Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java
Part 25
Elk natuuronderzoeker zal met mij instemmen, dat geene kracht, geene stof, ja zelfs niet het allerkleinste deeltje eener stof nieuw ontstaan kan, maar dat alles wat is, stof en kracht, moet beschouwd worden als van eeuwigheid aanwezig te zijn geweest; wijders dat geene grondstof in eene andere zich laat herscheppen. De gedaante, waaronder zij zich voordoen, verandert; de 39 meer algemeen verbreide grondstoffen van het 62 tal dat wij op aarde kennen, zoomede de zamenstellingen welke zij vormen, gaan naar oude, eeuwige wetten onophoudelijk afwisselende verbindingen aan; maar hare massa ziet zich met geen enkel atoom verminderen of vermeerderen en evenzoo blijven de krachten, zoowel de physische welke tot de stof in het algemeen, als de eigenaardige chemische krachten die haren zetel hebben in de elementen en hunne verbindingen, onveranderlijk dezelfden.
Gelijk niet elke afzonderlijke bliksemstraal welke uit eene onweerswolk naar de aarde schiet, opnieuw geschapen wordt, maar slechts de zigtbare ontlading is eener algemeen verbreide (electrische) kracht, derhalve voortvloeit uit eene reeds lang bestaande bron, op gelijke wijze kan het bewustzijn in den mensch niet dan uit eene reeds bestaande algemeene bron worden afgeleid. Of zou dit bewustzijn elken dag geheel nieuw--uit niets--in millioenen van menschen zich ontwikkelen, terwijl de natuur zelve zonder bewustzijn is, die toch den mensch voortbrengt, hem doet opgroeijen, die al zijne ledematen, al zijne zinnen en inwendige organen tot eene harmonische ontwikkeling brengt en dit alles verrigt zonder toedoen van den mensch, ja, zonder dat hij zelfs het geringste daartoe bijdragen of daaraan veranderen kan?--Zouden welligt de chemische krachten van de waterstof, de zuur-, kool- en stikstof, van den phosphorus, der alkaliën, aardsoorten, enz., en van hare verbindingen, die in de genuttigde voedingsmiddelen bij de ontwikkeling des ligchaams door eene immer voortdurende stofwisseling werkzaam zijn, die aan de ijzeren natuurwet harer wederkeerige verwantschap, dat wil zeggen aan de haar eigenaardige, door tegenstellingen veroorzaakte neiging om zich met elkander te verbinden, gehoorzamen en die zonder te weten wat zij doen, bloed, beenderen, spieren, hersenen en andere deelen vormen,--zouden het deze krachten der elementen zijn, welke in het hersengestel dat daaruit is ontstaan, plotseling beginnen te denken en tot bewustzijn geraken? Zou het bewustzijn kunnen voortkomen uit eene natuur, die geene bewustheid bezit en aan het kind, het schepsel, den mensch eene hoogere mate van volkomenheid eigen zijn dan aan zijne moeder, de schepperin welke hem het aanzijn gaf; zou hij rede en bewustzijn bezitten, terwijl in deze slechts wetten en krachten in werking zijn, die geheel bewusteloos haren invloed doen gelden?--in deze natuur waarvan hij toch zoo geheel afhankelijk is, dat hij bij elken ademtogt zijne magteloosheid ondervindt en de duizendvoudige keten gevoelt waarmede hij aan haar is verbonden?--Dat toch zou het grootste van alle wonderen zijn, waaraan het mij niet mogelijk is te kunnen gelooven!
Neen. Dit is in lijnregten strijd, zoowel met de rede als met de wetten der natuur.--Het feit van het aanwezen van eene bewustheid in den mensch doet het bestaan van een algemeen bewustzijn veronderstellen, eener natuurziel, die zich van gene stoffen en van de daarin aanwezige krachten slechts als middelen bedient om, naar eeuwig onveranderlijke wetten, in de plant als plantenziel, in het dier als dierenziel en in den mensch als menschenziel tot ontwikkeling te geraken.
