzigte van de vaste sterren met betrekking tot onze aarde, voor elken dag des jaars, voor elk uur van den dag, voor elke minuut, seconde, ja voor een gering gedeelte eener seconde met juistheid vooraf wordt bekend gemaakt?--Weten wij niet, dat heden na 32 jaren, namelijk op den 19den Augustus 1887 eene totale zonsverduistering zal plaats hebben, en zijn wij niet in staat om voor elke plaats der aarde (waar zij zigtbaar zal zijn) naauwkeurig den tijd op te geven van den aanvang en van het einde der verduistering, zoomede de grootte en den vorm van het verduisterde gedeelte, benevens vele andere verschijnselen welke er mede gepaard zullen gaan?--Hebben de sterrekundigen dan niet even naauwkeurig als alle zons- en maansverduisteringen die zullen plaats grijpen, insgelijks den tijd van doorgang van Mercurius en Venus voor de zon honderden van jaren vooraf berekend!--Weten wij dan niet, dat de "morgen- en avondster" welke ons zoo menigwerf door haren helderen glans verheugt, op den 8sten December des jaars 2125--derhalve na verloop van 271 jaren--als eene kleine zwarte schijf voorbij de zon zal gaan, nadat zij te rekenen van 1874 tot op 2117 reeds vijfmaal datzelfde verschijnsel zal hebben opgeleverd?--Ja, heeft men zelfs niet de wetten ontdekt welke den loop regelen der kometen, die gedeeltelijk duizenden van jaren behoeven om hare banen te doorloopen, en het weder verschijnen der Olbersche komeet (welke in 1815 werd waargenomen) op den 9den Februarij 1887, zoomede naar de berekening van Bessel dat van de komeet van 1807 op de 33ste eeuw en dat van de komeet van 1811, naar Argelander, op het jaar 4700 na Christus niet vooraf gezegd?--Berekenden Leverrier en Adams de elementen niet van eene nog geheel onbekende planeet, duidden zij de plaats niet aan waar deze in het wereldruim zou zijn, niettegenstaande nog geen sterfelijk oog haar had gezien en zeiden zij niet vooraf, dat men haar daar zou vinden, ter plaatse waar men haar later werkelijk vond en Neptunus noemde?--Zijn wij zelfs de wetten niet op het spoor die zoowel op het physieke, als op het maatschappelijke leven des menschen invloed uitoefenen en naar welke wij het gemiddelde getal der toekomstige geboorten, sterfgevallen enz. leeren kennen, ja, welke ons in staat stellen met evenveel zekerheid vooraf te zeggen, dat op elke 650 personen in Frankrijk jaarlijks één zich aan misdrijf zal schuldig maken,--als wij de hoeveelheid regen naar duimen en strepen vooruit kunnen bepalen, welke in de eerstvolgende vijf jaren te 's Gravenhage of te Utrecht zal vallen!--Zou uw God onwetender zijn dan de mensch? Zou hij de natuurwetten niet beter kennen dan wij en met behulp daarvan niet in staat zijn vooraf te kunnen zeggen, welke van die 650 personen de misdaad begaan en hoeveel regen dagelijks op elke plaats vallen zal?--Is het niet duidelijk dat ons onvermogen om het lot van elk bijzonder mensch, om de weêrsgesteldheid van elken afzonderlijken dag vooraf te kunnen opgeven, zijn grond heeft in het ingewikkelde der verschijnselen, in het groote aantal gelijktijdig werkende oorzaken, waardoor het heldere overzigt van de wetten die dit alles regeren, voor ons bemoeijelijkt of onmogelijk wordt gemaakt, dewijl toch het noodzakelijke gevolg, het eindresultaat, slechts uit de vastgeregelde zamenwerking van al deze oorzaken of krachten geboren wordt. Uit de volkomene en grondige kennis dezer wetten echter moet elke gebeurtenis in de natuur en in het menschelijke leven duizende jaren vooruit kunnen voorzegd worden. En deze gave der voorwetenschap welke de mensch in zekere mate bezit, ontzegt gij aan uwen God? Is dat niet ongeveer gelijkluidend met geheel en al het aanzijn van God te loochenen?

NACHT. Broeder, dit denkbeeld doet mij duizelen; gij voert mij naar een afgrond waarin ik vrees te verzinken.

MORGENROOD. Lieve Nacht! Ik ken den weg waar langs gij den afgrond kunt omgaan. Er voert slechts een enkele weg daarom heen. Volg mij en ik zal u geleiden naar de bloemrijke beemde, waar geen tweespalt heerscht en alles zich in harmonie oplost.

AVONDROOD. Vergunt mij vooraf nog een enkel woord hier bij te voegen. De wijsgeeren hebben reeds van den vroegsten tijd tot op Kant en van dezen tot op Hegel over den vrijen wil gestreden, maar de vraag is tot heden onopgelost gebleven. Wij zijn geene wijsgeeren, geene idealisten, maar natuuronderzoekers en behooren te trachten om de vraag die wij willen oplossen, ons vooraf zoo duidelijk en zoo eenvoudig mogelijk voor te stellen. Slechts een van deze beide gevallen kan waar zijn. Of (a) wij hebben een vrijen wil en daar deze slechts denkbaar is als de eigenschap eener zelfstandige, onsterfelijke ziel, moeten wij eene ziel hebben welke onafhankelijk is van de chemische en physieke krachten, die in onze hersenen en in de overige deelen onzes ligchaams werkzaam zijn.--Of (b) de aanwezige verschijnselen en opgedane ervaring veroorloven ons niet, aan het bestaan eener zoodanige onafhankelijke ziel te gelooven. Wij gelooven aan de werkzaamheid der chemische en physieke krachten in onze hersenen: maar dan kunnen wij geen vrijen wil hebben, omdat, gelijk gij zeer wel weet, deze chemische en physieke krachten aan onveranderlijke en onverbiddelijk gestrenge, consequente natuurwetten gehoorzamen.

