Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java
Part 20
Tegen den avond hielden wij ons onledig met het in orde brengen van onze verzamelingen, die wij met menige zeldzame plant, menig schelpdier en insekt hadden verrijkt. De hittegraad der lucht was in onze Bamboeswoning allengs van 87° tot op 82° Fahr. verminderd, maar scheen niet lager te willen dalen. Deze aanmerkelijk hooge warmtegraad welke hier jaar uit jaar in bijna zonder afwisseling heerscht, die daarenboven gepaard gaat met eene groote mate van vochtigheid des dampskrings, had op den allervruchtbaarsten bodem welke deze streek bedekt, zulk eene weelderigheid in het planten- en dierenrijk ten gevolge, dat een bewoner van een noordelijker klimaat zich daar van ter naauwernood een denkbeeld kan vormen. Waarheen wij onzen blik lieten weiden, in het water, in de lucht, op de aarde, in het kleinste reetje hetwelk het oog kon ontdekken, allerwege ontmoette men de menigvuldigste sporen van leven en ontwikkeling.--De kamer die wij tot ons nachtverblijf hadden gekozen, waren wij niet in staat te betrekken, dan nadat wij alvorens eene kolonie ontzaggelijk groote kikvorschen (Kòdok) hadden verjaagd, die echter telkens terugkeerden om ons het bezit op nieuw er van betwisten; zij sprongen zeer behendig tegen den vier voet hoogen ladder op en de deur van den Pasanggrahan in, die zoo hoog boven den grond op palen stond. Uit het hoogste gedeelte van onze woning klonk ons het gepiep in het oor van vledermuizen (Lalaï) die daar ter plaatse, waar zij den dag in rust doorbrengen, bij wijze van groote zwarte klompen aan de nok van het dak hingen. Langs de wanden en aan de zoldering (alleen het middenvertrek van het huisje was hiervan voorzien) liepen tientallen van Tjitjak's (Hemidactylus fraenatus, kleine grijsachtige hagedissen) in het rond, allerliefste diertjes die ons door hunne behendigheid buitengewoon vermaakten; zij waren, namelijk, druk bezig met het vangen van vliegen en muggen, die ons voortdurend al gonzende langs de ooren vlogen. In de reten der wanden huisden schorpioenen (Buthus cyaneus), waarvan onze jongens er verscheidenen vingen. Minder aangenaam dan de stille schorpioenen en de evenmin geluidgevende, nuttige Tjitjak's, waren voor ons de Toké's (Platydactylus guttatus), namelijk hagedissen ongeveer ter lengte van een voet, die met hunne geel en bruin gevlekte huid ons afschuw inboezemden; want zij verriedden hunne aanwezigheid in de woning met luider stem en riepen ons, telkens een tiental keeren achtereen, hun "gek-koh, ghék-koo"--allengs op meer slependen toon en somtijds op drie verschillende plaatsen te gelijk uit de daksparren toe, hetgeen niet zeer geschikt was om ons een rustigen nacht te gemoet te doen zien.
Nadat wij ons werk voor dezen dag hadden ten einde gebragt, zetteden wij ons op het kleine Aloen aloenplein [25] van het naburige dorpje dat slechts door eene groep vruchtboomen van onze woning was gescheiden, in de verkwikkende schaduw neder, ten einde ons te verlustigen in de stille beschouwing van het omringende tooneel. Onze jongens hadden onder den Weringinboom eene bank van Bamboes voor ons geplaatst; sommigen hunner hadden zich op den grond nedergevleid, waar zij vertrouwelijk met de kinderen uit het dorp speelden of zich met hun gesnap vermaakten; anderen waren in den Pasanggrahan achter gebleven. Aan alle zijden was de kleine opene plek van nabij door het omringende woud ingesloten; in de onmiddellijke nabijheid van het plein bestond dit woud uit aangeplante of vruchtboomen, tusschen wier stammen de bruinachtig gekleurde hutten der inboorlingen ons in het oog vielen. Boven het heldere groen der reusachtige Pisangbladeren welke zich op vele plaatsen tot aan de nok der kleine woningen verhieven, zag men het donkere loofgewelf der Manggisboomen (Garcinia Mangostana) of der Mangifera indica met hare goud-gele appelen;--ginds stond een Ramboetanboom (Nephelium lappaceum) welks takken onder den last der roodachtige vruchten zoo zeer waren gebogen, dat zij tot aan het dak van het nabij zijnde huis afwaarts hingen; hier zag men de vruchten van een Nangkaboom (Artocarpus integrifolia) welke de grootte van eene pompoen bereiken, of de groote getande bladeren van een broodvruchtboom (A. incisa) en op eene andere plaats breidde de Wol- of Kapokboom (Gossampinus alba) zijne horizontale takken uit. Nog vele tientallen van andere kultuurboomen stonden hier tusschen de reeds genoemden en vormden met hunne gezamenlijke kroonen het algemeene loofdak van het dorp, waarboven de regte, dunne stammetjes van talrijke Kokos- en Pinangpalmen met de bladerenpluimen welke den top er van sierden, zich verhieven. Hoog boven het loofdak ruischte de wind in de toppen dezer palmen, die nog in de heldere zonnestralen blonken, toen de schaduwen der loofboomen zich reeds over het gansche Aloen aloenplein hadden verbreid.
