Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java

Part 22

Chapter 223,840 wordsPublic domain

Dit geloofden wij en in overeenstemming daarmede werd de behendigste klauteraar die zich onder onze jongens bevond, namelijk Soengsang, gelast om in den top van een hoogen Kampakboom (Hernandia sonora) te klimmen, die zich dieper landwaarts in op eenigen afstand van het Kiboenagawoud verhief, ten einde van daar te zien: of in de omliggende streek ergens sporen van menschelijke bedrijvigheid konden waargenomen worden.--Soengsang klom in den boom en riep ons uit den top toe: dat hij hooger op in het gebergte een dunnen rook uit het woud zag opstijgen, en dat hij vermeende aldaar den top van een Kokospalm boven de oppervlakte van het woud te zien. Zoodra Soengsang weder naar beneden was geklauterd, besloten wij hem mede te nemen en ons een pad te banen dwars door de wildernis heen naar gindsche streek, waar hij den rook had zien opgaan. Wij wapenden ons ieder met een Gòlok en mijn broeder en ik namen nog bovendien elk een geweer mede; de overige jongens lieten wij met onze beide andere geweren in het bivouak en baanden ons, krachtig in het rond hakkende, met Soengsang vooraan een pad door de wildernis.

Wij zouden ongetwijfeld een halven dag noodig gehad hebben om op deze wijze eene halve mijl ver door het digt ineengegroeide struikgewas heen te dringen, indien wij het geluk niet hadden gehad een gebaand pad te vinden dat blijkbaar van de kust naar het binnenland en bergopwaarts liep. Wij volgden het en nadat wij gedurende een klein uur onzen togt hadden voortgezet over een terrein dat met zachte glooijing opwaarts rees, kwamen wij in eene streek aan waar eene verwilderde, met onkruid begroeide koffijplantaadje stond en eene tamme hen met hare kiekens al pikkend rond liep. Weldra hoorden wij het kraaijen van een haan, en tot onze groote vreugde ontwaarden wij vóór ons, op een open, slechts met gras begroeid plekje in het woud, een half dozijn Bamboeshutten waar tusschen eenige Kokospalmen hunne toppen verhieven; eene levende haag van Pisang en van koffijstruiken omringde het kleine gehucht. Aan den zoom van het woud waren donkergroene Arengpalmen zigtbaar. Kinderen speelden tusschen de hutten, en wij ontwaarden mannen en vrouwen, waarvan sommigen buiten de deur, anderen op den drempel hunner hutten stonden.

Het blaffen der honden verried onze komst; zoodra de spelende jeugd ons in het oog kreeg, bleef zij, als van den donder getroffen, van schrik eensklaps roerloos staan;--de moeders pakten hare kinderen snel bij den arm en ijlden er mede weg, de mannen volgden haar in woeste vaart en alles wat loopen kon, snelde voort en nam onder een aanhoudend geroep van: "help! help! erbarming!" op den voet gevolgd door de blaffende honden--in allerijl de vlugt.

Slechts een bejaarde man met een langen, grijzen baard bleef, met de beenen kruiselings over elkander geslagen, rustig voor een der hutten zitten en zeide, ons bedaard groetende (een Sembah makende): "Goeden dag, heeren Kedjoets! (landroovers.) Hier zit ik. Stoot mij neder. Ik ben een oud man; ik heb lang genoeg geleefd. Het is de wil van den Albarmhartigen Toean Allah,--gij kunt mij dooden."

Wij plaatsten ons op gelijke wijze als hij zat, tegenover den grijsaard op den grond, leiden de geweren tusschen hem en ons neder, namen eenige cigaren in de hand en reikten ze hem toe.--Hij bezag ons nu met meer aandacht en sprak: "Zijt gij geene roovers? Zijt gij Orang poetih (blanken)?--Hollanders? Het is lang, zeer lang geleden; ons dorp stond destijds nog beneden aan de kust, toen kwamen zeeroovers (Badjak's), zij overvielen ons en hebben mijne vrouw en mijne kinderen vermoord. Sedert dien tijd hebben wij ons hier hooger bergopwaarts in het woud nedergezet. Onze Oema's (rijstvelden) liggen daar ginds. Vijf jaren geleden is een Mantri (inlandsche beambte) hier geweest; hij heeft ons Bibit kopi (koffijboonen) gebragt en ons geleerd hoe wij koffij moeten planten. Daar staan de struiken. De Moesang's [33] eten de bessen op. Wij kunnen ze niet gebruiken. Wij hebben geen lust om naar de Pakamitan (hoofdplaats) te gaan. Wij hebben geen geld noodig."

