Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java
Part 27
De som dezer eigenschappen is het wezen van het goud. Stellen wij ons nu voor, dat deze eigenschappen, de eene na de andere, aan het goud worden ontnomen, wat blijft er dan van het goud over?--Antwoord: geen GOUD, derhalve niets, volstrekt niets.--Ontnemen wij er b. v. de twaalfde eigenschap aan en stellen wij ons voor, dat het goud de eigenschap: lichtstralen terug te kaatsen, volstrekt niet bezit, dan zou het noch geel zijn, noch eene andere kleur hebben, maar daarentegen doorzigtig wezen gelijk de lucht, derhalve voor ons volkomen onzigtbaar;--nemen wij verder voor den oogenblik aan dat zijne onder no. 6 opgetelde eigenschap: met een gewigt 19 malen zwaarder dan water, naar het middenpunt der aarde te drukken,--zoomede zijne 1ste eigenschap, de z.g. cohaesie, de kracht van zamenhang zijner kleinste deeltjes, waardoor het zijne bepaalde grenzen en ondoordringbaarheid behoudt, niet aanwezig zijn,--dan zou het stukje goud uit mijne hand spoorloos verdwijnen, dewijl al de andere negen eigenschappen slechts in verband met de drie opgenoemden denkbaar zijn, met welke zij juist die constante som uitmaken, welke wij gewoon zijn massief of regulinisch goud te noemen.--Indien ik op gelijke wijze de eigenschappen, welke dit stukje ijzer bezit, of de eigenschappen van den phosphorus in mijne verbeelding er aan ontneem b. v. zijne geringe zwaarte (=1,77), zijne gemakkelijke smeltbaarheid (reeds bij 44,2°), zijne doorschijnendheid, kleurloosheid (of geelachtige kleur), zijne groote verwantschap met de zuurstof der lucht, ten gevolge waarvan hij voortdurend is omringd met een rook welke in de duisternis licht van zich geeft, wanneer hij aan den invloed des dampkrings is blootgesteld, zijne gemakkelijke ontvlambaarheid, enz.,--wat blijft er dan van den phosphorus over?--Natuurlijk: geen phosphorus, derhalve algemeen genomen geene stof, d. i. niets.
Op gelijke wijze kunnen wij alle in het gemeene leven zoogenaamde stoffen of ligchamen, zoowel enkelvoudigen als zamengestelden, bewerktuigden als onbewerktuigden aan onze beschouwing onderwerpen, die ons allen, zonder eene enkele uitzondering, dezelfde slotsom zullen opleveren: dat er, in den eigenlijken zin, volstrekt geene stof bestaat, dewijl alles dat ons als stof of als eene zekere soort van stof voorkomt, slechts de hoeveelheid of de som van een bepaald, hetzij grooter of kleiner getal eigenschappen is, die bij hare ontmoeting met andere tegengestelde eigenschappen (z. g. stoffen) nieuwe eigenschappen ontwikkelen en zich daardoor als kracht, als bewegingsverschijnsel laten waarnemen.--De stelling derhalve dat geene kracht bestaat welke niet aan stof is gebonden, is eene onomstootelijke waarheid, dewijl al hetgeen wij tot ons gemak in het gewone leven stof noemen en waaraan wij verschillende benamingen geven, niet anders is dan het product van eigenschappen, die onderling in verbinding tot elkander zijn getreden en haren invloed gelijktijdig uitoefenen, waardoor zij zich als "stof" aan onze zintuigen voordoen. Eene som van dergelijke zamenwerkende eigenschappen zijn b. v. ook de 62 z. g. enkelvoudige stoffen of elementen der scheikundigen elk afzonderlijk. Sommigen hunner eigenschappen, zoo als vorm (omvang, uitgestrektheid), kleur, zwaarte, warmte laten zich door ons regtstreeks waarnemen, dat wil zeggen, onder den invloed der algemeen heerschende krachten waaronder wij in den dampkring leven; anderen komen ten deele eerst te voorschijn bij hare ontmoeting van vreemde eigenschappen ("aanraking met andere stoffen") b.v. eenige van de eigenschappen welke wij kalium heeten, zoodra zij in aanraking komen met de som van eigenschappen welke water wordt geheeten,--of wanneer het geheel der eigenschappen genaamd zink, in aanraking komt met de som van eigenschappen, geheeten verdund zwavelzuur, enz.
