Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java
Part 26
Ten derde. Er bestaat geen absoluut onderscheid tusschen goed en kwaad, dewijl het kwade slechts de noodzakelijke tegenstelling, de schaduwzijde van het goede is. Alle individuen zijn goed in hunne eigene schatting en wie zou willen beweren, dat de tijger of wolf onregt pleegt wanneer hij, om het leven te behouden, gedwongen is eene arme geit of een mensch te dooden en op te vreten?--Indien nu echter de mensch geen vrijen wil heeft, maar de wil een aan vaste wetten onderworpen natuurverschijnsel, een noodzakelijk gevolg van voorafgegane oorzaken is, dan wordt daardoor--'t is waar--aan de zedeleer, in den gewonen zin, haar grondslag ontnomen en de toerekenbaarheid, de verantwoordelijkheid van het individu houdt op te bestaan. Er behoort derhalve een andere maatstaf ter hand te worden genomen ter beoordeeling van goed en van kwaad, van deugd en ondeugd, dan vroeger is gebezigd. Deze zedelijke maatstaf moet worden gevonden in de natuur des menschen zelve.--"Goed is, hetgeen op een bepaalden trap van ontwikkeling beantwoordt aan de behoefte der menschheid; kwaad is, dat strijdt met hetgeen zij vereischt--en het regt om te straffen ligt in de ingeschapen zucht tot zelfbehoud, welke het geslacht beheerscht. Het regt daartoe wordt grooter naar gelang van de behoefte er aan. De straf zelve wordt slechts dan tot eene misdaad, wanneer zij (gelijk de doodstraf) onmenschelijk, wanneer zij gruwzaam is."
Er blijft derhalve voor het gezellige verkeer niets anders over, dan de gewone verhouding der theorie tot de praktijk om te keeren en het gemis aan vrijen wil als eene praktische waarheid te beschouwen, maar daarentegen theoretisch aan te nemen en zich in te beelden dat de mensch een vrijen wil heeft en overeenkomstig hiernaar te handelen, hetgeen in het empirisch leven buitendien reeds ieder doet.--De tegenwerping dat het geloof aan een niet vrijen wil een verlammenden, verzwakkenden invloed op het karakter zou uitoefenen en dat de leer der onverantwoordelijkheid het individu tot zucht naar genot, tot buitensporige bevrediging van zinnelijke lusten zou vervoeren, steunt op geen redelijken grond, en wel hierom dewijl de wil aan vaste wetten is gebonden, dewijl hij een natuurverschijnsel is en de mensch niet in staat is zijne hartstogten naar willekeur bot te vieren.--De grondslag der zedeleer behoort te zijn: de overtuiging, dat de deugdzame en wijze mensch meer geluk en meer genot in het leven zal hebben, dan de booze en domme; men moet de menschen inprenten en hen aansporen op grond hiervan naar deugd en wijsheid te streven.
Tegen deze mijne beschouwing--welke God voor de natuur zelve houdt en in alles wat leeft, slechts God ziet, dat wil zeggen gedaanteveranderingen Gods, of verbindingen der wereldziel met verschillende deelen en hoeveelheden stof, als het ware (op de wijze der Brahminen gesproken) vleeschwordingen Gods,--mag de tegenwerping niet worden gemaakt, dat dan de gansche wereld een kluchtspel zou schijnen te zijn, een spel van God met zich zelven, waarin geen zin, geen redelijk doeleinde is te ontdekken!--Wanneer ik u thans vraag wat dan naar uwe wijze van beschouwing het eigenlijke doel des levens zijn moet,--waar dit bonte, veelvormige en aan vele wisselvalligheden onderhevige aanzijn der schepselen die elkander menigwerf verslinden, zou heenvoeren; waarheen het onophoudelijk drijven der menschen zou geleiden, die elkander zoo menigwerf beoorlogen en in den krijg of door epidemische ziekten dikwerf bij duizenden plotseling weggeraapt worden en die op elkander bij millioenen van geslachten volgen, waarvan het eene geslacht uit de graven van het voorbijgegane opgroeit;--wanneer ik u nu vraag, wat dan het eigenlijke doel is der gansche in de ruimte bestaande en door den tijd doorleefde wereld? welk antwoord kunt gij mij daarop geven dan "nescio," of "zij is een droom, eene gedachte van den wereldgeest," of indien gij toch iets wilt zeggen om althans een streven naar een doel uit te drukken en waartoe geologische nasporingen gegronde aanleiding geven: "de wereld ontwikkelt zich naar een onbekend! doel; alles wordt beheerscht door eene alles doordringende wet van gestadige herschepping en omzetting, welke zich echter doet kennen als eene voorwaarts strevende, meer de volkomenheid naderende ontwikkeling; waar en waarmede deze echter aanving en waarheen zij zal geleiden, wanneer en waarmede zij zal eindigen, hiervan is ons niets bekend."
