Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java
Part 21
daar steeg het zinnebeeld van het geloof, de zachte, dweepzucht kweekende maan voor ons op, en toen zij hare eerste stralen wierp over het loof der boomen en een gering gedeelte van het Aloenplein bescheen, werd ons gemoed vervuld met een troostend gevoel dat, als het ware door dien straal gewekt, oprees tot de oorzaak die het had doen geboren worden.--"Een band moet toch aanwezig zijn welke al deze millioenen van levende wezens zaâmverbindt; Eene van alles bewuste ziel, Een God moet boven allen leven!--Ja, in den glans der zon, in het schemerend sterrelicht, in het zachte schijnsel der maan, in de wonderbaarlijke harmonie welke al dat leeft in de natuur omvat,--in ons eigen boezem ligt Uwe openbaring!--Alwetende! Uwe wereld is schoon!"
Het insektengegons was grootendeels verstomd;--slechts het kleppend geluid der Kaprimulgen die nu verzadigd op boomtakken zaten, liet zich in het stiller geworden woud nog hooren, toen wij omstreeks middernacht, zonder een woord te spreken, maar opgetogen van bewondering over de grootheid der natuur, den geest vervuld met denkbeelden die dit alles bij ons had doen oprijzen, in stilte naar onze legerplaats terugkeerden.
Op den volgenden dag. Dewijl de Loerah van het dorp afwezig was (hij bevond zich met velen zijner onderhoorigen ter bruiloft in een nabij gelegen dorp), hadden wij het alleen aan de tusschenkomst van den Djoeragan Mandor (opziener) der vogelnestholen te danken, dat wij Koeli's konden bekomen om onze reis voort te zetten, namelijk, de vogelnestplukkers die nu geen werk hadden. Deze wilden echter de gewone Koelidiensten alleen onder de voorwaarde verrigten, dat zij een veel hooger loon zouden ontvangen; waarschijnlijk zouden zij ook dit van de hand hebben gewezen, indien zij ten gevolge van hunne verslaafdheid aan het Afioen-(opium)rooken, niet meer behoefte aan geld hadden gehad dan hunne landslieden. Wij waren verpligt het hun vooruit te betalen, ten einde hen in de gelegenheid te stellen een nieuwen voorraad Madat [28] op te doen.
Onze togt ging gedurende den ganschen dag langs de kust, welke door mij moest opgenomen worden, terwijl mijn broeder Nacht alle nieuwe of zeldzame voorwerpen die wij aantroffen, verzamelde. Wij kwamen daarbij slechts aan een enkel klein dorpje, alwaar wij het ontbijt nuttigden en zetteden vervolgens onze reis voort totdat wij, tegen 4 ure in den namiddag, door vermoeijenis genoodzaakt waren halt te houden en naar eene geschikte plek om te zien, in welker nabijheid vlietend water moest gevonden worden, om ons bivouak te kunnen opslaan. Nog eene halve dagreis verder westwaarts van hier moest een groot dorp nabij de kust liggen, hetwelk wij gaarne den volgenden voormiddag wenschten te bereiken, om van daar in eene noordelijke rigting naar het binnenwaarts gelegene hoogland door te dringen.--Wij kozen tot ons nachtkwartier de oostzijde eener kaap, der Tandjoeng-Gnodos, in welker nabijheid eene kristallijnen beek zich in zee ontlastte. De streek waar wij ons bevonden, was zeer woest. Verbazend uitgestrekte oorspronkelijke wouden reikten van het hooge gebergte tot aan de kust zonder ergens afgebroken te zijn, ja, zij baadden hunne afhangende twijgen in de baren, zoodat slechts op enkele plekken, voornamelijk op den achtergrond der kleine inhammen, een smal zandig strand overbleef dat niet met woudgeboomte was bedekt. Waarheen wij het oog mogten wenden, van verre noch van nabij, nergens liet zich eenig spoor van menschelijke bedrijvigheid ontdekken.--IJlings werden nu de noodige aanstalten gemaakt tot het opslaan van ons bivouak; onze jongens en de Koeli's kapten takken van het naburige geboomte, bouwden hutten, lagen vuren aan en ik begaf mij, vergezeld van mijn broeder Nacht en twee Javanen, verder westwaarts heen, ten einde de gesteldheid der omstreken te leeren kennen. De kaap of uitstekende spits (Tandjoeng, in het Maleisch Oedjoeng) was het uiteinde eener van het gebergte afdalende rib en vormde een vlakken bergrug, welke zich misschien ongeveer ter hoogte van 15 à 25 voet boven het strand der aangrenzende bogten verhief. Vele dergelijke, iets lager of hooger rijzende Oedjoeng's reikten hier in deze streek, tusschen vlakker afloopende kleine bogten, een eind weegs in zee en waren allen met woudgeboomte bedekt.