In het dagelijksche leven, het is waar, wordt algemeen de stof op een gansch andere wijze beschouwd, welke door eene langdurige misleiding ons tot gewoonte is geworden. Men beoordeelt haar juist als ware zij het eenige dat positief aanwezig is en geeft aan al de vereenigingen van gelijktijdige eigenschappen, welke zich onder de gewone omstandigheden niet veranderen of die slechts zeer langzaam eene verandering ondergaan b. v. aan ijzer of hout, zoo lang als aan een eigendommelijk ligchaam of stof eene afzonderlijke benaming, totdat het ijzer in roest is overgegaan, of het hout tot koolzuur, water en asch is verbrand geworden. Deze benamingen mogen kortheidshalve voor het geheel der telkens aanwezige gelijktijdige eigenschappen volstrekt onontbeerlijk worden geacht.
Het gaat echter den scheikundige die, om te wegen, vóór zijne schaal zit, met deze zoogenaamde stoffen volkomen op dezelfde wijze, als den criminelen regter voor wien het wetboek ligt opengeslagen, met den vrijen wil der menschen. Gene schrijft stof toe aan elke vereeniging van eigenschappen welke de schaal zijner balans naar de aarde doet neigen, derhalve zwaarte heeft,--deze vrijen wil aan elken mensch die tegen de wet heeft gezondigd. De zwaartekracht is echter evenmin een bewijs van het aanwezen van stof, als de zonde van vrijen wil. Want de zwaarte is ten duidelijkste niets anders dan eene eigenschap, eene betrekking tot een middenpunt in het heelal, welke zich kan openbaren in verband of in zamenwerking met eene grootere of geringere menigte andere eigenschappen, b. v. met die welke wij lood, staal, steen noemen, maar die niet noodzakelijk met alle eigenschappen zich gelijktijdig behoeft te uiten, die b. v. met de eigenschappen genaamd licht, warmte, electriciteit, magnetismus niet verbonden is.--Zonderling toch dat de natuurkundigen juist op grond hiervan en in tegenspraak met zich zelven deze eigenschappen "onweegbare stoffen!" noemden, niettegenstaande zij toch, even als de zwaarte, slechts bewegingsverschijnselen d. i. eigenschappen zijn. Andere geleerden scherpten hun verstand, om tegenover de leer der zoogenaamde materialisten, iets geestelijks in de natuur te ontdekken. Zonderbare misleiding! Geest wordt allerwege gevonden, maar het is de stof, welke ontbreekt en zeer moeijelijk, ja, onmogelijk mag het geacht worden, het bestaan van stof, van materie in absoluten zin te bewijzen.
Indien er werkelijk stof of stoffen bestonden en zij niet uitsluitend betrekkelijkerwijze tot onze zinnelijk grove opvatting voorhanden waren, dan moesten hare eigenschappen ook onder alle omstandigheden steeds dezelfden blijven. Wanneer ik echter een stuk kalium op het water leg, dat binnen weinige oogenblikken voor mijne oogen spoorloos verdwijnt (dewijl het zich met de zuurstof van het water verbindt, het gevormde kalihydraat in het water wordt opgelost en de vrij geworden waterstof verbrandt),--of wanneer ik 4 deelen zwavel met 25 deelen kwik dooreenwrijf en dan deze beide zie veranderen in zwart kwikzilvermoor dat, door sublimatie, weder wordt omgezet in vermiljoen, hetwelk ik tot in de allerfijnste deelen kan verdeelen en tot poeder maken, zonder dat ik in staat zal zijn iets anders dan vermiljoen of ook slechts een enkel der vorige zwavel- of kwikdeeltjes weder te ontdekken,--moet ik dan hieruit niet tot het besluit komen dat de voormalige toestanden, als kalium, zwavel en kwik, geene werkelijke materie zijn geweest, maar slechts eene hoeveelheid eigenschappen die, in strijd gerakende met andere tegengestelde eigenschappen, hare vroegere eigenschappen moesten afleggen, terwijl zich in de plaats daarvan nieuwe, tot dusverre sluimerende eigenschappen ontwikkelden.