Wat betreft de ontwikkeling der bewerktuigde wezens, ten deze opzigte wordt door de meeste natuuronderzoekers geen twijfel meer gevoed, dat de onderscheidene soorten van planten en dieren niet dadelijk van den aanvang af die mate van volkomenheid hebben bezeten, welke wij thans bij hen waarnemen, maar dat in de groote geologische tijdperken scheppingen van hooger bewerktuigde planten en dieren op lager staande, op meer eenvoudige zijn gevolgd en dat minder volkomen wezens gedurende den loop van duizenden, ja, millioenen van jaren--door van lieverlede plaats grijpende veranderingen in hunnen bouw, welke gelijken tred hielden met veranderingen van klimaat (warmte, drukking der lucht, vochtigheid, grooteren of geringeren rijkdom der atmospheer aan koolzuur en vele andere omstandigheden in verband staande met de natuur, welke hen omringt),--zich tot hoogere volkomenheid hebben ontwikkeld. Naar de analogie te oordeelen, was ook de mensch niet van den aanvang af hetgeen hij thans is, maar heeft ook hij verschillende physische ontwikkelingsgraden doorloopen, waarmede ongetwijfeld ook de telkens zich kenbaar makende zielsuitingen even als alle andere hoedanigheden in overeenstemming waren, wat betreft de mate harer volkomenheid of onvolkomenheid. Indien op grond van sommige nieuwe onderzoekingen als waarschijnlijk mag worden aangenomen, dat de menschen uit een apengeslacht zijn voortgesproten en dat onze oudste voorvaderen apen (Chimpanse's of Orang oetang's en Pongo's) zijn geweest, daarin moge voor onzen trotsch iets vernederends gelegen zijn; maar het is niet te min waar, dat de ligchaamsbouw der onvolkomenste menschen welke tegenwoordig op de aarde leven, de oorspronkelijke bewoners van Nieuw-Holland (Australië)--in den vorm van gelaat en schedel, dikken buik, hunne lange, smalle ledematen en dunne kuiten--eene groote mate van overeenkomst hebben met de vormen der hoogere aapsoorten, welke zij in hoedanigheden des geestes slechts weinig overtreffen, dewijl zij eene hoogst onvolmaakte taal hebben, een geheel dierlijk leven leiden, geene vaste woonplaatsen bezitten, geene hutten bouwen en niet verder dan tot 7 kunnen tellen. Door de geloofwaardigste reizigers is daarentegen bevestigd geworden, dat de 5 à 6 voet hooge Chimpanse (Pithecus Troglodites) hutten bouwt, zich bij het gaan van afgebrokene takken bedient en daarmede slagen uitdeelt, negerinnen rooft welke hij in eene gruwzaam wellustige gevangenschap houdt, en dat men hen (tam gemaakt zijnde) zeer gemakkelijk kan leeren aan tafel aan te zitten even als een mensch, of achter den stoel te staan om te bedienen.--Dat de geestvermogens bij de dieren van die des menschen niet in aard (qualitatief), maar slechts in de mate welke zij er van bezitten (quantitatief) verschillen, dat leert ons op eene onwedersprekelijke wijze eene onbevooroordeelde beschouwing hunner zielsverrigtingen en eene opmerkzame vergelijking van hunne hersenen en van hunnen schedel met dien van het Australische menschenras, der negers en van het Kaukasische menschenras. "Door het verstand van den hond bestaat de wereld," zegt een der oudste gedenkteekenen van menschelijke beschaving, de heilige schrift der Zend Avesta, en langs welken weg, in welke verbinding met organische stof, in welken dierlijken vorm het verstand het eerst op aarde gekomen (dat wil zeggen, uit de stof het eerst zich een weg heeft gebaand, tot ontwikkeling gekomen) is, dat weten wij niet.