De gelatenheid, de onderwerping van dezen grijsaard maakten op ons een diepen indruk. Hij was ons een toonbeeld van menschelijke waardigheid in het kleed van den eenvoudigsten natuurstaat. Daar hij vertrouwen in ons begon te stellen, waren wij de zaak spoedig met hem eens. Op ons verzoek verklaarde hij zich bereid zijne gevlugte landslieden op te sporen en terug te roepen. Wij gaven hem een onzer geweren mede, ten einde dit den vreesachtigen ten bewijze onzer vredelievende gezindheid te toonen.--Een half uurtje na zijn vertrek kwamen zij allen terug. De vrouwen slopen binnen de hutten en de mannen, benevens de grijsaard en eenige half volwassene knapen, elf in getal, zetteden zich op eenigen afstand van ons op den grond neder.--Wij gaven hun nu te verstaan dat wij, tegen ruime betaling en goede behandeling, voor een halven dag niets anders van hen verlangden dan Koelidiensten en dat wij ons naar het groote, westwaarts van hier gelegen dorp wenschten te begeven. Hun antwoord was: "Trada boleh Toean (dat is onmogelijk); daarheen leidt weg noch steg; eene vreesselijke wildernis ligt tusschen ons gehucht en het gindsche dorp, dat veel meer dan eene dagreize van hier verwijderd is." Zij verklaarden zich echter bereid, om ons eenige uren ver langs het strand in eene oostelijke rigting te geleiden--wij zouden derhalve terug moeten gaan--en ons van daar landwaarts in naar een groot dorp te brengen, waar een Pasanggrahan werd gevonden en waarheen de togt, naar hunne meening, in eene halve dagreis kon worden afgelegd. Wat stond ons nu te doen?--Wij waren ten laatste nog blijde, dat er gelegenheid bestond om van hier weder weg te komen; wij lieten derhalve ons plan om westwaarts te trekken varen en namen het aanbod hetwelk zij ons deden, aan om ons naar het naastbij zijnde, oostwaarts van hier gelegene groote dorp te begeleiden.

De tijd, dien zij behoefden om met behulp hunner vrouwen den gebruikelijken voorraad rijst, zout, Spaansche peper, benevens een paar gedroogde vischjes of eenige schildpadeijeren ten gebruike op reis in te pakken, werd door ons besteed om het kleine gehucht te gaan bezien. Het werd Bobakan-Najona geheeten. De bewoners bezaten paarden noch buffels; hunne huisdieren bestonden uit kippen, honden en vier geiten, benevens eenige geitjes. Buitendien zagen wij een aantal dikke Bamboesbuizen en uitgehoolde Arengstammen, die onder het uitstekende gedeelte der daken hingen en eene lengte hadden van 3 à 4 voet; in het voorgedeelte dezer buizen was eene opening, waar eene soort van kleine bijen die geen angel hebben en niet veel grooter zijn dan muggen, zonder het minste gegons te maken uit- en in vlogen. Deze diertjes, Selemprang (Melipona minuta), bereiden behalve honig insgelijk was (Towol), hetwelk de vrouwen bezigen bij het opbrengen van gekleurde teekeningen (Batik) op de katoenen kleedingstoffen, welke zij zelven weven. Uit dien hoofde worden zij voor huisdieren gekweekt. "Hebben wij was noodig," zeide ons een der bewoners van dit gehucht, "dan behoeven wij slechts zulk een hollen stam of Bamboesbuis vóór onze woning op te hangen, spoedig nestelt zich daarin eene talrijke zwerm bijen en binnen eenige weken is de gansche ruimte grootendeels met Towol gevuld."--Deze allereenvoudigste bijenkorven schenen ons hier regt op hare plaats te zijn. Wij zagen er in het klein het beeld in van de even zoo eenvoudige huishouding der dorpsbewoners. Zonder eenig geluid te maken, vreedzaam en weêrloos verrigten deze kleine diertjes ijverig hunnen arbeid. Even weinig geschikt om zich te verdedigen, maar niet minder stil en te vreden slijten deze Javanen hun leven hier in de eenzaamheid.--En toch scheen hun lot mij niet benijdenswaardig toe. Hoe minder behoeften: des te geringere zorg; het is waar. Waar echter weinig wordt geleden: daar geniet men ook weinig vreugde, en hoe talrijker de behoeften des menschen zijn, hoe hooger de trap van ontwikkeling is welken hij heeft bereikt, des te arbeidzamer zal hij moeten zijn en des te grooter, des te menigvuldiger zal het genot wezen, dat het leven hem kan verschaffen.--Het speet mij slechts van de arme koffijstruiken, die hier in der tijd in den allervruchtbaarsten bodem geplant waren geworden, maar uit gebrek aan toezigt en leiding tot den arbeid daar geheel verwaarloosd stonden; de vruchten hingen verdord aan de twijgen of waren afgevallen en lagen op den grond te verrotten. "Trada soeka minom--of Trada adat tanam kopi (wij drinken geen koffij--of het is bij ons geen gebruik (Adat) koffij te planten)," was het gewone phlegmatische antwoord der dorpelingen op onze vragen.