Toen wij aan de overzijde der kaap waren aangekomen en uit het woud te voorschijn traden, hadden wij een merkwaardig schouwspel voor oogen. Het strand dat tusschen deze en de eerstvolgende kaap lag ingesloten, had den vorm eener halve maan, was geheel dor en kaal en rees met eene zeer zachte glooijing opwaarts, tot op een afstand van ongeveer 500 à 700 voet van het strand der zee, waar het zich eindigde en in zandheuvelen overging; aan de landwaarts gekeerde zijde dezer heuvelen verhief zich, in de onmiddellijke nabijheid er van, weder het woud dat zich verder onafgebroken tot diep in het steeds hooger rijzende gebergte uitstrekte. Dit kale en vlakke zandstrand (de kust eener bogt) had welligt eene lengte van driekwartier uurs.--Hoog boven onze hoofden zweefden roofvogels (Falco- of Haliaëtos-soorten) en beschreven kringen in de lucht, en op het strand lagen honderde beenderen en ontzaggelijk groote schilden van schildpadden, deels gebleekt, deels donkerkleurig, als op een slagveld verstrooid in het rond.
Het was een woest tooneel. Door verbazing en nieuwsgierigheid geprikkeld, klommen wij naar beneden en wandelden op het dorre strand tusschen de geraamten heen. Hier vielen ons terstond eene menigte sporen van tijgers en kleinere dieren in het oog, waarvan de indrukken vooral in de nabijheid der zee, waar het zand ten gevolge van zijne vochtigheid gladder en vaster was dan hooger strandwaarts op, zeer duidelijk waren. Ter regter zijde van ons naar den kant der heuvelen, in welke rigting de kust met zeer zachte en gelijkmatige glooijing oprees, werd het zand allengs losser en drooger; aldaar was het op vele plaatsen omgewroet, oneffen, hier en daar in hoopen opgeworpen, waar tusschen trogvormige laagten werden gevonden en het scheen, dat dieren van verschillende soort aldaar den wildsten strijd met elkander hadden gestreden.--Deze gansche strandvlakte was als bezaaid met beenderen en schilden van schildpadden; binnen het bereik van ons oog telden wij, tusschen de verstrooid liggende beenderen, verscheidene tientallen geheele schilden en zeer zeker mag aangenomen worden, dat hun aantal over het gansche strand verspreid, verscheidene honderden bedroeg. Het meerendeel werd gevonden op het verst van de zee verwijderde gedeelte der kust, aan den voet der heuvelen; hetgeen ons het meest verwonderde was, dat zij allen omgekeerd, op den rug lagen. Het waren schilden van den reuzenschildpad (Chelonia Mydas, zeldzamer Ch. imbricata) welke, naar evenredigheid hoog en breed, eene lengte hadden van 3 tot 5 voet. Eenigen hadden reeds lang daar gelegen en waren door den invloed van zonnelicht en regen geheel uitgebleekt en glad; anderen waren donkerder van kleur en aan de binnenzijde nog voorzien van lappen verdroogd vleesch, ja, verscheidenen werden er gevonden, die nog vrij versch waren; met opgereten buikschild en op een aanmerkelijken afstand omringd met verscheurde, stinkende ingewanden lagen zij hier op het zand. Op onderscheidene plekken zagen wij lange, regte sporen, als het ware banen ter breedte van 3 à 4 voet, die uit twee nevens elkander evenwijdig voortloopende groeven bestonden, in het midden waarvan een zwaarder ligchaam over het zand scheen gesleept te zijn geworden. Deze sporen vingen aan bij den zoom van het strand en strekten zich, tusschen de geraamten heen, in eene lijnregte rigting uit tot aan den voet der heuvelen. De twee Javanen die bij ons waren, schenen dit verschijnsel te kennen, want zij hadden een der sporen gevolgd en riepen ons van de heuvelen, waar wij hen bezig zagen met het zand om te wroeten, op vrolijken toon toe: Tampat telor, telor! (een nest met eijeren!)