Moge ons de wijze waarop, en de weg waar langs dit bewustzijn tot ons komt, volkomen onbekend zijn; het schijnt toch dat ons denkvermogen met stoffelijke krachten allengs in ons ontwaakt; de loop der gansche zaak schijnt ons raadselachtig toe, dewijl het embryo, de kiem in het ei, het bevruchtende zaad nog geen bewustzijn bezitten en wij ons het tijdstip niet meer kunnen herinneren, waarop wij voor de eerste maal tot ons zeiden: "ik ben;"--thans zijn wij echter inderdaad en het bewustzijn is in ons ontwaakt----; laat ons voor een oogenblik in eene nadere beschouwing van den bliksem treden: hoevele menschen hebben niet, gedurende verscheidene eeuwen, geloofd dat elke bliksemstraal een afzonderlijk iets was, dat door de hand van een bovenmagtig wezen, min of meer in de gedaante van een dondersteen, uit den hemel werd geslingerd; maar zij kenden de bron, de algemeene kracht niet waaruit de bliksemstralen voortvloeijen, evenmin als den weg, de wet die deze kracht tot aan hare ontlading volgt! en hoe vele pogingen van de natuurkundigen, hoe vele proefnemingen en scherpzinnige onderzoekingen heeft het niet gekost om de wetten der electriciteit na te vorschen, als het ware de wegen te leeren kennen, welke de electriciteit volgt en de omstandigheden die daarop invloed uitoefenen, totdat de schitterende bliksemstraal te voorschijn komt!--Zouden wij nu daarom niet aan het bestaan der ziel gelooven, dewijl voor ons kenvermogen de weg in duisternis is gehuld, langs welken zij in ons binnenste komt?
Het denkvermogen, het bewustzijn in den mensch aanwezig, is tevens het eenige onomstootelijke bewijs van het bestaan van God, dewijl alle andere aangevoerde bewijzen eerst van dit feit van het bewustzijn uitgaan en daarop steunen.
"Ik denk, derhalve ben ik." Ik ben: God is.--Dit heet inderdaad: ik ben God, gij zijt God, hij is God; gindsch zachtaardig meisje hetwelk den kranke of gewonde zoo liefderijk verpleegt, is God evenzeer als deze sluipmoordenaar, die zijn naaste in de duisternis vervolgt en hem van het leven berooft, om zich van zijn geld meester te maken,--en de gruwzame tijger is insgelijks God evenzeer als de arme geit welke hij heeft aangetast en waarmede hij in den bloedigen muil wegsnelt.--God is de (bezielde) natuur. Buiten haar is niets.
Uit deze leer volgt: ten eerste dat het voortbestaan der menschelijke ziel na den ligchamelijken dood slechts in zoo verre denkbaar is, als aangenomen mag worden dat de algemeene wereldziel alle eigenschappen, welke het deel zijn onzer geïsoleerde d. i. menschelijke ziel en waaronder herinneringsvermogen, geheugen moeten gerangschikt worden, insgelijks, doch in een veel hoogeren graad van volkomenheid bezit. Zoodra ons menschelijk aanzijn waarin God latent is (als het ware zich zelven niet meer kent), opgehouden heéft te bestaan, moeten wij, hiernaar te oordeelen, wederom een integrerend deel der algemeene zielkracht (der Godziel) worden; maar de herinnering onzer bij deze ziel (eigenlijk van ons aan ons zelven, in den toestand van het vrij zijn aan dien van het gebonden zijn) zal eeuwig blijven bestaan. De menschelijke ziel staat tot de goddelijke ziel in dezelfde verhouding als vrije tot latente warmte.--Aan te nemen dat de menschelijke ziel ook na den ligchamelijken dood nog geïsoleerd--als op zich zelve staande--zal blijven voortduren, is even ongerijmd als te gelooven, dat elke afzonderlijke bliksemstraal als zoodanig onsterfelijk is, terwijl toch slechts de algemeene kracht, namelijk, de electriciteit welke den bliksemstraal deed ontstaan, onvergankelijk is. Hoe toch is het mogelijk tot het denkbeeld te komen, dat eenig ding afzonderlijk of individueel kan bestaan, hetwelk gelijk eens menschen geest, nadat het ligchaam ontbonden en in andere toestanden van het materiële aanzijn overgegaan is, noch vorm noch inhoud meer bezit?--Slechts als algemeene geestelijke kracht is het bestaan der ziel denkbaar, dewijl de natuur (in de bijzondere gevallen, wel is waar, veranderlijk en aan afwisseling onderhevig) als geheel beschouwd inderdaad vorm en inhoud heeft, die eeuwig en onvergankelijk zijn; de menschelijke ziel daarentegen kan als beperkt wezen, als individu slechts zoo lang bestaan, als het verband tusschen haar en de stof blijft voortduren.--Wat toch zou er uit al deze afzonderlijke zielen moeten worden, indien zij elk op zich zelve en afgescheiden van elkander konden voortbestaan, dewijl het menschelijke geslacht zich onophoudelijk vernieuwt en het tal van individuen, indien alles op dien voet nog eenige millioenen jaren voortgaat, ten slotte tot in het oneindige moet aangroeijen? De geologie leert ons dat er eenmaal een tijdperk was, gedurende hetwelk nog geene menschen op de aarde aanwezig waren, hoewel zij, door allerlei dieren bewoond, reeds vele millioenen van jaren had bestaan. Slechts hetgeen nimmer een aanvang had, dat kan eeuwig en onsterfelijk zijn. Wij menschen echter zijn slechts gedachten Godes en kunnen alléén in zijne herinnering voortleven.