Reeds op een geringen afstand der woningen en kleine rijstpakhuizen (Loembong) welke er nevens stonden, strekten de vruchtboomen van het dorpje hunne takken uit tusschen het loof van het oorspronkelijke woud, waarmede zij zich zoo broederlijk vereenigden, dat geene grens tusschen deze beiden kon worden waargenomen. Met behulp van onze Javasche jongens hadden wij, binnen weinige uren, van meer dan 50 verschillende boomsoorten van dit woud bloeijende en vruchtendragende takken verzameld, maar op die wijze zekerlijk den rijkdom aan vormen nog niet half uitgeput. Tjempaka- en Manglitboomen (Michelia-, Uvariasoorten en andere Anonaceën), benevens Kiaraboomen (Ficussoorten) wier loofkroonen zeer digt en breed van omvang zijn, kwamen het menigvuldigst in deze streek voor, waar tusschen echter insgelijks vele Myrtaceën en Rubiaceën werden gevonden. Enkele Karet- of Kolelètboomen (Ficus elastica) wier witkleurig melksap, blootgesteld aan den invloed der lucht, zeer spoedig hard wordt en het bekende gomelastiek vormt, verhieven zich zoo hoog boven het loofdak der overige boomen dat wij hunne kroonen, zelfs hier van het Aloen aloenplein, onderscheidenlijk konden waarnemen. Vele grijze apen, Monjet (Cercopithecus cynomolgus) schommelden zich hier en daar in de takken dezer boomen, ja, zij werden er in de onmiddellijke nabijheid van het dorp gezien, waar zij gaarne komen snoepen van de Pisang's en andere zoete vruchten--en groot was het tal van verschillende soorten van vogelen die in snelle vlugt in het rond zwierden, of hunne aanwezigheid in het loofgewelf slechts door hunne stemmen of hun pikken verrieden.--Zoo zaten wij daar verdiept in de beschouwing dezer overrijke natuur, die menige sluimerende gedachte in onze ziel deed ontwaken.
DAG. Zijt gij met mij niet van gevoelen, broeder, dat het karakter van een volk, zijne zeden, gewoonten en gebruiken voor het grootste gedeelte afhankelijk zijn van het eigenaardige karakter der natuur waarin de mensch leeft,--van het uitwendige dat invloed op zijne zinnen uitoefent, van de vormen der bergen en dalen, van de gedaante der planten welke hij onder de oogen heeft, van woud en beemden, van den bewolkten of helderen hemel, van water en lucht, van de gestalte der dieren die zich om hem bewegen, en van de rust welke hij in de hem omringende landstreek ziet heerschen, of van de omkeeringen die hij voor zijne blikken ziet plaats grijpen?
