Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java
Part 2
DAG. In geenen deele, broeder Nacht. Gij verkeert in dwaling, waarin trouwens eenige millioenen uwer geloofsgenooten mede zijn vervallen. Niettegenstaande dit alles, moet ik u rondweg verklaren, dat gij het spoor geheel en al bijster zijt. Er zijn thans ruim achttien eeuwen verloopen, sedert Jesus van Nazareth zijne geloofsleer verkondigde en ongeveer 12 à 1300 jaar sedert het tijdstip, waarop die leer onder de Germaansche volkstammen, in het hart van Europa gevestigd, meer algemeen is verbreid geworden. En van wanneer dagteekent nu die buitengewone wetenschappelijke en industriële ontwikkeling bij de Europesche volken, in zoo verre deze een hoogeren trap hebben bereikt, dan waarop vele zoogenaamde Heidensche volken staan, als de Japannezen, Chinezen, Hindoes?--Zij dagteekent ter naauwernood van vóór 200 jaren, en wat betreft de tegenwoordige hooge vlugt, de buitengewone vooruitgang, die in alle takken van nijverheid wordt waargenomen--het heldere licht, verspreid door de ontdekkingen, op het gebied der natuurlijke wetenschappen gemaakt, waardoor het leven en het verkeer der volken eene gansch andere, nieuwe, vroeger niet mogelijk geachte gedaante heeft verkregen, eene vlugt die nog dagelijks als met arendsvleugelen hooger stijgt,--deze dagteekent nog niet van vóór een honderd jaren! En op welken trap van intellectuele en industriële beschaving stonden deze zelfde Christenvolken in de voorafgegane eeuwen, sedert de invoering des Christendoms?
De grofste onwetendheid, het verregaandste bijgeloof lag als een dikke nevel uitgestrekt over deze volken en onderdrukte elf à twaalf honderd jaren lang elke vrijere ontwikkeling des geestes; het geloof aan de openbaringen des bijbels, aan de onfeilbaarheid der kerkelijke orakelspreuken, verstikte alle zelfstandigheid van denken, weêrstreefde elk onderzoek der natuur en stelde wonderen in de plaats der natuurwet, verbreidde duisternis, waar het licht had moeten aanbrengen. Ge zult mij toch wel niet tegenspreken, dat de oude Grieken en Romeinen, lang vóór de geboorte van Christus, een veel hoogeren graad van beschaving bezaten, dan den Christenvolken gedurende de middeleeuwen eigen was?--En wee! die zeldzame mannen, die het durfden wagen een schuwen lichtstraal in de duisternis te willen werpen! Was aan Galileï het treurige lot niet beschoren nog in de 17de eeuw door de priesters van Christus als ketter te worden vervolgd, dewijl hij eene eeuwige waarheid verkondigde en verdedigde, welker bestaan Korpernicus reeds had erkend,--moest hij niet, nog in 1633, voor de regtbank der inquisitie zweeren, te gelooven, dat de aarde in de hemelruimte stil stond?! Leverde het midden 18de eeuw niet nog het schouwspel op, dat ketters verbrand, heksen op de pijnbank der inquisitie gefolterd werden?--ja, wat zeg ik, heeft men niet nog vóór korten tijd, in de tweede helft der negentiende eeuw, gezien dat deze priesters "van Christus," gelijk zij zich noemen, van Christus die slechts liefde, vergevensgezindheid predikte--den vloek, den banvloek! uitspraken en menschen, die den bijbel hadden gelezen, tot de galeien doemden?--Ik wil hopen, dat Jesus niet andermaal zal geboren worden; want indien dit geschiedde en hij optrad tegen deze priesters, die zich naar zijnen naam noemen--en zeker zou hij zulks doen, gelijk hij reeds eenmaal te velde trok tegen de huichelarij der Joodsche priesters, der Pharizeën--dan zouden zij hem als een valschen Messias aanklagen, veroordeelen, en ten tweeden male kruisigen!