Laat ons nu eens nagaan waarheen de eerste stelling a ons leidt. Wij zijn allen eenparig van gevoelen en moeten dit als natuuronderzoekers zijn, dat de dingen wel van vorm en zamenstel veranderen, maar dat geene nieuwe stof, geene nieuwe krachten kunnen geschapen worden. Derhalve kunnen ook onze zielen niet op nieuw geschapen zijn, maar moeten zij vroeger reeds onder een anderen vorm hebben bestaan. Om nu het aanwezen te verklaren dezer zelfstandige zielen welke van de naar vaste wetten werkende natuurkrachten onafhankelijk zijn en een vrijen wil zouden hebben, moeten wij toch het bestaan van een zielenvoorraad of eene zielenbron aannemen van waar zij (langs voor ons geheel onbekende wegen) in ons ligchaam zijn gekomen, derhalve eene algemeene ziel, eene wereldziel, een God. Van deze goddelijke ziel heeft zich een deel in ons uitgestort (hoewel ons onbekend is wanneer zulks plaats had, of dit geschiedde bij de bevruchting, in het embryo, bij de geboorte, of later?) en zich herschapen in eene bijzondere (individuële, menschelijke) ziel met bijzonderen vrijen wil. Maar vrijheid van wil en almagt moet toch bovenal de eigenschap zijn der algemeene ziel, dewijl zij zich in het weinigje stof waaruit wij bestaan, niet had kunnen overstorten, indien zij deze eigenschap niet bezat. Indien nu echter uwe zielen, zoomede de zielen van zoo vele millioenen andere menschen--elk afzonderlijk--haren eigen, onafhankelijken vrijen wil heeft, hoe kan God dan almagtig zijn en een vrijen wil hebben, uithoofde iets vrijs buiten hem,--uithoofde zoo vele milioenen afzonderlijke, van hem onafhankelijke gedeelten van vrijen wil aanwezig zijn?--Is deze veronderstelling niet ongerijmd, onbestaanbaar en leidt zij niet regtstreeks tot het geloof aan wonderen, 't welk gij, broeder Dag, in uw evangelie met zoo veel klem hebt bestreden? Betaamt het ons, wier aanhoudend streven het is en moet zijn: de wetten na te speuren waarnaar de verschijnselen in de natuur zich regelen, aan dergelijke wonderen te gelooven? En in welke betrekking zou dan een dergelijke, van de natuur gescheiden, persoonlijke God staan tot de natuurkrachten en wetten? Zou hij misschien niet anders verrigten dan toezien en--zielen scheppen, namelijk scheppen zoodra de gelegenheid daartoe gekomen is, derhalve voortdurend oppassen en--zoo spoedig en zoo dikwerf het aan de natuurkrachten in het menschelijke ligchaam (zoomede vooraf aan twee exemplaren van den vrijen menschelijken wil) aangenaam is geweest, uit het vrouwelijke ei en het mannelijke zaad de vereischte stof daartoe te verschaffen, fluks van zijne zijde eene ziel in deze stof te scheppen en te zeggen, daar ziel, loop; ik wil dat gij zijt en na negen maanden vrijen wil hebt. Want dan zijt gij vrij en kunt uwes weegs gaan; maar geef acht, dat gij de vingers niet brandt; want allerwege om u heen zijn natuurkrachten werkzaam en deze bekommeren zich noch om u, noch om uwen vrijen wil.

b. Aan dergelijke wonderen kunnen wij niet gelooven, dewijl zij in strijd zijn met het verstand en met de waarneming, welke laatste leert dat de zielsvermogens van den mensch slechts van lieverlede in, met en door de stof--het ei, embryo, foetus, kind, jongeling en volwassen mensch--tot ontwikkeling komen. Er blijft ons derhalve niets over dan de tweede veronderstelling aan te nemen en God met de natuur te vereenzelvigen. Doen wij dit, dan kunnen wij--naar de stellige of absolute beteekenis van dit begrip--aan geen vrijen wil gelooven. Dit denkbeeld van vrijheid van wil is slechts een zelfbedrog, een waan, waarin de meeste menschen van de wieg tot aan het graf blijven voortleven.--Enkele diepdenkende personen hebben zich boven dien waan verheven en onderwerpen zich met tevredenheid aan den wil der natuur, die zich in hen doet gelden, ja, zij putten troost en opbeuring uit de gedachte: wij zijn slechts een deel van het eeuwige bewustzijn, aan stof gebonden, thans latent, maar zullen eenmaal weder vrij worden. Als individu hebben wij niets dat ons eigen toebehoort, behalve dit individuële bewustzijn (deze afspiegeling der gansche natuur is ons binnenste door middel onzer zintuigen), dat na onzen dood in de Godziel als herinnering zal voortleven.

NACHT. Uwe beschouwing is in strijd met mijn innigst gevoel. De grens tusschen zedelijke en physieke vrijheid wordt door u niet duidelijk getrokken; gij vermengt de eerste met de afhankelijkheid onzes ligchaams van de natuurkrachten, zonder in aanmerking te nemen dat de zedelijke vrijheid slechts afhangt van zedelijke beweegredenen en dat wij in dien zin--zedelijk--wel degelijk vrij moeten zijn.