Er komen misgeboorten voor die op een gemeenschappelijk ligchaam twee koppen en halzen hebben, of uit twee geheel afzonderlijke ligchamen bestaan welke slechts op eene plaats aan elkander verbonden zijn, gelijk het geval was met de bekende Siamesche gebroeders Chang en Eng in de streek van het zwaardvormig kraakbeen of met de Hongaarsche gezusters Helena en Judith die slechts met de achterzijde des ligchaams aan het heiligbeen vereenigd waren en den ouderdom van 22 jaren bereikten. In deze gevallen behooren vele aandoeningen en verrigtingen des ligchaams gemeenschappelijk aan beide individuen en de gewaarwordingen in het onderste gemeenschaplijke deel van het ligchaam wekken gelijke denkbeelden op te gelijker tijd in beider brein. Hoe zal nu hier met de zielen gehandeld worden, indien deze afzonderlijk moeten voortleven?
Ten tweede. De mensch bezit geen vrijen wil, evenmin als de plant en het dier. Mag van de bij gezegd worden dat zij een vrijen wil bezit, wanneer zij cellen bouwt en honig verzamelt, moet zij zulks niet doen?--Weet de kruisspin hoe de draad in haar binnenste wordt gevormd, waaruit zij haar net spint; kent zij de reden waarom zij juist zulk een regelmatig web spint, welks draden gedeeltelijk uit één punt uitloopen om hetwelk de overigen concentriek worden gesponnen? heeft het van haar afgehangen dat zij niet eene bij, maar wel eene spin is?--spint zij daarentegen niet, dewijl zij door hare bewerktuiging, door eene zekere aandrift onweêrstaanbaar daartoe gedwongen is?--Is de hond vrij, wanneer hij zijn meester volgt, weet hij waarom hij getrouw, waarom hij hond is? kan hij het veranderen--is de mensch in staat te veranderen dat hij mensch is, dat deze roodkleurige, gene zwarte haren heeft? Heb ik het geringste tot mijn ontstaan bijgedragen, ben ik niet geheel en al buiten mijn toedoen op de aarde geplaatst en zal ik niet op gelijke wijze, zonder dat ik daartoe de vergunning geef, van de wereld worden afgehaald, zonder dat ik kan te weten komen, wanneer deze gebeurtenis die mij van zoo nabij aangaat, zal plaats grijpen?--Is het mijne schuld, dat ik driftig van aard ben, terwijl ik liever een phlegmatisch temperament had gehad, dat ik niet in Hongarije, maar aan de Hollandsche kust ter wereld ben gekomen, dat mijne ouders Christenen en geene Joden waren, dat ik een driftigen aard van mijn vader, eene groote gevoeligheid van karakter heb overgeërfd van mijne moeder?--Weet ik waarom ik een afkeer gevoel voor wortelen en rapen of voor stokvisch en om welke reden ik gaarne spinasie en bloemkool eet? Is dat alles niet geheel en al gedwongen? Hoe kan de mensch een vrijen wil hebben, daar hij van al hetgeen aan hem is, zelf niets heeft gevormd, maar dewijl alles zoo en juist zoodanig als het is, hem gegeven is geworden?--Slaat zijn hart niet naar werktuigelijke en natuurkundige wetten, even als een uurwerk zoo en zoo vele malen in elke minuut zonder zijn toedoen,--haalt hij niet, geheel onbemerkbaar, zoo en zoo vele keeren adem in elke minuut en moet hij dit niet doen, ten einde niet te stikken en op die wijze het leven te verliezen? Dwingt de honger hem niet om voedsel tot zich te nemen, noodzaakt de dorst hem niet tot drinken, dwingt hem de wellust niet met kracht tot vleeschelijke liefde (ten einde door voortplanting het menschelijke geslacht in stand te houden),--verpligt hem niet een pijnlijk gevoel, de overblijfselen der verteerde spijzen (benevens andere afgescheidene stoffen) uit het ligchaam te verwijderen--en houdt de vrees voor den dood hem niet terug van in het water te springen, dewijl hij in het leven blijven moet?