Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java

Part 24

Chapter 243,661 wordsPublic domain

Menigwerf zagen wij ons genoodzaakt steile kloven te doorklauteren, waarvan wij de aanwezigheid reeds op een aanmerkelijken afstand vernamen door het doffe bruisen der woudbeken, welke over haren bodem stroomden. Immer luider klonk ons dan bij het voortgaan het gedruisch der schuimende en cascaden vormende beek te gemoet, totdat wij aan den rand der kloof aangekomen en van het donderend geklots der wateren verdoofd, ons verpligt zagen elkander aan het oor te schreeuwen om ons wederkeerig te doen verstaan. Dan klauterden wij te voet langs den steilen wand naar beneden, ons paard bij den teugel achteraan trekkende, waarbij het niet zelden gebeurde dat het dier uitgleed en over zijn geleider heentuimelde, of dat een al te koene ruiter die niet had willen afstijgen, met zadel en al over den kop van het paard heengleed. Beneden aangekomen zijnde, zetteden wij ons weder in den zadel en waadden met hoog opgetrokken beenen te paard zittende, door den snellen stroom; het dier dat tot den buik in het water stond, ging dan met langzame schreden voort en zette geen poot op den grond dan nadat het eerst zorgvuldig had gevoeld waar hij neder kwam, want het liep gevaar op de hobbelige rotsbedding te struikelen, of over de gladde rolssteenen uit te glijden en met ruiter en al in het koele bad te storten. Hadden wij dan gelukkig, de een na den anderen, den tegenovergestelden oever bereikt, dan moesten wij, de paarden bij den teugel geleidende, wederom op gelijke wijze de een na den anderen tegen den steilen wand opklauteren, waarbij wij (menschen zoowel als paarden) niet weinig te lijden hadden van kleine springbloedzuigers, Padjet (Hirudo zeylanica), die in deze hoog gelegene wouden, vooral op dergelijke vochtige plaatsen en oevers van beken, bij millioenen werden gevonden. Zij springen van het eene blad op het andere en kunnen zich in éénen zet op een afstand van eenige voeten vrij door de lucht voortbewegen. Daar zij, bij eene lengte van een halven tot een Rijnlandschen duim, aanvankelijk zoo dun zijn als een draad, zoo kruipen zij zelfs door de fijnste mazen der kousen en zuigen zich in een oogenblik vast aan de voeten, aan den hals, aan de armen, waar zij eindelijk ter dikte van een pink opzwellen, indien zij niet van het ligchaam worden verwijderd.--Zoodra wij dan weder eene drooge plaats in het woud hadden bereikt en allen bijeen waren, was ons allereerste werk om elkander wederkeerig rondom te bezien en van de lastige Padjet's te ontdoen, waarop wij uit meer dan eene gestokene kleine wond bloedende, ons op nieuw in beweging zetteden.

Reeds hadden wij onzen togt op die wijze in het schemerduister van het woud, berg op berg af, gedurende ruim vier uren voortgezet. Van tijd tot tijd liet de Manoek kaso (Muscicapa cantatrix) zijne stem hooren, welken vogel wij aan zijn eigenaardig, wel is waar eentoonig, doch niettemin liefelijk gezang terstond herkenden,--wijd en zijd weêrklonk het dan onder het groene gewelf en verheugde het ons; maar wij waren vermoeid, onze paarden waren vermoeid, de hemel was bewolkt, het sombere weder vermeerderde nog de duisternis van het woud----daar schemerde ons door het geboomte iets helders in het oog, de paarden begonnen te brieschen, zij wierpen den kop in de hoogte en versnelden den stap,--de boomen weken ter zijde, het woud opende zich en vóór ons lag het spiegelende vlak van een fraai, uitgestrekt meer.