NACHT. Ongetwijfeld geloof ik dat de uitwendige natuur een krachtigen invloed uitoefent op het gemoed des menschen en dat, indien de indruk door de natuur te weeg gebragt, aanhoudend blijft bestaan en van 's menschen jeugd af tot in lateren leeftijd voortduurt, zij eene uitwerking op hem kan hebben, die zich in bepaalde gewoonten en karaktertrekken openbaart. Kon een jong Javaasch kind in het land der Samojeden of der Eskimo's opgroeijen, dan zou het een Eskimo van karakter worden,--of omgekeerd indien een Samojeedsch embryo in de Javasche natuur tot ontwikkeling kwam, zou er een Javaan uit worden. Aan de andere zijde ben ik van oordeel, dat de invloed welke de buitenwereld op het karakter eens volks uitoefent, slechts dan aanmerkelijk kan zijn, in geval dat volk nog op den eersten trap van ontwikkeling staat, terwijl daarentegen een volk dat reeds tot een hoogeren trap van ontwikkeling is gestegen, zich boven de natuur verheffen, zich van haren invloed onafhankelijk maken kan. Bij een dergelijk volk toch bekleedt de opvoeding der jeugd eene gewigtige plaats; zij vormt als het ware een scheidsmuur tusschen den mensch en de natuur, welke echter bij een minder ontwikkeld volk niet in die mate voorhanden is.
DAG. In zeker opzigt ben ik dat volkomen met u eens. Een beroemde Duitsche dichter zegt niettemin: "Niemand wandelt ongestraft onder palmboomen en gewisselijk veranderen de zeden in een land, waar olifanten en tijgers inheemsch zijn."--Er bestaan weinige voorbeelden van beschaafde volken, die zich blijvend "onder de palmboomen," hebben neêrgezet. Wij Hollanders laten onze kinderen in Europa opvoeden en zijn geene eigenlijke kolonisten op Java.
NACHT. Welligt zweefden aan Göthe, toen hij deze woorden ter neder schreef, de volken van Spaansche afkomst voor den geest, die waarlijk niet mogen geacht worden een uitstekend voorbeeld te zijn ten bewijze, dat de meer ontwikkelde mensch zedelijk onafhankelijk is van de hem omringende natuur.
DAG. Voor den oogenblik de zedelijke zelfstandigheid van den ontwikkelden mensch in alle klimaten in het midden latende, meen ik toch te mogen gelooven dat de buitenwereld insgelijks op hem een aanmerkelijken invloed uitoefent, en dat het karakter van den mensch die op een lageren trap van ontwikkeling staat, grootendeels afhangt van de natuur welke hem omringt. Uit dien hoofde is het noodzakelijk te achten, dat een ethnograaf die een volk wil beschrijven, eerst de natuur waarin dat volk leeft, tot een onderwerp zijner studie make en haar beschrijve; naar mijne wijze van zien toch is het onmogelijk het karakter van een volk naar behooren te beoordeelen, zijne zeden en gewoonten te verstaan en te begrijpen, zonder eene voorafgaande kennis der natuur, der landstreek waarin dat volk woont, en der indrukken welke van der jeugd af invloed op den mensch hebben uitgeoefend. Hiervan is het, dat afhangt hoedanig gene oorspronkelijk zijn.
Terwijl wij dit gesprek voerden, hield het gekir allengs op der tortelduiven die in kooijen, aan lange staken hangende, voor de meeste hutten der Javanen werden gevonden. Zij zijn grooter beminnaars van het vreedzame, tot rust en stilte uitlokkende gekir hunner duiven (Manoek gegoegoer), dan de Europeër van het slaan van zijn kanarievogel of het gezang der nachtegalen.