Hierop zullen welligt vele scheikundigen antwoorden: ongetwijfeld veranderen deze stoffen haren vorm en hare eigenschappen wanneer zij zich met andere stoffen verbinden, dewijl dan eene nieuwe stof ontstaat welke wederom andere vormen en eigenschappen heeft; voor elke soort van stof echter is vorm en eigenschap even onveranderlijk als de gewigtshoeveelheden (aequivalenten) constant zijn, waaronder zij zich verbinden;--maar waarmede, vraag ik weder, verbindt zich dan de phosphorus--eene enkelvoudige stof--wanneer hij in de luchtledige ruimte (geheel en al afgesloten van elke aanraking met de zuurstof der lucht en van alle andere stoffen), alléén doordien de zon er op schijnt of eene sterke hitte zijn invloed er op uitoefent, voor het oog des beschouwers wordt omgezet in een karmijnrood poeder, dat niet vergiftig is en in het algemeen geheel andere eigenschappen bezit dan de phosphorus, welke echter (na herhaalde destillatie in eene koolzuur-atmospheer) weder op nieuw en zonder verlies van gewigt in denzelfden kleurloozen en vergiftigen phosphorus met al zijne eigenschappen overgaat? Zou men ook deze verschijnselen stof mogen noemen?--Onmogelijk; want dan zou het bewijs zijn geleverd dat eene stof, eene enkelvoudige stof gelijk de phosphorus, kan overgaan in eene andere welke geheel verschillende eigenschappen bezit, en dat deze tweede stof zich op nieuw kan herscheppen in de eerste met alle eigenschappen die zij vroeger had, zonder dat er iets aan toegevoegd of van verloren geraakt is. Wie toch zou het karmijnroode, onschadelijke poeder, den zoogenaamden amorphen phosphorus als identiek beschouwen met de halfdoorsnijdende, kleurlooze, ligt ontbrandbare, in de lucht rookende en in het donker licht gevende, hoogst vergiftige zelfstandigheid, welke wij gewonen phosphorus noemen, indien hij den overgang van het eene in het andere niet had waargenomen en zulks niet elken dag in zijn laboratorium kon waarnemen?
Wij moeten derhalve aannemen, dat geene onveranderlijke, derhalve volstrekt geene stof in de natuur aanwezig is en dat wij overal slechts verschijnselen, eigenschappen zien, welke door andere eigenschappen, gelijk hier bij den phosphorus door het licht of de warmte, in het leven geroepen, of vernietigd d. i. aan de zinnelijke waarneming onttogen worden.
Dewijl echter deze verschijnselen, d. i. het verband tusschen zekere bijéén behoorende, gelijktijdig werkende eigenschappen steeds naar vaste wetten wederkeeren en zelfs in de grootste veranderingen, in de werking der meest mogelijke hoeveelheid eigenschappen welke een wederkeerigen invloed op elkander uitoefenen, zich dergelijke vaste wetten laten waarnemen, stelt men zich deze eigenschappen voor als aan "stof" gebonden; men neemt het bestaan van kleinste of oneindig kleine deeltjes van deze stof aan, welke men atomen heet en verklaart de verschillende eigenschappen dier ligchamen, welke scheikundig op gelijke wijze zijn zamengesteld, b. v. der beide vroeger bedoelde toestanden van de zoogenaamde enkelvoudige stof phosphorus, zoomede van vele zamengestelde (der zoogenaamde isomere) ligchamen hypothetisch door eene "verschillende ligwijze" dezer atomen.