Wij sprongen uit den zadel en riepen het doel van onzen togt een juichend hoezee! toe, dat door de groene wanden welke het woud rondom het meer vormde, beantwoord en als echo werd teruggekaatst. Wij bevonden ons aan den westelijken oever van de Telaga-Nagnetap en ontwaarden aan de tegenovergestelde zijde, tusschen de stammen van het aldaar gedeeltelijk gevelde woud, een aantal grootere en kleinere hutten, wier helder geelachtig bruine kleur duidelijk afstak tegen den donkergroenen achtergrond. Het distriktshoofd zeide ons dat het de van Bamboes en Alanggras vervaardigde hutten van onze broeders waren. Uit een er van steeg een blaauwachtige rook op, die allengs in het woud verdween. De kroonen van dit geboomte die zich min of meer in de breedte uitstrekten, vereenigden zich boven de hutten tot een hoog en schilderachtig gewelf, en tusschen hunne helder grijze stammen zag men ver in den duisteren, diepen schoot van het woud.--Welk een heerlijk plekje in de eenzaamste eenzaamheid des wouds!--Een gezigt des vredes, een beeld in het klein van de oneindigheid in den spiegel des meers, eindig voorgesteld en omzoomd met groene en bloeijende oevers,--met wouden die, zich hoog verheffende, aan elk verwijderd oog het uitzigt op het meer en den met gras begroeiden zoom die het omvat, beletten!--De hutten onzer broeders waren gebouwd op een schiereiland, dat op een aanmerkelijken afstand van den oever in de watervlakte reikte en aan welks tegenovergestelde zijde het meer zich nog verder scheen uit te strekken; want aan die zijde verloor het zich geheimzinnig tusschen de sombere, met woudgeboomte bedekte oevers. Slechts op enkele plekken verhieven zich rotsen aan den oever of rezen er te midden van het meer boven het water, op welks spiegel hier en daar eene Fulica lugubris of een waterhoen (Gallinula-soorten) zich schommelden, terwijl op andere plaatsen hals en kop van den onder water gedoken slangenvogel (Plotus melanogaster) werden gezien.--Het geboomte van het woud dat zich overal reeds op een geringen afstand van den oever verhief, op menige plek in de onmiddellijke nabijheid er van oprees, bestond voornamelijk uit Podocarpussoorten (Ki bima-, Ki poetri- en Ki mérakboomen), waar onder de prachtvolle, statige Kimérak met fijne naaldvormige bladeren (P. cupressina) het meest werd gevonden. Zwarte apen sprongen door hunne twijgen rond.

Al onze begeleiders hadden zich op den grond nedergelegd. De paarden, hoewel gezadeld en getoomd, liepen grazend langs den oever en wij verzadigden onze blikken aan het heerlijke schouwspel dat dit schoone, vreedzame tooneel ons opleverde, en rigtten ze voornamelijk naar die streek waar--de hutten stonden. Naar het scheen, had men ons aldaar nog niet bemerkt. Wij losten derhalve onze geweren, wier knal de Loetoeng's van schrik door de takken van het geboomte deed ijlen en een zwerm wilde eenden uit hare schuilhoeken verdreef. Eenigen fladderden digt voor onze voeten uit het oevergras en vlogen kwakend over den spiegel van het meer. Het was de groote Javasche bergeend (Anas superciliosa), welke eene staalgroene vlek op den vleugel heeft. Onmiddellijk daarop werden eenige gestalten aan den tegenover gestelden oever zigtbaar,--wij zagen een vuurglans in verscheidene rookwolken flikkeren en hoorden de schoten vallen die tot antwoord op de onzen werden gelost,--een donker voorwerp, als eene boot, verliet den oever, gleed over den spiegel van het meer naar ons toe,--het kwam nader, wij herkenden onze broeders - - -