Dewijl wij toch minstens een paar volwassene mannen in het dorp moesten achter laten, bedroeg het getal Koeli's dat met ons ten 9 ure in het bivouak terugkeerde, slechts zeven; het gevolg hiervan was, dat drie van onze jongens afwisselend de Koeli's de behulpzame hand moesten bieden om onze pakkaadje te dragen, hetgeen hen echter niet verhinderde al de ledige plaatsen in de koffers en potten, zoomede hunne eigene zakken vol te stoppen met schildpadeijeren.--En honderde dergelijke eijeren werden er weggeworpen.

In den voormiddag vingen wij op die wijze den terugtogt aan en kwamen ongeveer ten 12 ure aan een gebaanden weg, welke ons in eene noordelijke rigting van het strand landwaarts in voerde; wij volgden dezen weg en bereikten ten 3 ure zeer vermoeid het schoone Tji-Inoebdal, waar talrijke groepen Kokospalmen wier toppen vrolijk in den wind ruischten, ons de ligging van even zoo vele dorpjes verrieden. Hunne in den zonneschijn blinkende en fladderende waaijers verhieven zich hoog boven het bladerendak der loofdragende vruchtboomen, waar tusschen de van Bamboes vervaardigde woningen der Javanen verborgen waren. Tusschen deze boschjes werden onder water staande rijstvelden (Sawah's) gevonden, waarin eene menigte dominé's (Ciconia capillata) met kale koppen, al pikkende naar hun lievelingskost, naar kikvorschen, met statigen tred in het rond waadden; de dames te Batavia, al is het ook dat zij niet op dominé's gesteld zijn, houden echter veel van de Maraboevederen, welke deze vogel verschaft.

Wij begaven ons naar het grootste dezer dorpen, Oegoed geheeten, dat wij weldra binnentraden. Hier was alles in dulci jubilo; de slagen van Gamelan's klonken ons luide uit meer dan een Pendopo te gemoet. Hieraan paarde zich het zachte, liefelijke geluid des Angklong. [34] Eerepoorten van helder groen loof waren hier en daar opgerigt, en in feestgewaad gedoste en opgesierde inlanders van allerlei ouderdom wandelden in het rond. Naar ons verhaald werd, vierde men den tweeden dag van eene bruiloft. De zoon van den Loerah [35] was den vorigen dag gehuwd met de dochter van een Mandor goedang kopi (opziener van een koffijpakhuis) en het scheen, dat hij juist gereed stond om nu zijn laatsten omgang door het dorp te maken.--Onze Koeli's bragten ons in den ledigstaanden Pasanggrahan, ontdeden zich aldaar zoo spoedig mogelijk van de pakken en koffers, en spoedden zich onmiddellijk daarop weder voort, ten einde deel te nemen in de algemeene vreugde. Onze jongens volgden hun voorbeeld en wij insgelijks, dewijl het er in den Pasanggrahan zoo armoedig en leêg uitzag als het geval kan geweest zijn op het drooge land tijdens de silurische formatie.