Daar echter deze atomen door geen sterfelijk oog ooit kunnen worden gezien en met betrekking tot onze geschiktheid ter waarneming niets anders zijn dan bloote mathematische punten, die slechts gedacht kunnen worden en welke men zich moet voorstellen oneindig klein en in oneindig groot aantal aanwezig te zijn, dan volgt hieruit ten duidelijkste dat alle stof, dat de gansche ligchamelijke wereld zuiver denkbeeldig is. Het is waar, de scheikundige beschouwt de atomen niet als oneindig kleine deelen, maar als de zoodanigen die niet voor verdere verdeeling vatbaar zijn. [45] Dit is echter eene veronderstelling welke tot onoplosbare tegenstrijdigheden voert, zoo als het navolgende voorbeeld duidelijk zal doen zien. Suiker, zetmeel en hout zijn drie verschillende ligchamen welke verschillende eigenschappen bezitten, en niettemin alle drie gelijkmatig uit 5 atomen water-, 5 zuur- en 6 koolstof bestaan. Deze atomen nu moeten in de drie verschillende ligchamen eene verschillende ligwijze hebben (op eene andere wijze geordend of nevens elkander geplaatst zijn) en daardoor de verschillende eigenschappen van suiker, zetmeel en hout te weeg brengen. Maar--een atoom moet immers ondeelbaar zijn en echter bestaat, naar deze theorie, elk atoom suiker uit 5 atomen water-, 5 zuur- en 6 koolstof, derhalve uit zestien verschillende deelen of enkele atomen! [46]--Hieruit volgt dat het aannemen van het bestaan van atomen als niets anders kan worden aangemerkt dan als een hulpmiddel ter vergemakkelijking, waarin men bij gebrek van eene verklaring, voorloopig eene uitdrukking vindt voor de aan wetten gebondene orde der verschijnselen, maar dat er in absoluten zin geene stof bestaat, er geene bestaan kan. Daarmede verdwijnt de tegenstelling tusschen geest en ligchaam en elk onderscheid tusschen ziel en stof valt weg.
Hoedanig deze wijze van beschouwing ook in tegenspraak moge zijn met de alledaagsche opvatting der zaak, kan men zich echter gemakkelijk van hare waarheid overtuigen, en zelfs met betrekking tot die eigenschap der zoogenaamde ligchamen, welke het aanwezig zijn van stof op het handtastelijkste schijnt te bewijzen, namelijk de uitgebreidheid, het volumen der ligchamen en den tegenstand welken zij bieden aan een vreemd daarop invloed uitoefenend ligchaam, b. v. mijn vinger, mijne hand. (Ik wil hier niet spreken van de oorspronkelijk lucht- of gasvormige ligchamen en evenmin van het feit, dat alle druipbare, ja de meeste vaste ligchamen door hitte gasvormig kunnen gemaakt worden, maar heb hier uitsluitend het oog op de werktuigelijke deelbaarheid der vaste ligchamen.) In deze hand heb ik een stuk zwavel, goud, krijt of kamfer, of een stuk muskus en noem dit stuk zwavel of muskus een ligchaam, eene stof. Deze stof kan ik echter voortdurend in kleinere deelen verdeelen welke eindelijk, indien ik voortga ze fijn te wrijven, zoo klein worden, dat ik ze met het bloote oog niet meer kan zien en ze alleen nog door middel van de sterkste vergrootglazen kan waarnemen. Deze kleinste, microscopische deeltjes kan ik slechts om die reden niet verder verdeelen, dewijl mijne hand en mijne werktuigen te grof zijn om de verdeeling onder het microscoop nog verder voort te zetten.--Elk deeltje bezit nog steeds de eigenschap van zwavel, of van muskus.--Dat de verdeeling echter nog veel verder kan gaan, bewijst de muskus die gedurende een gansch jaar in mijne kamer kan liggen zonder van gewigt te verminderen en toch de geheele kamer met den bekenden, hem eigenaardigen reuk vervult. Deze in de lucht zwevende muskusdeeltjes kan ik zelfs met de sterkste vergrootglazen niet meer waarnemen. Er bestaat echter noch eene natuurlijke, noch eene logische reden, om te veronderstellen dat deze in de lucht zwevende deeltjes, wier aanwezen slechts en uitsluitend nog door middel der reukzenuwen kan worden waargenomen, niet nog verder, ja tot in het oneindige kunnen verdeeld worden, zoodat zij ten laatste nog slechts wiskunstige punten zijn.--Euclides reeds verklaarde het geometrische punt te zijn datgeen, hetwelk geene deelen, of GEENE UITGEBREIDHEID heeft.
