Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java

Part 23

Chapter 233,639 wordsPublic domain

Nu werden paarden voorgebragt, reeds gezadeld en getuigd, die door hun ongeduldig getrappel hoorbaar te kennen gaven hoe vurig zij waren. Vóór bij den ingang van het Aloenplein hadden twee voorrijders, met vaantjes aan hunne lansen, post gevat, slechts wachtende op den oogenblik dat wij den voet in den stijgbeugel zouden zetten, om in allerijl ons vooruit te rennen. Wij zetteden ons eindelijk in den zadel, daar snelden de voorrijders weg aan 't hoofd van den togt, de slagen van den Gamelan volgden steeds sneller elkander op, en een luid en vrolijk allegro klonk door het dorp,--wij galoppeerden hen achterna, gevolgd door het distriktshoofd--en achter hem draafden onze en zijne bedienden, benevens eene talrijke schaar kleinere hoofden en andere Javanen.--Zoo vlogen wij in ijlende vaart, niet ongelijk aan eene woeste bende van den Wilden jager, het dorp uit, terwijl de luide toonen der op een klokkenspel gelijkende Javasche muziek langs de bergwanden weêrgalmden en het gehinnik der paarden de frissche morgenlucht deed trillen.

De kleine Javasche paarden waren zoo vurig en moedig, zij snoven en brieschten van levenslust en gevoel van kracht; de ruiters die ze bereden, schertsten met elkander en lachten elkander uit, wanneer door het ordelooze van den togt de een den anderen in het voorbij rijden knelde of een gevoeligen stoot toebragt. De cavalcade welke wij op die wijze vormden, zag er werkelijk bont en schilderachtig uit. Behalve mijn broeder en ik, die in witte katoenen kleederen en met een breed geranden, grijskleurigen vilten hoed op het hoofd, vooraan reden, werden er onder al de overigen geen gevonden die hemden, kousen en schoenen aan het lijf hadden. Het distriktshoofd droeg een zwart katoenen buis met gouden knoopen, en verder den Sarong. De overige Javanen hadden deels roode, deels groene, anderen weder blaauwe buizen (Badjoe) aan, die van voren open stonden, terwijl bij anderen daarentegen het gansche bovenlijf geheel en al onbedekt bleef. Velen droegen zelfs geene broeken en hadden, in plaats van een Sarong, niets anders omgeslagen dan een Kajin (lendendoek) dat zij later door den snellen rid verloren. Dan zaten zij van top tot teen in het kostuum van Adam (het antiekste van allen) te paard en--werden uitgelagchen. Bij anderen ging de hoofddoek los, welke dan als een lange wimpel achter hen in lucht fladderde;--de ruiters die het verloren hoofddoek weder magtig wenschten te worden, sprongen dan van het paard, maar vergaten de teugels vast te houden,--de paarden draafden dan mede door en hunne voormalige berijders liepen ze, met den opgeraapten hoofddoek in de hand, achterna en genoten het vermaak de snelheid hunner beide beenen met de vier pooten van hun paard te kunnen vergelijken.--Op die wijze ging de togt in vluggen draf naar het gebergte heen, in de rigting van de plaats, waar te midden der sombere wouden die het overschaduwen, het meer Nagnetap moest gelegen zijn. Weldra hadden wij de Koeli's ingehaald, die onze pakkaadje droegen; nu echter behoefden wij ons niet omtrent hen te bekommeren, want wij wisten dat het heden niet noodig was om ze aan te sporen en bovendien dat wij aan het meer alles zouden aantreffen, hetgeen wij noodig mogten hebben. De Javasche paardjes die tot nu toe goed doorgeloopen hadden, begonnen hunne drift allengs te matigen en staakten hun snuiven en brieschen eindelijk geheel en al; het gebergte, namelijk, begon met steiler glooijing op te rijzen en wij waren nu in staat om, nevens elkander voortrijdende, zeer gemakkelijk onderling een gesprek te voeren.

NACHT. Er zijn nu omtrent veertien dagen verloopen sedert wij de hoofdplaats der residentie B. hebben verlaten, tot waar wij de reis met postpaarden hadden voortgezet. Dit tijdvak is kort. Maar toch moet ik tot mijne smart bekennen dat ik reeds begin te twijfelen, of men door middel van vrijen arbeid in het binnenland van Java tot een of ander voldoend resultaat zou kunnen komen. Wij hebben althans bijna overal de droevige ervaring opgedaan, dat wij met onze klinkende munt, onze overredingskracht en goede woorden, als man tegen man, nergens veel konden uitrigten.