De jonggehuwden en hunne feestgenooten trokken zoo even langzaam, in plegtstatigen optogt, voorbij den Pasanggrahan en over het Aloenplein dat daar vóór gelegen is. De bruid zat in een open, bontkleurigen draagstoel (Tandoe) welke door vier rijk gekleede Javanen werd gedragen. Twee mannen gingen ter wederzijde er van; zij werden voorafgegaan door een aantal vrouwen welke groote met bloemen gevulde, geelkoperen kwispeldoors (Kembar majang) droegen. Het bovenlijf der bruid was tot aan de heupen, geheel en al ontbloot; haar aangezigt was wit gemaakt met rijstmeel (Poepoer) en hare armen, hare borsten en het overige onbedekte gedeelte van het ligchaam waren geel geverwd met Boreh; om de armen droeg zij zilveren ringen en in de ooren lange gouden versierselen. Overigens had zij ter bedekking van het benedengedeelte des ligchaams slechts een prachtig kleed, Sarong, [36] terwijl het zwarte hoofdhaar was gesierd met welriekende witte Melati- en gele Tjempakabloemen.--Hierop volgde eene dubbele rij mannen welke het Kempar majang des bruidegoms droegen. Zij gingen vooraf en hij, gedost in vollen Dodot (galakleed) volgde, gezeten op een sierlijk opgetoomd paard dat bij den teugel werd geleid door twee er nevens gaande personen. Een kostbare Sarong bedekte in wijde plooijen het benedengedeelte des ligchaams; even als dat zijner bruid was zijn bovenlijf tot aan de heupen geheel naakt en ook zijn gelaat was wit, de overige deelen zijns ligchaams geel gemaakt. Achter in den gordel waarmede de Sarong om de heup werd vastgehouden, stak de met bloemen gesierde Kris. [37] Zijn lang zwart hoofdhaar hing, insgelijks met bloemen gesierd, geheel vrij langs zijne schouders, en in plaats van den gewonen hoofddoek droeg hij een Koeloek (eene parademuts).--Dan kwamen eenige priesters (Imam's en Modin's), herkenbaar aan hunne witte hoofddoeken en aan hunne kleederdragt in het algemeen;--hierop volgden, in feestgewaad gedost, de verwanten der bruid en van den bruidegom en achter deze huppelden Angklong- en op trommels (Terbang) of bekkens (Kenong) slaande Gamelanspelers, waarna eene tallooze schaar van andere inlanders--oud en jong, mannen, vrouwen en kinderen, allen met de beste kleêren aan, den plegtigen optogt besloot.

Naar ik hoorde, begaven zij zich naar de woning van des bruidegoms vader, alwaar de bruid voor een prachtig versierd bruidsbed (Padjangan) dat te midden van het vertrek was geplaatst, moest ontvangen worden. In den Pendopo die vóór deze woning stond, waren de noodige toebereidselen voor het bruiloftsmaal gemaakt. [38]--Weinig tijds nadat wij van het Aloenplein naar den Pasanggrahan waren teruggekeerd, verscheen de Loerah aan het hoofd eener bezending, bestaande uit mannen en vrouwen die korven, groote houten schotels, drinkschalen en schenkbladen, alles gevuld en beladen met rijst, thee, suiker, velerlei soorten van vruchten en gebak van rijstmeel, suiker of honig (Koewé koewé) van verschillenden aard voor zich uit droegen. Deze lekkernijen werden ons aangeboden en op den vloer in den Pasanggrahan nedergezet, dewijl er banken, tafels, noch stoelen voorhanden waren. Bovendien werden wij door den Loerah op het bruiloftsmaal verzocht, en uitgenoodigd om later deel te nemen aan den daarop volgenden Tandak (Javaschen dans, waarbij de Gamelan geslagen wordt), voor welke eer wij echter, uithoofde van de vermoeijenissen der afgelegde reis, bedankten. Wij verzochten hem om ons voor alle dingen eene tafel en een paar stoelen of banken te bezorgen, waaraan onmiddellijk werd voldaan, en nu trachtten wij ons onder het algemeen gejubel zoo goed mogelijk in te rigten. De Javanen bragten ons spijzen en voornamelijk gebak van allerlei aard in overvloed en wij moesten bekennen dat wij, niettegenstaande de armoedige wijze waarop wij waren aangekomen--te voet, niet onder geleide van een inlandsch hoofd, met pakkaadje op de schouders van onze eigene bedienden--op eene uitstekend gastvrije manier te Oegoed waren ontvangen geworden. Bij dergelijke feestelijkheden wordt onder de Javanen het schoone beginsel ten stelregel genomen: dat niemand van allen, die in de nabijheid zijn, zelfs niet de armste Koeli, onbevredigd blijve of treurig mag wezen.