Ieder lezer male het tooneel van ons wederzien naar zijne eigene behoeften, naar de mate zijner verbeeldingskracht, of naar de herinneringen die hem zijn bijgebleven, indien hij zich reeds vroeger in een dergelijken toestand heeft bevonden. Ik wil alleen dit hieromtrent zeggen, dat wij broeders alle vier regt gelukkig waren en dat ook al de goede Javanen zich met ons verheugden. Ook mag ik niet nalaten hierbij aan te merken, dat de mensch die zich in de eenzaamheid van uitgestrekte wildernissen bevindt, zich inniger verbonden gevoelt met den mensch dien hij aldaar aantreft, dat hij in naauwer betrekking tot hem staat dan in bevolkte steden.--Mijne broeders hadden uit twee uitgehoolde boomstammen, door middel van daarop vastgemaakte dwarsbalken die bedekt waren met Bamboesbuizen, matten en dergelijken, een vlot vervaardigd, en hiermede waren zij overgestoken naar de zijde van het meer alwaar wij ons bevonden. Dewijl echter dit vlot, behalve de ter wederzijde geplaatste Javanen die als roeijers werden gebezigd, niet meer dan nog twee personen kon dragen, besteeg ik, de jongste, met den oudsten van ons vieren (met Avondrood) het nieuwerwetsche vaartuig, terwijl mijn broeder Nacht, in gezelschap van Morgenrood benevens de bij ons behoorende Javanen, zijn weg nam langs den oever van het meer, ten einde op die wijze de hutten te bereiken. Bijna gelijktijdig kwamen wij aldaar ten 12 ure aan en bemerkten met genoegen, dat onze broeders zich regt comfortabel hadden ingerigt. Een tiental hutten stond verstrooid tusschen het geboomte en in de grootste (waaraan de eenigzins hoogdravende benaming van "Pasanggrahan" was gegeven) waren de bedienden juist bezig om de tafel te dekken. Mijn broeder Nacht en ik sprongen eerst in het meer, om een bad te nemen en noodigden de jongens uit om ons voorbeeld te volgen, dat door hen echter niet dan schoorvoetend werd gedaan. De Javanen zijn zeer ingenomen tegen het baden in hooge bergstreken, dewijl zij uiterst gevoelig zijn voor de grootere koude van het water, en uit dien hoofde baden zij zich liever niet, niettegenstaande zij in het laagland zeer zindelijk op het ligchaam zijn en meer dan eenmaal daags te water gaan. Zij wilden ons bang maken voor krokodillen (Boeaja), hoewel zij zoo goed als wij met zekerheid wisten, dat op zulk eene hoogte waarop dit meer gelegen is (4790 voet boven den spiegel der zee), ja, zelfs veel lager geene krokodillen meer gevonden worden.

Nadat wij ons ligchaam uitwendig verfrischt en ons bij die gelegenheid nog van enkele bloedzuigers die hier en daar waren blijven zitten, ontdaan hadden, zetteden wij ons aan de Bamboestafel, ten einde ook den inwendigen mensch te restaureren. Naar oostersch gebruik vatteden onze jongens post elk achter den stoel van zijn meester, ten einde hem te bedienen, en wij namen nu een ontbijt, bestaande uit rijst, Keri, eijeren, Dengdeng van hertevleesch, gebradene wilde eenden, tamme kippen, vruchten, enz., enz., dat ons uitmuntend smaakte. Niettegenstaande onze herhaalde uitnoodiging hadden wij het distriktshoofd niet kunnen overhalen om deel te nemen aan onzen maaltijd, maar was hij op een eerbiedigen afstand blijven zitten, van waar hij zich niet verwijderde dan nadat hij daartoe vergunning gevraagd en bekomen had. Wij zonden hem eene flesch wijn in zijne hut, welk geschenk hij in geenen deele versmaadde. Terwijl wij nog aan tafel zaten, kwamen de Koeli's reeds! aan met onze pakkaadje, die weldra geopend en in de voor ieder onzer afzonderlijk bestemde hutten werd gebragt. Nadat wij verzadigd waren en het overschot van onzen maaltijd weder aangevuld was geworden met een half dozijn korfjes vol gekookte rijst, werd dit voor de tweede maal opgedischt en wel op matten (Tikar), die vóór den Pasanggrahan op den grond waren uitgespreid; hier om heen zetteden zich de mindere hoofden, onze bedienden en de overige Javanen in verscheidene kringen neder. Naar 's lands gebruik bedienden zij zich van stoelen noch van tafels, maar hurkten met de beenen kruiselings over elkander op den grond, ten einde nu insgelijks hunnen maaltijd te houden. Een stuk Pisangblad diende hun als bord, de vingers bezigden zij als vorken en fijn gestampte Spaansche peper was hun geliefkoosde specerij.--In dit land der onbegrensde gastvrijheid en zorgeloosheid voor hetgeen de dag van morgen zal baren, zou het hatelijk hebben geschenen eenig gedeelte der spijzen van een gehouden maaltijd voor zich of voor den volgenden dag te bewaren. De Adat vordert: dat, hetgeen de Heeren niet eten, aan de bedienden of Koeli's wordt voorgezet en hetgeen deze overlaten, aan de honden (indien er zijn) voorgeworpen of aan de visschen in het meer wordt gegeven.--Met genoegen beschouwden wij de bonte groepen Javanen die daar op den grond zaten, met grooten eetlust de voorgezette spijzen nuttigden, schertsten en lachten,--vervolgens zich plat op den rug nedervleiden en een liedje neurieden of eene cigaar rookten en insliepen.