Elk landbouwkundige kent het merkwaardige verschijnsel dat het gevolg is van het kruisen van rassen onzer tamme dieren, waaruit steeds edeler vormen voortspruiten. Ook de bastaarden der verschillende menschenrassen zijn vruchtbaar. Om de bestendigheid der soorten (species) wat de verschillende dieren betreft, te bewijzen en aan te toonen dat de onderscheidene diersoorten, wel is waar, bastaarden kunnen verwekken, maar dat zij niet zamensmelten, dat geene tusschenvormen, tot de voortteeling geschikt, kunnen worden voortgebragt, beroept men zich gewoonlijk op de bastaarden welke het gevolg zijn eener paring van een ezel met eene merrie, zoomede van een hengst met eene ezelin, op de muildieren en muilezels welke in den regel onvruchtbaar zijn. Maar in dit opzigt is onze ervaring zeer beperkt en strekt zij zich uit over een zeer gering getal soorten.--Niet alle gevallen waarin individuen van onderscheidene diersoorten zich gepaard en bastaarden geteeld hebben die weder vruchtbaar waren, zijn ter mijner kennis gekomen. Van het konijn (Lepus Cuniculus L.) met den gemeenen haas (Lepus timidus L.), en van dezen met den Alpen- of witten haas (Lepus variabilis L.) is het echter bewezen; ook de bastaarden van gemzenbokken (Antilope Rupicapra L.) met tamme geiten (Capra Hircus L.) [44], van vossen (Canis vulpes L.) met teeven (Canis familiaris L.), van honden met wolvinnen (Canis Lupus L.), en van steenbokken (Capra Ibex L.) met geiten, waren vruchtbaar. Er bestaat wijders volstrekt geen grond om aan te nemen dat, behalve de hier genoemden (waarbij het toevallig werd waargenomen), niet nog vele andere verschillende diersoorten vruchtbare bastaarden kunnen teelen, indien slechts de bouw hunner geslachtsdeelen zoodanig is, dat de paaring kan plaats grijpen. En mogten de bastaarden van eenige dezer dieren thans onvruchtbaar zijn, dan mag hieruit nog niet het besluit worden getrokken dat de bastaarden van andere diersoorten in den voormaligen tijd, onder den invloed van een geheel ander klimaat onvruchtbaar waren.--Om kort te gaan, het voortteelingsvermogen der bastaarden van een aantal verschillende diersoorten van den huidigen tijd is bewezen. Stel nu, dat eenige Chimpanseapen negerinnen hadden bezwangerd en dat de bastaarden, door haar gebaard, onderling zich voortplanten, later dan weder met negers of Australiërs (welke laatstgenoemden onder de menschen op den laagsten trap staan en het meest met Chimpanse's overeenkomen) zich vermengen, waaruit individuen ontstaan die reeds eene meerdere volkomenheid bezitten als de eerste bastaarden van apen en negerinnen, en die zich later met individuen van het Kaukasische ras paren en kinderen ter wereld brengen, dan zal het tweede en derde geslacht dezer laatsten, indien zij zich in een gunstig klimaat kunnen ontwikkelen, geene grootere overeenkomst met een Chimpanse meer hebben dan tusschen Lord Palmerston en een Papoea bestaat, of tusschen eene goed gevormde Lady en eene Hottentotsche vrouw, die wel is waar geen vetstaart draagt gelijk de schapen in haar land inheemsch, maar niettemin aan haar ligchaam zeer overeenkomende uitwerkingen der eigenaardige gesteldheid van dit land en zijn klimaat vertoonen kan, even als het schaap.
Het gemis eener geschiedenis die verder reikt dan tot op 5 à 6000 jaren vóór onzen tijd; de niet opgehelderde duisternis, waarin de oorsprong van het menschelijke geslacht zich verliest, strekt even zoo zeer ter bevestiging van de hier voorgedragene beschouwing, als de trapsgewijze opklimming van het eenvoudigste tot het meest zaamgestelde, welke in de gansche natuur wordt waargenomen, en even zoo zeer als de slechts van lieverlede meer volkomen wordende, voortgaande ontwikkeling van elk individu,--en de reden er van is waarschijnlijk juist hierin gelegen dat de mensch niet onmiddellijk als zoodanig, in die volkomenheid welke hij thans in het Kaukasische ras heeft bereikt, geschapen werd, maar dat hij, na uit eene volmaakter gevormde apentype langzamerhand te zijn ontstaan, welligt nog duizende jaren noodig had, om uit zijn half dierlijken toestand welke overeenkwam met dien der Boschjesmannen of der oorspronkelijke bewoners van Nieuw-Holland, tot eene meerdere volkomenheid op te klimmen, zich trapsgewijs en familien- of rasgewijze te veredelen, te ontwikkelen.