--In dit alles ligt niets vrijwilligs. Nu echter zegt men, "de geest, de ziel is toch vrij!"--Neen; ook deze is niet vrij. Ziel en ligchaam, kracht en stof zijn slechts één geheel en ook deze ziel werd ons met de stof gegeven zoo als zij is, dat wil zeggen, in zoodanige verbinding met de bewerktuigde stof dat zij zich onder de bepaalde omstandigheden welke invloed er op uitoefenden, niet anders ontwikkelen kon en zich thans niet anders uiten kan dan--juist zoo als zulks geschiedt. De domme zou ongetwijfeld liever schrander zijn, indien het van hem afhing; de platte of ingedrukte vorm des schedels veroorlooft het hem niet. De verlichte heeft zijne bekwaamheid (de aanleg om verlicht te zijn) in het hoog gewelfde voorhoofd van de natuur ontvangen en kan niet dom en bijgeloovig zijn, al wilde hij zulks, en even zoo is het den goeden, deugdzamen mensch onmogelijk, slecht en misdadig te handelen, terwijl de booze mensch zich menigwerf door eene onweêrstaanbare neiging tot het plegen van misdaden gedrongen gevoelt.
Ongetwijfeld (antwoordt men hierop) kunnen ligchamelijke omstandigheden invloed uitoefenen op de zedelijke handelingen des menschen, maar desniettemin blijft ons besluit, de laatste uiting van onzen wil toch vrij. Indien ik heden of morgen naar de kerk of naar den schouwburg wil gaan en ik met het volle bewustzijn van mijn voornemen van twee dingen het eene kies, b. v. wanneer ik den meer gemakkelijken, maar langeren weg vermijd en den korteren weg insla, hoewel hij smal en glibberig is, of indien het leven mij ten last is en ik aanstalten tot zelfmoord maak, wie of wat verhindert mij het eene te doen of het andere te laten? is in al deze gevallen mijn wil die tot het een of het andere besluit, niet vrij?--Neen; deze vrijheid is eene begoocheling; onze wil schijnt ons toe vrij te zijn, dewijl de natuurlijke band welke oorzaak en gevolg verbindt, voor ons oog verborgen is, of dewijl de verschijnselen te ingewikkeld, te zaâmgesteld zijn, dan dat het verband naar de wetten die het regelen, duidelijk door ons zou worden ingezien. [42] Dat een dergelijke zamenhang niettemin werkelijk bestaat, dat insgelijks de verschijnselen in den zedelijken kring waarin de mensch zich beweegt,--zijne denkbeelden, zijne besluiten, zijne handelingen--de noodzakelijke gevolgen van natuurlijke oorzaken zijn die haren invloed op hem uitoefenden, dit leeren ons de onderzoekingen van Quetelet [43] en van Fransche en Engelsche staathuishoudkundigen, waaruit is gebleken dat het aantal misdaden van elke soort steeds eene bepaalde breuk van het getal der bevolking is, op grond waarvan men (indien de omstandigheden onveranderd dezelfden blijven) vooraf kan opgeven, hoe vele diefstallen, hoe vele moorden uit jaloezij, moorden uit hebzucht, hoe vele kinder- en zelfmoorden (gemiddeld genomen) binnen den tijd van een jaar onder de bevolking der verschillende landen en klimaten voor een bepaald aantal individuen, b. v. eene misdaad op duizend of 600 individuen--gepleegd zullen worden. Gelijk bekend is heeft de groote Belgische sterrekundige deze statistieke regelmatigheid in de verrigtingen van den menschelijken geest het eerst door vaste getallen aangetoond en bewezen, dat insgelijks onze zedelijke eigenschappen, even als de neiging: aan de verlokkingen (ten kwade) die invloed op ons uitoefenen, aan de hartstogten welke ons in beweging brengen, gehoor te geven (waaruit misdaden ontstaan), aan vaste wetten gebonden zijn.