Wij volgden in zekere mate het door hen gegeven voorbeeld, begaven ons in den Pasanggrahan en leiden ons neder op de met matrassen belegde Balé balé's die in het rond nevens de wanden waren geplaatst. Weldra hadden wij elkander wederzijds onze ontmoetingen medegedeeld en kreeg het gesprek eene andere wending, hetwelk nu over godsdienstige onderwerpen werd gevoerd. Mijne broeders Avondrood en Morgenrood schonken, algemeen genomen, hunne goedkeuring aan het streven dat ten doel had, de invoering van het Christendom op Java op grond van degelijke bewijzen te bestrijden; maar deze bewijzen benevens het stelsel van godsdienst en zedeleer, dat ik den Javanen in plaats van het Christelijke dogma ter aanneming had aanbevolen, wenschten zij nu ook uitvoeriger te leeren kennen, ten einde de doelmatigheid onzer pogingen te kunnen beoordeelen.--Ik begaf mij derhalve naar mijne hut, haalde het handschrift en las mijne broeders de 25 hoofdstellingen voor der "natuurlijke godsdienst en zedeleer," zoo als ik die vroeger het eerst in onze taal had te boek gesteld. (De Maleische overzetting was later bearbeid geworden en bevatte slechts een kort overzigt er van.)--Aan menige stelling viel de onverdeelde bijval mijner broeders ten deel; op het hooren van anderen schudden zij het hoofd of gaven hun ongeduld op de eene of andere wijze te kennen. Toen ik geëindigd had, heerschte er gedurende eenige oogenblikken eene algemeene stilte welke door Avondrood met de navolgende woorden werd afgebroken.

AVONDROOD. Lieve broeder! Uw streven: het bijgeloof met redelijke bewijzen te bestrijden en tegenover de dwalingen natuurwaarheden te stellen, mag lofwaardig worden genoemd. Het is het eenige middel om den weg te banen ter invoering van eene betere, meer redelijke godsdienst en om Java te behoeden voor een groot onheil, dat geestdrijvers er aan willen berokkenen. Maar de godsdienst- en zedeleer welke gij in de plaats van het Christelijke leerstelsel wenscht ingevoerd te zien, kan mede niet anders zijn dan een overgangsmaatregel en in zoo verre--als een overgangstoestand daardoor wordt te weeg gebragt--wel is waar nuttig, echter niet bestendig van duur zijn, dewijl zij niet de volkomene waarheid bevat.

Ik verzocht mijn broeder mij dit nader te willen verklaren, toen eenige donderslagen die weldra overgingen in een diep rollend geluid 't welk alles deed dreunen, ons verkondigden dat het tijdstip van den dag was aangebroken, waarop de met waterdamp verzadigde hoogere luchtlagen der atmospheer zich gewoonlijk ontladen. Terstond daarop vernamen wij het geruisch van enkele, zeer groote vallende droppelen, dat gevolgd werd door het verwijderde bruisen van den regen welke zich op het woud uitstortte en meer en meer naderde. Onze bedienden snelden ijlings toe, ten einde te zien of alles zorgvuldig gesloten was en werden later weggezonden met het uitdrukkelijke bevel, dat zij tegen het invallen der schemering (na 6 ure) ons avondeten gereed moesten maken, doch zich overigens tot dien tijd van alle zorg voor ons ontslagen konden rekenen, indien zij niet geroepen werden. De gevolgen van een onweêrsregen in het gebergte kenden wij te goed, dan dat wij ons niet geluk wenschten: vóór het invallen er van onder dak te zijn gekomen.--Wij raden derhalve ook alle reizigers die de hooger gelegene, bergachtige streken van Java en vooral het woudrijke, westelijke gedeelte des eilands bezoeken, zorg te dragen dat zij vóór twee ure, en kan het zijn vóór een ure des middags ter bestemder plaatse zijn aangekomen. In het binnenland van Java bestaat weinig onderscheid tusschen den droogen en den regenachtigen moesson. Des nachts en gedurende den voormiddag is de hemel gewoonlijk helder. Tusschen 1 en 3 ure echter begint het in 't gebergte bijna dagelijks te regenen, onverschillig in welk jaargetijde het moge zijn; dan wordt de woudbodem opgelost en herschapen in eene soort van pap waar de wandelaar tot over de enkels inzinkt,--een troebel, modderachtig water stroomt den reiziger van alle zijden der berghellingen te gemoet,--de tot stroomen opgezwollene beken kan men niet meer doorwaden en de bliksem die het woud in alle rigtingen doorklieft en de zwaarste armen van het geboomte verbrijzelt, doet de paarden schichtig worden. Het is waar, dit duurt slechts een of twee uren, maar tot aan het invallen van den nacht blijft de gemeenschap alsdan toch zeer bemoeijelijkt, zoo niet geheel en al afgebroken.