Daar echter de wereldziel welke zich met de stof verbindt ten einde zich zinnelijk te openbaren, naar voor ons raadselachtige, misschien voor immer onnaspeurlijke wetten, zich op geene andere wijze uit, dan evenredig en overeenkomstig aan de vormen welke zij telken male aangenomen en de organen die zij gevormd heeft, en welke wijze volkomen overeenstemt met de verschillende stoffelijke zamenstelling dezer organen--b. v. met het spinwerktuig bij de spin, met het zangorgaan bij den nachtegaal, met de kleinere hersenen bij den aap (die meer regelmatige kronkelingen en minder talrijke, in hunne omtrekken onderling meer overeenkomende schiereilanden hebben), met de grootere en zich vooral door een veel grooteren voorhoofdslap kenmerkende hersenen bij den mensch (waarvan de hemispheren de kleine hersenen geheel en al bedekken),--kan hieruit, wel is waar, het vermoeden ontstaan, dat insgelijks het menschelijk geslacht zoowel naar het ligchaam als naar den geest steeds tot hooger volkomenheid zal opklimmen, maar te gelijk volgt daaruit eene nieuwe bevestiging van mijne beschouwing: dat de mensch geen vrijen wil hebben kan.
Welligt zult gij hierop antwoorden dat het een denkbeeld zou moeten genoemd worden Gode onwaardig, indien men aannam dat hij de drijfkracht, de ziel is in gindschen aap, in den krokodil, in den vraatzuchtigen wolf of in den bloeddorstigen tijger; dat dezelfde God die hier in de gestalte eener barmhartige zuster met opofferende liefde een kranke verpleegt, of ginds in een Kant of Newton nadenkt over de wetten van het zuiver verstand, of over de zwaartekracht welke de gansche wereld beheerscht,--insgelijks in genen dief of moordenaar werkzaam is, die zijne bijl wet tot het plegen der roekelooze daad, of die in het nachtelijke duister bij zijn buurman inbreekt om hem te berooven, of in dien vijand des lichts die op den drievoudig gekroonden stoel te Rome zit en plannen smeedt om het menschelijke geslacht in onwetendheid te dompelen en in slavenboeijen te klinken;----dit toch zou geene wederlegging mijner beschouwing, hoogstens eene tegenwerping mogen heeten, waarop ik u onder anderen zou kunnen antwoorden, dat de tijger die het lam verscheurt, of de kat welke eene vreedzame muis van het leven berooft, indien zij over hunne handelwijze konden nadenken, zeer zekerlijk in hunne eigene oogen, even als in de onzen volkomen geregtvaardigd zouden zijn, dewijl de ijzeren natuurwet hen onweêrstaanbaar dwingt andere levende wezens te vermoorden, ten einde zelven in het leven te kunnen blijven en dat op gelijke wijze elke dief, of moordenaar, of bedrieger eene verontschuldiging voor zijne misdaad en voor het door hem gepleegde bedrog zou kunnen opgeven welke hem, althans bij gelegenheid van de volvoering der daad, in zijne eigene oogen regtvaardigt.