Het regtstreeksche physiologische bewijs dat de wil door stoffelijke bewegingen, door electrische stroomingen in het zenuwstelsel wordt te weeg gebragt, is in de latere jaren door Du Bois-Reymond, Moleschott en anderen geleverd geworden; ik zal trachten den lezer het hoofdzakelijke omtrent dit punt mede te deelen.
Bewegende en gevoelende zenuwdraden loopen van alle deelen in den omvang des ligchaams naar de hersenen en het ruggemerg, waar zij digt nevens elkander liggen. De gevoelende zenuwdraden (of gelijk men zegt terugwaarts loopende draden) planten de indrukken of den prikkel van de oppervlakte des ligchaams voort naar de hersenen, waar zij deze op eenen bewegenden (of regtloopenden) zenuwdraad overbrengen, welke nu de stoffelijke verandering weder naar den omvang des ligchaams, tot in de spieren voortplant, die zich zamentrekken (verkorten) en het lid daardoor bewegen.--Eene beweging wordt willekeurig genoemd, indien in de hersenen de prikkel der gevoelende zenuwdraden, als gewaarwording tot bewustzijn komt, alvorens de beweging plaats heeft, derhalve dan wanneer de gevoelszenuwdraad den indruk des prikkels tot aan de hersenen sterk genoeg voortplantte;--overgebragte of reflexbeweging echter wordt de zoodanige geheeten, waarbij de prikkel volstrekt niet of slechts zeer zwak het bewustzijn er van in de hersenen deed ontstaan. Indien een slapende (zonder te ontwaken) zich met de hand wrijft ter plaatse, waar hij door eene mug wordt gestoken, dan heeft er eene reflexbeweging plaats (hij gevoelt den steek niet, het overbrengen van den prikkel in de hersenen van den gevoelszenuwdraad op de bewegende draad geschiedde zonder dat hij vooraf tot bewustzijn kwam);--wanneer de gewaarwording echter tot bewustzijn opklimt, wanneer een wakende naar de mug slaat, dan noemt men de beweging welke hij maakt (zeer oneigenlijk) eene "willekeurige" beweging. Tusschen beiden bestaat echter geene scherpe grens; want hoe onverwachter wij een wakende kittelen, des te zekerder is het dat hij zal lagchen, en menigwerf ontwaakt een slapende nog, nadat de onwillekeurige beweging reeds had plaats gehad, hij hoort b.v. slechts nog den zwakken nagalm des donders welke hem heeft doen ontwaken.
Even als het geval is met de prikkels welke door middel van het zintuig des gevoels en des gehoors op ons werken, zoo is het ook gelegen met de overigen, b. v. met het licht dat het netvlies van het oog prikkelt. Wanneer wij een boek of een brief lezen die ons tot het verrigten eener daad opwekt, dan geschiedt hier volkomen hetzelfde, maar de gewaarwording deelt zich door middel van de oogzenuw mede aan de hersenen en gaat van daar door de bewegingszenuwdraden naar de andere organen of ligchaamsdeelen.
Proefnemingen met de meest mogelijke naauwkeurigheid gedaan, hebben het bewijs opgeleverd dat al deze bewegingen geschieden door middel van electrische stroomingen in de zenuwen en spieren, en wij kunnen den arm niet buigen zonder dat een electrische stroom van de hand naar den schouder gerigt worde. De electrische stroomingen en hare veranderingen kunnen wederom slechts ontstaan ten gevolge van veranderde stoffelijke toestanden in de zenuwen en in de hersenen (te weeg gebragt door zinnelijke prikkels), en derhalve kan zonder eene dergelijke stoffelijke verandering geene beweging tot stand komen.
De beweging kan derhalve niet het uitvloeisel zijn van een zoogenaamden vrijen wil, maar de wil zelf is slechts de noodzakelijke uitdrukking van een toestand der hersenen, ontstaan en gewijzigd door een invloed van buiten. Zelfs wanneer de natuuronderzoeker eene proefneming doet, is dit geene daad van den vrijen wil; want de proefneming is het gevolg eener gedachte en de gedachte is eene beweging der stof, welke zelve wederom het gevolg eener zinnelijke waarneming was.