NACHT. Het is zeer wel mogelijk. Ge weet, dat ik, wel is waar, in het Katholieke geloof ben opgevoed, echter geenszins behoor tot de vereerders der hierarchie, sedert ik zelfstandig heb leeren denken. Gij spreekt van de gruwelen door het Pausdom veroorzaakt, van de huichelende priesterschaar, die heerschen wil en gaarne in troebel water vischt; maar al hetgeen door u is aangevoerd strekt eigenlijk toch slechts ter verheerlijking van het Christendom! Want ge zult toch met mij bekennen, dat het licht der gezuiverde Christelijke leer, sedert den tijd dat Luther in 1520 de Pausselijke bul verbrandde, op eene zegevierende wijze al deze nevelen voor zich uit heeft gedreven en thans een groot gedeelte der oude en nieuwe wereld met zijne stralen beschijnt, door wier koesterende en weldadige warmte kunsten en wetenschappen alom tot de heerlijkste en krachtdadigste ontwikkeling zijn gekomen?
DAG. Broeder Nacht, ge komt hier andermaal tot eene geheel verkeerde gevolgtrekking. Het Christendom heeft niets gemeens met dezen bloei der kunsten en wetenschappen, want uit zijn aard is het volslagen ongeschikt eenig licht op het gebied daarvan te verspreiden. Dit is in zulk eene mate het geval, dat het, in plaats van eenige aanleiding en aansporing te geven tot het onderzoeken der natuur, tot het navorschen van de werken des Scheppers, in tegendeel allereerst en bovenal voorschrijft te gelooven aan wonderen, vast te gelooven aan het onbegrijpelijke, het onmogelijke, aan hetgeen in strijd is met alle ervaring, met alle bekende wetten der natuur.--Het is waar, de zedeleer, welke het Christendom predikt, is aanprijzenswaardig, moet hoog worden geschat, want zij leert ons het goede van het kwade te onderscheiden, zij boezemt liefde tot de deugd in, stelt medelijden jegens onze natuurgenooten ten pligt. Deze leer echter is de menschelijke natuur eigen, sedert den aanvang van haar bestaan, en het licht dat sedert eene eeuw, maar met helderen glans eerst in de laatst verloopen vijftig jaren in het intellectuele en industriële leven der volken is opgegaan, zijn wij eenig en alleen verschuldigd aan de natuurlijke wetenschappen, aan de geniale en grondige studie der natuurwetten en der werken van den verheven Schepper,--aan de steeds in zekerheid toenemende kennis van hetgeen wij daar boven aan den hemel, hier beneden op de aarde ontwaren, en is bovenal in ruime mate gevloeid uit de ontdekkingen, gedaan op het gebied der geologie, der sterre- en scheikunde, der physica en physiologie; hierdoor hoofdzakelijk is de waarheid aan den dag gebragt en alom verkondigd geworden, die het godsdienstig bijgeloof steeds binnen engeren kring trachtte te beperken. Dit hebben de Christelijke priesters ook overal en door alle eeuwen heen zeer wel gevoeld en begrepen; uit dien hoofde hebben zij, sedert de stichting der hierarchie tot op den tijd van Galileï en van Galileï tot op den huidigen dag, ijverig gestreefd deze waarheid te onderdrukken, de vatbaarheid daarvoor--door hunne wijze van onderrigt--in het kinderlijk gemoed te verstikken, den natuuronderzoeker in zijne navorschingen te breidelen of hem er om te vervolgen; want de natuurkundigen zijn het, die vijandig tegen hen overstaan, die de sombere schaduwen, welke de priesterrok rondom zich werpt, door een steeds grooter wordend tal van lichtstralen in helderen dag dreigen te herscheppen. Zij, de obscuranten, leven en bewegen zich met welbehagen alleen in die met nevelen der onwetendheid bezwangerde lucht, waarin geen ander licht kan doordringen dan hetgeen door wonderen en bijgeloof, als door beschilderde vensterglazen, is verdonkerd en gebroken. Het is de pligt van den natuuronderzoeker tegenover hun geloof aan wonderen de natuurwet--de duidelijke verklaring--te stellen. Hij zou met zich zelven in tegenspraak zijn, hij zou niet langer natuurkundige, schei- of sterrekundige zijn, het niet kunnen zijn, indien hij aan wonderen geloofde, indien hij in staat was zijn eerste axioma--zijn evangelie: de eeuwige onveranderlijkheid en regelmatigheid der natuurwetten, te verloochenen. Alle wetenschap houdt op, zoodra de mogelijkheid van het tegendeel wordt aangenomen.
NACHT. Maar dewijl gij toch met mij gelooft, dat God almagtig is,--waarom zou hij dan niet ééne enkele maal de werking van eenige zijner natuurwetten tijdelijk hebben geschort, doen ophouden of in een tegenovergestelden zin hebben veranderd, ten einde zijn eenig geboren zoon op aarde te zenden en ons zondige menschen gelukkiger te maken?