Indien er nu geene stof bestaat en het wezen van iets de som is zijner eigenschappen, hoe kan God dan iets anders zijn dan voor zich zelven: het eeuwige bewustzijn, en voor ons: de som of het totaal van alle eigenschappen der natuur?--Twee zijner eigenschappen zijn ruimte en tijd, in en door welke hij zijne gedachten tot werkelijkheid maakt. Deze gedachten zijn de verschijnselen in de natuur. Wij zijn slechts eene van deze verschijnselen, hoewel wij de slotsom van millioenen maal millioenen zamenwerkende, doch verschillende eigenschappen mogen genoemd worden. Wij zijn de buiten zich zelven geplaatste God, waarin de groote wereld der verschijnselen zich in het kleine terugkaatst,--waarin God zich als het ware ten tweede male denkt.
Indien dit nu werkelijk zoodanig is, hoe kunnen wij dan een vrijen wil hebben?
Hoewel de leer der atomen eene hypothese is welke ons tot tegenstrijdigheden verleidt, zoo heeft zij onze chemische kennis niettemin buitengemeen bevorderd. Men zal derhalve voorloopig de atomen in de scheikundige theoriën evenzeer moeten behouden, als men in het empirische leven, ter meer gemakkelijke opvatting van de verschijnselen, zal voortgaan om alle bestendig voorkomende vereenigingen van zekere eigenschappen stof te noemen en daaraan afzonderlijke benamingen te geven, zoo als goud, suiker, zetmeel, hout, enz.--In dien zin zal ook ik mij in het vervolg van deze uitdrukkingen blijven bedienen.
Vergunt mij ten slotte nog met een enkel woord te spreken van de groote moeijelijkheid, waarmede de natuuronderzoeker heeft te kampen bij de buitengewoon groote menigvuldigheid van het organische leven, ten einde de levensverschijnselen, zoomede den rijkdom aan gestalten van de planten- en dierenwereld uit de algemeen bekende, chemische en physische krachten te verklaren. Reeds bij den aanvang mijner voordragt heb ik op deze moeijelijkheid gewezen, welke ten duidelijkste haren oorsprong heeft in het groote aantal gelijktijdig werkzame krachten. Het physische leven van het organismus op zich zelf beschouwd (als iets gegevens) laat zich, wel is waar, uit de ter bedoelde plaats (zie vroeger bladzijde 317) opgenoemde, allerwege met de stof verbreide krachten verklaren, zonder dat men andere zoogenaamde typische of eigendommelijke levenskrachten welke van de onorganische natuur verschillen, behoeft aan te nemen; waarom echter het leven der verschillende organismen slechts tijdelijk van duur is, en dit bij elke afzonderlijke soort op een onderscheidenen, vast bepaalden (gemiddelden) tijd ophoudt, laat zich daaruit evenmin verklaren,--als de bijzondere vorm welke elk der 100,000 planten- en 130,000 diersoorten bezit die tot heden beschreven zijn geworden, daaruit kan worden afgeleid, en welke toch allen, niettegenstaande het groote onderscheid in haren vorm en de afwijkende, menigwerf wonderbare structuur van de menigte harer organen, uit dezelfde grondstoffen, bij de werking van dezelfde physische en chemische krachten zijn ontstaan.
Moest dan in de atomen der elementen, welke de eiwitstof of den dojer van het vrouwelijke ei uitmaken (vergelijk de analysen die lager worden gevonden) het streven niet liggen,--dat door de werking van het mannelijke zaad bij de zoogenaamde bevruchting d. i. wezenlijk door het indringen der spermatozoiden in den dojer eerst gewekt of werkzaam gemaakt wordt en waarbij de gelijktijdige gunstige invloed van algemeene natuurkrachten b. v. van een bepaalden gemiddelden (noch te hoogen, noch te lagen) warmtegraad, als noodzakelijke voorwaarde wordt aangenomen,--moest dan in deze atomen niet het harmonisch streven zijn gelegen, om bij voortdurenden toevoer van gelijke stoffen (als eiwit, bloed) een dierlijk of menschelijk ligchaam met al zijne deelen te vormen,--hier een oog of een oor (beide zoo wondervol, schijnbaar zaâmgesteld en toch zoo eenvoudig van inrigting!) te doen ontstaan, elders zich tot eene spier of eene long, eene zenuw of een borstbeen te vereenigen,--uit een bepaald aantal spieren, beenderen, pezen, aderen en zenuwen een arm, eene hand met vingers te maken en al deze deelen en organen in het behoorlijke aantal, ter behoorlijker plaats daar te stellen, zoomede in de vereischte verhouding der duizenden van cellen, vezelen, membranen, aderen en zenuwen, waaruit zij bestaan!--en deze wondervolle kracht zou in de chemische stoffen, in de atomen liggen!