Hoe toch kan de mensch een vrijen wil hebben, daar hij van het hoofd tot de voeten, van de moederlijke borst tot aan het graf geheel gedwongen is hetgeen hij is,--daar hij niet in staat is het kleinste haar zijns ligchaams te laten groeijen of te doen uitvallen, wanneer hij zulks mogt wenschen, en daar hij zelfs de vlugtigste gedachte zijner ziel niet als het uitvloeisel kan beschouwen van een eigenmagtigen wil. Ja, indien ik zeggen kon: "tijd, sta een oogwenk stil," en hij stond werkelijk stil, dan was ik vrij. Maar zelfs staande den duur dezer gedachte leeft de tijd in mij voort, de gedachte zelfs is slechts een gewrocht des tijds: hoe kan zij dan vrij zijn? hoe kan ik een vrijen wil hebben? Ik wordt immers door overmagtige krachten zonder ophouden voortgestuwd! "De mensch is het gewrocht van ouders en voedster, van plaats en tijd, van lucht en weêrsgesteldheid, van voedsel en kleeding, van geluid en licht." Zijn wil is het noodzakelijke gevolg van al die oorzaken, gebonden aan eene natuurwet, die wij aan de verschijnselen er door te weeg gebragt, herkennen. De wilsuiting staat als werking steeds in eene regte rede tot de oorzaak welke haar voortbrengt. Zou b.v. de beschouwing welke ik in dit opstel heb ontwikkeld, of het op 't papier brengen er van, ja, slechts een enkele der daarin voorkomende woorden, het resultaat van mijn vrijen wil zijn?--
Bezwaarlijk kan zulks het geval zijn; ik kan niet anders denken, ik moet zoo denken; het is niet anders dan het noodzakelijke gevolg van oorzaken, die hare werking op mij hebben uitgeoefend en waarvan eenigen (zoo als b. v. het vergaan van een schip met vele mij dierbare personen) mij bekend, anderen mij niet bekend zijn, of waarvan ik ter naauwernood eenig vermoeden kan hebben, maar die mij niettemin tot nadenken bragten en dit tegenwoordige geschrift als het resultaat der eerste werking ten gevolge hadden. Niets kan vrij zijn, dat in tijd en ruimte leeft. Slechts wat tijd en ruimte zelf is, d. i. God, kan een vrijen wil hebben.--En indien iemand gelooft dat Jezus ten hemel gevaren is, een ander daarentegen het niet gelooft, zelfs zijne stem er tegen verheft en boeken schrijft waarin hij dat geloof als een schadelijk bijgeloof verwerpt: wie van beiden heeft dan een vrijen wil?--beide?--of is het gelooven bij genen en het niet gelooven bij dezen niet een gevolg van natuurlijke oorzaken en omstandigheden des levens, die op ieder van hen op verschillende wijze en in verschillende mate invloed hebben uitgeoefend?--Kunt gij, broeder Dag, b. v. gelooven wanneer gij wilt, dat God een zoon of eene dochter, of eene moeder en grootmoeder heeft? Ik betwijfel het en even onmogelijk zal het genen zijn, zoo te denken en te gelooven of niet te gelooven, als de ziel in uwe hersenen doet. Eene onverbiddelijke natuurwet maakt ons tot hetgeen wij zijn. Wij moeten zoo handelen, zoo denken gelijk ieder doet. "Hier sta ik, ik kan niet anders. God helpe mij. Amen," zeide Luther en ik voeg er bij: wij denken eigenlijk niet, wij leven niet,--wij zijn hier niet uit eigen wil, wij zijn niets uit vrije keuze,--vroeger waren wij niet, later zullen wij niet meer zijn:--wij worden geleefd. Wij zijn gedachten Godes. Ons uiterlijke staat onder den invloed der algemeene natuurkrachten en ons binnenste gehoorzaamt (gelijk een nieuwe, geestige denker zegt) aan drie absolute, goddelijke magten--rede, wil en liefde--welke ons bezielen, drijven, beheerschen en die volstrekt onweêrstaanbaar zijn. Er kan slechts een vrije wil in de gansche wereld zijn en deze zelfs schijnt ons toe niet vrij te zijn, dewijl hij zich slechts uit naar vaste wetten, waarvan hij (zoo ver menschelijke waarneming reikt) nog nimmer is afgeweken.