DAG. Beste broeder, vergeef het mij! Hetgeen gij daar zegt, kan mijn mond niet uitspreken, kan mijn verstand niet bevatten.
Wij bewonen een van de acht planeten, welke met de 27 zoogenaamde kleine planeten of asteroïden in kringen om de zon wentelen en die gedeeltelijk de aarde in grootte verre overtreffen. De zon zelve is slechts een van de duizende, insgelijks veel grootere zonnen, die--ofschoon aan ons oog slechts als zoogenaamde vaste sterren zigtbaar--aan den hemel fonkelen. Wij kunnen toch niet aannemen, dat van al die duizende zonnen slechts om deze ééne--om de onze, die niet tot de grootsten behoort--planeten zich wentelen, en nog veel minder, dat onder al die planeten, welke tot deze en tot die duizende andere zonnen behooren, alleen op onzen kleinen aardbol levende wezens wonen, met geest- en denkvermogen begaafd?--Zou het niet hoogst ongerijmd zijn te veronderstellen, dat die tallooze zonnen, met hare planeten en trawanten, uitsluitend in het aanwezen zijn geroepen om den wille der 950 millioen menschen, die (thans) op deze aarde leven en dat deze schaar van zoo onvolkomene wezens,--gelijk de menschen inderdaad zijn, die sedert hare schepping tot op den huidigen dag zich op niets met zoo veel ijver hebben toegelegd dan om elkander te vermoorden, te kwellen en te plunderen,--dat zij in het oog van den Schepper des heelals zoo hoog hebben gegolden, dat Hij om den wille van hen en om hen alléén die verbazende menigte veel grootere hemelligchamen heeft geschapen, welke wij in de onpeilbare hemelruimte nog op de verste afstanden ontdekken, tot waar ons oog met de reusachtige telescopen reikt. Wij moeten derhalve noodzakelijkerwijze uitgaan van het denkbeeld, dat ook op al deze andere hemelligchamen, althans op de meesten (dezulke, welke geschikt zijn om door bewerktuigde wezens te worden bewoond) levende, met verstand begaafde schepselen aanwezig zijn, daargelaten dat zij welligt eenigzins anders gevormd en bewerktuigd zijn dan wij.
En wat heeft God nu gedaan, volgens de Christelijke geloofsleer?--Nadat de menschen reeds gedurende vijf duizend jaren of iets langer op de aarde hadden voortgestrompeld,--gedurende welk tijdperk reeds vele rijken ontstaan en weder te gronde waren gegaan, natiën op het schouwtooneel der wereld waren getreden en het hadden verlaten, waarbij veel bloed vergoten, veel gruwzaamheid gepleegd, vele zonden waren bedreven,--zag de Schepper ten laatste in, dat het zoo niet langer gaan kon; hij begreep eindelijk, dat hij zijn werk (den mensch) niet doelmatig genoeg had ingerigt en dat dit werk noodzakelijkerwijze eenige reparatien en verbeteringen moest ondergaan. "Hij had of schiep een zoon" en zond dezen op de aarde om het menschdom deugd en liefde tot den naaste te prediken en te doen beoefenen, hetgeen hij dan ook met zulk uitstekend gevolg in praktijk bragte, dat de dankbare tijdgenooten hem daarvoor bespotteden, hoonden, beschuldigden, ja, eindelijk tot den martelaarsdood veroordeelden en aan het kruishout nagelden!--Maar nu was God met zijne schepselen verzoend; nu mogten zij zondigen naar hartelust en zoolang zij verkozen, of nog zullen verkiezen, mits zij er te eeniger tijd slechts berouw over gevoelen, dan kunnen zij de zaligheid toch nog deelachtig worden; want heeft hij niet zijn eigen zoon--het lam [5] Gods--tot verzoening voor de zonde der menschen gegeven en hem--aan wien--daarvoor ten offer gebragt?--: aan zich zelven.