Wij waren derhalve zeer verheugd, in de goed gedekte drooge hut zoo vertrouwelijk bij elkander te kunnen zitten. Wel is waar, het scheen dat het zwaarste onweder zich op eenigen afstand van de streek waar wij ons bevonden, ontlastte; maar er begon hier een fijne regen zoo gelijkmatig te vallen dat wij op geen korten duur er van konden rekenen, terwijl daarenboven de koude temperatuur des dampkrings (welke 65° Fahr. bedroeg) ons niet bijzonder uitlokte om naar buiten te gaan. Wij besloten derhalve van alle verdere ondernemingen voor heden af te zien en kwamen overeen, dat wij in onze hut blijven en elkander wederkeerig mededeelingen zouden doen omtrent onze godsdienstige beschouwingen.

Avondrood werd nu andermaal uitgenoodigd om zich nader te verklaren nopens den vroeger door hem geopperden twijfel. Hij gaf ons hierop te kennen dat hij dit, naar zijn oordeel, het best zou kunnen doen door ons een geschrift voor te lezen, waarin hij zijne wijze van beschouwen had uiteen gezet; uithoofde dit handschrift echter tamelijk uitgebreid was, durfde hij--zonder vooraf verkregene toestemming daartoe--met de lezing er van geen begin maken, dewijl hij beducht moest zijn ons geduld daardoor op eene te sterke proef te zullen stellen.

Wij gaven hem de verzekering dat wij zeer verlangend waren zijne beschouwingen te leeren kennen, waarop hij de navolgende geloofsbekentenis voorlas, welke hij de zijne noemde.

GELOOFSBEKENTENIS VAN BROEDER AVONDROOD.

"Was wär ein Gott der nur von Aussen stiesse, Im Kreis das All am Finger laufen liesse? Ihm ziemt's die Welt im Innern zu bewegen, Natur in sich, sich in Natur zu hegen, So dass, was in ihm lebt und webt und ist, Nie seine Kraft und seinen Geist vermisst."

Göthe.

God is de bezielde natuur.

De aanhangers van het dualismus scheiden wel is waar, de kracht van de stof, den geest van het ligchaam en God van de natuur, welken zij als persoonlijken God nevens de natuur of tegenover de natuur stellen en aanbidden. Maar op die wijze maken zij èn de natuur èn zich zelven in den eigenlijken zin des woords God'loos. Zij verlagen de schoone, overal levende en in millioenen polsen slaande natuur tot een geesteloos, mechanisch uurwerk, dat slechts aan doode wetten blind gehoorzaamt en van buiten de kracht moet ontvangen, welke het drijft.--Voor mij zou de natuur al hare bekoorlijkheid verliezen, indien ik haar als zoo een werktuigelijk knoeiwerk moest beschouwen.--En wat maken de dualisten van hunnen God dien zij uit de natuur hebben verdreven?--een horologiemaker die het raderwerk heeft opgewonden en nu, in werkeloosheid verzonken, daar nederzit en met behagelijke tevredenheid over zich zelven toeziet hoe alles gaat. Aan het bestaan van zulk een God kan ik niet gelooven.