DAG. Natuurlijk niet; daartoe is noodig aanzien en magt, dat wil zeggen het regt om te bevelen. Komt er iemand dien de Javanen als hun gelijke beschouwen,--zoo als met ons het geval is geweest, sedert wij te voet en zonder dat vooraf bevelen van inlandsche hoofden waren gezonden, het land doorkruisten,--dan doen zij voor hem juist zoo veel als voor hun gelijke, maar ook niets meer. In de wildernis westwaarts van den Tandjoeng-Gnodos hadden zij niets te verrigten en om die reden hebben zij ook ons derwaarts niet willen begeleiden. In het meer beschaafde Europa is geld de drangreden welke individuen noopt, meer voor anderen dan voor zich zelven en zijn gelijke te doen; maar welke waarde kan geld toch wel hebben hier in het binnenste van Java, in het oog van den eenvoudigen bergbewoner die bijna al zijne behoeften zonder geld kan bevredigd zien? Gemak is hun meer waard. Hoe gastvrij zij ons ook overal ontvingen, wij hadden echter voortdurend met Soesah soesah te kampen, en het is u bekend dat wij ons doel of slechts ter naauwernood, of in het geheel niet hebben kunnen bereiken.--Maar welk eene uitwerking had niet dezen morgen de verschijning van den Raden distriktshoofd? Hij stampte met den voet op den grond en een geheel leger Koeli's stond op zijne wenken te wachten! Wat repten deze Koeli's zich met armen en beenen, wat waren zij eensklaps behendig en vlug geworden!--en toch waren het dezelfde menschen die kort te voren noch door middel van geld, noch door goede woorden van onze zijde zoo ver konden gebragt worden, dat zij opstonden van den grond waarop zij zich hadden nedergevleid.--En gedraagt het distriktshoofd zelf zich thans niet geheel anders jegens ons dan voor eenige dagen,--is zijn eerbied jegens ons niet 99 per cent gerezen, sedert hij weet dat wij van regeringswege alle ondersteuning welke wij verlangen, op reis bekomen kunnen en dat wij op een vriendschappelijken voet staan met zijne overheden, met den regent en met den resident?

NACHT. Hetgeen gij daar zegt, is slechts al te waar. Maar het doet mij leed, te moeten zien dat onder een volk hetwelk zulk een voortreffelijken aanleg bezit, zulk een slaafsche geest heerscht, dat steeds bevelen van hooger hand volstrekt vereischt worden om den reizigers den noodigen bijstand te doen geworden, en dat deze bevelen met blinde gehoorzaamheid worden opgevolgd. Het schijnt, dat de despotieke regeringsvorm der Javanen bij hen elken kiem van achting voor den mensch op zich zelven--als mensch--in zijne ontwikkeling heeft verstikt.

DAG. Er ligt veel waars in hetgeen gij daar zoo even hebt gezegd. Maar toch hapert er nog iets aan uwe wijze van beschouwing, om volkomen waar en overeenkomstig de natuur te zijn. Was het gedrag der Javanen jegens ons niet altijd beleefd? Hebben zij ons ooit met minachting behandeld?--Ja, ik vraag het u, zouden wij bij de Christenboeren in Holland wel zoo gastvrij zijn ontvangen geworden, als hier bij deze zwarte Javanen, die wij voor de eerste maal, als geheel vreemde blanke menschen ontmoetten, het geval is geweest?--Het schijnt u te hinderen, dat hier op Java de menschelijke grootheid die zich omgeeft met aanzien en aardsche pracht, die als despoot optreedt, zoo onvoorwaardelijk wordt gehoorzaamd. Gij verliest echter uit het oog, dat onze beminde landslieden in Europa zich door een tiran laten beheerschen die nog veel minder achting verdient, namelijk:--geld. Wat mij betreft, ik verklaar u openhartig en ik kom er rond voor uit dat, indien mij ter eeniger tijd geen uitweg mogt overblijven en ik tusschen twee dingen had te kiezen, namelijk, of een grooten geldzak als afgod moest aanbidden of een levend mensch die zich voor mijne blikken stelt in al den glans van aardsche kracht en heerlijkheid--, in zulk een geval mijne keuze niet twijfelachtig zou zijn. Waarschijnlijk waren de Javanen heden morgen van hetzelfde gevoelen, toen hun hoofd te Oegoed aankwam, waar een enkel woord, ja, een wenk van hem voldoende was om tot stand te brengen, hetgeen wij vroeger met onzen vollen geldbuidel niet hadden kunnen bewerken.