Die in hem gelooven, zullen in het koningrijk der hemelen komen, en hun aantal bedraagt thans ongeveer 245 millioen. Wat de overige 705 millioen menschen betreft--Joden, Mohammedanen en zoogenaamde Heidenen,--die behalve de zoo even genoemden op de aarde wonen, hun vooruitzigt is zeer duister, dewijl het geloof in Jezus bij hen geen wortel wil schieten, en wat aangaat de 35 millioen Grieksch-Katholieken, zoo mede de 60 millioen Gereformeerde ketters (die, wel is waar, in Jezus Christus, maar niet aan de goddelijke magt van den Paus gelooven) met hen is het, volgens de leer "der alleen zaligmakende heilige kerk," geen haar breed beter gesteld dan met de Heidenen; het gevolg hiervan is, dat er van de 950 millioen bewoners dezer aarde eigenlijk slechts 150 millioen gelukzaligen (Pausselijk-Katholieke menschen) overblijven, voor wie het goddelijke zoenoffer de poorten des hemelrijks heeft kunnen openen.--En wat zal er worden van de bewoners der overige duizenden bij duizenden van planeten en zonnen, welke in het heelal zweven en zich in elliptische banen bewegen?--dat kan niemand bepalen, indien zij, namelijk, van den aanvang af niet op eene meer volkomene wijze zijn gevormd dan wij--of indien zij geene Christenen zijn,--indien de zoon Gods ook niet bij hen een bezoek heeft afgelegd,--niet den oneindig langen togt door het heelal heeft ondernomen,--indien hij niet van trawanten naar planeten, van planeten naar zonnen, van zonnen naar melkwegen en nevelvlekken is getogen om overal, waar het werk zijns vaders en van zijn meester niet goed ging, het noodige er aan te herstellen en te verbeteren!--Waarachtig, broeder Nacht, wat zou ik een erbarmelijk denkbeeld moeten opgevat hebben van den alwijzen Schepper, indien ik zulke soort van nesterijen kon gelooven,--indien ik zoo iets dacht van den oneindigen, eeuwigen Maker van het heelal, die niets onvolkomen heeft daargesteld, die het kleinste wormpje, het onbeduidendste plantje en hoe veel te meer niet den mensch! van den aanvang af zoodanig heeft gevormd, dat, door de krachten waarmede Hij hem heeft begiftigd en die Hij aan eeuwig onveranderlijke, onverbreekbare wetten onderwierp, alles wat leeft en zich beweegt en door zijnen adem wordt bezield, door zich zelven en uit zich zelven zijne ontwikkeling, voleinding en eindelijke bestemming onfeilbaar te gemoet gaat, zonder dat op eenigerlei wijze de wetten, de eenmaal in het leven geroepen krachten, herstelling of verbetering behoeven.--En, aangenomen dat zulks denkbaar, dat zulks mogelijk was, dan vraag ik u: wat heeft dan dat buitengewone gezantschap van God op aarde uitgerigt? Wat heeft het geholpen?--zoudt ge durven beweren, dat de menschen sedert dien tijd beter en gelukkiger zijn geworden?
Wend uwe blikken om u heen, sla Europa gade! Wat ziet ge? Ellende, armoede, hongersnood, gevangenissen en andere dergelijke strafinrigtingen opgepropt met misdadigers; slavenhandel, die onder de bescherming van Christelijke wetten sedert eeuwen wordt gedreven; diefstal, moord,--ontevredenheid door de volken gevoed jegens hunne regeerders, bloedige omwentelingen, vrees der heerschers voor hunne volken,--oorlog!--schepen en vestingen laat men in de lucht springen en duizenden van menschen vallen in één enkelen oogenblik als een offer des doods; hier ontwaart gij wederzijdsch wantrouwen, haat tusschen de onderscheidene Christensekten, ginds aanmatiging der priesters, kuiperijen der Jesuïten; van godsdienst vindt gij buiten de kerken zelfs geen spoor, in de kerken veel huichelarij en schijnheiligheid.