De heuvelen waren werkelijke zandduinen, die in de onmiddelijke nabijheid van den voet van het gebergte oprezen. Over dit drooge, helderkleurige zand kropen hier en daar lange ranken van Daon katang (Convolvolussoorten) welke met groote, roodachtig blaauwe bloemen waren gesierd, die zij aan dunne stelen droegen; op andere plekken was het zand kaal of slechts begroeid met eene stekelige kruipende grassoort, Djoekoet lari lari (Spinifex squarrosus). Van den schedel der duinen echter blikten, behalve Babak goan (Tournefortia argentea) en andere boompjes, de weligste bladerenbossen van Pandaneën op ons neder. Aan den voet dezer duinen vonden wij op eene enkele plek, in een nest, op eene geringe diepte onder het zand bedolven, meer dan honderd kogelronde eijeren; zij waren witachtig bleek van kleur, hadden de grootte van een kleinen appel en eene weeke, perkamentachtige schaal.--Die lange banen waren derhalve sporen van reuzenschildpadden die, uit den boezem des oceaans opgestegen zijnde, hier 500 à 700 voet ver over het strand kruipen, ten einde hare eijeren te leggen in het zand aan den voet der duinen, terwijl zij het uitbroeijen er van over laten aan de koesterende stralen der zon?!--En op dezen korten togt te land, welken zij misschien slechts een paar malen 's jaars ondernemen, worden zij door roofdieren aangevallen?-- --
Wij besloten den avond hier te komen doorbrengen, ten einde te bespieden hetgeen er zou omgaan, namen zoo vele eijeren mede als wij bergen konden en keerden vervolgens naar ons bivouak terug. Het kustwoud dat zich op de kaap verhief, had eene gansch andere physiognomie als het bosch dat op de duinen voorkwam; het bestond bijna uitsluitend uit Kiboenagaboomen (Calophyllum inophyllum), waarvan het levendig groene, blinkende loof ter hoogte van 30 à 40 voet boven den grond [29] tot een digt schaduwdak zich vereenigde. Duizende witte bloemen welke dit schoone loof versierden, balsemden de lucht met de welriekendste geuren. Vele oude stammen verdeelden zich reeds op eene geringe hoogte boven den grond in kolossale takken, die zich wijd en zijd naar alle kanten uitstrekten en met hun neêrwaarts gebogen loof tot aan den grond reikten. Op dergelijke horizontale takken, ongeveer 7 à 8 voet boven den grond, hadden de Javanen onze en hunne slaapplaatsen bereid. Afgekapte twijgen waren tot dat einde in eene dwarse rigting op de hoofdtakken nevens elkander gelegd en deze bedekt met dunne reisjes en bladeren; beneden tusschen de boomstammen waren vuren rondom aangelegd. Eenigen onzer Javanen hadden, namelijk, Krokodillen, Boeaja (Crocodilus biporcatus) voor de monding der beek bespeurd; gelijk bekend is, verlaten zij des nachts hun vochtig element en sluipen langs het strand rond; dit gedierte is nog gevaarlijker dan de tijger, uithoofde van het harde pantser hetwelk zijn ligchaam bedekt.--Eene dergelijke zitplaats hoog boven den grond, waar wij tegen gevaar beveiligd waren, lieten wij nu ook in een Kiboenagaboom gereed maken, welke aan den zoom des wouds, nevens het beenderenveld stond; nadat wij onzen maaltijd hadden genuttigd, waarvan de smakelijke schildpadeijeren de hoofdschotel hadden uitgemaakt, bestegen wij omstreeks 6 ure den boom.--De overige Javanen hadden den last ontvangen om, bij het eerste schot dat zij zouden vernemen, zoo spoedig mogelijk met fakkelen (brandende takken en lange stukken hout) naar de plek te ijlen, waar wij ons hadden verscholen.