Er bestaat voor ons geene absolute mate van goed en kwaad, dewijl elke maatstaf dien wij ter hand kunnen nemen, slechts een vergelijkende of betrekkelijke maatstaf is, afhankelijk van den graad van beschaving dien wij hebben bereikt, van het standpunt waarop wij staan en van waar wij iets beoordeelen. Zelfs van het geloof aan een persoonlijken God kunt gij geen meer zekeren maatstaf ontleenen. Want stel, dat gij God van de natuur scheidt en hem als een koetsier op den bok laat zitten en de teugels der natuurwetten in Hoogstdeszelfs eigene handen nemen, ten einde de vele duizende krachten welke in de wereld werkzaam zijn, in hare behoorlijke baan te houden en voortdurend zelf te besturen: dan moet gij toch in elk geval toegeven dat deze God insgelijks den tijger bestuurt, zoomede den teugel des wolfs die met het lam in den bloedigen muil wegsnelt, in de hand houdt,--dat hij mede aan den moordenaar, aan den dief den weg wijst, of (indien gij dit liever wenscht te hooren) de teugels somwijlen loslaat, opdat de dief of moordenaar zijn eigen weg gaan en de misdaad bedrijven kan. Gij moet dan toch toestemmen dat uw persoonlijk regerende (almagtige) God het kwaad, het booze, de zonde, het ongeluk, b. v. het stranden en vergaan van een schip, aan boord waarvan zich 72 ten deele zeer onschuldige en goede menschen bevonden, toelaat.--En nu vraag ik u, heeft het niet volkomen dezelfde beteekenis, is het, wat den zin betreft, ten slotte niet volkomen hetzelfde, wanneer men zegt gelijk de Christenen doen: "de persoonlijk regerende, Almagtige God laat het booze toe, veroorlooft den tijger en den menschelijken booswicht te rooven en te moorden,"--of wanneer men zegt gelijk broeder Avondrood doet: "de tijger, de moordenaar is God zelf, dat wil zeggen eene vereeniging der wereldziel met verschillendsoortig gevormde stof."-- --?
Dat echter de kracht niet gescheiden kan worden van de stof en de uit de natuur verdrevene God der Christenen slechts in hunne verbeelding bestaat, heb ik reeds aangeduid. Deze Christelijke God is in der daad niets anders dan de mensch, voorgesteld als buiten zich zelven te staan:--eene som van menschelijke eigenschappen, die men zich in eene oneindige volkomenheid denkt en versiert met den titel van al-magtig, al-goed, al-wijs. Er kan evenmin een God zijn zonder wereld, als eene kracht zonder stoffelijken drager. Even als het wezen van elk afzonderlijk ding de som zijner eigenschappen is, zoo kan God niets anders zijn dan de som van de eigenschappen der natuur, dat is het wezen der natuur, of met andere woorden de natuur zelve.
Vele menschen vormen zich van datgene 't welk men het "wezen" van iets noemt, de wonderlijkste, verwardste denkbeelden. Het zal misschien niet ongepast, maar in tegendeel hier de regte plaats zijn om aan te toonen, zoo als reeds Spinoza heeft geleerd, dat het wezen van iets niet anders is dan de som zijner eigenschappen. Ten einde dit te bewijzen, moeten wij datgene hetwelk gewoonlijk stof, materie wordt geheeten, wat van naderbij en grondiger beschouwen en ik verzoek u, waarde broeders, mij tot dat einde nog gedurende eenige oogenblikken uwe aandacht te willen verleenen.
Ontleden wij dit begrip "stof" en kiezen wij tot voorwerp van ons onderzoek eenig ligchaam naar welgevallen, welks eigenschappen ons het best bekend zijn, b. v. het papier waarop wij schrijven, dezen inktkoker met hetgeen hij bevat, of een billardbal, eene ijzeren staaf, of dit stuk gemunt goud dat ik hier in de hand heb.