Werp uwe blikken achter u. Daar ontwaart gij een vreesselijk schouwspel, dat nu sedert 1800 lange jaren voortduurt. De aanbidders der oude goden van Griekenland vangen het treurspel aan; bloedig vervolgen en martelen zij de nieuwe Christenen en brandstapels besluiten het, waarop Christenen Christenen--tot vreugde van Christenen in de vlammen offeren! Daar wordt het ijzingwekkende cyclorama voor uw oog ontrold, waarop met vlammende en bloedige kleuren de geschiedenis des Christendoms is afgemaald. Langzaam ontwikkelt het zich voor uwen starenden blik. Eerst ziet gij niets dan den duisteren, bijna tien eeuwen langen nacht der middeleeuwen, zoo vol gruwelen;--te vergeefs tracht gij eenig schemerlicht van geestesleven te ontdekken;--dikke wolken verduisteren den hemel, zij rusten op de aarde, het schrikbewind der hierarchie bespiedt der menschen gangen van zijne geboorte af tot aan den oogenblik van zijn verscheiden, ja, zelfs zijne gedachten worden gekluisterd;--het vreesselijkste zedebederf heerscht alom onder alle volken van Europa en elke natuurlijke ontwikkeling der vermogens, die in hen sluimeren, wordt zorgvuldig onderdrukt;--rijke kloosters zweven bij duizenden aan uwe blikken voorbij; de landman legt de vruchten, die hij in het zweet zijns aanschijns aan de aarde heeft ontwoekerd, aan hunne poorten neder, en, onder de bescherming des kruises, worden zij door weelderige monniken en nonnen verbrasd;--processiën trekken voorbij met reliquienkasten en opgesierde beelden, waaraan goddelijke eer wordt bewezen, op het aanschouwen waarvan ieder, die zich bewegen kan, de knieën ootmoedig buigt;--hier hoort gij het aflaatgeld, betaald voor zonden, die men reeds heeft gedaan of nog zal bedrijven, in de kisten rammelen, en ginds verneemt men slechts banvloeken in de stilte van den nacht, welke loodzwaar op een gansch geëxcommuniceerd of onder interdict gelegd koning- of keizerrijk drukt; zelfs de lijken der gestorvenen mogen aldaar niet aan den schoot der aarde worden toevertrouwd;--maar eensklaps wordt de stikdonkere duisternis door een helder licht vervangen, de hooge hemel is met een rooden gloed overtogen, flikkerende vlammen verheffen zich boven den horizon, Auto da Fé's worden gehouden! en--een en dertig duizend menschen, beschuldigd of slechts verdacht van af te zijn geweken van het eenig ware geloof der Pausselijke kerk, worden de een na den anderen, somtijds een half dozijn te gelijk, levend voor uwe oogen verbrand!--Welk somber gebouw wordt ginds al nader gevoerd, en welke jammertoonen treffen van daar uw oor?--Het zijn de kerkers, casa santa, der inquisitie, waar honderden van Joden en Mooren, die het voorvaderlijk geloof niet wilden afzweren, hunne ketenen doen rammelen;--uit gindsche zaal stijgt het geklag en gejammer van onschuldige heksen op, die door de priesters van Christus verdacht zijn geworden, dat zij met booze geesten in betrekking stonden; zij worden gefolterd en liggen op de pijnbank, van waar nu hun gekerm, dat te vergeefs om "erbarming" smeekt, uw oor doorklieft en uw hart doet bloeden!--en zie hier--een schavot is opgerigt en ge ontwaart zeven ketters te gelijk, die, beschuldigd van getwijfeld te hebben aan de Goddelijke roeping des Pausen, door de hand der "heilige Christelijke beulsknechten" levend worden geradbraakt!--Het panorama ontrolt zich verder; zal het dan nimmer eenige verblijdende, eenige lichttooneelen opleveren?--Een koene monnik staat daar te Wittenberg; hij heeft zijne 95 stellingen in schrift gebragt, aan de slotkerk aangeplakt en werpt nu de Pausselijke bul, die hem als aartsketter vervloekt en in den ban doet, in het flikkerende vuur;--maar dit vuur verbreidt zich in het rond, godsdienstoorlogen ontbranden, steden en dorpen staan in lichtelaaije vlam en lijken wentelen zich, dertig jaren lang, in hun bloed voorbij uwe ontstelde blikken!--De heerschzucht van Rome en van hare knechten, welke op geen ander regt steunt, op geen anderen grond is gebouwd, dan op gewetensdwang, op geestesnacht en bijgeloof, heeft nu een strijd op leven en dood aangevangen met het licht der Hervorming;--de schoonste gewesten van Duitschland worden verwoest, ontvolkt;--in de Nederlanden neemt een Hertog van Alba het ambt des beulen waar, onder wiens bijl de hoofden van 18000 bewoners vallen en in Frankrijk vervullen de gruwelen, gepleegd gedurende den Bartholomeusnacht, welken gij nu ziet, uw gemoed met afgrijzen; uwe haren rijzen er van te berge! Maar ginds in Rome staat de "Stedehouder van Christus"; hij viert een plegtig Te Deum en schrijft een jubileum uit voor den welgelukten moord van 35000 Hugenooten!--Maar nog is de schilderij vol jammertooneelen niet geheel ontrold. Zij schijnt eindeloos te zijn en ontplooit zich voortdurend verder en verder voor uwe blikken;--in Spanje zet het "heilig officie" zijn woeden voort;--in Frankrijk verrijzen de Cevennes voor uwe blikken en aldaar worden 40000 arme Camisards, om den wille van hun Christelijk geloof (dat niet zuiver Pausselijk was), gehangen, geradbraakt, verbrand!