Hetgeen wij echter het meest van alles behoefden: rust, slaap, vonden wij, helaas! het minst.--Het slaan op den Gamelan, het geschal der groote Gong's, het luid gillend gezang der Ronggèng's (dansmeisjes, Bajaderen), de beweging veroorzaakt door de talrijke menigte personen in het dorp aanwezig, de herhaalde ontploffingen van raketten en ander vuurwerk, het blaffen der honden, enz., dreunde ons den ganschen nacht in de ooren. Toen ons nu den volgenden morgen werd berigt dat dit vrolijke leven (Ramé ramé) nog twee dagen en twee nachten zou voortduren, maakten wij ernstige aanstalten om de plaats te verlaten--verder te reizen en zonden derhalve boden naar den Loerah met verzoek, dat hij ons Koeli's zou verschaffen om onzen togt te kunnen voortzetten. Onze jongens kwamen echter terug met het berigt, dat het volstrekt onmogelijk was om in de beide eerstvolgende dagen Koeli's te bekomen. Wij ontboden daarop den Loerah zelf, die weldra bij ons kwam en met de beenen kruiselings op den grond zich voor ons nederzette; nu kregen wij het bevelschrift (Soerat printah) van den resident en leiden het hem voor. Maar de Loerah kon niet lezen, en--onder het maken van buitengewoon vele pligtplegingen, er bijvoegende: "dat wij het hem, zoo hij hoopte, toch vooral niet kwalijk zouden nemen"--gaf hij ons te verstaan: dat de bevelen om reizende heeren de verlangde hulp te bieden, hem vroeger steeds mondeling door het distriktshoofd waren medegedeeld, en dat het geen Adat was te reizen met zulke schriftelijke bevelen als wij hadden. Gaarne zou hij ons Koeli's verschaffen, indien wij slechts twee dagen geduld wilden hebben. Voor den oogenblik was het hem echter volstrekt onmogelijk om aan ons verzoek te voldoen; de dorpsbewoners wilden niet, en ze er toe dwingen, dat kon hij niet.

Nu gingen wij beproeven om als man met man te onderhandelen en gingen met onze jongens in het dorp rond, haalden de beurs te voorschijn en boden elken ledigstaanden of rondslenterenden Javaan dien wij aantroffen, drie, ja, naderhand zelfs vijf gulden zilver geld aan om onze ligte pakkaadje eene dagreis ver tot aan de hoofdplaats der residentie te helpen dragen; zij keken het geld eens aan, glimlachten--maar, de Ronggèng's wier stemmen hen uit den Pendopo te gemoet klonken, de welluidende slagen van den Gamelan die uit de verte weêrgalmden, de menigte vrolijke menschen die zich hier bevond, de overvloed van Koewé koewé, de prachtige optogten van bruid en bruidegom--neen! daarvan konden zij niet scheiden.--Ruim een uur lang hadden wij het dorp doorwandeld, alle mogelijke pogingen in het werk gesteld om langs den weg van overreding tot ons doel te geraken, den ganschen voorraad van ons redenaarstalent uitgeput en alle zilveren guldens en Spaansche matten die wij nog over hadden, in onzen buidel doen rammelen, maar--alles te vergeefs; geen enkele der gebezigde middelen schonk eenige baat; alle drangredenen waren verspild; wij konden geen enkelen Koeli verkrijgen. Tamelijk mistroostig en met loome schreden keerden wij terug, gingen over het Aloenplein naar onzen Pasanggrahan en stonden juist gereed de trappen die naar de voorgalerij geleidden, te bestijgen, daar vernamen wij achter ons een getrappel, wij keerden ons om en--wat zagen wij daar? een ruiter kwam met lossen teugel het dorp binnen rennen----

een tiental anderen galloppeerde hem achter na,--zoodra de voorste ruiter ons in het oog kreeg, hield hij op een afstand van 500 voet den teugel in,--steeg van zijn paard en trad in eene bukkende, onderdanige houding naar ons toe, totdat hij tot op ongeveer een tiental schreden was genaderd; daar zette hij zich op den grond neder, maakte een eerbiedigen groet en sprak, telkens zijn Sembah herhalende, de volgende woorden tot ons: "Ik vraag duizendmaal om verschooning, hooggeërbiedigde heeren! Duidt mij toch niet ten kwade, dat ik vóór vijf dagen toen ik uwen brief ontving, niet terstond zelf bij u gekomen ben. Ik wist niet, wie gij waart; sedert eergisteren heb ik u echter overal nagereisd en ben nu eindelijk zoo gelukkig geweest u te vinden. Ik smeek u nogmaals duizendwerf om verschooning! Neemt het mij toch niet kwalijk. Ik moet u vele groeten overbrengen van den heer regent. Gij kunt vijftig Koeli's krijgen, ja, honderd of, in een woord, zoo velen gij wilt. Alles is tot uwe dienst. Ik zal het mij tot groote eer en tevens tot een waar genoegen rekenen, indien het mij zal vergund worden u overal heen persoonlijk te vergezellen en--hier--is mede een brief van Toean Abingrot."