Wij loerden. De avond viel.--Wij zagen eerst een, vervolgens verscheidene schildpadden hun vochtig element verlaten;--zoodra zij in zoo verre op het drooge stonden, dat nog slechts een ligte golfslag der branding haar bereikte, stonden zij een oogenblik stil, strekten haren langen hals strak vooruit en in de hoogte, wendden haar eenigzins ter zijde, wierpen een bespiedenden blik in het rond en--kropen dan in eene lijnregte rigting tamelijk snel zonder ophouden over het strand of, beter gezegd, schoven zich met hunne zwempooten voorwaarts en ijlden langs den kortsten weg naar den voet der heuvelen. Uithoofde van de toenemende schemering konden wij naauwelijks een vierde gedeelte van het strand in de lengte gerekend overzien, maar voor zoo verre wij de voorwerpen nog onderscheidenlijk konden waarnemen, zagen wij vier dergelijke donkere plompe ligchamen die zich over de strandvlakte heenschoven. Geen geruisch trof ons oor, dan de doffe toon der klotsende branding. Daar hoorden wij eensklaps iets plassen en klateren beneden ons,--het was veel langer dan eene schildpad en kroop veel behendiger dan deze over het strand,--het was een krokodil ter lengte van minstens 15 voet, die eene prooi zocht? en nu insgelijks al waggelend naar den voet der heuvelen ging. Doodstil, met ingehouden adem, vestigden wij de blikken op het voor ons liggend tooneel.--In de verte kroop een schildpad terug en verdween in de zee.--Het duurde niet lang of in de onmiddellijke nabijheid van de plaats waar wij ons bevonden, keerde insgelijks een donker ligchaam van de heuvelen zeewaarts en naderde ons meer en meer,--maar nog had het de helft des wegs niet afgelegd, toen plotseling uit het naburige woud een groot aantal dieren te voorschijn snelde; aanvankelijk gaven zij niet het geringste geluid van zich, maar op den oogenblik dat zij den schildpad bereikten, lieten zij een snuivend, kort afgebroken gehuil hooren, terwijl zij in een oogopslag het dier omsingelden en op de woedendste wijze aangrepen. Naar onze schatting waren er minstens een dertigtal aanvallers. Zij pakten hun slagtoffer bij den kop, den hals, bij de als vinnen gevormde pooten, bij den staart, aan het achterste, trokken en scheurden het de stukken van het lijf, draaiden het in een kring rond en verrieden door hun fijn en schor klinkend gesnuif dat stootgewijs werd uitgeblaft, de ijsselijkste vraatzucht of bloeddorstigheid. Zij gingen als razenden te werk en schenen den krokodil volstrekt niet te bespeuren, die daar--stil, met ligten, zachten tred--even als een Tjitjak welke aan den wand van een vertrek vliegen vangt, op zijn buik kwam aankruipen--al nader en nader,--vervolgens eensklaps, als een pijl uit een boog, voorwaarts schoot en al twee of drie van de huilende honden tusschen zijne vreesselijke kaken had verbrijzeld, alvorens de anderen het bemerkten, doch die eindelijk eensklaps tot op zekeren afstand uit elkander stoven.
Het waren Andjing adjag's (Canis rutilans), zoogenaamde wilde honden die in troepen vereenigd leven, kleiner zijn dan wolven, maar veel vraatzuchtiger en wilder mogen genoemd worden dan deze. Wel was de schildpad nog niet dood, maar zij had reeds te veel geleden om zich te kunnen verwijderen; de krokodil, die waarschijnlijk eene goede vangst had gemaakt, trok zeewaarts af. [30]--De Adjag's wierpen zich nu van alle zijden andermaal op hunne prooi, vielen haar met vereenigde krachten aan en schenen druk bezig om haar de schilden uiteen te rijten. Ik lag mijn geweer aan en stond gereed om los te drukken, toen een der Javanen de hand op mijn arm lag en mij eenige beteekenisvolle woorden toefluisterde.--Zijn scherp oog had de gedaante, welke uit het duistere woud te voorschijn was getreden reeds bespeurd; zij stond daar, hield stil, keek op, liet de vlammende blikken over de schouwplaats gaan, leide zich op den grond neder en--viel plotseling met een verbazenden sprong te midden van de honden,--een vreesselijk ratelend gebrul dat uit het diepste van de keel scheen op te komen, werd daarbij vernomen en de Adjag's stoven, als door een panischen schrik bevangen, naar alle zijden uiteen. Onder het slaken van een meer fluitend dan knorrend gehuil, snelden zij ijlings terug naar het woud en de tiran der wildernis, de koningstijger die ten tooneele was getreden, sloeg zijne klaauw ten teeken van verwinning op het schild van het voor hem liggende dier.--Een tweede, kleinere tijger, welligt een panter, sloop insgelijks nader; de eerste wendde zich knorrend, blazend om,--ik lag het geweer aan, drukte los en de knal van het schot weêrklonk in den stillen avond heinde en verre door het gebergte. De strijd der reuzenschildpadden, krokodillen, wilde honden en tijgers had voor ditmaal een einde.