Eindelijk,--eindelijk schijnt het eenigzins rustiger, lichter te willen worden op het tooneel waar 't Christelijk treurspel wordt vertoond. In de plaats van het blind gelooven begint een meer bevruchtend weten te treden, en de kleuren, welke de schilderij ons nu aanbiedt, worden allengs zachter. Gij ziet niet meer zoo veel bloed als vroeger het geval was, geplengd uit godsdiensthaat, bedrog en heerschzucht;--ja, in plaats daarvan begint het licht der wetenschap allengs overvloediger te ontwellen aan die onuitputtelijke bron, welke het onderzoek der natuur daaraan heeft geopend; het werpt nu zijne weldadige stralen--voor het papendom ware banstralen--meer en meer naar alle zijden heen; de grenzen tot waar het zich uitstrekt, worden steeds verder vooruit gedrongen, en het bezigen dier werktuigen, waarvan de hierarchie zich zoo gaarne bediende tot "bekeering of uitroeijing" van degenen, die zij "ketters" noemde, 't geen meestal slechts geschiedde uit gouddorst, uit heersch- of hebzucht, wordt met elken dag meer en meer onmogelijk;--maar in plaats van hel en vagevuur, in plaats van interdikt, vergift, dolk, kerker, pijnbank, galg, rad en brandstapel sluipen nu Jezuïten rond, Jezuïten!--die overal en nergens zijn, die nu eens in groote menigte als sprinkhanen door de lucht vliegen, dan weder als mollen stil en eenzaam door den grond heenwroeten, maar niettemin altijd onvermoeid en in alle landen bezig zijn om het licht der wetenschap, dat zij niet meer kunnen tegenhouden, zoodra het eenmaal uitgestort is, in zijne BRON te verstoppen, het kinderlijk gemoed zoodanig te verstompen, dat het de vatbaarheid verliest voor de indrukken van waarheid en licht, den geest in de kiem te verstikken:--zich het onderrigt der jeugd in de handen te spelen!--Somtijds schijnt het, als ware die algemeene plaag geheel en al verdwenen; maar, vreesselijke dwaling! Slechts zij, die den naam er van droegen, zijn heengegaan en duizend anderen, zwart als de raven, die bij voorkeur op en in de kerken nestelen, zijn achtergebleven; want Jezuïten in grondstellingen en daden zijn zij allen, ALLEN, die trouw hebben gezworen aan gindsche zwarte banier, die Galilei dwong zijne woorden te herroepen en Huss tot den brandstapel veroordeelde.
Zoo beweegt zich het reusachtige cyclorama en wordt het voor uwe blikken ontrold. De zwaarste, donkerste wolken hebben zich allengs ontlast; maar niettegenstaande dat alles kondt gij in het jaar 1853 de verzuchtingen nog hooren van twee "ketters", die door de inquisitie tot levenslange kerkering waren gedoemd!
Openlijk durf ik beweren, dat de Christelijke geloofsleer tot heden slechts onwetendheid en bijgeloof heeft bevorderd, slechts misleiding des geestes, tot heersch- en hebzuchtige doeleinden, heeft begunstigd, niet dan ellende, onheil, godsdiensthaat, oorlog en vervolgingzucht, met alle gruwelen, waartoe hardvochtige priesters in staat zijn, heeft gekweekt en dat het licht, hetwelk sedert een of anderhalf honderd jaar in den nacht van waangeloof en bedrog--doch in verre na nog niet algemeen genoeg--is begonnen te gloren, zijn oorsprong is verschuldigd aan de beoefening der natuurlijke wetenschappen.
NACHT. Gij hebt in uwe rede bijna uitsluitend op de Roomsen-Katholieke kerk gedoeld....
DAG. Eenvoudig hierom: de gevolgen, welke uit het geloof aan wonderen voortspruiten, laten zich bij haar het duidelijkst waarnemen; daarenboven bevat zij in haren schoot de groote meerderheid der Christenen, want met inbegrip der Grieksch-Katholieken telt zij, volgens de laatste berekeningen, 185 millioen zielen, en de gezamenlijke Hervormde kerkgenootschappen slechts ongeveer 60 millioen.