Eene kracht zonder iets stoffelijks waaraan zij gebonden is, mag beschouwd worden als de voorstelling van iets onbestaanbaars, als een zinledig, afgetrokken denkbeeld. Ik geloof hetgeen ik allerwege zie, dat kracht en stof, geest en ligchaam Een, een onscheidbaar geheel zijn. Er is derhalve niets dan de natuur, welke alles is. Maar even als ons ligchaam bezield is en deze ziel in onze hersenen tot ontwikkeling komt, zoo moet insgelijks de natuur, als geheel, eene ziel hebben, welke algemeen bewustzijn bezit. In uitgestrektheid oneindig, in tijd eeuwig en onvergankelijk--beweegt zich, steeds verjeugdigd in gestalte, de bezielde stof. In den mensch, in het dier, in de planten is de wereldziel met eene grootere of geringere hoeveelheid stof verbonden, geindividualiseerd,--gebonden even als latente warmte. Deze verbinding is zoo innig, zij bedient zich in hare ontwikkeling tot bijzondere gestalten van planten, dieren of mensch zoo onveranderlijk getrouw van de algemeene physische, zoomede van de bijzondere chemische krachten, welke aan de elementaire stoffen en hare verbindingen behooren; zij volgt de wetten waarnaar de werking dezer krachten plaats heeft, zoo naauwkeurig en wijkt nimmer daarvan af; de wijze waarop zij zich uit, is zoo volkomen evenredig aan de vormen welke zij aanneemt,--in deze bloem, in gindschen boom, in den worm, in den kever, in het werveldier (visch, vogel, hond, paard, wolf of mensch), zoowel in de tijdelijke ontwikkelingstoestanden dezer geslachten, soorten en individuen, in het kind, embryo, grijsaard of in den volkomen tot rijpheid opgewassen mensch; deze uiting staat in zulk eene bepaalde, als het ware aequivalente verhouding tot de bewerktuiging van elk afzonderlijk wezen (den vorm en chemische zamenstelling), dat het resultaat der ontwikkeling van het stille (passive) plantenleven tot aan het menschelijke bewustzijn, van de kunstdrift van het insekt tot aan den hoogsten trap van zedelijke ontwikkeling des menschen en tot aan de volmaaktheid zijner scheppingen in wetenschap en kunst, niet anders schijnt te zijn dan een gevolg van de onderscheidene en onder verschillende omstandigheden plaats grijpende zamenwerking van deze zelfde stoffelijke krachten. Vele en zeer grondige natuuronderzoekers zijn tot dit resultaat gekomen; zij kennen geen anderen God dan de natuurnoodzakelijkheid, geene andere krachten dan die welke onafscheidbaar aan de stof zijn gebonden (de algemeen verbreide physische en de aan de grondstoffen en hare verbindingen eigenaardige chemische krachten) en verwerpen daarentegen het geloof aan onweegbare stoffen of onstoffelijke krachten, het geloof aan eene ziel als een verhaal waarvoor geen feit is aangewezen, als een volkomen ongegrond bijgeloof. Maar--tegen deze gevolgtrekking van zoogenaamde materialisten kunnen eenige gewigtige bedenkingen in het midden worden gebragt. Ik wil niet spreken van eene zedelijke wereldorde, van een zedelijk beginsel in den mensch, van den onuitputtelijken rijkdom en de kracht van gedachten welke zich in de kunsten en wetenschappen heeft geopenbaard,--ik wil niet spreken van de moeijelijkheid om den verbazenden rijkdom aan gestalten in de dieren- en plantenwereld, die echter voor elke soort niet alle organen welke het ligchaam heeft, met alle eigenschappen en aandriften die het dier bezit, onveranderd blijft,--of niet gewagen van de moeijelijkheid om de verscheidenheid der geslachten bij eene en dezelfde soort af te leiden uit de algemeen verbreide natuurkrachten (zwaartekracht, licht, warmte, electriciteit, magnetismus, adhaesie-, cohaesie-, expansiekracht en capillaire aantrekkingskracht, enz.) in verband met de eigenaardige chemische krachten van eenige tientallen enkelvoudige stoffen, [41]--ik wil slechts aan een feit herinneren, aan het bewustzijn in den mensch, die van zijn aanwezen, van den toestand waarin hij zich bevindt en van zijne eigendommelijkheden duidelijk en klaar bewust is. Waaruit heeft dat zijn oorsprong?--Uit niets kan niets ontstaan en het bewustzijn, al is het aan onze hersenen, derhalve aan stof gebonden, mag toch geene physische of chemische kracht worden geheeten.