Bijna gelijktijdig met mij had insgelijks mijn broeder Nacht een schot gedaan. Onder het loofgewelf van den boom in welks takken wij gezeten waren, was het echter reeds veel te donker geworden om ergens goed op te kunnen aanleggen, hoewel wij de omtrekken der voorwerpen die zich voor ons op het kale, helderkleurige strand bevonden, nog tamelijk goed konden onderscheiden. Wij hadden mis geschoten--of althans geene doodelijke wond toegebragt, want de beide tijgers waren gevloden. Wel konden wij nog twee schoten uit onze geweren doen, maar wij achtten het evenwel voorzigtiger, de beide loopen op nieuw te laden en waren juist bezig van den boom af te klauteren, toen de Javanen die in ons bivouak achter gebleven waren en de twee schoten gehoord hadden, onder een luid geschreeuw! op ons toesnelden en het gansche tooneel met de brandende stukken gekloofd hout verlichtten, die zij mede bragten. In de nabijheid der schildpad vonden wij een dooden Adjag; was het leven van het eerstgenoemde dier nog niet geheel uitgebluscht, het had echter vreesselijk geleden en werd nu door de Javanen met hunne Gòlok's [31] voor goed afgemaakt. Dewijl zeeschildpadden kop, noch pooten onder het schild kunnen terugtrekken, vallen zij niettegenstaande de buitengewone grootte en stevigheid van dit middel ter harer bescherming, gemakkelijk ten prooi zelfs aan zulke roofdieren, die veel kleiner zijn dan zij, wanneer deze (zoo als hier de wilde honden) hen in grooten getale te gelijk aanvallen. Dit verschijnsel verklaart tevens eenigermate van waar die groote menigte geraamten en schilden haren oorsprong heeft, welke dit woeste strijdperk van elkander vernielende dieren bedekt. Dat gedeelte van het vleesch en der ingewanden hetwelk wilde honden, tijgers, panters en krokodillen laten liggen, nadat zij het buikschild hunner slagtoffers uiteen gereten en des nachts alles met geweld er uitgescheurd hebben, wordt den volgenden dag door zeeadelaars en andere roofvogels verslonden, en steeds ziet men verscheidenen hoog in de lucht boven dit oord rondzweven.
Zeer verwonderden wij ons op het zien, dat de reuzenschildpad reeds omgekeerd was en met haar (gedeeltelijk opengereten) buikschild naar boven lag; wij konden echter niet beslissen of dit het werk was van den tijger, dan wel of zulks reeds vroeger door de vereenigde krachten der wilde honden was geschied. De Javanen beweerden dat het laatstgenoemde het geval was.--Wij sloegen de touwen onzer Pikalan's om de schildpad en bevestigden deze aan drie Bamboesstaken; zij was zoo zwaar dat zes Koeli's, waarvan er drie ter wederzijde gingen die de Bamboesstaken op hunne schouders namen, al hunne krachten moesten inspannen om den last te torschen. [32] In het bivouak gebragt zijnde, werd het dier afgehakt; het leverde ons niet slechts kostelijk vleesch op en wel in zulk eene hoeveelheid, dat minstens vijfmaal zoo veel personen als wij sterk waren, er zich aan hadden kunnen verzadigen, maar insgelijks eene ontzaggelijke menigte nog zeer kleine, jonge eijeren, ter grootte van eene hazelnoot of iets grooter; deze bestonden geheel en al uit doijer, werden in de soep gekookt en verschaften ons een uiterst smakelijk voedsel.