De Javaan wiens beschaving nog niet ver genoeg is gevorderd, om menschelijke eigenschappen--als zieleadel, hooge deugd, scherp verstand, diepe wetenschappelijke kennis--in absoluten zin, om en op zich zelven, te schatten, meet de waarde der menschen af naar de wijze waarop zij zich uiterlijk aan hem voor doen, naar den rang welken zij in de maatschappij bekleeden, en ik geloof dat ook bij onze landslieden in Europa de uiterlijke rang van een individu en zijne kleeding of de uiterlijke eereteekenen welke hij draagt, althans de eerste en voorloopige maatstaf zijn waarnaar hij wordt beoordeeld. Waarom zullen wij dit nu in den Javaan berispen, op wiens gemoed van der jeugd af geduchte natuurkrachten hunnen magtigen invloed uitoefenen, die hem allen onderwerping, geduld, gehoorzaamheid luide verkondigen?--Kan hij de donderende vulkanen die hunnen vuurgloed over zijne velden en akkers uitbraken, gebieden tot rust weder te keeren, of kan hij de aarde welke zoo menigwerf onder zijne voeten trilt en beeft, bevelen om onbewegelijk stil te zijn? Is het hem mogelijk den gloed te temperen der zon die hare stralen loodregt op hem nederschiet, of den bloeddorst te lesschen der tijgers en panthers die, tuk op roof, des nachts rondom zijne stallen sluipen?--Is zijne bijl of zijn hakmes in staat den allerweligsten plantengroei in bedwang te houden, die zich hoog boven zijne hutten tot een gewelf zamenvoegt?--En strekt deze zelfde allerrijkste plantengroei, op dezen vruchtbaarsten aller bodems, hem niet tevens tot een uiterst gemakkelijk middel om al zijne behoeften overvloediglijk te bevredigen?--Moet de nog onbeschaafde mensch die te midden van zulk eene vruchtbare natuur geboren en groot gebragt wordt, waar een eeuwige zomer heerscht welks aanhoudende warmte te gelijkertijd eene verslappende werking op hem uitoefent, moet deze niet in eene hoogere mate dan de bewoner van meer noordelijk gelegene, koudere klimaten, innerlijke neiging verkrijgen tot traagheid en zinnelijkheid? ja, zou voor een dergelijk volk, zoo lang het nog op den eersten trap van ontwikkeling staat, een despotieke regeringsvorm niet zelfs eene behoefte mogen geacht worden?