In eenige atomen zuurstof, kali, phosphorus of zwavel, welke dit hoenderei meer bezit dan het gindsche (waarvan het echter in zulk eene geringe mate verschilt, dat men door middel van een scheikundig onderzoek niet in staat is eenig onderscheid tusschen beiden aan te toonen) zou het vermogen zijn gelegen, om de geheel verschillende geslachtsorganen van den haan met kam, sporen en prachtig gevederte te voorschijn te brengen,--terwijl de afwezigheid van dit paar atomen aan het andere ei dat in hetzelfde nest uitgebroeid wordt, de kracht geeft om eene hen te doen ontstaan, welke weder geheel verschillend gevormde geslachtsdeelen, ander gevederte bezit dan de haan en sporen noch kam heeft,--ja terwijl misschien bij eene gelijke percentsgewijze verhouding der bestanddeelen in een kalkoenenei een geheel ander dier: een kalkoensche haan of hen wordt uitgebroeid.
Ten einde aan de lezers die zich niet bijzonder hebben bezig gehouden met de beoefening der chemie, een denkbeeld te geven van de groote menigte krachten welke gelijktijdig in het organismus werkzaam zijn, van het ingewikkelde zamenstel van schijnbaar zoo eenvoudige stoffen als dojer en eiwit, deel ik de volgende analysen mede. (Van het mannelijke zaad ontbreken naauwkeurige chemische analysen nog bijna geheel en al.)
Het eiwit bestaat uit stikstof, koolstof, waterstof en zuurstof, ongeveer in die verhouding als in Mulder's oude proteïnformule is uitgedrukt: N5 C40 H30 O12, waarbij echter naar gelang van de verschillende soorten van eiwit in het dieren- en plantenrijk nog eene grootere of geringere hoeveelheid zwavel, ook phosphorus en nog meer of minder zuurstof komt.
Honderd deelen dojer zijn volgens Gobley in het kippen- en in het karperei (welke laatsten uitsluitend uit dojer, zonder eiwit bestaan) zaâmgesteld uit:
+----------+----------+ | Kippenei.| Karperei.| +----------+----------+ Vitelline | 15,76 | 14,08 | Margarine en Elaïne | 21,30 | 2,57 | Cholesterine | 0,44 | 0,27 | Lecithine | 8,43 | 3,04 | Cerebrine | 0,30 | 0,20 | Chloorammonium | 0,03 | 0,04 | Chloornatrium en Chloorkalium | 0,28 | 0,45 | Zwavelzure kali | 0,28 | 0,04 | Phosphorzure kali | | 0,04 | Phosphorzuren kalk en phosphorzure magnesia | 1,02 | 0,29 | Alcoholextract | 0,40 | 0,39 | Vliezen | | 14,53 | Kleurstof, sporen van ijzer, enz. | 0,55 | 0,03 | Water | 51,49 | 64,08 | +----------+----------+
En in honderd deelen asch werden gevonden:
+---------------------+---------------------+ | IN DEN DOJER. | IN HET EIWIT. | +---------------------+---------------------+ | door | door | door | door | | Poleck. | Weber. | Poleck. | Weber. | +---------------------+---------------------+ Kali | 8,93 | 10,90 | 2,36 | 27,66 | Natron | 5,12 | 1,08 | 23,04 | 12,09 | Chloorkalium | | | 41,29 | | Chloornatrium | | 9,12 | 9,16 | 39,30 | Kalk | 12,21 | 13,62 | 1,74 | 2,90 | Magnesia | 2,07 | 2,20 | 1,60 | 2,70 | IJzeroxyde | 1,45 | 2,30 | 0,44 | 0,54 | Phosphorzuur | 63,81 | 60,16 | 4,83 | 3,16 | Phosphorzuurhydraat | 5,72 | | | | Zwavelzuur | | | 2,63 | 1,70 | Kieselzuur | 0,55 | 0,62 | 0,49 | 0,28 | Koolzuur | | | 11,60 | 9,67 | +---------------------+---------------------+