Een gedeelte van den nacht bragten wij al wakende aan het wachtvuur door; terwijl wij ons onledig hielden met de behandeling van verschillende onderwerpen, kwam het gesprek mede op de wet der doelmatigheid welke zich in de natuur laat waarnemen. Zou het louter toeval zijn, dat eene zeeschildpad op eenmaal zulk een groot aantal eijeren, meer dan honderd stuks te gelijk legt? Zouden wij zoo iets kunnen gelooven, nu wij nog zoo kort geleden hadden gezien hoe groot het getal harer vijanden is zelfs onder de landdieren, welke op de eijerenleggende moeder loeren,--wij, die wisten dat het meerendeel der gelegde eijeren verloren gaat, doordien kleine viervoetige roofdieren, zelfs apen en, in bewoonde oorden, de mensch ze begeerig uit het zand opdelven en weghalen, en dat een ander gedeelte der eijeren bij somber regenachtig weder volstrekt niet wordt uitgebroeid?--Waarom echter aan dit dier zoo talrijke vijanden zijn gegeven, deze vraag kunnen wij niet oplossen, tenzij zulks is geschied met het doel om de grootst mogelijke verscheidenheid des levens met de eenvoudigste middelen te bereiken. Maar door de groote menigte eijeren die niet allen verloren kunnen gaan, is toch voor de instandhouding der diersoort gewaakt, welke ongetwijfeld zou uitsterven, indien het getal eijeren slechts tien in plaats van honderd bedroeg, of indien er zelfs niet 10, maar (even als dit met het jongen bij olifanten en tijgers het geval is) slechts 1 ei werd gelegd!--In den harmonischen zamenhang der verschijnselen, in de zoo veelvuldig aaneengeschakelde tooverketen van oorzaken en werkingen, waar het eene om den wille van het andere bestaat, het een van het andere afhangt, laat zich een redelijk plan waarnemen; onmogelijk kan dit het werk zijn eener blinde noodzakelijkheid. Wel is waar, het einddoel der schepping te begrijpen gaat boven onze bevatting; maar dewijl zoo veel redelijkheid doorstraalt in de middelen welke tot dit doel moeten leiden, hoe zouden wij dan er voor kunnen duchten, dat het einddoel niet redelijk zou zijn?--Zulke denkbeelden bezielden ons en zelfs de nachtelijke strijd der dieren, het woeste, schijnbaar stelsellooze dooreen woelen en werken der organische krachten, was niet in staat ons geloof aan het bestaan van een hoogste redelijk wezen aan het wankelen te brengen. Neen, wij hadden besloten om dit geloof steeds inniger aan te kweeken en vaster wortel te doen schieten in onzen boezem, opdat de overtuiging van het aanwezen van een levenden God ons troost zou schenken in alle rampen, in alle voor ons onbegrijpelijke gebeurtenissen des levens.
Daar alles voortdurend stil bleef in het woud, begaven wij ons eindelijk ter rust. Den volgenden morgen werden wij echter zeer vroegtijdig door onze jongens gewekt, die ons het onaangename berigt meêdeelden dat--al onze Koeli's waren weggeloopen. En dit was werkelijk het geval. Ten einde zich niet in de noodzakelijkheid gebragt te zien om nog verder met ons mede te gaan, hadden zij zich allen uit de voeten gemaakt, en nu zaten wij hier met onze instrumenten en koffers geheel alleen in de wildernis onder schildpadden, wilde honden, tijgers, krokodillen en apen, wilde stieren, rhinocerossen en panters!
Wat moesten wij nu aanvangen?--"Bidden!" zou hierop welligt een bedienaar van het Christelijke Evangelie hebben geantwoord. Wij hadden echter een waardiger denkbeeld van de grootheid en de wijsheid Gods om te kunnen gelooven dat Hij, ter gunste van een enkelen of van eenige weinige menschen, eene verandering in zijne natuurwetten maken en "wonderen" zou verrigten,--dat hij zich misschien aan een tiental Koeli's in den droom zou openbaren of in een brandenden doornbosch of in eene lichtende wolk aan hen zou verschijnen en hun bevelen: zich zoo snel mogelijk naar Tandjoeng-Gnodos te begeven.--God werkt slechts door middel der natuurkrachten die hij in het wezen heeft geroepen en naar wetten die onveranderlijk zijn. Ja, het is juist de eeuwige, onwankelbare trouw dezer wetten, welke den mensch, zoodra hij ze heeft leeren kennen, met vertrouwen vervult; deze bestendigheid en onverbiddelijke consequentie der natuurwetten is het alleen, waardoor het aan beschaafde volken mogelijk is geworden zich op te voeren tot dien trap van ontwikkeling, van kunst en wetenschap, waarop zij thans staan. Niet het bidden, maar de kennis van de natuurwetten heeft hen op die hoogte gebragt.