Beschouw de zaken onbevooroordeeld en gij zult vinden dat het verband tusschen natuur en volkskarakter steeds des te inniger is, hoe lager de trap van ontwikkeling is waarop een volk staat, en dat de Javanen gelijk zij thans zijn, zich zelven niet kunnen regeren, maar geregeerd moeten worden. Al hetgeen de Javaan van der jeugd af ziet in de natuur welke hem omringt, doet zich aan zijne blikken voor als bovenmate grootsch en magtig en maakt, dat onderwerping hem ten gewoonte wordt. Hij vindt derhalve de aangenaamste bevrediging voor zijn gemoed: in het gehoorzamen aan billijke bevelen; het is hem een lust een hoofd, een regent, een resident in volle praal te midden zijns gevolgs te aanschouwen en hij acht als zijn hoogste genot: deel te nemen in de vreugde, in den feestmaaltijd zijns heerschers, terwijl de muziek des Gamelan weêrklinkt, die immers de Koeli even zoo goed hoort als de prins, de geringste man evenzeer als de Groote des lands. Indien gij nu bedenkt dat de vorsten in gelijke mate grootere tirannen worden, naar gelang hunne onderdanen gewilliger gehoorzamen en dat de Javasche hoofden, regenten en keizers, zoo lang zij aan zich zelven waren overgelaten en niet onder Europesche leiding stonden, op grond van denzelfden karaktertrek welke de geringen gedwee maakte, steeds zeer slecht, ja, menigwerf hoogst onregtvaardig en gruwzaam geregeerd hebben, indien gij dat bedenkt, kan het u stellig geen spijt inboezemen dat de teugels der regering in Europesche handen gelegd zijn. De ervaring toch zal u doen zien dat, sedert het Nederlandsche gouvernement over Java regeert, de bewoners niet slechts aanmerkelijk in beschaving zijn vooruitgegaan; dat niet alleen het land--de middelen van vervoer en van gemeenschap, de binnenlandsche handel, de nijverheid, de administratieve inrigtingen van allerlei aard en, meer nog dan dit alles, de bebouwing van den grond--tot zulk een trap van ontwikkeling zijn opgevoerd, dat de toestand waarin Java zich vroeger bevond de vergelijking niet kan uitstaan met dien waarin het zich thans bevindt, ja, dat geen enkel ander tropisch land zich er mede kan meten; maar gij zult daarenboven leeren inzien dat insgelijks de Javaan, sedert wij hem naar billijke wetten regeren, sedert zijne persoonlijke regten, zijn eigendom zijn gewaarborgd, veel gelukkiger en meer welvarend is dan vroeger, en zulks vooral dewijl men hem wijsselijk het genot blijft schenken: de bevelen regtstreeks van zijne eigene hoofden te ontvangen.

Onder het voeren van dergelijke gesprekken waren wij een koffijtuin binnen gereden.--De koffijplantaadjen doen zich hier aan het oog voor als een helder groene strook of gordel tegen den donkeren achtergrond der oorspronkelijke wouden, waarin hooger bergopwaarts geene enkele lichtkleurige plek meer wordt gevonden. Uit de verte gezien bespeurt men slechts de Dadapboomen (Erythrina indica) welke in den koffijtuin zijn aangeplant om schaduw te verspreiden, waarvan het loof veel lichter van kleur is en met groote, vuurroode bloemen is gesierd. De koffijstruiken daarentegen welke in regthoekig elkander kruisende rijen daartusschen staan, zijn veel lager en hebben een donker groen, blinkend loof, dat prachtig afsteekt bij de witte bloemen die dik, als eene laag versch gevallen sneeuw, de kransvormig geplaatste en afwaarts hangende twijgen bedekken. Elk koffijboompje heeft den vorm eener spits toeloopende piramide en het eene staat zoo digt bij het andere, dat het daar tusschen aangelegde pad ter wederzijde ingesloten schijnt door een groenen, 7 à 10 voet hoogen wand. In dezen koffijtuin--een eigenlijk koffijbosch--was alles vol leven en beweging. Honderden van Javanen, mannen, vrouwen en kinderen waren druk bezig om den grond tusschen de boomen te wieden, van onkruid te zuiveren en overal keken vrolijke gezigten tusschen de boomen uit. Hier en daar stonden Mandor's en Loerah's, wier pligt het was het volk vlijtig aan den arbeid te houden en rust en orde te bewaren; ook ons distriktshoofd verzuimde niet, van de gelegenheid gebruik te maken om van tijd tot tijd in het voorbijrijden eenige bevelen uit te deelen. Breede, goed onderhoudene wegen, in eene dwarse rigting den weg doorsnijdende welken wij bereden, openden van tijd tot tijd een vergezigt op Bamboeshuizen uit wier geveltop een kronkelende rookzuil opsteeg, of op een kleinen Pasanggrahan, of Pendopo's en droogschuren, voor welke effen gemaakte terrassen zich uitstrekten. Al hetgeen wij hier zagen, ademde orde, welstand, vrolijkheid en nuttige bedrijvigheid.

IK. Zeg eens, broeder, wat zou er wel van dezen schoonen koffijtuin worden die, naar de berekening van het distriktshoofd, 350000 afzonderlijke koffijboomen bevat, indien de Javanen wier naarstigheid hem thans in stand houdt, aan zich zelven werden overgelaten>?

NACHT. Ik vrees dat hij weldra in het lot zou deelen der koffijstruiken die binnen de haag van het dorp Najona worden gevonden, dat wil zeggen, dat hij verlaten zou worden, dat hij zou verwilderen!