--De avond viel. Slechts nog enkele Badjing's (eekhoorntjes, Sciurus Platani) zag men hier en daar tegen de boomstammen opklauteren en de laatste straal der zon verdween van de toppen der palmboomen. De Kalong's daarentegen die ginds aan een grooten Djamboe- (Jambosa) boom hingen, begonnen zich te bewegen en vlugten kleine groene papegaaijen (Psittacus vernalis) naderden en gierden, onder een ontzaggelijk gekrijsch, rondom de takken van een hoogen Baloengdangboom (Stravadium excelsum), welke ter linkerzijde van ons stond. Zij zetteden zich op de takken neder, snelden weder weg, kwamen op nieuw terug, vlogen rondom den boom, waren onophoudelijk in beweging en schenen elkander zoo veel te vertellen te hebben, dat het doordringend gekrijsch der kleine snappers ons trommelvlies op eene onaangename wijs aandeed. In dezen boom hielden zij hun nachtkwartier, waarheen zij elken avond wederkeeren. Nog kleinere vogels, zoogenaamde rijstdieven, Boeroeng glatik (Fringilla oryzivora) hadden zich in groote zwermen nedergezet in den Weringinboom, waarnevens wij gezeten waren; weldra echter verstomde hun gekweel, zij begaven zich ter rust.--Nu echter vingen de Kalong's hunne nachtelijke togten aan. Gedurenden den loop van den ganschen dag hadden wij hen onbewegelijk aan hunnen boom zien hangen en ze in de verte voor groote, zwarte vruchten gehouden. Peervormig, als aan dunne steelen, hingen zij bij honderden aan de geheel ontbladerde twijgen; deze schijnbare vruchten waren echter de ligchamen der zoogenaamde vliegende honden (Pteropus edulis), reusachtige vledermuizen ter grootte ongeveer van eene kat, die met den kop naar beneden gekeerd, zich met de achterpooten aan de twijgen vastgehaakt hielden en slechts nu en dan, wanneer het eene dier het andere beet of van zijne plaats trachtte te verdringen, een zacht piepend geschreeuw lieten hooren. Elken morgen keeren zij naar dezen boom, hunne dagelijksche rustplaats terug en laten zich blakeren door den vollen gloed der zonnestralen, die van den vroegen morgen tot den laten avond op hun schraal met haar bezet ligchaam branden. Geen enkel blaadje schenkt hun de geringste schaduw. Hunne uitwerpselen deelen, namelijk, langzamerhand zulk een overvloed van dierlijke meststof aan den bodem mede, dat de daarin wortelende boom spoedig sterft; een onaangename reuk naar Ammoniak verraadt reeds op een aanmerkelijken afstand den aard der zeldzame vruchten, welke aan zijne dorre twijgen hangen.
Terwijl de tortelduiven haar gezang staakten, de apen zich stil tusschen de twijgen verborgen en de papegaaijen en rijstvogels terugkeerden naar hunne rustplaats, was het ondergaan der zon voor deze Kalong's het sein om hunne nachtelijke togten aan te vangen, en zag men den een na den anderen den boom verlaten en met logge vlugt en afgemeten slagen der vleugelhuid door de avondlucht heenzweven. Zij vlogen elk afzonderlijk op een aanmerkelijken afstand achter elkander, doch vormden eene gemeenschappelijke vlugt, welke ter hoogte van ongeveer 100 voet boven het woud in eene en dezelfde rigting landwaarts in zich voortbewoog. Uit eene andere streek des lands, uit het oosten, kwam eene tweede vlugt Kalong's, en deze scheen iets hooger dan de onze te vliegen, welke gene in eene schuine rigting kruiste. De beide vlugten echter, die even als de vakken van een schuifkast welke in eene verschillende rigting worden heengeschoven, digt boven elkander daar heen zweefden, stoorden elkander niet in hunne vlugt. Men zag de groote, zwarte ligchamen der dieren welke tot elk der afzonderlijke vlugten behoorden, zonder op die der andere vlugt acht te slaan, hun eigen togt en in eene lijnregte rigting naar een en hetzelfde doel voortzetten. Het waren ongetwijfeld verschillende bevolkingen van verschillende Kalongstaten, waarvan elk naauwkeurig scheen te weten in welke streek der wouden de boom stond, waar zij hun nachtelijk maal wenschten te houden, niettegenstaande deze menigwerf op een afstand van vele mijlen werd gevonden van de plaats, welke zij hadden verlaten. Vroeger had ik reeds menigmaal des avonds zwermen van deze dieren aan een dergelijken boom gezien, voornamelijk aan een Genitriboom (Elaeocarpus angustifolius), op welks vruchten zij het meest gesteld zijn en rondom welken boom zij dan schreeuwend, kwakend en elkander de vruchten betwistend, heenvlogen.