Dit goud heeft de navolgende eigenschappen, welke ik door middel van mijne zintuigen deels regtstreeks kan waarnemen, ten deele eerst na in het werk gestelde proefnemingen kan leeren kennen. Het heeft--1o. uitgebreidheid, volumen, dat wil zeggen het beslaat eene zekere ruimte, waarin zich te gelijkertijd geen ander ligchaam bevinden kan; het is, zoo als de natuurkundigen zeggen, "ondoordringbaar." Zijne kleinste deelen worden door "cohaesiekracht" aan elkander gehouden.--2o. Het bezit logheid (traagheid, vermogen om weêrstand te bieden), dat wil zeggen, het kan geene verandering in zijn toestand te weeg brengen uit zich zelf; er is eene buiten hetzelve liggende oorzaak noodig om het te veranderen b. v. uit den toestand van rust in beweging te brengen.--3o. Het bezit de eigenschap (ten gevolge van den invloed van andere oorzaken) om zijn volumen te veranderen, namelijk, nu eene grootere, dan weder eene kleinere ruimte te beslaan; het laat zich tot in zekere mate zamendrukken en door middel van warmte uitzetten; een hoogen graad van warmte geeft aan de kleinste deeltjes "uitzettingskracht," ten gevolge waarvan hun aggregatie-toestand verandert en het metaal vloeibaar, ja, zelfs gedeeltelijk dampvormig wordt.--4o. Het beslaat de ruimte welke het inneemt, niettegenstaande zijne digtheid, niet volkomen gelijkmatig, maar is vol van uiterst kleine (onzigtbare) tusschenruimten, waarin vreemdsoortige stoffen eene plaats kunnen vinden, door welke b. v. water kan heendringen, wanneer men een met water gevulden gouden kogel aan eene zeer zware drukking blootstelt; het is derhalve poreus.--5o. Het is in kleine en immer kleinere deelen deelbaar, welke eindelijk zoo klein zijn dat zelfs het sterkst gewapende oog ze zinnelijk niet meer kan waarnemen en dat het bestaan er van als "atomen" slechts gedacht kan worden.--6o. Het is zwaar, dat wil zeggen, het bezit de neiging om naar het middenpunt der aarde te vallen, welke laatste benevens de vroeger genoemde eigenschappen het gemeenschappelijk met alle andere ligchamen, dat is met de stof in het algemeen bezit.
Buitendien heeft het nog een aantal eigendommelijke eigenschappen, waardoor het zich van alle andere ligchamen onderscheidt. Het heeft een soortelijk gewigt en is (bij nul graad temperatuur) 19 3/10 maal zwaarder dan een gelijk volumen van gedestilleerd water, dat wil zeggen, de graad zijner digtheid of massa is zoo vele malen (19,325) meer dan van water.--7o. Indien de gewigtsverhouding (het zoogenaamde chemische aequivalent) van de waterstof gelijk 1 gesteld wordt, dan heeft het de eigenschap zich in de gewigtsverhouding van 196,4 met andere stoffen b. v. met chloor te vereenigen. Het aequivalent van chloor is 35,5 en met even vele gewigtsdeelen (grein, lood) verbinden zich ten allen tijde 196,4 en nimmer een grooter, nimmer een kleiner aantal gewigtsdeelen (grein, lood, enz.) goud tot enkelvoudig chloorgoud en evenzoo verbindt zich driemaal zooveel chloor met hetzelfde aequivalent (196,4) goud tot drievoudig chloorgoud.--8o. Deze eigenschap om zich met chloor tot drievoudig chloorgoud te verbinden, openbaart zich wanneer men het in koningswater (een mengsel van chloorwaterstof- en salpeterzuur) oplost; dan vormt het eene geele vloeistof, die geene der vroeger genoemde en volgende eigenschappen van het goud meer bezit en waaruit enkelvoudig chloorgoud, zoomede andere verbindingen en deze wederom met verschillende eigenschappen daargesteld kunnen worden. Alle andere zuren echter, zoomede zwavel oefenen er geenen invloed op uit, evenmin als de zuurstof des dampkrings, waardoor het niet aangedaan wordt; het roest niet en behoudt voortdurend zijn glans.--9o. Het is een goede geleider van warmte en van electriciteit. Zijne soortelijke warmte (warmtecapaciteit) bedraagt 0,0324, dat wil zeggen, indien de hoeveelheid water welke vereischt wordt, om een gelijke gewigtshoeveelheid water van nul graad tot op 1° temperatuur te verwarmen, gelijk 1 gesteld wordt, dan is deze hoeveelheid voor het goud slechts 0,0324.--10o. Het smelt bij sterke witgloeihitte (van ongeveer 1200° C.) en wordt, indien de stroom eener sterke electrische batterij door een gouddraad wordt ontladen, zelfs dampvormig. Bij het verkoelen kristalliseert het in teerlingvorm.--11o. Het bezit de hoogste mate van rekbaarheid, meer dan elk ander metaal en laat zich door hameren tot zeer dunne blaadjes slaan. Het is minder vast dan ijzer, vaster dan lood en wordt in den vorm van een draad ter dikte van 2 millimeters eerst door een gewigt van 68 pond Nederlandsch van elkander gescheiden.--12o. Het heeft een sterken glans, is ondoorzigtbaar en heeft de eigenschap die lichtstralen terug te kaatsen, welke ons geel toeschijnen.