IK. Ha ha! Gij hebt u derhalve reeds overtuigd van deze natuurwaarheid, die inderdaad niet overeenkomt met de theoriën van menigen voorstander van hervormingen. Waarlijk, ik verheug mij daar over.--Indien het mogt gebeuren dat de arbeid in het binnenland van dit gedeelte van Java werd vrijgelaten, dan maak ik mij sterk om al de koffij, die dan nog binnen een jaar tijds aan de Europesche markt zal gebragt worden, op eene behoorlijke manier gezet, binnen drie dagen geheel alleen te verbruiken.

Een schaterend gelach dat wij achter ons vernamen, was oorzaak dat wij ons in den zadel omwendden,--daar zagen wij dat de Raden distriktshoofd, in lijnregten strijd met den Adat, luid schaterde van lagchen, hetwelk hij bij geene mogelijkheid scheen te kunnen bedwingen. En hetgeen nog het ergste van alles was, deze lachlust had zich het eerst voortgeplant op zijne naaste begeleiders, vervolgens aanstekend gewerkt op de achteraan komende personen--en zoo voorts, totdat eindelijk de gansche ruiterschaar even luid medelachte, zonder eigenlijk te weten waarom hij lachtte. Ja, het scheen dat zelfs de paarden onwillekeurig medegrinnikten. Zoo als ik later vernam, verstond de goede Raden een weinig Hollandsch en waren de laatste woorden welke ik mijn broeder had toegevoegd, door hem begrepen geworden. Terwijl hij nog steeds den buik vasthield van 't lagchen, stamelde hij eindelijk (onder het maken van vele verontschuldigingen wegens zijne onbescheidenheid) de volgende woorden: "Betoel Toean! betoel sakali! Orang kitjil trada soeka kerdja,--trada maoe bekin bresih kopi, kapan trada soedah jang dapat printah; ter lebi jang soeka tinggal di roemah, dan majin sama dija poenja parampoean, tidoran di atas balé balé,--pidjit, pidjit, enak!" (Het is waar, mijnheer! 't is volkomen waar! De geringe man houdt niet van arbeiden,--wil de koffij niet schoon maken, wanneer hem zulks niet is bevolen geworden; hij blijft veel liever te huis om zich met zijne vrouw te vermaken, gemakkelijk op de Balé balé te liggen, zich te laten strijken, kneden, [40] lekker!)

Weldra kwamen wij aan het einde van den koffijtuin en zagen ons omringd door de donkere schaduwen van het hoogstammige, oorspronkelijke woud dat wij nu hadden bereikt, waar de wegen smaller, moeijelijker te berijden en de bodem vochtiger, glibberiger werd. Wij bevonden ons nu ongeveer ter hoogte van bijna 4000 voet boven den spiegel der zee. De laatste sporen van menschelijk verkeer en menschelijke bedrijvigheid waren reeds geheel uit onze oogen verdwenen en ter naauwernood verried nog hier en daar een voetstap, welke in den weeken, leemachtigen woudbodem zigtbaar was, dat somtijds een Javaan, met het doel welligt om Rotan te zoeken, deze wildernis doorkruist. Wij zetteden onzen togt voort over smalle paden gebaand door rhinocerossen en wilde stieren, door een maagdelijk woud dat nog nimmer door de vernielende bijl was geschonden en ons wijd en zijd omgaf. Hoewel het gebergte hier geene vlakte vormt, maar doorsneden is met kloven en dalen wier wanden en hellingen menigwerf zeer steil zijn, waar tusschen meer of minder breede, deels vlakke, deels zeer oneffene bergruggen liggen, heeft het hier echter op dezelfde gemiddelde hoogte eene zeer groote uitgestrektheid; dit gansche terrein nu, dat eene lengte en breedte van verscheidene dagreizen heeft, is alom bedekt met oorspronkelijke wouden waarin slechts wilde dieren huizen.

De Javaan die op warmte is gesteld en hoofdzakelijk van de rijstteelt leeft, vermijdt zoo veel mogelijk het koele klimaat dezer hoog gelegene bergstreken, zoo lang althans het Palmen en Pisang voortbrengende heete laagland hem de vereischte ruimte verschaft tot verdere uitbreiding van den landbouw door hem beoefend.