Bij het toenemen der schemering nam de verfrisschende koelte des dampkrings, waarvan de temperatuur nu tot op 80° Fahr. [26] was gedaald, insgelijks toe en de welriekende geur der Kenangabloemen--van een hoogen boom (Uvaria odorata) welke op de eene of andere plaats in het dorp stond--verspreidde zich in gelijke mate al sterker door de boschachtige streek. Nu werd van tijd tot tijd een vliegend eekhoorntje (Bilok, Pteromys sagitta) zigtbaar dat van den eenen Kokosboom naar den anderen zweefde, en de Javanen begonnen de hoenderhokken onder hunne huizen te versperren en te grendelen. Er sluipen nu niet slechts kleine marter- en wezelachtige roofdieren (Herpestes javanicus, Lisang gracilis en Moesang's) tuk op buit in het rond, maar zelfs de krokodilachtige hagedissen, de Legoean's, komen uit den schoot der wateren te voorschijn, ten einde in de hoenderhokken van het dorp een onwelkom bezoek af te leggen.--Door het aanleggen van vuren op verschillende plaatsen, waarbij eenige wachters waren gesteld van lansen en Gonggong's voorzien, ten einde alarm te maken zoodra er gevaar mogt ontstaan, trachtten onze dorpsbewoners de grootere roovers, de panters en tijgers, van hunne woningen verwijderd te houden; want het wijd en zijd in het rond klinkende, leelijke geschreeuw hetwelk, gelijk de Javanen beweren, het vertrek der tijgers uit hunne schuilplaatsen aankondigt, het geschreeuw der paauwen, werd nu op verscheidene plaatsen in het woud gehoord. Niet slechts waren alle andere vogelen stil, maar ook buitendien liet geen geluid in het woud zich vernemen.--Alleen het gegons der muggen (Moskiten, Tjamok) werd luider en meer algemeen. Het scheen ons toe, dat het in deze vochtige, heete woudstreek onafscheidbaar gepaard ging met den naderenden nacht die met eene snelheid inviel, welke op den nieuweling onder de keerkringen, gelijk mijn broeder was, steeds een zoo diepen indruk maakt. Naauwelijks was een half uur verloopen sedert den ondergang der zon, of de onderscheidene voorwerpen in dorp en woud waren reeds gehuld in den sluijer der duisternis en niets liet zich onderscheidenlijk meer waarnemen.
Nu echter vingen duizende onzigtbare muziekanten aan met het bespelen hunner instrumenten--geluidorganen, tracheën, longblaasjes, snorgaten, enz.,--die allen den oogenblik slechts schenen te hebben afgewacht, waarop de duisternis een zekeren graad had bereikt om plotseling, als op een gegeven teeken, hun veelstemmig vocaal- en instrumentaal concert te doen weêrgalmen. Het scheen dat eensklaps elk blad van elken boom eene stem had ontvangen, ja, dat het gansche woud welluidend was geworden; de lucht trilde, de bladeren tjilpten, de boomen neurieden, tallooze insektenkoren gonsden en zongen en wij waren in staat de verschillendste toonen van den fijnsten fausset tot aan den diepsten bastoon onderscheidenlijk waar te nemen. Het geluid van eenigen geleek op het aanhoudend klinken van eene trillende vioolsnaar, anderen bootsten den schellen, bevenden toon na van het gezang van een jeugdig kind. Eene tallooze menigte levende lichten, als het ware kleine flikkerende sterren, zwierven door het loofgewelf, waar zij binnen een zekeren kring rondom zich heen een helder schijnsel verbreidden. Het was het phosphorlicht van verscheidene soorten van kleine kevers, die het gansche tooneel van den vochtigen bodem af tot aan het hoogste punt van het zich daarover uitbreidende loofdak illumineerden.
Levendig stond ons het beeld voor den geest van ons noordelijk vaderland, waar de avondschemering zoo lang duurt en waar alles bij het toenemen der nachtelijke stilte langzaam tot rust komt. Hoe geheel anders was het hier?--Bijna plotseling volgde hier de diepste duisternis op het heldere daglicht; met het uitblusschen der dagtoorts hield de stilte in de natuur op en het nachtelijke, aanhoudend gonzende, tjilpende, fluitende, krijschende en snorrende concert dat uit duizende insektenkoren was zaâmgesteld, ving aan;--millioenen van Dipteren, vooral muggen en snaken (Tipuliden), benevens nachtvlinders, termiten, loofkrekels, grillen, zingende sprinkhanen, eigenlijke Cicaden, Phasmiden, Mantiden en andere Hemipteren, maar bovenal ontelbare Coleopteren (kevers), die zich gedurende den ganschen dag hetzij in het loof der boomen of in andere schuilhoeken stil verborgen hadden gehouden, vlogen en snorden nu in het rond en bragten toonen voort, die allen zamensmolten tot een oorverdoovend, tjilpend gegons, waaraan zich de stemmen paarden van hagedissen en kikvorschen, die zulks met helder geluid van elken boom en op dofferen toon uit alle plassen accompagneerden.--Somtijds gebeurde het, terwijl het algemeene gegons aanhoudend voortduurde, dat het luide krijschen en snorren iets verminderde, ja, menigwerf geheel en al ophield,--eensklaps echter, als ware het op het gegeven sein eens kapelmeesters, begon weder op nieuw een koor van honderd duizend muziekanten, allen te gelijk, hunne krijschende diskantstemmen te verheffen, die zoo luide klonken dat het ons door het hoofd dreunde. Tot deze laatstgenoemden die het hardst schreeuwden, moesten meer bijzonder worden gerekend groote Cicaden (Tosena-soorten en anderen) die zich in de toppen der boomen ophouden. Onze jongens wisten ze echter, door middel eener brandende kaars welke zij in het digtste gebladerte hadden gesteld, uit hunne hooge verblijfplaats naar beneden te lokken en met honderd andere soorten van insekten in hunne netten te vangen.