IK. Abingrot?!--Snel brak ik den brief open, zag wie de onderteekenaar er van was en daar las ik de volgende woorden:--"Uw liefhebbende broeder Avondrood."

NACHT. Wat! Avondrood? Onze oudste broeder! hier, op Java, welligt in onze nabijheid? O, welk eene vreugde, lieve broeder, hoezee!

Ik las: "Aan het meer Telaga-Nagnetap. Lieve jongste broeder! Sedert drie dagen ben ik met broeder Morgenrood" - - - Wat! is Morgenrood insgelijks hier? Welk een genoegen, welk eene verrassing! welk een onverwacht geluk, dat wij met ons vieren broeders, die elkander sedert jaar en dag niet ontmoet hebben, hier te midden dezer heerlijke natuur ons zullen wederzien!--"alhier aangekomen en heb tot mijne groote verrassing gehoord, dat gij met broeder Nacht insgelijks in deze residentie zijt. Wij vermeenden dat gij u in Banjoemas bevond en waren in twijfel, of gij werkelijk de heeren Dak en Nat (zoo als men ons de namen noemde) waart, die (gelijk verhaald werd) pogingen in het werk stelden om de Javanen te bekeeren, voetreizen maakten en een waar Koeli's leven leiden. Maar gisteren kwam het distriktshoofd van Gnodnab alhier aan, met bevelen van den regent om u op te zoeken en den noodigen bijstand te verleenen. Hij toonde mij een brief van u, en nu was alle twijfel opgeheven. Groot is onze vreugde! Wisten wij slechts waar gij ronddwaalt, dan ijlden wij u onmiddellijk te gemoet. Voorshands echter durven wij ons niet ver van hier verwijderen, want onze wakkere vriend, de resident Praktischman dien gij, beste Dag, insgelijks kent en met wien wij uit Oost-Java gezamenlijk tot aan Gnodnab zijn gereisd, heeft beloofd ons, na zijne terugkomst van Batavia, in de wildernis te komen bezoeken.--Derhalve, beste broeders, komt naar ons toe, spoedig, ijlt herwaarts naar het meer, opdat wij u omhelzen.--P. S. Wij hebben ons hutten gebouwd en plaats en levensmiddelen in overvloed voor u allen."

De inhoud van dezen brief werkte als electriseerend op ons beiden en Nacht was zoo opgetogen op het vernemen van dit onverwachte berigt, dat hij het goedhartige distriktshoofd van vreugde in zijne armen sloot; deze echter wist naauwelijks hoe hij zich moest houden, want het ontvangen eerbewijs--eene openbare schending van den Adat--had hem geheel en al van zijn streek gebragt. Hij gaf ons zijn verlangen te kennen, om zich gedurende eenige oogenblikken te verwijderen; hij ging heen, wij gebruikten onze koffij en tot onze niet geringe verwondering zagen wij, dat het Aloenplein in minder dan tien minuten, als door tooverij, met--Koeli's om zoo te zeggen bedekt geraakte, die zich ter wederzijde van het middenpad met de beenen kruiselings over elkander in eene lange rij op den grond nederzetteden.--Dat was de tooverkracht der Argumenta ad hominem die alleen het distriktshoofd scheen te kennen, dewijl onze drangredenen kort te voren bij zijne landslieden niets hadden uitgewerkt. Onze jongens echter, die in het moeijelijke "Koelileven" in het maken van voetreizen volstrekt geen behagen vonden, mogten zich verheugen dergelijke aanstalten te zien maken, die hun het nabij zijnde einde van de Soesah soesah [39] verkondigden. Want in langen tijd hadden wij hen niet zoo druk in de weer gezien. Zij maakten niet weinig haast, deelden luid hunne bevelen uit, pakten onze goederen in, droegen het eene stuk na het andere den trap af naar het plein,--de Koeli's die daar zaten, sprongen op en wedijverden! om de eer, wie een gedeelte van onze pakkaadje het eerst opnemen en wegdragen zou; ja, meer loopende dan gaande spoedden zij zich met hunne lasten het dorp uit;--want de Heer baron (of Raden) distriktshoofd Praba Widjaja Kadoekareksa, enz., enz., gedost in galakostuum, met de Kris in de gouden scheede gesierd, trad daar zoo even weder op het tooneel en deelde zijne bevelen uit, waarop (onder het telkens en herhaald maken van Sembah's) een getrouwe echo, ja, ja, ja, ja,--weêrklonk.