Het woud bestond nu eens hoofdzakelijk uit eiken en Podocarpussoorten, dan weder uit Poespaboomen (Gordonia Wallichii), op andere plaatsen uit Laurineën, waar tusschen echter allerwege eene groote menigte afzonderlijk staande individuen van andere, als Ki terong (Fagraea lanceolata)-, Bengang (Thespesia altissima)-, Palaglar (Dipterocarpus)-, Kajoe soeren (Cedrela febrifuga)-boomen en andere soorten werden aangetroffen; op de lijnregte, zuilvormige stammen van dit geboomte verhieven zich de loofkroonen welke hoog boven onze hoofden een enkel bladerendak, een onafgebroken gewelf vormden, waar onder onze stem en het getrappel der paarden als onder een hoogen koepel dof weêrgalmde. Alle stammen en takken waren met dikke beddingen van mos, boomvarens en andere parasietplanten bedekt, waar tusschen de prachtige, bontkleurige bloemen der Orchideën in het oog blonken. Rotansoorten en andere lianen verbonden den eenen tak met den anderen, omslingerden met hunne ranken stam op stam, strekten zich menigwerf in eene dwarse rigting van den eenen boom tot den anderen uit en Cissus- (wilde wijngaard) ranken hingen als reusachtige touwen van de hoogste toppen der boomen tot op den grond, waar sierlijk gevinde boomvarens hunne schermpjes uitbreidden over het digt ineengegroeide kreupelhout. Hier en daar verhief zich de slanke stam van een Soewangkoeng- (Caryota) palm. Geen enkel plekje van den bodem, hoe gering ook, was onbedekt; ja, digt aan den rand der kloven stonden nog boomzuilen ter hoogte van 100 voet en hooger en vormden aldaar met hunne loofkroonen een gewelf dat ver over den rand heen reikte. Op enkele plaatsen hing aan den top van een dergelijken boom een Cissus-rank en deze droeg aan zijn uiteinde een nestvaren (Asplenium Nidus L.), een digt ineengegroeide bos bladeren welke eene lengte hebben van 3 à 4 voet en in den vorm van een rad of roos zijn geplaatst,--dan zweefden deze nestvarens, hoog boven den afgrond vrij in de lucht, als een lichtkroon door den wind ginds en herwaarts geschommeld.

Indrukwekkend was de stilte welke in dit wijd uitgestrekte woud heerschte die, gepaard aan het schemerachtige duister hetwelk onder het loofdak verbreid was, insgelijks op het menschelijke gemoed een diepen indruk te weeg bragt en het tot nadenken stemde. Geen zonnestraal drong door het hooge gewelf en het gesnap en geschater onzer vrolijke karavaan waren, in overeenstemming met dit oord waarin wij ons bevonden, allengs verstomd, niettegenstaande ieder hunner onbewust was van den geheimen invloed daardoor op zijn gemoed te weeg bragt. In diepe stilte bewonderden wij de grootheid der natuur. Elk geruisch, elk gesproken woord deed een echo ontwaken en wijd in het woud weêrgalmde het schallend geluid van den koekoek (Cuculus chalcites) welke zich van tijd tot tijd liet hooren, benevens de diepe, koerende bastoon der groote houtduif (Columba aenea), of het pikken der spechten die tegen de boomstammen opliepen,--somtijds ook het gefluit van een Soerili-aap (Semnopithecus mitratus) die zich bij onze nadering snel tusschen het loof verborg. Van de rhinocerossen (Badak) en wilde stieren (Banteng) hoorden wij niets en zagen slechts het spoor dat zij in den weeken bodem hadden achtergelaten, en de groote eekhoorntjes (Sciurus bicolor) die over de takken rondklauterden, veroorzaakten slechts somwijlen een ligt geritsel in het loof, wanneer zij een buitengewoon grooten sprong van den eenen tak op den anderen gemaakt hadden.--Een paar malen verschrikte ons een dof, kort afgebroken gebrul, dat uit het diepste van den gorgel eens roofdiers scheen voort te komen en hol weêrgalmde door het woud; de paarden stapten echter rustig voort, want zij schenen den klank te kennen van het geluid waardoor de zwaarmoedige zwarte aap Loetoeng (Semnopithecus maurus), hoezeer slechts zelden, de plaats verraadt waar hij zich in het loofgewelf ophoudt.