Uit eenige gaten in den grond was zulk eene verbazende menigte gevleugelde termiten, Rajap (Termes fatalis) te voorschijn gekomen, dat wij ons den mond moesten bedekken om ze niet ongebraden [27] te moeten opeten. Zij strekten aan de fladderende, insekten vangende vledermuizen tot eene gemakkelijk te verkrijgen prooi. Ook eenige Kaprimulgen zagen wij in enge, steeds terugkeerende kringen over het Aloenplein rondvliegen, waar hunne in de snelste vlugt daar heen zwevende ligchamen van tijd tot tijd tegen den meer helderen hemel zigtbaar werden.--Even als met de groote meerderheid der vogelen des morgens en gedurende den loop van den dag het geval was geweest, vierden de ontelbare zwermen insekten nu des avonds en gedurende de eerste helft van den nacht hun levensfeest. Zoo menigwerf een koor Cicaden met hunne schelle, krijschende stemmen mede instemden in het algemeene concert, dan vingen zij allen te gelijker tijd, eensklaps aan, zwegen allen te gelijker tijd plotseling, op eens, en hielden zoo naauwkeurig maat dat wij, uithoofde van de duisternis welke ons omringde, moesten gelooven, dat zij elkander konden hooren (hoewel zij geen gehoororgaan bezitten) of dat zij op de eene of andere wijze met elkander in verstandhouding stonden. Even als onder de roepende kikvorschen, konden wij insgelijks onder deze cicaden op het bloote gehoor eene groote verscheidenheid van soorten onderkennen, aan den meer of minder schellen of diepen toon, waarin zich steeds eene zekere soort van maat liet waarnemen.
Lang verbleven wij onder onzen boom, luisterende naar deze stemmen van den nacht.--Vele duizenden van dieren bewogen zich om ons heen, omtrent wier levenswijze wij niets wisten, ja, welligt nooit iets te weten zullen komen. Door het loof des Weringinbooms zagen wij boven ons hoofd het flikkeren van sterren,--het licht van vreemde, ver van ons verwijderde hemelligchamen,--waaromtrent wij nog veel geringere kennis bezaten. Wij dachten aan onze zwakke krachten, aan de zwakke krachten van een mensch, aan den korten duur van 's menschen leven en wij verzonken in diepen weemoed bij het aanschouwen van den onuitputtelijken rijkdom der natuur welke ons omgaf, die naar alle rigtingen, daar boven ons in de sterrenwereld gelijk hier beneden in het dieren- en plantenrijk, zoo volkomen ondoorgrondelijk is.--De zon der wetenschap zal hare diepte pogen te verlichten, maar nimmer zal zij doorgrond worden. Een zacht en troostrijk schijnsel rijst echter tot ons opwaarts uit deze ondoorgrondelijke diepte;--in de oneindige verscheidenheid waarin wij ons schijnbaar verliezen, spreekt toch Een grondbeginsel, Eene algemeene waarheid tot ons: elk dier geniet naar zijn aard; het is zoodanig ingerigt om te kunnen genieten, het eene des daags, het andere des nachts, het eene in den zonneschijn, het andere in de schaduw;--al deze duizenden met leven begaafde gestalten verheugen zich in het genot huns levens, zij genieten en de grondoorzaak der natuur welke zich in dergelijke wetten openbaart, moet noodzakelijker wijze eene goede, weldadige, liefderijke oorzaak wezen, die volkomen bewust is van het doel waarnaar zij streeft - - -